Bijlage 1 - Motivering Buitenplanse omgevingsplan activiteit (BOPA)
Tekst van het document
Provinciaal waterbelang Omgevingsvisie- en verordening Provincie Utrecht De provincie Utrecht heeft de uitwerking van haar waterbeleid opgenomen in de omgevingsvisie en de omgevingsverordening provincie Utrecht. In de omgevingsvisie is aangegeven dat wateroverlast in het stedelijk gebied niet mag worden afgewenteld op andere gebieden. Afvoerpieken dienen binnen het gebied te worden opgevangen. Dit kan door de bergingscapaciteit aan te leggen in stedelijk water of door neerslag te laten infiltreren in de bodem. In de omgevingsverordening is dit nader uitgewerkt in regels. Voor het plan zijn met name de normen wateroverlast binnen de bebouwde kom (art. 2.6.c) van belang, waarbij het uitgangspunt is dat er een gemiddelde overstromingskans is van 1/100 per jaar voor gebieden met feitelijke bebouwing en 1/10 voor de overige gebieden in de bebouwde kom. Gemeentelijk waterbelang Water- en Rioleringsplan (WRP) 2024-2027 Het gemeentelijke beleid qua water staat beschreven in het Water- en Rioleringsplan (WRP) 2024 - 2027. Hierin worden de doelen aangegeven die de gemeente Houten wil bereiken met betrekking tot stedelijk afvalwater, hemelwater, grondwater en oppervlaktewater + waterbodems. Verschillende beleidskeuzes zijn uitgewerkt in kritieke prestatie indicatoren.
De belangrijkste prestatie indicatoren voor de omgang met water, die in het Water- en Rioleringsprogramma, worden in dit document beschreven. Er geldt een eis van 70 mm regenwateropvang. Dit water wordt vertraagd afgevoerd en is na 48 uur opnieuw beschikbaar. Dit mag worden ingevuld via een polderdak, ondergrondse krattensysteem en/of een wadi op eigen terrein.
Pagina 29
SPA WNP ingenieurs
2400299.3200.r01
Bij nieuwbouw kan het hemelwater ook bouwkundig worden geïntegreerd, in de vorm van een ‘polderdak’. Parkeervakken op eigen terrein worden uitgevoerd in waterpasserende verharding. Waterbelang Waterschap Waterschapsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2024 Het beleid van Waterschap Rivierenland staat beschreven in de waterschapsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2024. De waterschapsverordening bevat alle regels over de fysieke leefomgeving, die het waterschap stelt binnen haar beheergebied. In de waterschapsverordening zijn de geboden en verboden met betrekking tot inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, ondersteunende kunstwerken en grondwater geregeld. Voor alle verboden werken en/of werkzaamheden die niet aan de criteria voldoen, kan vergunning worden aangevraagd. Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschrijft de ambities en inzet van het hoogheemraadschap om de waterdoelen voor het beheergebied te bereiken. Voor de komende periode heeft het hoogheemraadschap haar koers in vier thema’s verwoord: 1. zuiver afvalwater: energieneutraal en circulair; 2. robuust en gezond watersysteem in een klimaatbestendig gebied; 3. waterbewust leven en genieten van water; 4. waterveilige leef- en werkomgeving.
Watertoets Ten behoeve van de ruimtelijke procedure is een digitale watertoets uitgevoerd, deze is opgenomen in de bijlagen van deze motivering. Hieruit blijkt dat het plan een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding en/of afvalwaterketen. Deze beoordeling heeft plaatsgevonden vanuit het beleid van het waterschap. Voor het waterschap leidt een toename van verharding alleen tot een watercompensatie opgave (noodzaak tot waterberging) als er een toename is van 1500 m² of meer. In dit geval is de toename zeer beperkt omdat het plangebied reeds bebouwd is. Uit de digitale watertoets blijkt dat voor het plan een korte procedure nodig is. Op basis van de digitale procedure concludeert het waterschap dat het plan geen groot effect heeft op water en de waterbelangen. Met een standaard wateradvies kan worden volstaan. Toetsing Het plan voorziet in een zeer beperkte toename in verhard oppervlakte en uit de digitale watertoets van het Waterschap blijkt, dat het plan geen groot effect heeft op water en de waterbelangen. Vanuit de gemeente geldt een eis van 70 mm regenwateropvang. Aan de oostzijde van het pand worden infiltratiekratten geplaatst. De infiltratiekratten hebben een capaciteit van 10.000 liter en een afmeting van 2 meter breed, 5 meter lang en 1 meter hoog. In totaal kan 60.000 liter opgevangen worden in de infiltratiekratten.
Het afvalwater van de woningen wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering.
