CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting bp Bloesemtuin 15

Gemeenteraad 13 februari 2024, gemeente HoutenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Bloesemtuin 1513.542 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Bloesemtuin 15, Houten Gemeente Houten

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0321.0820Bloesemtuin15-VSBP

Datum:

2023-11-28

Contactpersoon Buro SRO:

Dhr. T. Wilde | Dhr. K. Lodewijks

Kenmerk Buro SRO:

SR220250

Opdrachtgever:

Dhr. Van Wijk

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging van het plangebied .................................................................................................................................. 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9 2.3 Beeldkwaliteitsplan ........................................................................................................................................... 10

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 15

4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 19 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 19 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 20 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 21 4.4 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 21 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 22 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 23 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

26 4.8 Archeologie ....................................................................................................................................................... 27 4.9 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 28 4.10 Water .............................................................................................................................................................. 29 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 32

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 34 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 34 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 34 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 34 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 35

6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid .......................................................................... 36 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 36 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 36 Bijlagen Bijlage 1. Verkennend bodemonderzoek Bloesemtuin Bijlage 2. Quickscan ecologie Bloesemtuin Bijlage 3. Buurtparticipatieverslag 20230421 Bijlage 4. Nota Vooroverleg Bloesemtuin 15 Bijlage 5. Nota Zienswijzen Bloesemtuin 15

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens het perceel Bloesemtuin 15 in Houten te herontwikkelen. De initiatiefnemer is voornemens om op het perceel twee vrijstaande woningen te realiseren aan weerszijden van de bestaande boerderij. Voor het voorliggende plan is een principeverzoek ingediend bij de gemeente Houten, waaraan zij op 13 juli heeft aangegeven medewerking te willen verlenen. De ontwikkeling past echter niet binnen de huidige beheersverordening 'Houten Noord en Zuid'. Om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken is een herziening van het geldende planologische regime noodzakelijk. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is derhalve voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen aan de Bloesemtuin 15 te Houten. Het plangebied betreft de kadastrale percelen 445, 4173, 4174 en 4175 sectie B met een oppervlakte van circa 4775 m². Het plangebied is gelegen in het zuidoosten van Houten nabij de Rietplas. De omgeving wordt gekenmerkt door een woonwijk met een divers aanbod aan woningen en grasveldjes met bomen. Het plangebied is direct ontsloten via de Bloesemtuin. Aan de overzijde van het plangebied liggen woningen in het water van de Rietplas. Navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging (afbeelding 1) en globale begrenzing (afbeelding 2) van het plangebied.

5

Afbeelding 1: Globale ligging plangebied (rood omcirkeld, bron: Google Earth)

Afbeelding 2: Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: Google Earth)

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt de beheersverordening 'Houten Noord en Zuid', vastgesteld door de raad van de gemeente Houten op 20 juni 2013. De gronden die onderdeel uitmaken van de beheersverordening mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik. In de huidige situatie hebben de gebouwen op de betreffende gronden een woonfunctie en een industriefunctie (Fruitkwekerij met woonged.). Onderstaande afbeelding 3 toont een uitsnede van de geldende beheersverordening.

6

Afbeelding 3: Uitsnede geldende beheersverordening 'Houten Noord en Zuid' (plangebied rood omkaderd)

De beoogde ontwikkeling voorziet in het behoud van de bestaande bebouwing en de realisatie van 2 vrijstaande woningen. De ontwikkeling is deels in strijd met het planologisch regime; de realisatie van woningen en het gebruik van de gronden voor wonen past niet binnen de geldende beheersverordening. Derhalve wordt de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk gemaakt met voorliggend bestemmingsplan.

1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt een overzicht gegeven van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten. Tot slot bevat de toelichting hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan (hoofdstuk 6).

7

2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen aan de Bloesemtuin, dit is een fietsstraat waar enkel bestemmingsverkeer overheen rijdt. Het plangebied wordt aan de noordzijde volledig en westzijde deels begrensd door woningen. Aan de westzijde wordt het plangebied verder begrensd door de weg de Tulpentuin. Ten zuiden van het plangebied ligt een kleinschalig parkeerterrein. De betreffende gronden hebben een groen karakter bestaande uit grasland, een groene erfafscheiding van hagen en een kleinschalige boomgaard. De bestaande bebouwing bestaat uit een (voormalige) boerderij die in het midden van het plangebied is gesitueerd. Daarnaast staat er achterop het terrein een schuur. Het toegangspad tot het erf is ook in het midden van het erf gesitueerd. Boerderij, schuur en toegangspad vormen een samenhangend erfensemble dat zich onderscheidt ten opzichte van omliggende bebouwing. Navolgende afbeeldingen (4 en 5) geven de huidige situatie weer.

