CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1. Toelichting NL.IMRO.0321.0700PROVWEG5758-VSBP d.d. 2 november 2021.pdf

Gemeenteraad 25 januari 2022, gemeente HoutenBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan Provincialeweg 57-5816.178 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft het omzetten van een agrarische bestemming naar een woonbestemming en het toevoegen van één burgerwoning. Het project is aan te merken als een project van ”niet in betekenende mate”. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Op de volgende afbeeldingen zijn de globale concentraties over 2017 van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) weergegeven.

Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied

24

bedragen respectievelijk 17 μg/m³ PM10, 10 μg/m³ PM2,5 en 14 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan. 4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Het voorgenomen plan betreft de bestemmingswijziging van de bestemming 'Agrarisch' naar 'Wonen', tevens wordt er één vrijstaande woning gerealiseerd. Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Eiland van Schalkwijk' gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Schalkwijk. In de omgeving van het plangebied zijn woningen en (agrarische) bedrijven aanwezig. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is aangegeven dat lintbebouwing in het buitengebied met een agrarisch karakter aan te merken is als gemengd gebied. Het plangebied wordt derhalve aangemerkt als 'gemengd gebied', waardoor de richtafstanden met één stap kan worden verlaagd, met uitzondering van het aspect gevaar.

25

De navolgende tabel toont een overzicht van de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. Activiteit

SBI-code

Adres

Kwekerij

011, 012, Provincialeweg 013 51 Autohandel 451, 452, Provincialeweg 454 53 Melkveehouderij 0141, 0142 Provincialeweg 56 Fruitteelt/ tuinbouw 011, 012, Provincialeweg 013 63 Machineverhuur 773 Overeind 58 Melkveehouderij 0141, 0142 Overeind 60 Scooterhandel 451, 452, Overeind 66 454 Agrarisch bouwvlak - akker- en 011, 012, Overeind vollegrondstuinbouw/ veehouderij 013 0141, 71/72/73 0142

Milieucategorie Richtafstand Minimale (maximaal gemengd afstand toegestaan) gebied tot het plangebied 2

10 m

175 m

2

10 m

100 m

3.2

50 m

15 m

2

10 m

150 m

3.1 3.2 2

30 m 50 m 10 m

115 m 55 m 40 m

3.2

50 m

150 m

Grenzend aan het plangebied ten noordwesten van het plangebied is een agrarisch bouwvlak gelegen, waarbinnen een melkveehouderij actief is. De woningen horende bij de Provincialeweg 57 en 58 zijn op een afstand van ca. 15 m van het agrarisch bouwvlak gelegen. Voor een grondgebonden veehouderij geldt een milieucategorie 3.2, met een richtafstand (binnen gemengd gebied) van 50 meter voor het aspect geur. De beoogde ontwikkeling voldoet niet aan deze richtafstand. Voor de aspecten stof en geluid geldt een richtafstand 10 meter (gemengd gebied). Aan deze richtafstanden wordt wel voldaan. Geurhinder en veehouderij Veehouderijen kunnen geurhinder veroorzaken vanwege bijvoorbeeld dierenverblijven, mestbassins, mestverwerking en opslag van voer. Bij het aspect geur in een bestemmingsplan voor een buitengebied gaat het aan de ene kant om de bronnen van geur (veehouderijen) en aan de andere kant om het eventueel mogelijk maken van geurgevoelige objecten, zoals in dit geval woningen. Op deze locatie vormt het Activiteitenbesluit het toetsingskader voor vergunningverlening op het gebied van geur veroorzaakt door naburige dierenverblijven. Veehouderijen die onder het Activiteitenbesluit vallen, moeten in principe voldoen aan de in dat besluit genoemde minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten, tenzij er sprake is van een reeds bestaande situatie.

