Bijlage 1 - Bestemmingsplan ‘Trip 3, Eiland van Schalkwijk’ - Toelichting en regels
Tekst van het document
29
Bijlage 1 Asbestinventarisatie
30
Rapportage Asbestinventarisatie conform het Certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestinventarisatie Projectnummer: 202201007
De tuinbouwkas aan de Trip 3 te Schalkwijk
Opdrachtgever
:
t.a.v
:
Mustang Demolition Noordeindseweg 346A 2651lm Berkel en Rodenrijs Dhr. H. Kerklaan
Versie Datum onderzoek Datum autorisatie Rapportage geldig tot
: : : :
1 20 januari 2022 27 januari 2022 27 januari 2025
LAVS-activeringscode : SCA-code :
74f38314-5b25-45e5-b2f1-dcc5aae78788 07-D070033.01
Paraaf technisch manager:
E. info@samprojecten.nl I. www.samprojecten.nl Kvk 56802811 BTW NL852309491B01 Rabobank 1752.04.624 IBAN NL88RABO0175204624 BIC RABONL2U
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
I.
TITELBLAD
Projectgegevens Adres Postcode en plaats Projectnummer
: : :
Trip 3 3998WC Schalkwijk 202201007_V1
Opdrachtgever Naam Adres Postcode en plaats Contactpersoon
: : : :
Mustang Demolition Noordeindseweg 346A 2651lm Berkel en Rodenrijs Dhr. H. Kerklaan
Uitvoerend inventarisatiebureau Naam Certificaatnummer Ascert Adres Postcode en plaats Telefoonnummer Website Email
: : : : : : :
SAM advies BV 07-D070033.01 Postbus 70 2690 AB te 's-Gravenzande 0174-620244 www.samprojecten.nl info@samprojecten.nl
Uitvoerend inventariseerder (DIA) Naam DIA (SCA-code)
: :
Dhr. G. van Dijk 51E-141220-411766
Technisch verantwoordelijke (DIA) Naam DIA (SCA-code)
: :
Dhr. J. van der Maarel 51E-171220-411765
Omschrijving van de onderzochte bouwkundige eenheid - de tuinbouwkas Doel van het onderzoek - de sloop Destructief onderzoek uitgevoerd - ja Reikwijdte uitgevoerd onderzoek Gehele bouwwerk of gehele object Gedeelte van bouwwerk of gedeelte van object Bouwwerk of object en het gebied rondom het bouwwerk of object Uitsluitend het gebied rondom het bouwwerk of het object Geschiktheid uitgevoerd onderzoek Geschikt voor uitsluitend de verwijdering van het in dit rapport genoemde asbesthoudende materiaal Geschikt voor renovatie zonder de bouwkundige integriteit aan te tasten Geschikt voor volledige renovatie of totaalsloop Niet geschikt voor asbestverwijdering, risicobeoordeling noodzakelijk
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
2
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
Inhoudsopgave 1
Samenvatting ......................................................................................................................................... 4
2
Omschrijving van de opdracht ............................................................................................................. 5 2.1 Aanleiding onderzoek ................................................................................................................... 5 2.1.1 Algemene beperking ......................................................................................................... 5 2.1.2 Beperkingen specifiek geldend voor dit project ................................................................. 6 2.2 Uitvoering, autorisatie en eerder opgestelde revisies ................................................................... 6
3
Methoden................................................................................................................................................ 7
4
Resultaten .............................................................................................................................................. 8 4.1 Bevindingen vooronderzoek ......................................................................................................... 8 4.2 Bevindingen visuele inspectie ...................................................................................................... 8 4.3 Indeling in risicoklassen.............................................................................................................. 10
5
Bijlagen................................................................................................................................................. 11 5.1 Bouwtekeningen, plattegronden en/of schetsen ......................................................................... 12 5.2 Beknopt verslag vooronderzoek ................................................................................................. 14 5.3 Overige projectfoto's................................................................................................................... 15 5.4 Integrale opname analysecertificaten ......................................................................................... 17 5.5 De oorspronkelijke toepassingrelateerde output van de SMA-rt risicoklassebepaling................ 18 5.6 Procescertificaat asbestinventarisatie ........................................................................................ 19
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
3
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
1
Samenvatting
In opdracht van Dhr. H. Kerklaan van Mustang Demolition is door de medewerkers van SAM advies BV een asbestinventarisatie uitgevoerd in de tuinbouwkas aan de Trip 3 te Schalkwijk. Het onderzoek is uitgevoerd op 20 januari 2022 conform de eisen zoals is vastgelegd in het Certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestinventarisatie. Het onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de tuinbouwkas gelegen aan de Trip 3 te Schalkwijk. De tuinbouwkas is onderverdeelt in vijf teeltruimten en een opslagruimte. Overige (bouw)delen op het perceel maken geen deel uit van het project en vallen derhalve buiten de reikwijdte van het onderzoek. In bijlage 5.3 is een fotoblad bijgevoegd van de onderzochte opstanden, bevindingen, niet verdachte materialen en/of niet verdachte toepassingen welke zijn aangetroffen ten tijde van deze asbestinventarisatie. Deze rapportage is geschikt voor de totaalsloop van de tuinbouwkas. Tijdens de inventarisatie zijn de volgende asbesthoudende en asbestverdachte toepassingen waargenomen: Tabel 1: samenvatting asbesthoudende en asbestverdachte toepassingen.