Pagina 30
SPA WNP ingenieurs
2400299.3200.r01
Afbeelding 10: Voorgenomen bergingsmaatregelen plangebied
Conclusie Het aspect weging van het waterbelang vormt geen belemmering voor het beoogde plan. 5.11
Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Houten hecht veel waarde aan duurzaamheid. Gemeente Houten wil in 2040 energieneutraal zijn. Dat betekent dat alle energie voor wonen, werken en transport binnen de gemeentegrenzen moet worden opgewekt. Dit vraagt de komende 25 jaar een grote inspanning om het netto-energiegebruik terug te gaan brengen door energiebesparende maatregelen, die uiteindelijk moeten leiden tot nul-op-de-meter woningen en winkels en door alle mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie te benutten. Het centrumgebied is een belangrijk knooppunt en levert daarmee een belangrijke bijdrage aan de CO2-uitstoot (en fijnstof) door auto's en vrachtauto's. Hoewel het streven erop gericht blijft het autogebruik zoveel mogelijk te beperken ten gunste van bijvoorbeeld de fiets, wordt er ook gekeken naar slimmere vervoersoplossingen en naar schoner autovervoer. Een belangrijk speerpunt op de korte termijn is het stimuleren van elektrisch vervoer onder andere door een net van oplaadpunten van zowel auto's als elektrische fietsen. Als tussenstap op de ambitie om energieneutraal te zijn in 2040, wil Houten in 2025 20% van de Houtense energievraag lokaal duurzaam opwekken. Voor bewoners is een Energieplan opgesteld waarmee Houten haar eigen inwoners faciliteert om zelf aan de slag te gaan met de energie- en warmtetransitie.
Nieuwbouwwoningen worden niet meer met aardgas verwarmd. In de mogelijke transformatiegebieden (Concept-Ruimtelijke Koers: Centrum, Molenzoom, De Koppeling en Noordwest) liggen door de hoge dichtheid van woningen kansen voor een warmtenet en/of bodemenergie.
Pagina 31
SPA WNP ingenieurs
2400299.3200.r01
Als integraal onderdeel van de ontwikkeling in een gebied, voert de gemeente daar regie op. Het besparen en vervangen van fossiele energie door hernieuwbare energie (energietransitie) staat hierbij centraal. Toetsing Voor de toekomstbestendigheid van het plan, is het noodzakelijk om de energievraag van gebouwen te beperken en daarnaast duurzaam op te wekken. De woningen worden volledig aardgasvrij opgeleverd. Om aan de duurzaamheidambitie te voldoen, is het belangrijk dat al op stedenbouwkundig niveau keuzes gemaakt worden, voor de duurzame energie-infrastructuur. Op gebied van energie wordt de systematiek van BENG voor nieuwbouw aangehouden. Dit is onderverdeeld in onder andere een minimaal aandeel hernieuwbare energie (BENG3) en een maximale energiebehoefte voor verwarming en koeling (BENG1). In de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen is een onderbouwing opgenomen ten aanzien van BENG en circulariteit. Klimaatadaptatie De gemeente Houten streeft er naar om de komende decennia een klimaatbestendige gemeente te worden. Dit betekent dat Houten zich wil voorbereiden op de verwachte klimaatverandering waarvan nu al de eerste effecten zich voordoen. Verwachte effecten zijn met in name de zomerperioden hevige regenbuien, langdurige hitte en droogte.
In de overige seizoenen is de verwachting dat er langduriger neerslag kan vallen en zullen de gemiddelde temperaturen stijgen, maar mogelijk ook extremer worden. Voor het centrumgebied kunnen vooral de heftige neerslag en de langdurige hitte tot overlast, economische schade voor de winkels en mogelijk gezondheidsrisico’s voor kwetsbare groepen leiden. De hoofdlijnen van het klimaatadaptatieplan binnen de gemeente Houten staan beschreven in het Klimaatadaptatieplan Houten 2022-2027. Uitgangspunt is Houten in 2040 klimaatadaptief ingericht te laten zijn, zoals is vastgesteld in het Milieubeleidsplan 2010. Met klimaatadaptieve inrichtingen zijn de volgende doelen voor ogen: · Wateroverlast. De ambitie van Houten is dat hemelwater niet mag leiden tot ernstige wateroverlast of schade zoals economische schade, onveiligheid, verminderde leefbaarheid en verminderde volksgezondheid. · Hitte. Tijdens hitte biedt de gebouwde omgeving een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. · Droogte. Langdurige droogte leidt niet tot structurele schade aan bebouwing, funderingen, wegen, groen, water en vitale en kwetsbare functies. Naast de bovenstaande doelen heeft de gemeente Houten ook een klimaatadaptatiestrategie met vijf relevante speerpunten: 1. 2. 3. 4. 5.
Nieuwbouw- en herstructurering klimaatadaptief De stad als spons Leefbaarheid bij hitte Gevolgbeperking klimaateffecten vitale en kwetsbare functies Klimaatbewustzijn en handelingsperspectief bewoners en bedrijven
Toetsing In het plan wordt rekening gehouden met hitte, droogte en wateroverlast (klimaatadaptatie) in het bouwplan. Er wordt gebruik gemaakt van materialen die een positief effect hebben op de hitte in en rondom het gebouw. Het water conform de eisen van de gemeente geborgen, hiervoor worden o.a. infiltratiekratten aangelegd.
