Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing Handboog 3
Tekst van het document
Langs de groenstrook wordt de vegetatie gevormd door soorten van stikstofrijke, beschaduwde bodem zoals fluitenkruid, look-zonder-look, hondsdraf en grote brandnetel.Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van bedreigde of beschermde soorten. Het bezoek heeft plaatsgevonden in een periode die minder geschikt is voor de inventarisatie van flora. Op grond van het karakter van de locatie, het beheer en de aanwezige vegetatie is de aanwezigheid van beschermde soorten redelijkerwijs uit te sluiten. Fauna Zoogdieren In potentie is het terrein vrijwel alleen geschikt voor veldmuis. Er zijn geen zoogdieren of sporen van zoogdieren (holen/vraat/uitwerpselen) aangetroffen. Het noodgebouw beschikt niet over toegankelijke verborgen ruimten voor soorten die in gebouwen verblijven, met name steenmarter. Verblijfplaatsen van dergelijke soorten zijn uit te sluiten Vleermuizen Het noodgebouw beschikt niet over toegankelijke verborgen ruimten. In het plangebied zijn verblijfplaatsen uit te sluiten. Het open, soortenarme grasveld heeft geen waarde als foerageergebied. Vanwege de openheid en de kleine oppervlakte is een belang van het plangebied voor vliegroutes uit te sluiten. Vogels Het noodgebouw biedt geen broedgelegenheid voor vogels. Het grasveld en de lage struikjes bij de fietsenstalling vormen geen geschikte nestplaats.
Het voorkomen van broedsels van vogels in het algemeen en vaste nestplaatsen in het bijzonder is uit te sluiten. Reptielen In de regio komt ringslang voor. Het plangebied en de omgeving zijn te open en sterk gecultiveerd terwijl oppervlaktewater ontbreekt. Als leefgebied voor ringslang is de omgeving ongeschikt. Amfibieën Het plangebied en de omgeving zijn te open en sterk gecultiveerd terwijl oppervlaktewater ontbreekt. Als leefgebied voor amfibieën is de omgeving ongeschikt. Ongewervelden De beschermde soorten ongewervelden zijn gebonden aan zeer specifieke habitats. Geen van de habitats komt in het plangebied voor.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
23
Handboog 3, Houten Ruimtelijke onderbouwing 4.6.4
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling gaat niet gepaard met negatieve effecten op beschermde gebieden en/of beschermde soorten.
4.7
Archeologie & Cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
4.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk, te weten het archeologisch vooronderzoek. Wanneer blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.7.1.2 Situatie projectgebied In het geldende bestemmingsplan zijn archeologische dubbelbestemmingen opgenomen op basis van de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Houten om de eventuele waarden in de bodem te beschermen. Ter plaatse van het projectgebied is geen dubbelbestemming opgenomen, daarom vallen geen archeologische resten te verwachten. Een archeologisch onderzoek kan daarmee achterwege gelaten worden. Opgemerkt dat ten alle tijden rekening zal worden gehouden met de meldingsplicht uit de Erfgoedwet. 4.7.2
Cultuurhistorie
4.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is in artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a opgenomen dat een bestemmingsplan of wijzigingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich in het projectgebied of in de directe omgeving geen Rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden die mogelijk negatief zouden kunnen worden beïnvloed door voorliggende ontwikkeling. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
24
Handboog 3, Houten Ruimtelijke onderbouwing
4.8
Water
4.8
Wateraspecten
4.8.1
Vigerend beleid
4.8.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 4.8.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld 18 maart 2022). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich onder andere op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het programma een plek gekregen.
De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Nationale Omgevingsvisie (2020), het Bestuursakkoord Water (2011, aangevuld in 2018) en de Waterwet (2009). 4.8.1.3 Provinciaal beleid In het Bodem- en Waterprogramma 2022-2027 wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op schoon oppervlaktewater, schone bodem en grondwater, bodem, voldoende water, waterveiligheid en energie uit bodem en water. Het projectgebied ligt in de kern Houten. Houten is onderdeel van het Stadsgewest Utrecht. Hiervoor geldt een gebiedsgerichte aanpak. De huidige manier waarop steden en ook dorpen zijn ingericht, samen met onder meer de woningbouwopgave en de energietransitie, zorgen voor een toenemend probleem van wateroverlast, droogte- en hittestress en toenemende drukte in de ondergrond. Zowel bij ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied als bij uitbreidingslocaties is het van belang om voldoende waterberging te realiseren, teneinde wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te beperken. Mogelijkheden tot verkoeling zijn ook belangrijk, dus meer natuur, groen en recreatievoorzieningen, zoals zwemwater.