In het Activiteitenbesluit is de tekst van de Wet Geurhinder en Veehouderij (verder: Wvg) vrijwel integraal opgenomen. De handreiking behorende bij de Wgv is weliswaar niet van toepassing maar kan wel als richtinggevend worden beschouwd om te beoordelen in hoeverre een ruimtelijk plan voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Met name paragraaf 3.4 (beoordeling ruimtelijke ordeningsplannen) en bijlagen 6 en 7 van de handreiking. In paragraaf 3.4 staat het volgende vermeld over bouwen binnen geurcontouren: “Als de veehouderij niet in zijn belangen wordt geschaad en tevens een goed woon- en verblijfklimaat kan worden gegarandeerd, is het toelaatbaar om binnen de contour van de geldende norm geurgevoelige objecten te bouwen”. Er wordt daarbij verwezen naar jurisprudentie. Melkveehouderij Provincialeweg 56 Schalkwijk Voor woningen binnen de bebouwde kom is in het Activiteitenbesluit bepaald dat bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor 100 m afstand moeten houden tot geurgevoelige objecten. De aan de Provincialeweg 56 gelegen melkveehouderij voldoet hier niet aan, want er zijn binnen de geurcontour van 100 m reeds meerdere woningen van derden gelegen. Het bedrijf zit derhalve ‘op slot’. Wanneer een veehouderij op slot zit worden de mogelijkheden ervan niet beperkt als er extra geurgevoelige objecten binnen de geurcontour worden gebouwd.

26

Voorwaarde is dat de extra geurgevoelige objecten niet dichterbij het agrarische bouwvlak dan de reeds bestaande geurgevoelige objecten worden gesitueerd. In de huidige situatie is het plangebied bestemd met de bestemming 'Agrarisch' en zijn er binnen de monumentale boerderij twee wooneenheden aanwezig. De beoogde ontwikkeling betreft de wijziging van de bestemming 'Agrarisch' naar de bestemming 'Wonen' en het toevoegen van een vrijstaande woning. De beoogde extra burgerwoning is op circa 70 m ten noordwesten van de perceelsgrens van het agrarische bouwvlak gelegen. De burgerwoning aan de Provincialeweg 55 grenst direct aan het agrarische bouwvlak en heeft daarmee een kleinere afstand tot het agrarische bouwvlak dan de woningen binnen het plangebied. Het voorgenomen plan maakt geen geurgevoelige objecten mogelijk op een kortere afstand van het naastgelegen agrarische bedrijf dan reeds aanwezig. Derhalve dient hooguit bepaald te worden of er sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. In de huidige situatie is de monumentale boerderij reeds bewoond om een goed woonen verblijfklimaat in de toekomst te kunnen garanderen is een inpassingsplan opgesteld, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1.

Doordat op de grens tussen de melkveehouderij en het plangebied, aan de zijde van de sloot, heester en bomen worden gepland ontstaat er een natuurlijke afscheiding tussen het plangebied en de naastgelegen melkveehouderij. Hierdoor zal het woon- en verblijfklimaat verbeteren ten opzichte van de huidige situatie en zal dit voor in de toekomst gewaarborgd blijven. Verder moet worden nagegaan of de beoogde ontwikkeling milieubelastende activiteiten omvat. In onderhavig plan gaat het om de bestemmingswijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. Tevens is het voornemen maximaal 6 pony's hobbymatig te houden en zullen de bewoners van de woning aan de Provincialeweg 57 een beroep-aan-huis uitoefenen in de vorm van dagbesteding voor zorg- en/ of hulpvragende mensen. Er zal in dit geval geen sprake zijn van milieubelastende activiteiten, dit zal onderstaand verder onderbouwd worden. Dagbesteding voor zorg- en/ of hulpvragende mensen De bewoners van de woning aan de Provincialeweg 57 zullen tevens een beroep-aan-huis uitoefenen in de vorm van dagbesteding voor zorg- en/ of hulpvragende mensen. Hierbij zal niet meer dan 1/3 van de woning aan de Provincialeweg 57 en niet meer dan 100 m² van het woonoppervlak in gebruik worden genomen ten behoeve van het oefenen van een beroep aan huis.