Bron
Omschrijving
Ruimte
Risicoklasse
Afmeting
Aanbeveling
1
Restanten beglazingskit
Opslagruimte
N.v.t
3 m1
Zie bronblad
Bestaat er een redelijk vermoeden tot verborgen asbesthoudende materialen welke uitsluitend middels het uitvoeren van destructieve onderzoekshandelingen in kaart gebracht kunnen worden. Nee, er bestaat geen vermoeden tot verborgen asbesthoudende materialen in de constructie van het onderzochte object. Ja, aanvullend onderzoek voorafgaand aan sloop of renovatie is noodzakelijk (zie uitsluitingen 2.1.2, tabel 2).
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
4
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
2
Omschrijving van de opdracht
2.1
Aanleiding onderzoek
De aanleiding van het onderzoek is de sloop van de tuinbouwkas aan de Trip 3 te Schalkwijk. In opdracht van Dhr. H. Kerklaan van Mustang Demolition ontvingen wij op 18 januari 2022 opdracht tot het uitvoeren van een asbestinventarisatie conform de eisen zoals vastgelegd in het Certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestinventarisatie. Het opstellen van een asbestinventarisatie rapport is een publiekrechtelijke verplichting op grond van het Asbestverwijderingsbesluit. 2.1.1 Algemene beperking Deze inventarisatie is met de grootst mogelijke zorg en nauwkeurigheid uitgevoerd door deskundige en gekwalificeerde medewerkers welke minimaal in bezit zijn van de wettelijk vereiste opleidingen en certificaten. Met de uitvoering van de asbestinventarisatie is, op basis van de gegeven opdracht, door SAM advies BV een inspanningsverplichting geleverd op basis van kennis en ervaring om de in het onderzoeksgebied aanwezige asbesthoudende en asbestverdachte materialen te detecteren en in kaart te brengen. Ondanks een zorgvuldige werkwijze en gekwalificeerd personeel kan niet volledig worden uitgesloten dat bij onderhouds-, verbouwings-, en/of sloopwerkzaamheden asbesthoudende materialen worden aangetroffen welke tijdens het onderzoek niet zijn opgemerkt. Achter asbesthoudende en/of asbestverdachte toepassingen wordt op voorhand geen onderzoek verricht.
Daarnaast betreft het in deze rapportage omschreven onderzoek een momentopname van de situatie zoals deze tijdens de inventarisatie is aangetroffen. SAM advies BV is op geen enkele wijze verantwoordelijk voor wijzigingen van de bevindingen en de onderzoekslocatie die aangebracht zijn na de datum van het uitgevoerde onderzoek.
