CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Rekenkamerrapport Onderzoek lokale inkomensregelingen (2021)

Gemeenteraad 20 april 2021, gemeente HoutenBij agendapunt: Rekenkamerrapport Onderzoek lokale inkomensregelingen7.582 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Rekenkamercommissie Houten

Memorandum Onderzoek lokale inkomensregelingen

11 maart 2021

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek lokale inkomensregelingen 11 maart 2021

Inhoud

I

Ter introductie

II

Doel en uitvoering

3

III

Aandachtspunten

5

IV

Ter afsluiting

15

**

Bijlagen

1.

Bestuurlijke reactie

2.

Nawoord Rekenkamercommissie

blad 1

Memorandum

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 1 van totaal 16

I

Ter introductie

De Rekenkamercommissie van de gemeente Houten bestaat in de jaren 2020 en 2021, ingevuld via het zogenoemde directeursmodel, uit Frank Hordijk. Zijn formele benoeming vond plaats in de vergadering van de gemeenteraad van 11 februari 2020. Aan de inzet van Hordijk ligt een overeenkomst ten grondslag tussen de gemeente Houten en het advies- en onderzoeksbureau Hordijk & Hordijk B.V., dat is gevestigd in Culemborg. In die overeenkomst is bepaald dat de Rekenkamercommissie per jaar één groter en ook één kleiner onderzoek verricht. Onderzoeksplan 2020 In het onderzoeksplan voor 2020, dat is samengesteld nadat Hordijk alle fracties in de raad had benaderd (en gesproken) voor het inventariseren van (mogelijke) suggesties, zijn als onderwerpen voor dat jaar ‘verbonden partijen’ (voor het beoogde grotere onderzoek) en ‘lokale inkomensregelingen’ opgenomen. In het plan is aanvullend het voornemen verwoord om een kort verkennend onderzoek te verrichten naar de prestatie-afspraken met woningcorporatie Viveste. Onafhankelijk De Rekenkamercommissie opereert geheel onafhankelijk. De commissie hanteert een (uiteraard openbaar) reglement van orde met bijbehorend onderzoeksprotocol, waarin alle relevante kaders zijn opgenomen, inclusief verwijzingen naar de Verordening Rekenkamercommissie gemeente Houten van 25 januari 2018.

Hordijk onderhoudt via de griffie contact met de Audit- en Rekeningcommissie uit de raad. De Rekenkamer wordt (ook) rond diverse formele en praktische zaken door de griffie ondersteund. Aandachts- of verbeterpunten Memoranda van de Rekenkamercommissie – dus ook het voorliggende – zijn primair bedoeld voor de raad. Hordijk heeft bij zijn Rekenkamerwerk, dat hij in eenzelfde rol ook voor enkele andere gemeenten doet, altijd de intentie om vanuit een kritisch-positieve insteek een zo feitelijk mogelijke analyse te maken, waaruit dan meestal enkele (kleinere of grotere) potentiële aandachts- of verbeterpunten voortkomen. De raad kan die punten vervolgens desgewenst vertalen in vragen of verzoeken aan het college. Memorandum In het voorliggende memorandum zijn de bevindingen opgenomen uit het kleine onderzoek inzake ‘lokale inkomensregelingen’. Zoals hierna is verwoord werd dat onderzoek tijdens de uitvoering (toch) flink groter dan was voorzien, en kreeg het tegelijk andere accenten dan vooraf was ingeschat.

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 2 van totaal 16

Hordijk 1 is dat gewend, en vindt het per definitie positief: uiteindelijk tellen alleen de uitkomsten, en als die – hoe bescheiden ook – een bijdrage kunnen leveren aan de invulling van de kaderstellende en controlerende taken van de raad, dan is alle inzet ook met terugwerkende kracht de moeite waard geweest. De Rekenkamercommissie heeft bij het onderzoek naar de lokale inkomensregelingen (maar ook inzake de andere onderwerpen uit de jaartranche 2020) een heel plezierige, pro-actieve ambtelijke medewerking ervaren. De commissie kreeg snel antwoorden op gestelde vragen, werd al even vlot en bovendien ruim voorzien van diverse documentatie en kreeg meerdere keren een reactie in de sfeer van ‘je vraagt dit, zie daarom bijgaand, maar wie weet vind je ook nuttige informatie in de documenten x en y, die ik je voor snelheid, gemak en overzicht met een volgend mailtje toestuur’. De onderzoekers hebben hiervoor grote waardering en zeggen op deze plaats ‘veel dank’. Hordijk heeft een concept van dit memorandum op 6 januari 2021 voor ambtelijk wederhoor (gericht op het herstellen van mogelijke feitelijke onjuistheden) aangeboden. Na het verwerken van de daaruit gevolgde aantekeningen is (op 23 januari 2021) gevraagd om een bestuurlijke reactie, dus van het college. De op dat verzoek ontvangen brief is als bijlage 1 bij dit memorandum opgenomen.

Na die reactie is (als bijlage 2) een kort nawoord ingevoegd. Zoals vermeld in het onderzoeksplan voor 2020 heeft Hordijk de ‘lokale inkomensregelingen’ in 2020 ook onderzocht in de gemeente Nieuwkoop (vanuit eenzelfde Rekenkamer-rol, maar aldaar als groter onderzoek). In het voorliggende memorandum zijn meerdere passages opgenomen die ook in het memorandum staan dat voor de gemeenteraad van Nieuwkoop is opgesteld.

1

Gegeven de eenpersoons-bezetting van de Rekenkamercommissie Houten wordt in dit memorandum met ‘Rekenkamercommissie’, ‘de commissie’ en ‘Hordijk’ dezelfde persoon bedoeld, in casu Frank Hordijk. Als wordt gesproken van ‘de onderzoekers’, dan betreft dat mede Hordijks collega Peter van Loon.

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 3 van totaal 16

II

Doel en uitvoering

Doel van het onderzoek

De Rekenkamercommissie wilde met het onderzoek – zie het onderzoeksplan voor 2020 – de volgende centrale vragen beantwoord krijgen: Welke inkomensregelingen heeft de gemeente Houten, hoeveel beroep wordt daarop gedaan, hoe bekend zijn die regelingen en hoe wordt het effect c.q. rendement ervan getoetst? De commissie wilde deze vragen uitwerken via deze onderzoeksvragen:  Is er sprake van (relatief) recent vastgesteld of herbevestigd lokaal inkomensbeleid?  Zo ja, hoe moet dat beleid inhoudelijk worden beoordeeld, ook in relatie tot het terzake vigerende beleid in enkele referentiegemeenten (waaronder Nieuwkoop)?  In welke regeling of regelingen is dat beleid geoperationaliseerd?  Hoeveel beroep (absoluut en relatief, waar aan de orde gespecificeerd naar deel-doelgroepen) wordt er op die regeling of regelingen gedaan, en hoe moet dat volume worden beoordeeld in vergelijking met de situatie in die referentie-gemeenten?  Op welke manier(en) wordt of worden de vigerende regeling(en) onder de aandacht van de doelgroep(en) gebracht?  Hoe wordt het lokale inkomensbeleid, waarin de inkomensregeling(en) een belangrijk instrument vormen, periodiek ambtelijk en bestuurlijk geëvalueerd, en wat wordt over de uitkomsten van die periodieke evaluatie met de raad gedeeld? Uitvoering De Rekenkamercommissie heeft bij dit onderzoek vooral veel documentatie doorgenomen, waarnaar in het

vervolg van dit memorandum (steeds) wordt verwezen. Direct na het eerste ambtelijke contact kregen de onderzoekers het document ‘Evaluatie minimaregelingen’ toegestuurd, dat is opgesteld in het voorjaar van 2019 en dat is behandeld in de vergadering van de gemeenteraad van 18 juli 2019. Kort gesteld besloot de raad, die kennis had kunnen nemen van een uitgebracht advies van de Adviesraad Sociaal Domein Houten, om het bestaande beleid rond de diverse vigerende regelingen in de jaren 2019 en 2020 ongewijzigd voort te zetten.