Afbeelding 4: Huidige situatie, vooraanzicht plangebied (bron: Google Maps)

8

Afbeelding 5: Huidige situatie plangebied vanaf de Bloesemtuin (Bron: Google Earth)

2.2 Toekomstige situatie Met de beoogde plannen zal het plangebied worden herontwikkeld. Het plan gaat uit van het behoud van het boerenerf aan de voet van de bestaande boerderij en de bestaande schuur. De eerste nieuwe woning complementeert de begrenzing van het erf aan de noordzijde en vormt samen met schuur en boerderij een samenhangend ensemble aan het erf. Naast noodzakelijke verharding in de vorm van de toerit en de ruimte aan de voet van de schuur biedt het erf veel ruimte aan een centrale groene ruimte. Bestaande bomen blijven daarbij zo veel mogelijk behouden en het groen kan verder een invulling krijgen als kleine boomgaard of als weide. Het erf biedt ruimte aan enkele parkeerplaatsen achter dit groen. De nieuwe woning krijgt daarnaast een inrit op de Bloesemtuin (op minimaal 9 meter uit de zijdelingse erfgrens zoals aanbevolen door het planteam van de gemeente Houten) en twee parkeerplaatsen op de kavel afgeschermd en in het groen. Aan de achterzijde van de woning is ruimte voor een diepe achtertuin. Nieuwe of bestaande bomen krijgen hierin een plek evenals een enkel bijgebouw en worden onderdeel van de tuin. De tweede woning staat aan de andere zijde van de boerderij. Waarbij deze woning op ruime afstand van de weg wordt gesitueerd. De boerderij blijft zo in het zicht staan als hoofdgebouw van het bebouwingscluster.

De ruimte aan de voorzijde van de boerderij en tweede woning blijft open en groen en vrij van parkeren. Deze ruimte wordt afgebakend van het erf, bloesemtuin en zij/achtertuinen door een lage haag. De tweede woning is door situering aan deze open ruimte sterk georiënteerd op de Bloesemtuin en het water van de Rietplas. Ontsluiting van deze tweede woning vindt dan ook plaats via de achterzijde aan de Tulpentuin. Een inrit biedt hier toegang tot twee parkeerplaatsen in het groen op het kavel. Onderstaande afbeelding (6) toont het schematische schetsvoorstel van de beoogde ontwikkeling.

9

Afbeelding 6: Schetsvoorstel (bron: Buro SRO 31 oktober 2023)

Alle percelen worden omgeven door hagen. Uitgangspunt is om de hagen aan het lint laag te houden. Ook de haag aan het erf voor woning 1 blijft laag, tot aan het verlengde van de achtergevelrooilijn. Zo is deze woning sterk op het erf georiënteerd. Achter de achtergevelrooilijn kan de haag in een hoge haag overgaan zodat de achtertuin ook privacy biedt. De hagen die grenzen aan de zijde van de Tulpentuin, het Overdamsepad en de achtertuinen van de geschakelde woningen aan de Bloesemtuin worden hoge hagen.

2.3 Beeldkwaliteitsplan Voor de uitwerkingscriteria ten aanzien van beeldkwaliteit is er door Buro SRO een beeldkwaliteitsplan opgesteld (d.d. 31-10-2023, zie bijlagen bij de regels bijlage 1). Deze uitwerkingscriteria bestaan uit criteria voor de inrichting van het plangebied en de te realiseren woningen. Samen met het voorliggende bestemmingsplan vormt het beeldkwaliteitsplan het toetsingskader voor door initiatiefnemers in te dienen bouwplannen.