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
5
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
2.1.2 Beperkingen specifiek geldend voor dit project De uitgevoerde inventarisatie heeft betrekking op de tuinbouwkas. Tijdens dit onderzoek zijn de onderstaande beperkingen vastgesteld. Tabel 2: redelijk vermoeden tot verborgen asbesthoudende materialen en niet onderzochte onderdelen
Constructiedeel
Mogelijke toepassingen
Geen
Geen
Dit onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de beoogde of aankomende sloop van de tuinbouwkas. Deze rapportage wordt zodanig als geschikt aangemerkt voor het voorgenomen doel. In bijlage 5.1 is een locatieoverzicht opgenomen met hierin de aangetroffen asbesthoudende toepassingen. Ruimten welke groen zijn gearceerd, zijn niet onderzocht. Indien in de niet onderzochte ruimten saneringsof voorbereidende werkzaamheden plaatsvinden, om te komen tot het saneren van de aangetroffen asbesthoudende toepassingen, is een aanvullende asbestinventarisatie noodzakelijk. De groen gearceerde gebieden mogen geen onderdeel uitmaken van het werkgebied asbestverwijdering. Afbakening van de te saneren ruimten of het te saneren gebied dient te geschieden conform de werkplanelementen zoals vermeld in SMA-rt en conform de eisen zoals gesteld in het Procescertificaat Asbestverwijdering. 2.2
Uitvoering, autorisatie en eerder opgestelde revisies
De werkzaamheden zijn conform de eisen zoals gesteld in het Certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestinventarisatie uitgevoerd. SAM advies BV is in het bezit van het vereiste procescertificaat uitgegeven door Normec Certification. SAM advies BV en haar medewerkers hebben geen enkel belang bij de resultaten van dit onderzoek. Deze rapportage wordt niet openbaar gemaakt zonder vooraf verkregen schriftelijke toestemming van de opdrachtgever. Dit rapport mag, zonder toestemming van de auteur, niet anders dan in zijn geheel en in kleur worden gereproduceerd. De asbestinventarisatie is op 20 januari 2022 uitgevoerd door Dhr. G. van Dijk (51E-141220-411766). De rapportage is intern geautoriseerd op 27 januari 2022 door Dhr. Jeffrey van der Maarel (51E-171220411765). Tabel 3: rapport revisie tabel
Versie
Omschrijving
Datum
V1
Asbestinventarisatie conform Certificatieschema
27 januari 2022
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
6
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
3
Methoden
Aan de hand van de verkregen informatie over de te onderzoeken locatie is een project specifiek werkplan opgesteld. Een gecertificeerd medewerker van SAM advies BV, welke minimaal in het bezit is van het certificaat Deskundig Inventariseerder Asbest (DIA), zal de tuinbouwkas inventariseren op asbestverdachte materialen op de locatie. Van alle materialen welke mogelijk asbest zouden kunnen bevatten worden materiaalmonsters genomen. Eventuele monsternamepunten zullen fotografisch worden vastgelegd. Van de aangetroffen asbestverdachte materialen zullen de exacte locatie, het soort materiaal, de bevestiging en de afmetingen bepaald worden. Alle asbestverdachte materialen worden bemonsterd met gebruik van daarvoor geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen en bronmaatregelen zodat vezelemissie wordt voorkomen. Na de monstername wordt de locatie van monstername gereinigd. De monsters worden afzonderlijk gecodeerd. Materiaalmonsters worden voorzien van de code MM, kleefmonsters van de code KM en luchtmonsters van de code LM. Van technische installaties zoals verwarmingsapparatuur en electra-gerelateerde componenten en dergelijke worden doorgaans geen materiaalmonsters genomen. Van eventueel aangetroffen verwarmingsapparatuur en componenten worden indien aanwezig het merk, typenummer en bouwjaar vastgelegd.
Aan de hand van diverse literatuur kan van een groot aantal installaties, apparatuur en componenten worden achterhaald of deze oorspronkelijk asbesthoudende materialen bevatten. Indien adequate productinformatie ontbreekt kunnen deze installaties, apparatuur en componenten op basis van kennis en ervaring van de inspecteur als asbestverdacht worden aangemerkt. Indien tijdens de inventarisatie niet-hechtgebonden asbesthoudende materialen worden aangetroffen waarvan het vermoeden bestaat dat deze een direct risico opleveren voor bewoners/gebruikers van het gebouw of constructie, wordt de opdrachtgever hierover direct ingelicht. Afhankelijk van de situatie kan een advies tot een NEN 2991 onderzoek (risicobeoordeling in en rondom gebouwen of constructies waarin asbesthoudende materialen zijn verwerkt) worden gegeven. Alle bemonsterde asbestverdachte materialen zullen worden geanalyseerd door een laboratorium in het bezit van het vereiste certificaat testlaboratoria, vastgelegd in NEN-EN-ISO/EC 17025:2005. De monsters worden door het laboratorium geanalyseerd op aanwezigheid van de zes voorkomende asbestsoorten (crocidoliet, amosiet, chrysotiel, tremoliet, anthophyliet en actinoliet). Het laboratorium beoordeelt de binding van het materiaal, de hechtgebondenheid.