In het kader van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is een dagbesteding aan te merken als 'dagverblijf' (SBI: 8621, 8622, 8623). Voor dergelijke inrichtingen geldt milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 m in gemengd gebied. Hobbymatig houden van maximaal 6 pony's Initiatiefnemers zijn voornemens het bestaande paardenverblijf te behouden voor het hobbymatig houden van maximaal 6 pony's. Tevens zal de bestaande paardrijbak worden verplaatst. In het kader van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is het houden van pony's aan te merken als een inrichting voor het fokken en houden van paarden (SBI: 0143) of een manege (SBI: 931, E). Voor dergelijke inrichtingen geldt een richtafstand van 30 m in gemengd gebied gemeten vanuit het emissiepunt van het dierenverblijf. Een paardrijbak maar ook een weide zijn niet als een dierenverblijf aan te merken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraken van 15 augustus 2007, nr. 200701237/1, 19 november 2008, nr. 200804781/1 en 29 september 2011, nr. 200907569/1/R2) dient een paardrijbak niet als dierenverblijf te worden aangemerkt. Weliswaar voorziet het voorgenomen plan in een dierenverblijf ten behoeve van het hobbymatig houden van 6 pony's, dit wordt in het kader van het Activiteitenbesluit niet gezien als een inrichting. Een paardenhouderij valt onder het Activiteitenbesluit, artikel 8.3 Bor lid i.

Echter het hobbymatig houden van 6 pony's is blijkens de jurisprudentie, niet aan te merken als een inrichting. Indien er meer dan 100 paarden worden gehouden is er sprake van een inrichting. Om nader aan te tonen dat voor dit specifieke geval ook geen sprake is van een inrichting is getoetst aan verschillende factoren die een rol spelen bij de beoordeling of er sprake is van een bedrijfsmatige activiteit, zoals: de continuïteit van de activiteit, het winstoogmerk, de hinder die de activiteit veroorzaakt, omvang van de dierstapel, huisvesting van de dieren, de commerciële doeleinden, het gebruik/ aanwending van de dieren, de omgeving waar de dieren worden gehouden.

27

In onderhavig geval is er sprake van de volgende situatie:

•

De paardrijbak wordt dagelijks gebruikt voor de vrije uitloop van de pony's (6 tot 8 uur per dag), maar is weersafhankelijk;

• • • • • • • • •

Er is geen sprake van winstoogmerk; Er wordt met de activiteiten geen hinder veroorzaakt; Het soort dieren dat er gehouden wordt zijn pony's. Het aantal dat gehouden wordt is 6 pony's; Voor de huisvesting van de pony's is een paardenstal en paardrijbak aanwezig; Er is geen sprake van commerciële doeleinden; Er worden geen paardrijlessen gegeven; De dieren zijn bedoeld voor eigen gebruik; De omgeving is landelijk gebied, en de paardenstal en paardrijbak zijn diep op het perceel gelegen. De paardenhouderij is hobbymatig en behoort niet bij een bedrijf/inrichting.

Met betrekking tot bovengenoemde aspecten aangaande het plangebied, wordt er gesteld dat er geen sprake is van een bedrijfsmatige omvang. De beperkte mogelijkheden van het plangebied zorgen ervoor dat er geen sprake is van hinder in de bedrijfsvoering voor omliggende bedrijven. Daarmee is het Activiteitenbesluit niet van toepassing. Wel stelt de wetgever dat er sprake dient te zijn van een goed woon- en leefklimaat bij het houden dieren. Bij onderhavig plan geldt er een richtafstand van 30 m bij het houden van meer dan 100 paarden. In onderhavig geval betreft het slechts het hobbymatig houden van maximaal 6 pony's. Daarbij kan in redelijkheid worden gesteld wanneer het aantal paarden flink verminderd wordt de aan te houden afstand ook naar beneden bijgesteld kan worden. Een kinderboerderij komt wellicht dichter in de buurt. Daarvoor geldt een richtafstand van 10 m in gemengd gebied conform de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. De afstand van de paardenstal tot de dichtstbijzijnde woningen van derden bedraagt meer dan 10 m en wordt voldaan aan de richtafstand van 10 m voor kinderboerderijen. Dat geldt dus ook ten aanzien van de aspecten geur en stof. Conclusie Met het voorgenomen plan worden de mogelijkheden van het naburige agrarische perceel niet verder beperkt omdat het reeds 'op slot' zit.

Daarnaast is de verwachting dat er binnen het plangebied in de toekomst sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Verder maakt onderhavig plan geen milieubelastende activiteiten mogelijk, gelet op het kleinschalige, hobbymatige karakter. Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

28

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10 -6contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5-contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as).

Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.

Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.

Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat

29

gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling voorziet in het toevoegen van woningen en betreft daarmee het toevoegen van een kwetsbaar object. Op de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart:

Figuur 6: Uitsnede risicokaart, globale ligging plangebied: rode cirkel (bron: risicokaart.nl)

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Op circa 1.150 m afstand van het plangebied (noordzijde) is het Amsterdam-Rijnkanaal gelegen. Het kanaal betreft een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Voorts ligt op circa 900 meter afstand (oostzijde) een spoorweg, die tevens wordt gebruikt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Beide routes liggen dusdanig ver van het plangebied dat deze geen risico vormen voor de mensen die verblijven in het plangebied. Buisleidingen Het plangebied bevindt zich niet in de buurt van buisleidingen. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR 10-6 risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico’s als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de externe veiligheid en het plan in dit kader uitvoerbaar is.

30

4.3 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.3.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21ste eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21ste eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.3.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vier hoofdthema's zijn:

• •

waterveiligheid; voldoende water;

31

• • •

gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.

Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Keur en uitvoeringsregels Vanaf 1 mei 2019 is de nieuwe Keur van het Hoogheemraadschap van kracht. In de keur staat wat wel en niet mag op of aan de waterkeringen (dijken en kades) en watergangen. De regels maken het mogelijk dat het waterschap het onderhoud aan watergangen en waterkeringen goed kan uitvoeren. Vergunningplichtige activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Voor andere activiteiten gelden de algemene regels. In de uitvoeringsregels is opgenomen dat bij een toename aan verharding minder dan 500 m² er alleen de algemene zorgplicht geldt. Indien de toename meer bedraagt is extra watercompensatie vereist. In de navolgende paragraaf wordt hierop verder ingegaan. Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is.

Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. In het plan wordt het hemelwater volledig afgekoppeld. Middels een infiltratie riool wordt het hemelwater afgevoerd naar het oppervlakte water. Het IT-riool heeft een bergend vermogen van 17.3 m3. 4.3.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten.

De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Een deel van het plangebied is gelegen binnen de beschermingszone van een waterkering en om die reden voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Deze gronden zijn bestemd voor het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering. Voor ontwikkelingen binnen de voor 'Waterstaat - Waterkering' bestemde gronden geldt dat vooraf schriftelijk advies bij de betreffende waterbeheerder ingewonnen moet worden. Op 5 september 2019 is de digitale watertoets uitgevoerd (dossiercode 20190807-14-21143). De uitkomsten hiervan zijn naar het waterschap het toegezonden. Uit de digitale watertoets blijkt dat het waterschap een belang heeft en dat de normale procedure doorlopen dient te worden. In overleg met het waterschap zal gekeken worden hoe met het aspect water omgegaan dient te worden. Verhard oppervlak Het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor dat bij een toename van meer dan 500 m² een infiltratiesysteem dient te worden aangelegd met 45 mm per m² afgekoppeld verhard oppervlak en een vergunning nodig is voor de lozingsconstructies naar oppervlaktewater.

32

In de huidige situatie is het plangebed voor een groot deel verhard. Omdat bij het voorgenomen plan een groot deel van de bestaande agrarische bebouwing wordt gesaneerd en een deel van de bestaande verharding wordt verwijderd is er geen sprake van een verhardingstoename. Er kan gesteld wordt dat het verhard oppervlak zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie. Conform de eisen van HDSR hoeft niet voorzien te worden in compensatie door middel van de aanleg van (extra) waterberging. Waterafvoer Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel.

4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, nr. BE/2019/410/r, 27 juni 2019) uitgevoerd, bijlagen bij toelichting bijlage 4. Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen schuren hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. In de sloot ten noorden van de planlocatie komen mogelijk beschermde vissen en amfibieën voor. Amfibieën kunnen tijdens de terrestrische periode mogelijk ook voorkomen op de planlocatie. De planlocatie is daarnaast mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, algemene amfibieën, insecten en broedvogels. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. In de huidige situatie is binnen het plangebied een agrarisch bedrijf toegestaan. De invloed van een agrarisch bedrijf op omliggende natuurgebieden is hoger dan de invloed van woningen op omliggende natuurgebieden. Derhalve kan er gesteld worden dat er een verbetering optreedt met de beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten en de realisatie van een vrijstaande woning.