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 4 van totaal 16

Het evaluatierapport geeft antwoorden – die bij hernieuwd onderzoek niet anders zouden zijn – op de meeste van de door de Rekenkamercommissie geformuleerde vragen. De evaluatie is grondig uitgevoerd, met dien verstande dat het accent in het rapport ligt op ‘het geven van een overzicht in de armoedebudgetten van de gemeente Houten’. Na een compacte ‘beschouwing’ is per (bestaande) regeling ingegaan op de doelgroep, het bereik en de financiële impact voor de gemeente (met een toekomstgerichte doorkijk), aangevuld met een toelichting en een duiding van eventuele bijzonderheden. De Rekenkamercommissie heeft het (aldus) recent uitgevoerde ambtelijke werk uiteraard niet overgedaan – daartoe geven (ook) de vragen uit het onderzoeksplan geen aanleiding. De commissie heeft er in plaats daarvan voor gekozen om in dit memorandum een aantal aandachtspunten op te nemen die naar de mening van de onderzoekers bij een meer fundamentele herijking van de lokale inkomensregelingen zouden moeten worden betrokken.

Een dergelijke, meer diepgaande herijking heeft nog niet plaatsgevonden, maar zou in de visie van de commissie – gezien de diverse gesignaleerde issues – alsnog op korte termijn moeten worden uitgevoerd. Concreet: de Rekenkamercommissie denkt dat het passend is dat te doen in de aanloop naar het voorbereiden van de begroting voor de jaren 2022 en verder.

Intussen kan (en moet) vanzelfsprekend verder worden gegaan met de twee centrale acties die uit de evaluatie uit 2019 zijn gevolgd, die als zodanig zijn verwoord in ‘De Sociale Koers 2020-2023’ en die zijn herhaald in de Raadsinformatiebrief van 7 april 2020, waarmee de tussenrapportage ‘WIJ is meer dan IK’ aan de raad is aangeboden: (1) het zo mogelijk vergroten van het bereik van de verschillende regelingen en (2) het versterken van de samenwerking en de monitoring van het aanbod (waarmee indirect wordt gewezen op de veelheid aan betrokken partijen bij de regelingen, die op elementen een eigen beleid voeren). In de paragraaf hierna zijn de aandachtspunten van de Rekenkamercommissie steeds kort uitgewerkt. Die punten zien soms op kleine zaken, waaronder redactiepuntjes in regelingen, maar in meerdere gevallen ook op grotere issues. Logischerwijs komen sommige punten overeen met aspecten die ook bij het onderzoek in Nieuwkoop zijn gesignaleerd. Hordijk (en zijn collega Van Loon) is uiteraard graag bereid zijn bevindingen in één of meerdere raadsbijeenkomsten inhoudelijk toe te lichten.

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 5 van totaal 16

III

Aandachtspunten

1.

Afbakening

De Rekenkamercommissie hecht eraan een eenduidige definitie voor het begrip ‘lokale inkomensregeling’ te hanteren. Als volgt, waarmee meteen is aangegeven welke ruimte de gemeente heeft om (waar aan de orde) aanpassingen in de bestaande praktijk te overwegen. Voor de commissie is een lokale inkomensregeling:

een voorziening, bedoeld voor inwoners met een beperkt inkomen en een dito vermogen, waartoe de gemeente zelf heeft besloten en in verband waarmee de gemeente ook zelf kaders inzake voorwaarden, mogelijkheden of bedragen, uitvoering en verantwoording heeft opgesteld.

Een lokale inkomensregeling onderscheidt zich aldus met name van het in de Participatiewet opgenomen recht, dat ‘de alleenstaande of het gezin’ heeft, op algemene bijstand. De Rekenkamercommissie ziet de bijzondere bijstand, zoals bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet, ook als lokaal: die kan worden toegekend als dat ‘naar het oordeel van het college’ nodig is. De Rekenkamercommissie adviseert het consequente gebruik van de bovenstaande definitie. Volgend daaruit zal bij het bepalen of een inwoner voor de toepassing van een regeling in aanmerking komt (ook) steeds een eventueel voorhanden vermogen moeten worden beoordeeld, waar dit bij een aantal vigerende regelingen nu niet gebeurt (zie later in dit memorandum).

2.

Gebruikte begrippen

Relevant of niet, het valt de Rekenkamercommissie op dat in Houten in verband met de lokale inkomensregelingen veelvuldig de begrippen ‘armoede’, ‘armoedebeleid’, ‘minima’ en ‘minimabeleid’ worden gehanteerd, waar dit in andere gemeenten minder of niet gebeurt. Doet Houten dit om het (achterliggende) probleem te duiden zoals het door de lezer van de diverse stukken in alle scherpte moet worden ervaren, spelen er andere redenen (waaronder het aansluiten bij woorden die ook door de Rijksoverheid worden gehanteerd), is (ook) bedacht dat woorden als de bovenstaande onbedoeld ook voor stigmatisering kunnen zorgen of is eenvoudigweg een langjarig gebruikt begrippenkader zonder overweging voortgezet?

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 6 van totaal 16

De onderzoekers denken dat het goed is om bij dit punt stil te staan. Zonder een inhoudelijke voorkeur te willen uitspreken: in de definitie ad 1. hierboven wordt bewust gesproken over ‘inwoners met een beperkt inkomen en een dito vermogen’.

3.

Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

In het rapport ‘Evaluatie minimaregelingen’ is de mogelijkheid van het (laten) kwijtschelden van gemeentelijke belastingen alleen kort in de inleiding genoemd. Deze mogelijkheid past echter volledig in de definitie van de Rekenkamercommissie van lokale inkomensregeling. In de Programmabegroting voor 2021 (bladen 108 en 109) is zonder serieuze toelichting een derving van lokale belastingen voorzien van ruim € 175.000. De Rekenkamercommissie vindt dat dit bedrag moet worden meegenomen in het totaal aan kosten voor de uitvoering van de diverse lokale regelingen, dat in het evaluatierapport voor 2021 wordt geschat op circa € 1.690.000 – wat dus 10 % hoger ligt. De onderzoekers hebben niet kunnen vaststellen dat het beleid rond de kwijtscheldingen – welke lokale belastingen, welke grenzen qua inkomen of vermogen van een belanghebbende, welke percentages of (maximale) bedragen kwijtschelding – recent is (her-) beoordeeld. In de Programmabegroting wordt uitsluitend gewezen op ‘de 100 % bijstandsnorm’, waarbij ‘voor de overige regels rijksbeleid wordt gevolgd’. Wat dat beleid dan behelst, en of dat dan namens de gemeente Houten onverkort wordt uitgevoerd door de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (BghU), is niet duidelijk.