De door het laboratorium vastgestelde binding kan, ten gevolge van monstername, afwijken van de in de rapportage aangegeven binding van de asbesthoudende toepassing. De door de onderzoeker aangegeven mate van hechtgebondenheid is derhalve bepalend. Indien het materiaal als niet hechtgebonden wordt aangemerkt houdt dit in dat er onder normale toepassings- en gebruiksomstandigheden asbestvezels vrij (kunnen) komen. Bij hechtgebonden materiaal is de kans op vezelemissie onder normale toepassings- en gebruiksomstandigheden miniem. De hechtgebondenheid van het materiaal bepaalt mede de wijze van saneren in een later stadium, de zogenaamde risicoklasse-indeling (SMA-rt).
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
7
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
4
Resultaten
4.1
Bevindingen vooronderzoek
Voorafgaand aan de inventarisatie is vooronderzoek uitgevoerd. Het vooronderzoek bestaat uit het raadplegen van informatie verstrekt door de opdrachtgever en het opvragen van (oorspronkelijke) bouwtekeningen, verbouwtekeningen en documenten van eerder uitgevoerde asbestsaneringen. Indien mogelijk worden (ex-)gebruikers van het te onderzoeken object geïnterviewd teneinde informatie te verkrijgen over het gebruik van asbesthoudende materialen in het object. De bevindingen van het vooronderzoek zijn opgenomen in het projectspecifiek inventarisatieplan. De bevindingen uit het vooronderzoek zijn tijdens het onderzoek gecontroleerd. In onderstaande tabel zijn de resultaten samengevat weergegeven. In bijlage 5.2 is een uitgebreid verslag opgenomen van alle inspanningen die verricht zijn aangaande het vooronderzoek. Tabel 4: bevindingen vooronderzoek asbestinventarisatie
Informatie eventuele asbesthoudende materialen en toepassingen verkregen uit beschikbare tekeningen, interview met de opdrachtgever, eigenaar, gebruikers of eventuele ex-gebruikers of overig verkregen informatie van het te onderzoeken object Mogelijke toepassing
Aangetroffen tijdens onderzoek
Bron
Geen asbesthoudende toepassingen bekend
N.v.t.
N.v.t
4.2
Bevindingen visuele inspectie
Zoals eerder beschreven zijn de tijdens de inventarisatie waarneembare asbestverdachte materialen waar mogelijk bemonsterd en in kaart gebracht (bijlage 5.1). Van eventueel aangetroffen verwarmingsapparatuur en electra-gerelateerde componenten wordt indien mogelijk, op basis van documentatie en literatuur, vastgesteld of deze asbesthoudende onderdelen bevatten. Indien er tijdens het onderzoek asbesthoudende, asbestverdachte of asbestgelijkende bronnen zijn aangetroffen worden deze in de navolgende bronbladen gedetailleerd beschreven. De bronbladen omschrijven alle aangetroffen asbestverdachte en asbesthoudende materialen, toepassingen apparatuur en componenten. De bemonsterde materialen welke na analyse geen asbest blijken te bevatten zijn eveneens in de bronbladen opgenomen. Het betreft asbestvrije materialen welke grote visuele overeenkomsten tonen met asbesthoudende materialen en toepassingen waarvan bekend is dat deze asbest kunnen bevatten. De bronnummers komen overeen met de bronnummers in bijlage 5.1. Alle asbesthoudende bronnen worden met rood gemarkeerd, asbestverdachte bronnen worden met oranje gemarkeerd en asbestvrije bronnen worden met blauw gemarkeerd.
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
8
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
Bron 1: Restanten beglazingskit Locatie
Opslagruimte.
Verdieping
Dak .
Monstercode
MM01 en MM02.
Certificaatnummer
22.001075/0.
Soort materiaal
Kit.
Asbesthoudend
Ja.
Asbestsoort
Chrysotiel.
Percentage
2-5%.
Hechtgebondenheid
Hechtgebonden.
Beschadiging
Licht beschadigd.
Graad van verwering
Licht verweerd.
Hoeveelheid
3 m1.
Bevestiging
Gekit.
Bereikbaarheid
Goed.
Risicoklasse
N.v.t.