Stikstofdepositie Voor de beoogde ontwikkeling is ten behoeve van de Wet natuurbescherming een AERIUS-berekening (zie bijlage 5 van bijlagen bij toelichting) uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er in totaal sprake is van een NOx-emissie van 7,95 kg/j en een NH3 emissie van < 1 kg/j. Voor de Natura 2000 gebieden geldt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Voor de bouwfase geldt dat de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021 in werking is getreden. Hierdoor is er een vrijstelling voor de bouw, sloop en

33

eenmalige aanlegactiviteiten. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is de ontwikkeling uitvoerbaar. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap geen melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden (met voorbehoud ten aanzien van beschermde amfibieën) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen maatregelen te worden getroffen om effecten op beschermde amfibieën te voorkomen. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De beoogde ontwikkeling aan de Provincialeweg 57 en 58 te Schalkwijk leidt, mits de juiste maatregelen worden getroffen ten aanzien van beschermde amfibieën, de algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming.

4.5 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek De volgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidskaart van de gemeente Houten.

Figuur 7: Fragment archeologische beleidskaart gemeente Houten, globale ligging plangebied: zwarte omkadering (bron: Gemeente Houten)

34

Het plangebied ligt volgens de archeologische beleidskaart binnen een gebied van archeologische waarde. Het plangebied is derhalve voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en ‘Waarde – Archeologie 3’. Dit betekent dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is, tenzij het een bouwwerk een oppervlakte kleiner dan 100 m² betreft. het voorgenomen plan betreft het omzetten van de agrarische bestemming naar een woonbestemming en het toevoegen van één extra vrijstaande woning. Het oppervlak van deze woning is kleiner dan 100 m², derhalve kan worden afgezien van archeologie onderzoek. Eventuele toevalsvondsten dienen te worden gemeld bij gemeente Houten.

4.6 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.6.1 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeenteraad van Houten heeft op 11 februari 2014 de Nota Parkeernormen Houten vastgesteld.

Met de nota wordt de vraag en het aanbod van parkeerplaatsen (in de openbare ruimte) bij ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd en worden parkeerproblemen voorkomen. De planlocatie behoort tot de categorie 'kleine kernen en buitengebied'. Planspecifiek Het uitgangspunt is dat in totaal 3 vrijstaande en/of twee-onder-één-kapwoningen aanwezig zijn in het plangebied. In de navolgende tabel wordt de parkeerbalans weergegeven behorende bij de voorgenomen ontwikkeling. Beoogde situatie plangebied

Aantal

Parkeernorm (kleine kernen buitengebied) per wooneenheid

en totaal

Woning groot > 140 m² bvo

3

2,2

6,6

Totaal

3

-

6,6

Conform de nota Parkeernormen zijn minimaal 7 parkeerplaatsen benodigd ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. De parkeerplaatsen voor de beoogde (half)vrijstaande woningen worden allen op eigen terrein gerealiseerd. Er is daarmee voldoende parkeergelegenheid aanwezig op het perceel. Gesteld wordt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de Nota Parkeernormen van de gemeente Houten en het aspect parkeren geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.6.2 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.

35

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Huidige situatie Op dit moment is de locatie voorzien van een agrarisch bestemming met een bouwvlak. Dit biedt de mogelijk ter plaatse een agrarisch bedrijf te vestigen. Voorheen was ter plaatse een agrarisch bedrijf gevestigd. Vanuit de planologische mogelijkheden geldt een maximale verkeersgeneratie van, afgerond, ca. 117 verkeersbewegingen per etmaal, uitgaande van de categorie 'bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief' conform de CROW-normering en de categorieën 'buitengebied' en 'matig stedelijk'. Huidige situatie plangebied

Aantal woningen/ Gemiddelde verkeersgeneratie 100 m² bvo per woning/ 100 m² bvo Bedrijf arbeidsextensief/ 1.750 3,9 - 5,7 bezoekersextensief

Totale verkeersgeneratie

Koop, twee-onder-een-kap Totaal

14,8 - 16,4 83,05 - 116,15

2 490

7,4 - 8,2 -

68,25 - 99,75

Toekomstige situatie De navolgende tabel geeft een overzicht weer van het aantal motorvoertuigbewegingen dat in de toekomstige situatie gegenereerd wordt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Dit aantal is gebaseerd op de kerncijfers uit de CROW publicatie. Beoogde situatie plangebied Aantal