Op www.rijksoverheid.nl staat het volgende: Als u de gemeentelijke belasting niet kunt betalen, kunt u uw gemeente vragen om kwijtschelding. De gemeente bepaalt van welke belastingen kwijtschelding mogelijk is. Of u daadwerkelijk voor kwijtschelding in aanmerking komt, beoordeelt de gemeente. Hiervoor kijkt de gemeente naar uw vermogen en inkomen en de uitgaven die u moet doen. Om te bepalen of u voor kwijtschelding in aanmerking komt, kijkt de gemeente eerst naar uw vermogen. Het vermogen dat u mag behouden zonder belasting te betalen, is overigens wel lager dan om voor bijstand in aanmerking te komen. De kwijtscheldings-regeling is op dat punt strenger. Is het vermogen niet voldoende om de belasting te betalen? Dan rekent de gemeente uit welk bedrag u per jaar kunt missen (betalingscapaciteit). 80 % hiervan moet u gebruiken om de belasting te betalen. De Rekenkamercommissie adviseert het ‘uitschrijven’ en opnemen van de kwijtscheldingsregeling, als aanvulling op het evaluatierapport uit 2019 (inclusief de begrote kosten van de regeling, in casu in de vorm van gederfde belastingopbrengsten).

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 7 van totaal 16

4.

Effectiviteit – al dan niet per regeling

In het evaluatierapport uit 2019 is één zin over (de) effectiviteit van de bestaande regelingen opgenomen, dus van de doeltreffendheid ervan (bereiken we ermee wat we willen bereiken): ‘Helaas is de effectiviteit per regeling op dit moment niet aan te tonen’. De Rekenkamer durft deze uitspraak zonder terughoudendheid te versterken: ‘de’ effectiviteit van lokale inkomensregelingen is nooit als zodanig aan te tonen. Het is verstandig om dat te erkennen, en om eventueel te zoeken naar manieren om een indruk te krijgen van de mate waarin specifieke regelingen werken – en het daar dan bij te laten. Hoeveel meer participatie, levensgeluk of nog anders ervaart iemand die bijvoorbeeld kan meedoen met de collectieve zorgverzekering van (thans) VGZ, maar wie weet ook gebruik kan maken van meerdere andere lokale regelingen? Hoe manifesteert zich dat ‘mee blijven doen in de samenleving’ door inwoners ‘die deze het hardste nodig hebben’, als zij uit hoofde van de Regeling Tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten ‘net een extraatje’ krijgen (zie het voorstel tot vaststelling van die Regeling voor 2019)? Los van precieze formuleringen, al pleit de Rekenkamercommissie voor het vermijden van woorden die bij een objectieve benadering minder neutraal zijn dan wenselijk is: de effecten van regelingen als de onderhavige komen in beeld als met inwoners wordt gesproken.

Onze suggestie: breng eens per circa drie jaar een zogenoemd narratief verslag uit, waarin de uitwerking van uitgebreide interviews met stel twintig inwoners van de gemeente Houten is opgenomen, die voor het gebruik van lokale inkomensregelingen in aanmerking komen, en die (uiteraard) toestemming hebben gegeven voor publicatie van hun antwoorden op gestelde vragen – al dan niet geanonimiseerd. Krijg een beeld van hun omstandigheden, familie-, woon- en eventuele werksituatie, hun gezondheid, hun dagelijkse bezigheden, contacten en wensen en ideeën voor de toekomst, en tegen die brede achtergrond: van hun mogelijkheden, dilemma’s, zorgen, afwegingen en keuzes die direct of indirect te maken hebben met geld.

Weten de respondenten in voorkomende gevallen hun weg in het woud van van werknemersverzekeringen, volksverzekeringen, toeslagen van het UWV en/of van de Belastingdienst, eventuele pensioenverzekeringen en/of de mogelijkheden van IOAW of IOAZ, waarop lokale regelingen – dus ook in Houten – aanvullend (moeten) zijn? Welke geïnterviewden maken mogelijk bewust geen gebruik van regelingen waarvoor zij wel in aanmerking komen, en waarom dan niet (onbekendheid met precieze voorwaarden, te veel gedoe, zorgen over de vertrouwelijke omgang met gegevens, om een paar mogelijke redenen te noemen)? De Rekenkamercommissie bepleit het loslaten van het idee dat ‘de’ effectiviteit van een (afzonderlijke) regeling kan worden gemeten. Als uit contacten met inwoners, zoals hierboven bedoeld en in beleidsstukken vaak ervaringsdeskundigen genoemd, van verschillende leeftijden en met diverse achtergronden, de indruk kan worden gevormd of een regeling overwegend ‘werkt’ of niet, dan is al veel bereikt.

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 8 van totaal 16

5.

Inkomen – vermogen – maatwerk

De lokale inkomensregelingen in Houten kennen, deels ingegeven door hun inhoudelijke verscheidenheid, verschillende ‘drempels’ waar het gaat om de mogelijkheid (of niet) die een inwoner heeft om er gebruik van te maken. Voor de Rekenkamercommissie is niet (steeds) duidelijk geworden waarom bij verschillende regelingen is gekozen voor een grens van bijvoorbeeld 110 % van de bijstandsnorm, daar waar andere gemeenten – de onderzoekers hebben zich recent een diepgaand beeld gevormd van de regelingen van de gemeente Nieuwkoop – geregeld andere percentages hanteren en/of aanvullende voorwaarden stellen. We nemen als voorbeeld de zogenoemde U-pas: door de gemeente Houten wordt een andere inkomensgrens gehanteerd dan die van de overige deelnemende gemeenten, terwijl Houten (bovendien) deels andere bedragen per belanghebbende per jaar beschikbaar stelt (uiteraard los van het zogenoemde gebruik als ‘zichtpas’). In de ‘Evaluatie minimaregelingen’ uit 2019 wordt gewezen op een andere beleidsmatige benadering door de gemeente Utrecht, maar blijft onbelicht welke overwegingen spelen in de gemeenten IJsselstein, De Bilt en Stichtse Vecht, waar dezelfde pas kan worden aangevraagd. In Houten wordt bij het wel of niet toekennen van een U-pas expliciet geen vermogenstoets uitgevoerd.