Opmerkingen
De bron betreft asbesthoudende restanten beglazingskit op één kasgoot ter plaatse van de opslagruimte grenzend aan teeltruimte 5. Op de overige kasgoten is geen kit aangetroffen. Deze bron is volgens het Asbestverwijderingsbesluit wettelijk vrijgesteld van de inventarisatieplicht. Als gevolg daarvan kan de sanering van deze bron buiten het Procescertificaat Asbestverwijdering geschieden. De afvalstoffen dienen selectief en milieukundig te worden verwijderd en te worden gestort als asbesthoudend materiaal bij een erkende stortlocatie. Op basis van het certificatieschema is het wel een verplichting om een SMA-rt risicoclassificatie bij te voegen (zij bijlage 5.5). .
Aanbevelingen
N.v.t..
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
9
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
4.3
Indeling in risicoklassen
Van iedere aangetroffen asbesttoepassing is de risicoklasse ten behoeve van saneren bepaald. Hiervoor is gebruik gemaakt van de SMA-rt database. Deze database is door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geïntroduceerd voor het vaststellen van de risicoklasse. De risicoklasse-indeling (SMA-rt) bevat informatie over de te hanteren werkmethode bij verwijdering van de asbesthoudende materialen. De risicoklasse-indeling wordt deels bepaald door de gemeten typen asbest en de gemeten percentages asbestvezels in de bemonsterde materialen. Uit advies van de Gezondheidsraad blijkt dat blootstelling aan amfiboolasbest tot een groter risico op asbestziekten kan leiden. De te hanteren risicoklasse voor serpentijnasbest (chrysotiel) kan derhalve verschillen van de te hanteren risicoklasse voor amfiboolasbest (amosiet, crocidoliet, actinoliet, tremoliet en anthophylliet). Behoudens bovengenoemde is tevens de aard van het asbesthoudende materiaal, de hoeveelheid aangetroffen asbesthoudend materiaal, de hechtgebondenheid en de bevestigingswijze van belang voor het bepalen van de te hanteren risicoklasse. In onderstaande tabel zijn de grenswaarden behorend bij de verschillende typen risicoklasse weergegeven: Tabel 5: risicoklasse
Type asbest
Risicoklasse 1
Risicoklasse 2 3
≥ 2.000 vezels/m
Risicoklasse 2A 3
Chrysotiel
< 2.000 vezels/m
Amfibool
< 2.000 vezels/m3
-
≥ 2.000 vezels/m3
Chrysotiel + Amfibool
< 2.000 vezels/m3
≥ 2.000 (AMF < 2.000 vezels/m3)
≥ 2.000 (AMF > 2.000 vezels/m3)
Vrijgave conform NEN2990
Visuele inspectie
Visuele inspectie + luchtmeting (2 uurs meting)
Visuele inspectie + kleefmonstername (SEM) luchtmeting (4 uurs meting SEM)*
Voor vrijgave in buitensituaties dient uitsluitend een visuele inspectie conform NEN2990 te worden uitgevoerd.
-
Voor vrijgave in buitensituaties dient uitsluitend een visuele inspectie conform NEN2990 te worden uitgevoerd.
* Voor risicoklasse 2A zijn uitzonderingen bepaald. SMA-rt geeft aan of er sprake is van een uitzondering. In dit geval vindt de eindmeting plaats door middel van een 2-uurs meting en visuele vrijgave en er wordt getoetst aan 10.000 v/m3. Op de SMART SMA-rt uitdraai blijft wel de vermelding 2A van toepassing.
Indien de verwijderingsmethode afwijkt van de methode zoals in de SMA-rt beschreven kan dit mogelijk leiden tot een andere risicoklasse-indeling dan vermeld in deze rapportage. Het asbestverwijderingsbedrijf of de aannemer dient in dit geval contact op te nemen met SAM advies BV. De te hanteren risicoklasse-indeling voor de verwijdering van de aangetroffen asbesthoudende materialen is vermeld onder kolom 4 van tabel 1 en in toepassingenoverzicht. De SMA-rt output met daarop de bijbehorende saneringsmethode is bijgevoegd als bijlage 5.5.
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
10
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
5
Bijlagen
Op de navolgende pagina’s zijn de voor dit onderzoek uitgevoerde relevante bijlagen toegevoegd. Het is mogelijk dat een aantal vermelde bijlagen voor dit rapport niet van toepassing zijn. In dit geval wordt op de titelbladen 'n.v.t' vermeld.