Pagina 32
SPA WNP ingenieurs
2400299.3200.r01
Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met duurzaamheid en klimaatadaptatie. Hiervoor is aangesloten bij de gemeentelijke kaders. Een onderbouwing ten aanzien van energie (BENG en Circulariteit) is gegeven in aanvraag omgevingsvergunning bouw. 5.12
Gezondheid Het toepassingsgebied van de Omgevingswet betreft de fysieke leefomgeving en activiteiten, die daarvoor gevolgen kunnen hebben. Als dergelijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden in elk geval aangemerkt gevolgen voor de mens, die onder meer kunnen voortvloeien uit het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan of activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt. Eén van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is ook het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De gezondheid van de mens wordt in de praktijk bepaald door vier factoren: erfelijkheid, leefstijl, toegang tot de gezondheidszorg c.q. de kwaliteit daarvan en het leefmilieu. De Omgevingswet is gezien het voorgaande slechts gericht op de laatste factor door het bieden van bescherming tegen invloeden vanuit het milieu, zoals geluid en luchtverontreiniging, maar ook tegen ziekteverwekkers uit de veeteelt en elektromagnetische straling. Bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties – zoals in een omgevingsplan – dient in ieder geval ook rekening te worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Dit krijgt in het omgevingsplan onder meer vorm door te voorzien in een scheiding tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies (milieuzonering), en het stellen van regels voor activiteiten ten aanzien van aspecten als geur, geluid, luchtkwaliteit, trillingen en bodemkwaliteit. Op deze aspecten is afzonderlijk ingegaan in de voorgaande paragrafen van deze motivering. Toetsing In de voorgaande paragrafen in deze motivering is beschreven op welke wijze het plan zich verhoudt tot het leefmilieu. Hieruit volgt dat er vanuit de diverse aspecten, zoals geluid, trillingen, geur, luchtkwaliteit en de scheiding tussen wonen en milieubelastende activiteiten, sprake is van het realiseren van een leefmilieu dat niet conflicteert invloeden vanuit het milieu. Conclusie Bij de planvorming is rekening gehouden met gezondheid.
5.13
M.e.r. -beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De MERbeoordelingsprocedure dient gevolgd te worden wanneer sprake is van een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma en een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing.
Pagina 33
SPA WNP ingenieurs
2400299.3200.r01
Onderzoek De voorgenomen activiteiten binnen het plangebied vallen onder de volgende categorie van de SMB-richtlijn. Tabel 6: Categorie Bijlage V. Categorie
Project (Kolom 1)
Gevallen waarin de merplicht geldt (Kolom 2)
J11
Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen
Niet van toepassing
Gevallen waarin de merbeoordelingsplicht geldt (kolom 3)
Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onderc, van dit besluit (kolom 4)
Aanleg, wijziging of uitbreiding
Het omgevingsplan
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat er geen noodzaak is tot het uitvoeren van een m.e.r.. Wel is de m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing. Hierdoor dient nagegaan te worden of er sprake kan zijn van aanzienlijke milieueffecten. In een separaat rapport (bijlage 11 van deze motivering) zijn de effecten van de ontwikkeling onderzocht. Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen, in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, zijn er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten. Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang dat er sprake kan zijn van ‘aanzienlijke milieueffecten’. Ook zijn er geen significante effecten te verwachten op een Natura-2000 gebied, waardoor het opstellen van een passende beoordeling niet noodzakelijk is. Gelet op het voorgaande beschouwende is de conclusie gerechtvaardigd, dat “aanzienlijke milieueffecten” als gevolg van het voorgenomen project zijn uitgesloten en dat een m.e.r.procedure, en daarmee het opstellen van een MER, niet nodig is. Conclusie Uit de mer-beoordeling blijkt dat deze geen belemmering vormt voor het beoogde plan.
Pagina 34
SPA WNP ingenieurs
6
FINANCIËLE UITVOERBAARHEID
6.1
Kostenverhaal
2400299.3200.r01
Bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De gemeente en de ontwikkelende partij sluiten een anterieure overeenkomst om afspraken, in geval van eventuele kosten, vast te leggen. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd. 6.2
Nadeelcompensatie Voor iedere buitenplanse omgevingsplan activiteit wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten op basis van art. 4.5 Awb.
Pagina 35
SPA WNP ingenieurs
7
2400299.3200.r01
AFWEGING EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Aan de Randhoeve 221 in Houten is het voornemen om appartementen te realiseren. Het plan past niet binnen het huidige planologische kader. Vanwege het planologische strijdig gebruik wordt een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangevraagd. In dat kader is is onderliggende motivering opgesteld, waarin is toegelicht op welke wijze het plan zich verhoudt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Uit deze motivering blijkt dat: · · ·
de ontwikkeling in lijn is met het Rijks, provinciaal- en gemeentelijk beleid; de functie passend is in de omgeving en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; op basis van toetsing aan de omgevingsaspecten het plan geen nadelige effecten heeft voor het milieu en wordt er voldaan aan de instructieregels zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Er zijn om die reden geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
SPA WNP ingenieurs
Pagina 36