Dat gebeurt evenmin bij het wel of niet verlenen van toegang tot de collectieve zorgverzekering bij VGZ, hoewel het aanbieden van een collectieve polis in de Participatiewet is genoemd als (toegestane) vorm van bijzondere bijstand (artikel 35, lid 3). Hetzelfde speelt bij de Regeling Tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten: geen vermogenstoets. De Rekenkamercommissie kan zich veel voorstellen bij de rond meerdere regelingen nadrukkelijk genoemde – en bij de uitvoering ook geboden – mogelijkheid tot het leveren van ‘individueel maatwerk’. Deze optie, op grond waarvan er (dus) ruimte is om in voorkomende gevallen van uitgangspunten of ‘richtlijnen’ af te wijken, speelt in ieder geval bij de Stichting Leergeld Houten en bij het Jeugdfonds Sport en Cultuur (maar wordt in het evaluatierapport ook genoemd bij de Regeling Tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten). De Rekenkamercommissie pleit voor: 

een heroverweging van de verschillende gehanteerde inkomensgrenzen, met als uitgangspunt dat die grenzen voor de verschillende regelingen zoveel mogelijk worden gesynchroniseerd. Niet alleen is ‘het inkomen’ (al dan niet in vergelijking met ‘de bijstandsnorm’) vaak nauwelijks eenduidig vast te stellen 2, ook is het voor mogelijke belanghebbenden lastig en verwarrend om in voorkomende gevallen met uiteenlopende grenzen te maken te hebben

2

Zie het na punt 6 opgenomen ‘Intermezzo’.

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 9 van totaal 16

het standaard hanteren van een vermogenstoets, bij alle regelingen. De Rekenkamercommissie blijft ver weg bij een inhoudelijk-politiek advies, maar acht het van belang de kans op een verwijt jegens de gemeente – mevrouw X heeft gebruik gemaakt van de Regeling Tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten, terwijl zij een over een groot vermogen beschikt – zo klein mogelijk te houden

het periodiek beoordelen, door de gemeente Houten, van de manier waarop externe partijen als de Stichting Leergeld Houten en het Jeugdfonds Sport en Cultuur omgaan met de ruimte die zij (bewust en stellig) hebben om in specifieke omstandigheden zogenoemd maatwerk te leveren, in casu met (deels) publiek geld. De Rekenkamercommissie wil in dit verband niets aan wantrouwen suggereren: van de jaarlijkse verslagen van de genoemde partijen, die de onderzoekers hebben doorgenomen, spat de inhoudelijke bevlogenheid en indirect ook de integriteit in alle opzichten af. Tegelijk: maak zowel de uitvoerders (bij de betrokken partijen) als de bestuurlijk verantwoordelijken (in het college van de gemeente Houten) in dit verband – en onder meer tegen de achtergrond van de recente landelijke publiciteit rond de kinderopvangtoeslag en bij de terugvordering van een groot bedrag aan verleende bijstand wegens als gift gekregen boodschappen – op dit punt niet onnodig kwetsbaar.

Het streven naar ‘eenvoud in onze regelingen’ – met dus zoveel mogelijk eenduidigheid in de diverse voorwaarden – staat overigens al als ambitie genoemd in de Beleidsnota herijking armoedebeleid Houten 2017-2020 uit juli 2017.

6.

Regeling – of regelingen – inzake de kosten van kinderopvang

Mogelijk speelt er een onjuiste interpretatie door de onderzoekers, maar in de diverse stukken over de lokale inkomensregelingen in Houten lijkt de ‘reguliere’ regeling Tegemoetkoming eigen bijdrage kinderopvang (vigerend voor alle WIL-gemeenten) te ontbreken. De Rekenkamercommissie wijst op de Beleidsregels die in verband met die regeling door het algemeen bestuur van WIL in december 2019 zijn vastgesteld. Op grond daarvan komt een bijstandsgerechtigde, die tevens gebruik maakt van ‘een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in (…) de Participatiewet’, in aanmerking voor overbrugging van het verschil tussen de werkelijke kosten van kinderopvang en de van de Belastingdienst verkregen eigen bijdrage. Met andere woorden: voor de volledige vergoeding van de kosten voor kinderopvang die voor eigen rekening van die bijstandsgerechtigde (of ontvanger van een andere uitkering op grond van de Participatiewet) komen. Ook deze regeling is een inkomensregeling waartoe de gemeente Houten (via WIL) zelf heeft besloten: in de Wet kinderopvang (artikel 1.13) is verwoord dat het college aan een ouder als hierboven bedoelde een tegemoetkoming kan verstrekken. De (geschatte) kosten van de uitvoering

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 10 van totaal 16

ervan zijn niet opgenomen in het evaluatierapport uit 2019 en (dus) ook niet inbegrepen in het totaal van circa € 1.690.000 dat onder punt 3. in dit memorandum is genoemd. Intussen heeft de gemeente Houten grote moeite met het beperken van het budgetbeslag dat gepaard gaat met de uitvoering van de Verordening sociaal medische indicatie kinderopvang gemeente Houten. De desbetreffende regeling bepaalt met zoveel woorden dat de gemeente Houten een belanghebbende, die geen algemene bijstand of (andere) uitkering op basis van de Participatiewet ontvangt maar bij wie wel sprake is van een zogenoemd sociaal medische indicatie (als ouder en/of bij haar of zijn kind), alle kosten van de opvang van één of meer kinderen vergoedt. Er vindt expliciet geen vermogenstoets plaats. Sterker nog: in de toelichting bij de Verordening is verwoord dat de regeling ‘in principe toegankelijk is voor iedereen. Er is geen uitsluiting van de doelgroep op basis van financiële criteria’ (wat op basis van artikel 13 overigens niet het geval is). De Rekenkamercommissie begrijpt dat deze lokale regeling, waartoe de gemeente Houten (dus) zelfstandig heeft besloten, in termen van toegang en kosten lastig kan worden ‘beheerst’.

Niet alleen is de doelgroep weinig eenduidig afgebakend (er moet bij het ‘beoordelen of sprake is van een sociaalmedische indicatie (…) advies worden ingewonnen (…) bij een onafhankelijke en voldoende professionele organisatie met voldoende adequate deskundigheid’, zie artikel 2 van de Verordening), ook kan in voorkomende gevallen snel discussie ontstaan over de hoogte van de tegemoetkoming (zie artikel 13, waarin wordt verwezen naar ‘de berekeningsmethode van de belastingdienst’, wat die ook mag zijn). De tekst van de toelichting bij artikel 13 van de Verordening conflicteert met het bepaalde in het artikel zelf. De Rekenkamercommissie adviseert om deze regeling zo spoedig mogelijk te herzien. Afgezien van eventuele inhoudelijk-beleidsmatige keuzes (waarbij mogelijk ook een afbouw kan worden overwogen als bepaalde inwoners niet meer voor toepassing van de regeling in aanmerking zouden komen) is het van groot belang dat de tekst van de Verordening niet langer kan leiden tot meerdere interpretaties, misverstanden of keuzes die in de praktijk steeds in het (financiële) nadeel van de gemeente uitpakken.

Intermezzo Bijstandsnorm, vermogen, draagkracht en toeslagen De Rekenkamercommissie wil regelgeving graag volledig begrijpen. Nooit als doel op zich: in dit onderzoek logischerwijs om te kunnen vaststellen of de bepalingen in en rond de diverse lokale inkomensregelingen herleidbaar en duidelijk zijn. Hieronder zijn onze samengevatte bevindingen rond de bovenstaande begrippen verwoord.