4.8.1.4 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschrijft de ambities en inzet van het hoogheemraadschap om de waterdoelen voor het beheergebied te bereiken. Voor de komende periode heeft het hoogheemraadschap haar koers in vier thema’s verwoord: • • • •
Zuiver afvalwater. Energieneutraal en circulair; Robuust en gezond watersysteem in een klimaatbestendig gebied; Waterbewust leven en genieten van water; Waterveilige leef- en werkomgeving.
Daarnaast zijn voor verschillende gebieden nadere uitwerkingen opgesteld. Het projectgebied ligt in het ‘Stedelijk Middengebied’.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
25
Handboog 3, Houten Ruimtelijke onderbouwing De inzet van het hoogheemraadschap is dat ontwerpen met water een prominentere rol krijgt in gebiedsontwikkelingen en de openbare ruimte, zoals bij locatiekeuzes en planvorming van nieuwe bouwlocaties. De inzet van water dient meerdere doelen, zoals de opvang van overtollige neerslag bij extreme buien en watervoorziening van stadswater met een goede waterkwaliteit en stedelijk groen. En dit zorgt weer voor het tegengaan van hittestress, de aanvulling van grondwater en een gezonder en aangenamer leefklimaat. Het hoogheemraadschap werkt samen met de Provincie Utrecht, gemeenten en de bouwsector aan een convenant duurzaam bouwen, wat hier een belangrijke impuls aan kan geven. Daarmee wordt water en klimaatadaptie een vanzelfsprekend onderdeel van het programma van eisen bij ontwikkeling in stedelijk gebied. 4.8.2
Algemeen
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico’s op wateroverlast of watertekorten. Een belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting dient een waterparagraaf opgenomen te worden. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 4.8.3
Waterparagraaf
Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. De watertoets behorende bij deze ontwikkeling is opgenomen in bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Op 15 februari 2024 heeft overleg met het waterschap plaatsgevonden, hierin zijn mogelijke oplossingen qua watercompensatie besproken. Uiteindelijk is gekozen voor het plaatsen van infiltratiekratten om de toevoeging van 797 m2 aan verharding te compenseren. Op basis van het “Handboek Water in ruimtelijke plannen” van het Hoogheemraadschap dient 70 mm per m2 verharding gecompenseerd worden. Dit is geborgen in de tekeningen van de aanvraag omgevingsverunning. 4.8.4
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
26
Handboog 3, Houten Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 5
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
27
Handboog 3, Houten Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 6 6.1
Vooroverleg
6.1.1
Het Rijk
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke plannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 6.1.2
Provincie Utrecht
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing is in het kader van vooroverleg toegezonden aan Provincie Utrecht. 6.1.3
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording hiervan heeft er toe geleid dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Op basis van deze watertoets heeft op 15 februari ’24 overleg met het waterschap plaatsgevonden.
6.2
Inspraak
De initiatiefnemer heeft de directe buren geïnformeerd middels mailwisseling en een persoonlijk gesprek. Het participatieverslag hiervan is opgenomen als bijlage 5. De gesprekken zijn soepel verlopen, er is geen weerstand vanuit de directe beurt te verwachten.
6.3
Zienswijzen
Deze paragraaf wordt ingevuld nadat de omgevingsvergunning ter inzage heeft gelegen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
28
Handboog 3, Houten Ruimtelijke onderbouwing
BIJLAGE BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING Bijlage 1
Bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
29
Handboog 3, Houten Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 2
Stikstofberekening
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
30
Handboog 3, Houten Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 3
Quickscan flora fauna
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
31
Handboog 3, Houten Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 4
Watertoets
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
32
Handboog 3, Houten Ruimtelijke onderbouwing
Bijlage 5
Participatieverslag
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
33