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
11
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
5.1
Bouwtekeningen, plattegronden en/of schetsen
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
12
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
13
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
5.2
Beknopt verslag vooronderzoek
Geleverde inspanning met betrekking tot het vooronderzoek Heeft de opdrachtgever het intakeformulier voorafgaand aan het onderzoek zo volledig mogelijk ingevuld en geretourneerd *
Ja, per e-mail
Zijn er tekeningen beschikbaar
Niet beschikbaar
Welke relevante informatie kan er uit de beschikbare tekeningen worden gehaald
N.v.t.
In welk jaartal of welke periode is het te inventariseren bouwwerk, object of de installatie gebouwd
1964 (BAG-viewer)
Interview Gesproken met
De opdrachtgever
Bevindingen
Geen relevante informatie
Overige verkregen informatie, verkregen door o.a. intakeformulier Zijn er eerdere asbestinventarisaties uitgevoerd
Nee
Welke relevante informatie kan er uit eerder opgestelde inventarisatierapporten worden gehaald
N.v.t.
Zijn er in het verleden asbesthoudende materialen uit het bouwwerk, object of de installatie verwijderd
Niet bekend
Hebben er in het verleden verbouwingen of renovaties plaatsgevonden
Niet bekend
Overige geraadpleegde bronnen *
BAG-viewer
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
14
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
5.3
Overige projectfoto's
teeltruimte 1
teeltruimte 2
teeltruimte 3
teeltruimte 4
teeltruimte 5
opslagruimte
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
15
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
pompen met rubberen pakkingen
pakking rubber
monsternamelocatie MM01
monsternamelocatie MM02
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
16
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
5.4
Integrale opname analysecertificaten
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
17
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
5.5
De oorspronkelijke toepassingrelateerde output van de SMA-rt risicoklassebepaling
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
18
RAPPORTNUMMER: 202201007_V1
5.6
Procescertificaat asbestinventarisatie
Projectnummer: 202201007, Trip 3 Schalkwijk
Pagina
19
Regels behorende bij het bestemmingsplan Trip 3, Eiland van Schalkwijk
50
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan:
het bestemmingsplan Trip 3, Eiland van Schalkwijk met identificatienummer NL.IMRO.0321.0800TRIP3-VSBP van de gemeente Houten; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
agrarisch bedrijf
een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of houden van dieren, nader te onderscheiden in: a. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruiten bollenteelt; b. grondgebonden veehouderij: grondgebonden veehouderij als bedoeld in artikel 1.45, daaronder niet begrepen een paardenfokkerij; c. intensieve veehouderij: de teelt van slacht-, fok-, leg-, of pelsdieren in gebouwen zonder weidegang, waarbij de teelt niet afhankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel; d. glastuinbouw: de teelt van gewassen geheel met behulp van kassen; e. sierteelt: de teelt van tuin- en potplanten en/of bomen al dan niet gecombineerd met de handel in deze gewassen; f. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond; g. intensieve kwekerij: de teelt van gewassen of dieren (anders dan bij wijze van intensieve veehouderij) zonder gebruik te maken van daglicht; h. paardenfokkerij: het fokken van paarden en pony's, het africhten c.q. trainen/dresseren alsmede de verkoop van gefokte paarden en pony's en het houden van paarden en pony's ten behoeve van de fokkerij. 1.6
agrarische nevenactiviteit
een agrarische activiteit die mag worden uitgeoefend, mits de activiteit ondergeschikt blijft aan de hoofdbestemming. 1.7
archeologische begeleiding
proces waarbij de uitvoering van niet-archeologische werkzaamheden door een archeoloog wordt begeleid en waarbij in het Programma van Eisen (PvE) de onderzoeksvra(a)g(en) en de te behalen onderzoeksdoelstellingen worden verwoord. 1.8
archeologisch onderzoek
onderzoek dat wordt verricht door een dienst, bedrijf of instelling dat werkt conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). 1.9
archeologische verwachting
het vermoeden over het voorkomen van (de aard, omvang en kwaliteit van) archeologische waarden in het onderzoeksgebied.