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 11 van totaal 16

In de Participatiewet en in documentatie rond veel van de door de onderzoekers doorgenomen regelingen valt het begrip ‘bijstandsnorm’. Los van verschillen op grond van leeftijd en/of gezinssituatie: de algemene bijstandsnorm (voor een gezin) is het bedrag dat gelijk staat aan het netto minimumloon (voor een volwassene). Het netto minimumloon wordt afgeleid van het wettelijke (bruto) minimumloon, waarop een wettelijke geregelde genormeerde ‘inhouding’ wordt berekend om op een eenduidig netto bedrag te komen. Op basis van de Participatiewet (artikel 19) wordt het inkomen via algemene bijstand tot de van toepassing zijnde bijstandsnorm aangevuld. Bij het beoordelen van een eventueel recht op bijstand wordt naast het inkomen ook het vermogen getoetst (artikel 34 van de Participatiewet). Als in of rond een lokale regeling wordt gesproken over (bijvoorbeeld) ‘maximaal 120 % van de bijstandsnorm’, dan moet dus: (1) (2) (3)

worden vastgesteld welke bijstandsnorm in de desbetreffende (gezins-) situatie van toepassing is worden bepaald hoeveel Euro 120 % daarvan is en worden getoetst of het (mogelijk gezamenlijke) netto-inkomen onder of boven dat bedrag ligt.

In de praktijk zal met name punt 3 hierboven veelal moeilijk eenduidig kunnen worden gedaan, al is het maar omdat niet bij iedereen het traject tussen bruto en netto inkomen hetzelfde verloop kent (met andere woorden: omdat twee personen met hetzelfde bruto inkomen fors uiteenlopende netto inkomens kunnen hebben). Een ‘detail’ is nog dat de bijstandsnorm volgens de Participatiewet wordt afgeleid van het minimumloon inclusief vakantietoeslag, terwijl in specifieke regelingen een netto-inkomensgrens speelt van een percentage van de bijstandsnorm waarbij niets over het vakantiegeld wordt gemeld. Zie in dit verband bijvoorbeeld de Verordening Individuele inkomenstoeslag van de gemeente Houten (artikel 4, tweede lid voor de toegang, alsmede artikel 5, eerste lid voor de hoogte van de toeslag). Dan speelt nog het begrip draagkracht. Iemands draagkracht wordt vastgesteld voor een periode, meestal van een jaar (zoals ook in de Lekstroom-gemeenten), en vindt toepassing bij de uitvoering van regelingen voor bijzondere bijstand. Zie in dat verband de Beleidsregels Individuele bijzondere bijstand 2016 Werk en Inkomen Lekstroom en concludeer dat (ook) het vaststellen van iemands draagkracht geen sinecure is: 

eerst moet de 100 % van ‘de toepasselijke bijstandsnorm’ worden bepaald (‘Onderwerp 1’ in de Beleidsregels). Vervolgens moet het netto inkomen worden vastgesteld waarover belanghebbende beschikt ‘of redelijkerwijs kan beschikken’ (artikel 5, tweede lid)

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 12 van totaal 16

van een eventueel ‘overinkomen’, dus van het netto (maandelijks, neemt de Rekenkamercommissie aan) inkomen dat boven de bovenbedoelde 100 %, wordt vervolgens een deel gezien als draagkracht, bedoeld om te kunnen beoordelen of een aanvrager wel of niet voldoende ruimte zou hebben om zaken zelf te kunnen bekostigen. Bij die draagkracht wordt ook een eventueel beschikbaar vermogen betrokken, waarbij de kaders van artikel 34 van de Participatiewet worden aangehouden.

In specifieke omstandigheden kan overigens ook de Toeslagenwet van toepassing zijn. Die wet wordt uitgevoerd door het UWV en regelt het aanvullen van iemands zogenoemde loondervingsuitkering (dat is, in de woorden van de Rekenkamer, een uitkering die in beginsel volgt uit een werknemersverzekering, bijvoorbeeld op grond van de Werkloosheidswet of de Ziektewet) tot wat wordt genoemd het ‘sociaal minimum’. Ook dat minimum is afhankelijk van leeftijd en gezinssituatie en wijkt (beperkt) af van de bijstandsnorm. Voor een eventuele aanvulling van het inkomen op basis van de Toeslagenwet is iemands vermogen niet van belang. En voor de goede orde: de mogelijke toeslagen op grond van deze wet betreffen niet de zorgtoeslag en de huurtoeslag – de daarvoor geldende regelingen worden uitgevoerd door de Belastingdienst.

7.

Details in specifieke documenten

Bij het doornemen van de diverse regelingen en overige documentatie is de Rekenkamercommissie gestuit op verschillende (redactionele) onvolkomenheden. Die zijn voor de gemeenteraad minder tot niet interessant, maar behoeven wel opvolging door de ambtelijke organisatie en het college (waar aan de orde met medewerking van het bestuur van de gemeenschappelijke regeling WIL). Zonder volledig te willen of kunnen zijn betreft het: Beleidsregels Individuele bijzondere bijstand 2016 Werk en Inkomen Lekstroom Artikel 9 – volledig verouderd. Tussen artikelen 9 en 10 – tekst die daar niet thuishoort. Rapport Evaluatie minimaregelingen Beschouwing – blad 5 onderaan – niet volledig correct. De (indirecte) tegemoetkoming als wordt deelgenomen aan de collectieve verzekering tegen ziektekosten bij VGZ geldt op basis van de Participatiewet als een vorm van bijzondere bijstand, terwijl er geen vermogenstoets wordt uitgevoerd. Zie ook blad 28, middelste alinea. Beschouwing – blad 6 bovenaan – niet volledig correct. Los van de vraag welke ‘tegemoetkoming voor kinderopvang’ hier wordt bedoeld: dat is geen wettelijk bepaalde regeling, maar de (vrije) keuze van de gemeente Houten.

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 13 van totaal 16

Verordening Individuele studietoeslag Werk en Inkomen Lekstroom Toelichting, onder ‘Discretionaire bevoegdheid’ – niet correct. Er wordt gesteld dat ‘het niet mogelijk is om geheel af te zien van het verstrekken van deze toeslag’, waarin terzake in de Participatiewet staat dat ‘het college’ in voorkomende gevallen ‘een toeslag kan verlenen indien …’.

8.

Periodieke (integrale) beoordeling

Hoe makkelijk, doelmatig en voor belanghebbenden plezierig zou het zijn als (1) het vaststellen van de persoonlijke omstandigheden en (2) het toetsen van het inkomen (en soms het vermogen) van een inwoner van Houten, die voor het gebruik van meerdere lokale inkomensregelingen in aanmerking wil komen, slechts op één plaats en (bijvoorbeeld) slechts eenmaal per jaar zou kunnen worden gedaan? Zie wat de BghU allemaal aan specificaties, opgaven en wat dies meer zij wil ontvangen om een aanvraag tot kwijtschelding van gemeentelijke belastingen te kunnen beoordelen, weet wat van diezelfde inwoner mogelijk al aan vertrouwelijke persoonsgegevens bij WIL ligt, weet wat er misschien al aan gegevens in bestanden of dossiers van de Stichting Leergeld of het Jeugdfonds Sport en Cultuur is opgenomen, weet … enfin. De Rekenkamercommissie pleit voor een verkenning van de mogelijkheden om tot een periodieke (in beginsel jaarlijkse) integrale beoordeling van de persoonlijke en financiële situatie van een belanghebbende te komen. Zonder op de uitkomsten daarvan vooruit te lopen: het ligt voor de hand dat die wordt uitgevoerd door een WIL-consulent, die dan een beschikking afgeeft waarin is vermeld voor welke van de in Houten vigerende lokale inkomensregelingen (bij gelijkblijvende omstandigheden) die inwoner in aanmerking komt.