10

Schetsontwerp Het plan gaat uit van het behoud van het boerenerf aan de voet van de bestaande boerderij en de bestaande schuur. De eerste nieuwe woning complementeert het erf aan de noordzijde en vormt samen met schuur en boerderij een samenhangend ensemble aan het erf. De tweede woning staat aan de andere zijde van de boerderij. Waarbij deze woning op ruime afstand van de weg wordt gesitueerd. De boerderij blijft zo in het zicht staan als hoofdgebouw van het bebouwingscluster. De ruimte aan de voorzijde van de boerderij en tweede woning blijft groen en vrij van parkeren. Deze ruimte wordt afgebakend door een lage haag. Alle percelen worden omgeven door hagen. Uitgangspunt is om de hagen aan het lint laag te houden. Ook de haag aan het erf voor woning 1 blijft laag, tot aan het verlengde van de achtergevelrooilijn. Zo is deze woning sterk op het erf georiënteerd. Achter de achtergevelrooilijn kan de haag in een hoge haag overgaan zodat de achtertuin ook privacy biedt. De hagen die grenzen aan de zijde van de Tulpentuin, het Overdamsepad en de achtertuinen van de geschakelde woningen aan de Bloesemtuin worden hoge hagen. Beeldkwaliteit bebouwing Hoofdgedachte is om de boerderij en de schuur herkenbaar te houden door de nieuwe woningen hier op passende wijze van te onderscheiden.

Dit kan door voor de nieuwe woningen uit te gaan van een luchtige, transparante architectuur als contrast met de meer robuuste, steense vormgeving van boerderij en schuur. Samenhang ontstaat door de nieuwe woningen, passend bij het erfkarakter en het groen, als eenvoudige bijbehorende schuurvolumes te beschouwen. Door deze keuze onderscheiden de nieuwe woningen zich eveneens van de omliggende woonbebouwing. Situering & oriëntatie

• •

Beide woningen zijn georiënteerd op de Bloesemtuin en de Rietplas. Woning 1 heeft een dubbele oriëntatie en is ook op het centrale erf en de groene ruimte georiënteerd.

• •

Beide woningen zijn met de nok en de kopgevel naar de Bloesemtuin en de Rietplas gericht.

•

Het hoofdvolume van woning 1 staat op minimaal 7 meter van de perceelgrenzen van de aangrenzende geschakelde woningen teneinde voldoende lucht en ruimte tussen de nieuwe en bestaande bebouwing te realiseren.

•

Woning 2 staat op minimaal 13 meter van de fietsstraat zodat er vanuit het zuiden komend zicht op de boerderij blijft.

•

Het hoofdvolume van woning 2 staat op minimaal 18 meter van het hoofdvolume van de boerderij en op minimaal 2 meter van de zijdelingse erfgrens daarmee, teneinde voldoende lucht en ruimte tussen de nieuwe en bestaande bebouwing te realiseren. De afstand ten opzichte van de zuidelijke perceelgrens bedraagt minimaal 5 meter.

Woning 1 staat op minimaal 11 meter van de fietsstraat teneinde voldoende ruimte voor een groene voortuin te realiseren.

Bouwmassa

•

Beide woningen krijgen een eenvoudig hoofdvolume van maximaal één laag met daarop een zadeldak.

•

Bij beide woningen is het eenvoudige hoofdvolume met zadeldak duidelijk herkenbaar als hoofdvolume. Eventuele aan- en bijgebouwen zijn hier ondergeschikt aan en voegen zich naar het hoofdvolume. De bijgebouwen krijgen een bouwhoogte van maximaal 3,2 meter.

•

Het hoofdvolume van beide woningen heeft een maximale breedte van circa 9 meter en een maximale diepte van circa 13 meter, de maximale goothoogte bedraagt 4 meter en de maximale bouwhoogte 9 meter.

•

Woning 1 staat op een smal en diep perceel. In afwijking van voorgaande punt mag bij deze woning een doorgetrokken kap als overkapping aan de achterzijde worden toegepast tot een totale bouwdiepte van 16 meter.

11

3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten, in het bijzonder sterke en gezonde steden en regio's. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die

12

3.

4.

ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 2 nieuwe vrijstaande woningen. De ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied van de kern Houten. Gezien voorgenoemde omstandigheden wordt het plan niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling en kan een verdere toets aan de ladder achterwege blijven. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:

• • • • • • •

waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren

13

Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft met name betrekking op de pijler 'vitale dorpen en steden'. Een uitwerking van deze pijler is onder andere de transitie van binnenstedelijke locatie en binnenstedelijk wonen. De provincie heeft de ambitie om tweederde deel van de woningen in het stedelijk gebied te realiseren. Het toevoegen van 2 woningen binnen bestaand stedelijk gebied van Houten draagt bij aan de ambitie om nieuwe woningen in het bestaand stedelijk gebied te realiseren.