51
1.10
archeologische waarde
oudheidkundige waarde, vooral in de vorm van archeologische relicten in hun oorspronkelijke context; zowel grote complexen/structuren zoals nederzettingsterreinen, als afzonderlijke vondsten kunnen met deze term worden aangeduid. 1.11
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.12
bebouwingspercentage
een percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel (dan wel bouwvlak of bestemmingsvlak) dat is of mag worden bebouwd. 1.13
bedrijf
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten. 1.14
bedrijfsgebouw
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten. 1.15
bedrijfswoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is. 1.16
beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlak
de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke. 1.17
beroep en bedrijf-aan-huis
beroep of bedrijf dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie verenigbaar is; hieronder wordt in ieder geval niet verstaan het voeren van een: horecabedrijf; prostitutiebedrijf; detailhandel, met uitzondering van een webwinkel en/of verkoop van behandeling gerelateerde producten gelijktijdig bij een behandeling. 1.18 bestaand a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van vaststelling van het bestemmingsplan legaal bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van vaststelling is ingediend; b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het plan legaal bestaat. 1.19
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak. 1.20
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.21
Bevi-inrichting
een inrichting zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.22
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.23
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 52
1.24
bouwgrens
de grens van een bouwvlak. 1.25
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en gedeeltelijke ondergrondse bouwdelen, maar met uitsluiting van geheel ondergrondse bouwdelen en zolders. 1.26
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.27
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel. 1.28
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegelaten. 1.29
bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.30
cultuurhistorische waarden
waarden van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden. 1.31
dagrecreatie
recreatieve activiteit die plaatsvindt tussen zonsopgang en zonsondergang. 1.32
deskundige op het terrein van de archeologie
de gemeentelijk (beleids)archeoloog of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het terrein van de archeologie. 1.33
deskundige op het terrein van de cultuurhistorie
de monumentencommissie of een andere persoon of instelling die door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen en deskundig is op het gebied van cultuurhistorie. 1.34
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.35
eerste bouwlaag
de bouwlaag op de begane grond. 1.36
ensemble
ensemble (het geheel) van bestaande bebouwing en bijbehorende omgeving met daar aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken. 1.37
erfbebouwing
bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.38
extensieve dagrecreatie
niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie.
53
1.39
extensief recreatief medegebruik
vorm van recreatie die in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen, waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, maar waarvoor kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals bewegwijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes. 1.40
fruitboomgaard
een geheel van meerdere doelbewust aangeplante bomen, gericht op het bedrijfsmatig of in een vorm als zijnde bedrijfsmatig voortbrengen van fruit. 1.41
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.42
geluidsgevoelige objecten
woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. 1.43
gevellijn
de als zodanig aangegeven lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd. 1.44
gevoelige functie
gronden en/of gebouwen waar mensen langdurig verblijven en daarmee een groter risico lopen op blootstelling aan (drift van) gewasbeschermingsmiddelen door toepassing daarvan in een naastgelegen fruitboomgaard. Hieronder worden in ieder geval begrepen: a. (recreatie) woningen met bijbehorende tuin(en); b. bedrijsgebouwen waar men langdurig verblijft, zoals detailhandel en kantoren; c. de volgende gebouwen met bijbehorende terreinen: scholen, kinderdagverblijven, zorginstellingen, recreatieverblijven en andere in aard daarmee gelijk te stellen functies. 1.45
grondgebonden landbouw
agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Het betreft akkerbouw, vollegrondstuinbouw, fruitteelt en boomteelt en rundvee-, paarden-, schapen- of geitenhouderij voor zover bij deze veebedrijven het benodigde ruwvoer (gras, snijmaïs) geheel of vrijwel geheel afkomstig is van de op basis van structureel bij het bedrijf behorende gronden. 1.46
hobbymatige agrarische activiteiten
het niet bedrijfsmatig gebruiken van gronden voor het hobbymatig houden van vee en/of telen van agrarische producten. 1.47
hoofdgebouw
een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is of zijn. 1.48
horeca
horeca-activiteiten zoals aangegeven in de Staat van Horeca-activiteiten, welke als bijlage deel uitmaakt van de regels van dit bestemmingsplan, nader onderverdeeld in categorieën. 1.49