Van Leergeld via U-pas en kwijtscheldingen tot collectieve zorgverzekering: alles in één slag, eenduidig uitgevoerd en met een schriftelijke bevestiging als uitkomst, die door alle andere bij de regelingen betrokken partijen uiteraard wordt aanvaard, waarbij het onverkorte uitgangspunt wordt gehanteerd dat geen (aanvullende) bewijsstukken mogen worden gevraagd. Overigens zou op de bedoelde beschikking ook moeten zijn vermeld aan welke regelingen niet kan worden deelgenomen. Als voor de bedoelde integrale beoordeling één vaste werkwijze kan worden ontwikkeld – wat logischerwijs wordt bevorderd als zoveel mogelijk van de bij de diverse regelingen gehanteerde grenzen en overige criteria zijn gestroomlijnd – dan zal die beoordeling in veel gevallen goed kunnen worden voorbereid en/of gecontroleerd door de inwoner in kwestie, al dan niet bijgestaan door een familielid, bekende, mantelzorger of een beroepskracht of vrijwilliger van bijvoorbeeld de Stichting Budgethulp Houten of van Houten & co.

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 14 van totaal 16

9.

Omgang met persoonsgegevens

Deels in het verlengde van punt 8. hierboven: de Rekenkamercommissie is, mede gegeven Hordijks achtergrond als registeraccountant, altijd (maar in het geval van Houten zonder specifieke reden) zorgelijk over de omgang met per definitie vertrouwelijke persoonsgegevens van inwoners die gebruik (willen) maken, of dat hebben gedaan, van één of meer lokale inkomensregelingen. De onderzoekers pleiten voor een periodieke, volledige toetsing op de omgang met alle persoonsgegevens van belanghebbenden bij alle lokale inkomensregelingen, uiteraard voorzover de gemeente Houten daarvoor direct of indirect verantwoordelijk is. Dat betreft dus ook de opslag en het gebruik van dergelijke gegevens bij de uitvoerende (commerciële) partij achter de U-pas, bij de Stichting Leergeld (die in het jaarverslag 2019 al een actie rond de AVG aankondigt), bij het Jeugdfonds Sport en Cultuur en bij de BghU. Daarbij dient niet alleen te worden bezien welke maatregelen in procedures zijn opgenomen, maar ook hoe die procedures in de praktijk werken (inclusief de melding en opvolging van incidenten en bijna-incidenten, de doorvertaling en borging van afspraken richting derden-ICT-partijen, enzovoorts). Ook hier staan de belangen van alle betrokken inwoners bovenaan, maar moet tegelijk worden vermeden dat het college terzake een verwijt zou kunnen worden gemaakt (van welke zwaarte ook).

10.

Herijking regelingen

De gemeente Houten heeft een sterk sociaal gezicht. Het Programma Sociale Kracht (2017-2020), het document De Sociale Koers (2020-2023) en ook de ‘centrale’ stukken over de lokale inkomensregelingen zijn helder: in Houten moet iedereen kunnen meedoen, met een (extra) accent op kinderen, en in verband daarmee spelen vormen van (bijkomende) inkomensondersteuning een meer dan marginale rol. Meer bekendheid, daardoor (nog) meer bereik en meer samenwerking bij de uitvoering: ziehier de ambities die de gemeente zich voor 2020 en 2021 heeft gesteld. Het evaluatierapport uit 2019 heeft (nog) niet geleid tot een meer fundamentele heroverweging van de verschillende regelingen. Zit er (veel) overlap tussen, en is dat blijvend wenselijk? Zijn alle voorwaarden eenduidig en sluiten die (nog steeds) aan bij het beleid dat de gemeente inzake specifieke doelgroepen wil (blijven) voeren? Is het nog passend dat jaarlijks ruwweg € 175.000 aan lokale belastingen wordt kwijtgescholden, als tegelijk het toegekende bedrag aan een chronisch ziek iemand moet worden teruggeschroefd? Mag bij de regelingen, waarbij dat speelt, in redelijkheid blijvend worden afgezien van het uitvoeren van een vermogenstoets? En, zoals in punt 4.

in dit memorandum staat aangegeven, welk beeld volgt er uit een rapportage van de achtergronden en (financiële) perspectieven van een selectie van (non-) gebruikers van de diverse regelingen?

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 15 van totaal 16

Lokale inkomensregelingen zijn als zodanig onverplicht. Met andere woorden, en hoe impliciet dat in de praktijk ook mag zijn (gebeurd): de raad van de gemeente Houten kiest van jaar op jaar voor het hanteren van uiteenlopende regelingen die afzonderlijk en opgeteld een groot budgetbeslag vergen. Het past Houten, juist gezien het sterke sociale karakter van de gemeente, om zo mogelijk nog dit jaar te komen tot de herijking waarvoor de evaluatie uit 2019 was bedoeld, maar die nog niet heeft plaatsgevonden. Met het evaluatierapport en het voorliggende memorandum zijn alle in dat verband noodzakelijke bouwstenen en overwegingen voorhanden.

IV

Ter afsluiting

De Rekenkamercommissie gaat (toch) nog even terug naar de vragen die bij het onderwerp ‘Lokale inkomensregelingen’ zijn opgenomen in het onderzoeksplan voor 2020. Welke antwoorden kunnen daarop worden gegeven – op basis van eerder (ambtelijk) verrichte werkzaamheden en/of op het door de onderzoekers doorlopen traject? Als volgt: Welke inkomensregelingen heeft de gemeente Houten, hoeveel beroep wordt daarop gedaan, hoe bekend zijn die regelingen en hoe wordt het effect c.q. rendement ervan getoetst? ZIE HET GEMEENTELIJKE EVALUATIERAPPORT UIT 2019. ZIE DAARNAAST DE (ZELFSTANDIGE) JAARLIJKSE RAPPORTAGES VAN MET NAME LEERGELD, JEUGDFONDS SPORT & CULTUUR EN URGENTE NODEN LEKSTROOM. UIT DIVERSE DOCUMENTATIE KOMT NAAR VOREN DAT DE BEKENDHEID VAN DE DIVERSE REGELINGEN NIET MAXIMAAL IS. HET RENDEMENT VAN DE VERSCHILLENDE REGELINGEN IS NIET GETOETST – DE REKENKAMERCOMMISSIE DENKT OVERIGENS DAT EFFECTEN VAN LOKAAL INKOMENSBELEID HET ‘SPREKENDST’ BLIJKEN UIT BESCHRIJVINGEN VAN DE SITUATIES VAN ERVARINGSDESKUNDIGEN, DUS VAN INWONERS DIE VOOR HET GEBRUIK VAN ÉÉN OF MEERDERE REGELINGEN IN AANMERKING KOMEN.