Er dient geconcludeerd te worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden.

Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Uit de kaart 'Wonen, werken en recreëren' blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het 'stedelijk gebied'. De grens van de aanduiding 'stedelijk gebied' wordt ook wel de 'rode contour' genoemd. In artikel 9.15 'Stedelijke functies in stedelijk gebied' staat dat een ruimtelijk plan in een dergelijk gebied bestemmingen en regels kan bevatten voor verstedelijking.

Het realiseren van de beoogde woningen kan volgens de Interim Omgevingsverordening worden aangemerkt als een stedelijke functie. Daarmee is er

14

sprake van een verdere verstedelijking van het stedelijke gebied. Er kan gesteld worden dat er wordt voldaan aan het gestelde in de Interim Omgevingsverordening.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 De Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 is op 9 juni 2015 vastgesteld door de raad van de gemeente Houten. In deze visie wordt een koers voor Houten in 2025 vastgelegd. Houten is in 2025 duurzaam, innovatief en kleinschalig. Met oog voor elkaar, veel ruimte voor experiment en initiatief bij inwoners. Vijf principes staan centraal om houvast te geven en weg te wijzen naar de toekomst: 1.

We stellen de mens centraal Met 50.000 inwoners heeft Houten een schaal bereikt waar mensen elkaar kennen en herkennen. Houten kiest daarom niet voor een nieuwe groeitaak. Er is nog wel plek voor nieuwe woningen, ook in de kleine kernen, maar de bouwlocaties zijn kleinschalig.

2.

We waarderen verschillen De samenstelling van de bevolking is in 2025 een stuk gevarieerder, waarbij Houten een tolerante, inclusieve samenleving is waar plek is voor jongeren, ouderen, autochtonen en allochtonen, hoger en lager opgeleiden.

3.

We zijn zuinig op onze omgeving In 2025 is Houten een circulaire stad. Een stad 'in balans' is goed voor het leefklimaat van bewoners, voor de gezondheid, voor de omringende natuur en voor de toekomstige generaties. Technische innovaties worden omarmd waardoor Houten in 2025 stiller, schoner en klimaatvriendelijker is.

4.

We bouwen voort op ons ruimtelijk DNA Het ruimtelijk DNA van Houten is robuust en toekomstbestendig; de groenzones, het fietspadenstelsel, de rondweg van Houten, de centrumgebieden, de weidse buitengebieden en de cultuurhistorische schatten onder en boven de grond. Al deze elementen dragen bij aan een Houten waar het ontspannen wonen, werken en leven is.

5.

We zijn actief in de regio Houten maakt onlosmakelijk onderdeel uit van het stedelijk gebied in en rond Utrecht. Tegelijkertijd ligt Houten in de rust en ruimte van het Eiland van Schalkwijk, de Kromme Rijn en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Enerzijds is sprake van gezamenlijke opgaven rond economie, mobiliteit, wonen, zorg en duurzaamheid (stedelijke oriëntatie). Anderzijds is er een ruimtelijke oriëntatie op het Kromme Rijngebied en de Lekstroom waarbij vraagstukken over natuur- en waterbeheer, recreatie, plattelandsontwikkeling en cultuurhistorie centraal staan. Houten is in 2025 een plek waar mensen zich vrij voelen om te ondernemen en te pionieren in de omvang met veranderingen die op ons afkomen: Houten als Proeftuin van de regio.