Verkeersgeneratie per wooneenheid (weinig buitengebied)

Totale stedelijk, verkeersgeneratie

Koop, vrijstaand

1

7,8 - 8,6

7,8 - 8,6

Koop, twee-onder-een-kap Totaal

2 3

7,4 - 8,2 -

14,8 - 16,4 22,6 - 25

Uit de tabel volgt dat in de toekomstige situatie sprake is van maximaal 25 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De verwachting is dat deze verkeersgeneratie voldoende kan worden opgevangen binnen het bestaande verkeersnetwerk. Zeker omdat in de huidige situatie reeds sprake is van een verkeersgeneratie bestaande uit de twee aanwezige woningen en de agrarische bedrijvigheid. Hiermee treedt er een verbetering op ten opzichte van de bestaande situatie. De ontsluiting van het plangebied zal direct plaatsvinden via de ontsluitingsweg Provincialeweg. Conclusie Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

36

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

37

5.4 Wijze van bestemmen Bij het opstellen van de regels is aangesloten op de methodiek van het vigerend bestemmingsplan 'Eiland van Schalkwijk'. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Tuin - Voortuin Tuinen aan de voorzijde van de woning zijn bestemd als 'Tuin - Voortuin'. Naast tuinen, erven, verhardingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn tevens erkers, voordeurluifels, kliko-ombouwen en inritten ten behoeve van parkeren toegestaan. Voor erkers, voordeurluifels en kliko-ombouwen zijn specifieke bouwregels opgenomen. Voor overige bouwwerken geldt een maximale bouwhoogte van 1 m. Wonen - Twee-aaneen De voor 'Wonen - Twee aaneen' aangewezen gronden zijn opgenomen voor de twee-onder-een-kapwoningen. De regeling sluit aan op de Houtense standaard en betreft een samenvoeging van de bestemmingen 'Wonen Vrijstaand' en 'Wonen - twee-aaneen' uit het bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk. Aan de Provincialeweg 57 zal tevens een beroep-aan-huis worden uitgeoefend in de vorm van dagbesteding voor zorg- en/ of hulpvragende mensen. Onderdeel van de dagbesteding bestaat uit de verzorging van de aanwezige pony's, hierdoor vindt het beroep-aan-huis deels in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk plaats.

Om dit mogelijk te maken is de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - dagbesteding' opgenomen om de bestaande vrijstaande bijgebouwen tevens te gebruiken voor de uitoefening van een beroep-aan-huis. Wonen - Vrijstaand De voor 'Wonen - vrijstaand' aangewezen gronden zijn opgenomen voor de beoogde vrijstaande woning. De regeling sluit aan op de Houtense standaard. Waarde - Archeologie 1/3 Deze dubbelbestemming is overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. De dubbelbestemming is opgenomen voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

Waarde - Landschap 1 Deze dubbelbestemming is overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. De dubbelbestemming is opgenomen ter behoud, versterking en ontwikkeling van de waarden die samenhangen met het karakteristiek landschap. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het versterken van deze waarden. Waarde - Landschap 2 Deze dubbelbestemming is overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. De dubbelbestemming is opgenomen ter behoud, versterking en ontwikkeling van de waarden die samenhangen met het karakteristiek landschap. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het versterken van deze waarden. Waterstaat - Waterkering Voor het behoud van de waterkering geldt dat in het bestemmingsplan hiervoor een beschermende regeling is opgenomen. Voor het realiseren van gebouwen is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarbij vooraf instemming van de waterbeheerder noodzakelijk is. Tevens is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen om de waterkering te beschermen tegen de verschillende werken en werkzaamheden.

38

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening.

39

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Het voorgenomen plan is bij een bijeenkomst op informele basis met omwonenden besproken. Omwonenden hebben ingestemd met het voorgenomen plan.

7.2 Verslag zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 2 september 2021 tot en met 13 oktober 2021 ter inzage gelegen in het gemeentehuis, via www.ruimtelijkeplannen.nl en via de website van de gemeente Houten. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen. Geconcludeerd wordt dat de zienswijzen geen aanleiding geven tot aanpassing van het bestemmingsplan.

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=5af2f3db-764e-422a-ab70-f7718b50d7e7