Is er sprake van (relatief) recent vastgesteld of herbevestigd lokaal inkomensbeleid? Zo ja, hoe moet dat beleid inhoudelijk worden beoordeeld, ook in relatie tot het terzake vigerende beleid in enkele referentiegemeenten (waaronder Nieuwkoop)? NEE (OF BIJ EEN ANDERE INTERPRETATIE: JA), IN DIE ZIN DAT HET BESTAANDE BELEID (ROND DE DIVERSE REGELINGEN) AL MEERDERE JAREN ZONDER FEITELIJKE HERIJKING WORDT DOORGEZET. HET ‘ZO JA’ IS WAT DE REKENKAMERCOMMISSIE BETREFT NIET VAN TOEPASSING. OVERIGENS IS DE SITUATIE IN HOUTEN ROND DIT ONDERWERP NIET ANDERS DAN IN NIEUWKOOP.

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Blad 16 van totaal 16

In welke regeling of regelingen is dat beleid geoperationaliseerd? WE SPREKEN (DUS) NIET OVER AFGEWOGEN, GEÏNTEGREERD BELEID. VOOR EEN OVERZICHT VAN DE VERSCHILLENDE ‘LOSSE’ INKOMENSREGELINGEN, WAARAAN DE REGELING INZAKE HET KWIJTSCHELDEN VAN GEMEENTELIJKE BELASTINGEN MOET WORDEN TOEGEVOEGD: ZIE HET EVALUATIERAPPORT UIT 2019.

Hoeveel beroep (absoluut en relatief, waar aan de orde gespecificeerd naar deel-doelgroepen) wordt er op die regeling of regelingen gedaan, en hoe moet dat volume worden beoordeeld in vergelijking met de situatie in die referentie-gemeenten? Op welke manier(en) wordt of worden de vigerende regeling(en) onder de aandacht van de doelgroep(en) gebracht? ZIE HET BOVENBEDOELDE EVALUATIERAPPORT, EN ZIE DE GENOEMDE RAPPORTAGES VAN (MET NAME) DE DRIE BETROKKEN STICHTINGEN. DE REKENKAMERCOMMISSIE HEEFT GEEN CIJFERS KUNNEN VINDEN VAN AANTALLEN KWIJTSCHELDINGEN VAN GEMEENTELIJKE BELASTINGEN.

Hoe wordt het lokale inkomensbeleid, waarin de inkomensregeling(en) een belangrijk instrument vormen, periodiek ambtelijk en bestuurlijk geëvalueerd, en wat wordt over de uitkomsten van die periodieke evaluatie met de raad gedeeld? DE RAAD IS ACTIEF GEÏNFORMEERD VIA HET EVALUATIERAPPORT UIT 2019 EN DOOR DE NOTITIE ‘WIJ IS MEER DAN IK’, WAARIN MET NAME IS INGEGAAN OP DE VOORTGANG ROND TWEE CENTRALE ACTIES (HET ZO MOGELIJK VERGROTEN VAN HET BEREIK VAN DE DIVERSE REGELINGEN EN (2) HET VERSTERKEN VAN DE SAMENWERKING EN DE MONITORING VAN HET AANBOD). IN DE VISIE VAN DE REKENKAMERCOMMISSIE IS ER ALLE (BELEIDSMATIGE, ORGANISATORISCHE, FORMEELINHOUDELIJK EN FINANCIËLE) REDEN OM IN DE LOOP VAN 2021 EEN INTEGRALE HERIJKING UIT TE VOEREN.

**

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Bijlagen

Bijlage 1

Bestuurlijke reactie

Samenleving Onderdoor 25 Postbus 30, 3990 DA Houten Telefoon 030 639 26 11 Fax 030 639 28 99 E-mail: gemeentehuis@houten.nl Internet: www.houten.nl

ö

0)

•h J

P

O

Rekenkamer Houten T.a.v. de directeur de heer Frank Hordijk

Datum

Uw kenmerk

Uw brief van

3 maart 2021

Ons kenmerk

c <ü 4) E 0) bc Bijlagen

735816

Onderwerp

Reactie op rapport "Onderzoek lokale inkomensregelingen”

Geachte heer Hordijk, Uw rekenkamer heeft in 2020 onderzoek gedaan naar de lokale inkomensregelingen van de gemeente Houten. In deze brief geven wij onze reactie op het door uw rekenkamer opgeleverde rapport ’’Onderzoek lokale inkomensregelingen”. Minimabeleid in het algemeen en inkomensregelingen in het bijzonder zijn actuele en belangrijke them a’s, zowel op landelijk als op lokaal niveau. We zijn dan ook dankbaar voor uw onderzoek, dat ons aanbevelingen geeft voor het verder optimaliseren van onze lokale inkomensregelingen. We zullen hier zoveel mogelijk ons voordeel mee doen. Voordat we zullen reageren op de belangrijkste aanbevelingen uit het rapport willen we nog even kort ingaan op uw opmerkingen over de Verordening sociaal medische indicatie kinderopvang op blad 10 van het rapport. Wij delen u mee dat bij twijfel over de indicatie tijdens de beoordeling altijd advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke organisatie. Vanuit de uitvoering wordt aangegeven dat het onafhankelijk advies altijd de lijn van de medisch deskundigen volgt, zoals een verklaring van een psycholoog. Wij delen uw conclusie dat deze regeling daarmee steeds in het financiële nadeel van de gemeente uitpakt daarom niet.

Reactie op de belangrijkste aanbevelingen In het rapport doet uw rekenkamer verschillende aanbevelingen. De belangrijkste zullen hieronder kort worden toegelicht en vervolgens worden voorzien van onze reactie. M eer gebruik maken van ervaringsdeskundigheid Uw rekenkamer bepleit op blad 7 van het rapport ”het loslaten van het idee dat ‘de’ effectiviteit van een (afzonderlijke) regeling kan worden gemeten”. U stelt dat al veel bereikt wordt als uit contacten met inwoners van verschillende leeftijden en met diverse achtergronden, de indruk kan worden gevormd of een regeling overwegend ‘w erkt’ of niet. Wij delen deze stelling met u. Hetzelfde geldt voor uw constatering dat de effecten van lokaal inkomensbeleid het “sprekendst” blijken uit beschrijvingen van de situaties van ervaringsdeskundigen (inwoners die voor het gebruik van een of meerdere regelingen in aanmerking komen). Wij nemen uw aanbeveling om eens per drie jaar een zogenoemd narratief verslag uit te brengen, waarin opgenomen de uitwerking van uitgebreide interviews met twintig inwoners die gebruik maken van lokale inkomensregelingen, dan ook van harte over en gaan hiermee aan de slag.

In het lopende jaar gaan we hier samen met onze ketenpartners de eerste stappen in zetten, door zorgvuldig met elkaar in kaart te brengen hoe we een representatieve groep kunnen samenstellen van twintig inwoners die gebruik maken van lokale inkomensregelingen.

Bij beantwoording datum en kenmerk vermelden.