Planspecifiek Onderhavig initiatief betreft de realisatie van twee woningen. Dit kan gezien worden als een zeer kleinschalige bouwlocatie op een inbreidingslocatie. Door het initiatief in te passen in de huidige structuren wordt voortgebouwd op de bestaande kenmerken. Het bieden van huisvesting komt tegemoet aan het

15

tekort aan woningen. Dit is een uitwerking van het principe 'we stellen de mens centraal'. Daarmee wordt de regionale woningbouwopgave aangepakt. Daarnaast zal de ontwikkeling aansluiten op het stedenbouwkundige en ruimtelijke concept van Houten. Hiermee vindt aansluiting plaats met het principe 'we bouwen voort op ons ruimtelijk DNA'. Verder worden de beoogde woningen uitgevoerd als een BENG woning. Dit sluit aan bij het principe 'we zijn zuinig op onze omgeving', omdat de woningen hiermee een geringe impact heeft op de omgeving. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief een positieve bijdrage levert aan de principes uit de toekomstvisie. 3.3.2 Woonvisie 2021 - 2030 Op 14 december 2021 is de nieuwe Woonvisie, 'Naar een ruimer woningaanbod', door de gemeenteraad van Houten vastgesteld. De ambitie van de gemeente Houten is de woningvoorraad in Houten te laten doorgroeien. De nieuw toe te voegen woning moeten vooral beschikbaar komen voor startende bewoners, ouderen en specifieke doelgroepen. Hiermee wil de gemeente de doorstroming voor startende gezinnen ondersteunen. Met een passend aanbod van woningen wordt er gezorgd voor meer balans in de woningvoorraad, meer diversiteit en meer keuzevrijheid. Tot 2040 wordt een woningbehoefte voorzien van 4.750 woningen. Hierbij wordt ingezet op vooral de toevoeging van diverse soorten gelijkvloerse woningen voor kleine huishoudens.

Daarnaast is de wens ook hoogwaardige appartementen toe te voegen waarmee de doorstroming gestimuleerd wordt. Uit het woning behoefte onderzoek blijkt ook dat er voldoende rijwoningen zijn boven € 350.000 maar onvoldoende tweekappers en vrijstaande woningen. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de realisatie van twee vrijstaande woningen. Zoals uit de woonvisie blijkt zijn er onvoldoende vrijstaande woningen beschikbaar in de gemeente Houten. De beoogde ontwikkeling van twee vrijstaande woningen is daarom in lijn met het gestelde in de woonvisie 2021-2030. 3.3.3 Klimaatplan gemeente Houten Op 5 juli 2016 heeft de gemeenteraad met grote meerderheid het nieuwe Programma Duurzaam Houten 2016-2018 goedgekeurd. Dit programma is gedateerd geraakt en wordt vervangen door een nieuw Klimaatplan. Het Klimaatplan valt uiteen in drie onderdelen Te weten het Energieplan, klimaatadaptatieplan en het Actieplan Circulaire economie. Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Houten het Energieplan 2020-2025 vastgesteld. Dit plan gaat in op de kansen en behoeftes van de Houtense samenleving. De focus ligt op het ontwikkelen van voldoende draagvlak voor de grote veranderingen die nog op ons af gaan komen. Door het organiseren van een goede samenwerking met de (vrijwilligers) organisaties in Houten, die energie-activiteiten uitvoeren, kan een versnelling tot stand gebracht worden.

Met de vaststelling van dit Energieplan is het eerste deel van het Klimaatplan gereed. Het energieplan spreekt de ambitie uit Houten in 2040 energieneutraal te krijgen. Ingezet wordt op meer zonnedaken en zonnepanelen. Daarnaast worden extra zonnevelden voorzien in een extra windpark. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de ambitie van de gemeente Houten om in 2040 energieneutraal te zijn. Dit is mogelijk middels het treffen van duurzame maatregelen, waarbij gedacht wordt aan het goed isoleren en het toepassen van zonnepanelen. Daarnaast is het voornemen om te onderzoeken welke duurzame maatregelen er nog meer mogelijk zijn bij de realisatie van de nieuwe woningen. Voor alle nieuwbouw geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).

16

3.3.4 Visie groen en biodiversiteit Houten Op 27 oktober 2020 heeft de gemeenteraad van de gemeente Houten de 'Visie groen en biodiversiteit Houten' vastgesteld. De gemeente Houten wil zich maximaal inzetten voor het vergroten en verbeteren van de biodiversiteit en wil daarbij ook de sociale functie die groen vervult versterken. In de visie is aangegeven welke doelen de gemeente nastreeft voor groen en biodiversiteit en op welke thema's de gemeente wil inzetten in de periode 2020-2040 om dit te bereiken. Door maatregelen te treffen om meer, beter en verbonden groen te realiseren, zullen doelsoorten beter gaan floreren, zorgt dat voor een grotere biodiversiteit. Deze maatregelen zijn opgedeeld in de volgende onderdelen:

• • •

Meer groen (en natuur) Beter groen Verbonden groen

Om deze visie verder te concretiseren zijn door de gemeente verschillende thema's voorgesteld waaraan kan worden gedacht bij het versterken van de biodiversiteit. Het gaat om de volgende thema's: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Groenbeheer Water(beheer) Ecologische verbindingen Kleine landschapselementen Soortenbeheer Voorlichting/educatie Natuurinclusieve landbouw Tijdelijke natuur

Planspecifiek Bij voorliggend plan wordt, naast de bouw van twee woningen ook het plangebied heringericht. Het merendeel van het groen blijft behouden en het merendeel van de verharding bestaat uit het bestaande erf. Toch zal het aandeel groen in het plangebied licht afnemen. Het groen dat in het plangebied komt te vervallen is voornamelijk grasland. Echter worden er wel nieuwe hagen voorzien om de woningen van elkaar af te schermen, de open groene voorruimte wordt voorzien van solitairen en boomgroepjes en de centrale groene ruimte blijft behouden en krijgt een mogelijke invulling als boomgaardje. Er kan geconcludeerd worden dat de afname van groen in het plangebied beperkt zal blijven en dat door toevoeging van hagen en nieuwe bomen een bijdrage geleverd kan worden aan de biodiversiteit. 3.3.5 Nota parkeernormen Houten De gemeenteraad van Houten heeft in december 2021 de Nota Parkeernormen Houten 2021 vastgesteld. Met de nota wordt de vraag en het aanbod van parkeerplaatsen (in de openbare ruimte) bij ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd en worden parkeerproblemen voorkomen. De gemeente Houten wil zo efficiënt mogelijk omgaan met de schaarse publieke ruimte en tegelijkertijd bijdragen aan de leefbaarheid en de ruimtelijke kwaliteit. Het uitgangspunt is daarom dat ruimtelijke ontwikkeling moeten voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

Parkeeroverlast in de omgeving als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden voorkomen. Houten sorteert daarmee voor op een duurzame toekomst. De gemeente Houten heeft de keuze gemaakt om de meest recente parkeerkencijfers van het CROW als basis voor de gemeentelijke parkeernormering te nemen. Dit zijn op de praktijk gebaseerde kencijfers die een inschatting geven van de werkelijk te verwachten toekomstige parkeerbehoefte. Voor woonfuncties is uitgegaan van de indeling van de Nota Parkeernormen Houten 2013 (op basis van woninggrootte), aangezien deze indeling in praktijk goed bleek te werken.

17

Planspecifiek In de Nota Parkeernormen Houten is aangegeven dat het plangebied behoort tot de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'sterk stedelijk', zoals die gehanteerd worden in CROW-publicatie 381. Uitgaande van 2 grote vrijstaande woningen (≥ 140 m² bvo) met een parkeernorm van 1,9 per woning zijn er 2x1,9=3,8 parkeerplaatsen voor de woningen nodig. Hoe dit aantal parkeerplaatsen wordt opgelost binnen het plangebied en of daarmee voldaan wordt aan het beleid van de gemeente Houten wordt nader toegelicht in toelichting paragraaf 4.11.2.

18

4 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;

•

De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Het bestemmingsplan bevat een activiteit die genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het realiseren van woningen valt onder onderdeel D.11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen', (drempelwaarde: een aangesloten gebied dat 2.000 woningen of meer omvat) van het

19

Besluit milieueffectrapportage. Daarmee valt voorliggend plan onder sub c: het plan wordt wel genoemd maar voldoet niet aan de drempelwaarde. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordlings)plicht geldt. Daarnaast blijkt uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r.

Met het voorliggende plan wordt de bestemming van het plangebied gewijzigd van industrie en wonen naar een woonbestemming, waarbij twee nieuwe woningen gerealiseerd worden. Gelet op de omvang van het plangebied en de realisatie van slechts twee nieuwe woningen, wijzigt het totale bouwvolume niet substantieel. Tevens is de ontwikkeling te zien als een vorm van kleinschalige opvulling in bestaand stedelijk gebied. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat er hier geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Een (vormvrije) m.e.r.beoordelingsbesluit en daarmee een aanmeldnotitie is niet noodzakelijk.