Berichtnummer: 330539 330539

Het hanteren van een eenduidige definitie van minimaregelingen Uw rekenkamer geeft op blad 5 van het rapport aan veel waarde te hechten aan een eenduidige definitie van het begrip lokale inkomensregeling. Daarom adviseert u het consequente gebruik van de volgende eenduidige definitie: ”een voorziening, bedoeld voor inwoners met een beperkt inkomen en een dito vermogen, waartoe de gemeente ze lfhe eft besloten en in verband waarmee de gemeente ook ze lf kaders inzake voorwaarden, mogelijkheden o f bedragen, uitvoering en verantwoording heeft opgesteld.’’ Wij delen het belang dat u hecht aan de consequente hantering van deze eenduidige definitie en nemen uw aanbeveling daaromtrent dan ook graag over. We zullen hier in onze communicatie over onze minimaregelingen in het vervolg (nog) bewuster bij stil gaan staan. Dit bewustzijn zullen we ook delen met alle ketenpartners die betrokken zijn bij de uitvoering van de minimaregelingen in Houten. Jaarlijkse integrale beoordeling van de financiële situatie van minima Uw rekenkamer pleit op blad 13 van het rapport voor een periodieke (in beginsel jaarlijkse) integrale beoordeling van de persoonlijke en financiële situatie van een belanghebbende om zo de rompslomp voor de belanghebbende en minimapartners te verminderen.

Wij vinden dit een interessante gedachte, maar achten het wel zeer ambitieus en hebben nog de nodige vragen over wat zo’n periodieke integrale beoordeling betekent t a v. de privacyaspecten. Momenteel focussen we op de korte termijn bij voorkeur op het nog verder verbeteren van de kwaliteit en vindbaarheid van onze huidige dienstverlening. Desondanks willen we graag in afstemming en samenwerking met andere gemeenten en kennispartners zoals de VNG, Divosa en Zorg+Welzijn in kaart gaan brengen wat de voor- en nadelen zijn van een periodieke integrale beoordeling voor onze inwoners die gebruikmaken van onze minimaregelingen. We willen daarin als Houten niet per se vooruitlopen om het vooruitlopen, maar vooral op een haalbare wijze doen wat nodig is om onze financieel meest kwetsbare inwoners goed te ondersteunen. Fundamentele herijking van de m inimaregelingen op korte termijn Uw rekenkamer beveelt op blad 4 van het rapport aan om op korte termijn een diepgaande herijking van de inkomensregelingen plaats te laten vinden, mede op basis van de opmerkingen die de rekenkamer maakt over de (bij sommige regelingen) voor verbetering vatbare duidelijkheid en eenduidigheid van inkomens- en vermogensgrenzen. Wij kunnen de wens van uw rekenkamer om met meer eenduidige en voor verschillende regelingen gelijke inkomensgrenzen en vermogensgrenzen te werken begrijpen.

Dit is voor partners en inwoners immers makkelijker te begrijpen. Wel wijzen wij er op dat er financiële en maatschappelijke gevolgen kleven aan een fundamentele herijking; sommige groepen zullen bijvoorbeeld wel recht krijgen op een inkomensregeling en andere groepen juist niet. We zouden dan bijvoorbeeld goed moeten weten hoe het aanpassen van inkomensgrenzen en vermogensgrenzen voor verschillende regelingen uitpakt op casusniveau. Samen met de ketenpartners rondom het minimabeleid hebben we het afgelopen jaar namelijk opnieuw met elkaar vastgesteld dat er in Houten momenteel een vrij dekkend aanbod aan regelingen staat en daar willen we uiteraard zorgvuldig mee omgaan. Ook willen we onder uw aandacht brengen dat het lopende jaar 2021 een jaar is waarin we onze handen vol hebben aan veei ontwikkelingen en actualiteiten rondom het minimabeleid. Denk daarbij aan de impact van de coronacrisis, de hersteloperatie rondom de toeslagenaffaire en de verantwoordelijkheid die we daarin willen nemen voor hulp aan getroffen inwoners. Verder hebben we in de vervolgrapportage dóórontwikkeling minimaregelingen veel acties benoemd (o.a. op het gebied van communicatie en het beter vindbaar maken van onze regelingen) die we in het lopende jaar 2021 willen gaan realiseren met onze partners.

Wij hebben in nauw contact met onze ketenpartners in het minimabeleid continu aandacht voor aanpassingen die nodig zijn in de bestaande regelingen. En krijgen geen signalen van hen dat, op basis van het huidige beleid, bepaalde groepen stelselmatig buiten beeld verdwijnen of door een bepaalde inkomensgrens buiten de boot van de inkomensregelingen vallen. We vragen hier regelmatig naar.

Bij beantwoording datum en kenmerk vermelden.

Pagina 2 van 3

Gezien de hiervoor geschetste zaken zullen wij in deze bestuursperiode geen integrale herijking van de regelingen doen. Een eventuele integrale herijking laten wij daarmee aan een volgend college. Tot zover onze reactie op de belangrijkste aanbevelingen uit uw rapport. Als u nog vragen heeft over onze reactie dan kunt u contact opnemen met B. de Heide via telefoonnummer 030 6392 611.

Met vriendelijke groet, het college van burgemeester en wethouders van de gemeénteTlöuten de secretaris,

A.J. '^arrtnk

G.P. Isabella

Bij beantwoording datum en kenmerk vermelden.

Pagina 3 van 3

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Bijlagen

Bijlage 2

Nawoord Rekenkamer

De Rekenkamer zegt het college dank voor de uitgebreide bestuurlijke reactie. De Rekenkamer stelt vast dat het college de kern van de in het memorandum opgenomen aanbevelingen onderschrijft. Inzake de ‘Verordening sociaal-medische indicatie kinderopvang’ geeft de Rekenkamer graag bij gelegenheid een nadere (ambtelijke) toelichting op de in het memorandum opgenomen aantekeningen – het college heeft de bij de Rekenkamer levende zorgen, voortkomend uit de Verordening en de (kennelijke) uitvoering daarvan, nog niet kunnen wegnemen. Ervaringsdeskundigheid De Rekenkamer waardeert de door het college gedane toezegging, en verwacht dat de raad met grote belangstelling uitziet naar de (eerste) uitkomsten. Definitie Heel plezierig, want belangrijk dat het college ook deze aanbeveling overneemt. Integrale beoordeling en privacy De Rekenkamer begrijpt de reactie van het college, ook waar het gaat om de noodzaak oog te hebben voor privacy-aspecten. Tegelijk: juist die aspecten – met de zorg die Rekenkamer daaromtrent heeft, en waarop in de punten 8 en 9 (bladen 13 en 14) wordt gewezen – vormen mede de aanleiding voor het doen van deze aanbeveling. De Rekenkamer neemt aan dat de raad graag in 2022 de (voorlopige) uitkomsten verneemt van de door het college in het vooruitzicht gestelde verkenning.

Intussen – en bewust nogmaals in dit Nawoord – dringt de Rekenkamer aan op het opvolgen van de aanbeveling die is opgenomen onder punt 9 (blad 14) van het memorandum.

Rekenkamercommissie Houten Onderzoek – lokale inkomensregelingen 11 maart 2021 Bijlagen

Herijking De Rekenkamer begrijpt de afweging die het college maakt, en verwacht dat de raad die afweging zal onderschrijven. Gezien het principiële en brede belang ervan, dat het college ook met zoveel woorden onderkent, mag de Rekenkamer aannemen dat de bedoelde herijking in het eerste of uiterlijk het tweede jaar van de komende raadsperiode wordt uitgevoerd.

**

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=c63be955-a6ff-41e7-97c6-7943c3b9f83f