4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Gezien de beoogde functiewijziging naar wonen is er sprake van een bestemmingswijziging naar strenger bodemgebruik.Om deze reden is er een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd door Grondslag (d.d. 20 september 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de percelen B4173 en B4175 gelegen ten westen van de Bloesemtuin te Houten is vastgelegd door middel van het uitgevoerde onderzoek.

Ter plaatse van de deellocaties 1 en 2 zijn in de grond en het grondwater maximaal lichte verhogingen aan OCB aangetoond. Daarnaast zijn enkele lichte verhogingen aan zware metalen en/of PAK aanwezig. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de deellocaties weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. Er kan geconcludeerd worden dat het plangebied een asbestonverdachte locatie is.

20

De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de afgifte van een omgevingsvergunning voor beide deellocaties. De afgifte van de omgevingsvergunning blijft echter een beleidsmatige afweging van de gemeente zelf. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het uitvoeren van het voorliggende plan.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen;

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh). het plangebied aan de Bloesemtuin ligt niet binnen de zonde van een geluidgezoneerd industrieterrein of in de nabijheid van een spoorlijn. Daarnaast zijn er in de omgeving enkel 30 km/u wegen gelegen, tevens is de Bloesemtuin een fietsstraat, voor beide type wegen geldt geen onderzoeksplicht. Dit betekent dat er geen geluidhinder te verwachten is voor de nieuw toe te voegen woningen en dat een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven en tevens het waarborgen van een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de

21

minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Met het beoogde initiatief wordt een gevoelige functie (wonen) mogelijk gemaakt. Derhalve dient er beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze gevoelige bestemming sprake is van een goed woon- en leefklimaat en milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg van het plan. Aan de hand van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt bepaald of er voldaan wordt aan de gestelde richtafstand. Het plangebied is gelegen in het zuidoosten van de kern Houten. Het plangebied bevindt zich in een omgeving met vrijwel alleen woningen, daarom kan de omgeving worden aangemerkt als rustige woonwijk. Aan de Bloesemtuin 17 zijn een basisschool en buitenschoolse opvang gelegen. Een basisschool valt volgens VNG-lijst in categorie 2 waarvoor een richtafstand geldt van 30 m in een rustige woonwijk. De afstand tussen de basisschool en de dichtstbijzijnde nieuw te bouwen woning is minimaal 30 m, daarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Een buitenschoolse opvang (kinderopvang) valt volgens de VNG-lijst ook in categorie 2 met een richtafstand van 30 m. De afstand tussen de nieuwe woning en de buitenschoolse opvang is ook minimaal 30 m en voldoet daarmee ook aan de richtafstand. Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Het aspect bedrijven en milieuhinder staat de voorgenomen ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de voertuigaantrekkende werking. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling van twee vrijstaande woningen. Het project is daarmee aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'.

Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&W en RIVM) echter wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2020 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) bedragen

22

respectievelijk 16,2 μg/m³, 9,0 μg/m³ en 12,5 μg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 μg/m³ voor fijnstof PM2,5. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed op elkaar worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld

23

vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.

Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Met behulp van de risicokaart is gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.

24

Afbeelding 7: Fragment risicokaart met globale aanduiding plangebied (zwarte cirkel, bron: Risicokaart.nl)

Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen in de directe nabijheid van het plangebied zijn gelegen. Er zijn verder geen transportbuisleidingen in de nabijheid van het plangebied gelegen. Op een afstand van circa 600 m bevindt zich de spoorlijn Lunetten - Geldermalsen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De spoorlijn heeft geen plaatsgebonden risicocontour. De hoogte van het groepsrisico langs het traject door Houten bedraagt maximaal 0,6 keer de oriëntatiewaarde. Gezien het feit dat de afstand van het plangebied tot de spoorlijn groter is dan 200 m heeft het voorliggende plan geen significante toename van het groepsrisico tot gevolg. Het plangebied is wel gelegen binnen het invloedsgebied van de spoorlijn. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is dan nodig conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid. Bestrijdbaarheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. Daarnaast is het van belang dat de hulpverleningsdiensten niet worden belemmerd in de uitvoering van hulpverlenende taken en dat het belang van voldoende bluswater in de nabijheid en de bereikbaarheid van het gebied zijn geborgd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=d03fb9e8-3ee1-44c1-abc7-e2843f4edadf