intensieve dagrecreatie
vormen van dagrecreatie in de openlucht met een relatief groot aantal recreanten per oppervlakte-eenheid en waarbij het gebruiken van de openbare ruimte voor het eigen plezier voorop staat, zoals zeilen, varen, duiken en surfen. 1.50
inrichting
elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht 1.51
kap
een constructie van één of meer dakvlakken met een helling van meer dan 30 graden en minder 65 graden. 54
1.52
kinderopvang
het opvangen van kinderen op locatie, al dan niet tegen betaling, waarbij de volgende indeling wordt aangehouden: a. kleinschalig: maximaal 6 kinderen; b. middelgroot: 7 tot 30 kinderen; c. grootschalig: meer dan 30 kinderen. 1.53
locatiespecifiek onderzoek
een door een deskundig bureau opgesteld onderzoek ten behoeve van de onderbouwing voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van omliggende functies van fruitboomgaarden, ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in die fruitboomgaarden. Het onderzoek wordt uitgevoerd met inachtneming van de nota gewasbescherming en ruimtelijke ordening, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 2 juli 2015. 1.54
zacht fruit
bessen, bramen, frambozen, blauwe- of bosbessen, aardbeien en daarmee gelijk te stellen fruit. 1.55
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA)
hierin staan de minimale vereisten waaraan een organisatie moet voldoen bij het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van de archeologische monumentenzorg, zowel onderzoekstechnisch als wat betreft het personeel. 1.56
landelijke functies
functies bij een agrarisch bedrijf die zijn gericht op behoud en ontwikkeling van extensieve recreatie, natuur, landschap, water en cultuurhistorie. 1.57 maaiveld a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein. 1.58
maatschappelijke voorzieningen
voorzieningen ten behoeve van educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke activiteiten en activiteiten ten behoeve van openbare dienstverlening, met uitzondering van kinderdagverblijven. 1.59
opgraven/opgraving
het opgraven van een vindplaats door een partij, die beschikt over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet 1988, met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen (PvE) verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen. 1.60
opslag
het in bewaring houden van goederen. 1.61
overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.62
overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een (gesloten) dak, zonder eigen wanden. 1.63
paardenfokkerij
het fokken van paarden en pony's, het africhten c.q. trainen/dresseren alsmede de verkoop van gefokte paarden en pony's en het houden van paarden en pony's ten behoeve van de fokkerij. 1.64
pand
de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. 1.65 peil a. niveau van het maaiveld; of 55
b. voor zover blijkt uit de betreffende bestemmingsregeling. 1.66
perceelgrens
de grens van een bouwperceel. 1.67
plattelandswoning
een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een agrarisch bedrijf, die door een derde bewoond mag worden en die niet wordt beschermd tegen de milieugevolgen van het (voorheen) bijbehorend agrarisch bedrijf; e.e.a. zoals bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo. 1.68
programma van eisen
het Programma van Eisen (PvE) is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk. 1.69
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.70
prostitutiebedrijf
prostitutie in een daarvoor ingerichte ruimte en in dienstverband (seksclub, bordelen, privé-huizen), niet zijnde sekswinkels, seksbioscopen, sekstheaters en daarmee gelijk te stellen bedrijfstypen. 1.71
Staat van Bedrijfsactiviteiten
de Staat van Bedrijfsactiviteiten welke als bijlage deel uit maakt van de regels van dit bestemmingsplan. 1.72
teeltondersteunende voorziening
voorzieningen in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om weersinvloeden te matigen, arbeidsomstandigheden te verbeteren, de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te verbeteren of de kwaliteit van de producten te verbeteren, te onderscheiden in: a. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die op dezelfde locatie zijn toegestaan zo lang de teelt dit vereist met een maximum van 6 maanden per jaar, binnen de periode 1 maart tot en met 31 oktober, te onderscheiden in: 1. lage tijdelijke voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 1,2 meter, zoals afdekfolies, insectengaas, acryldoek, lage tunnels; 2. hoge tijdelijke voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van minimaal 1,2 meter, zoals hagelnetten, schaduwhallen, wandelkappen. b. permanente teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen die langer dan 6 maanden per jaar op dezelfde locatie zijn toegestaan, te onderscheiden in: 1. lage permanente voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van maximaal 1,2 meter, zoals containervelden; 2. hoge permanente voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen met een bouwhoogte van minimaal 1,2 meter, zoals bakken op stellingen (met regenkappen) en teeltondersteunende kassen. c.
overige teeltondersteunende voorzieningen: teeltondersteunende voorzieningen anders dan de bovenstaande teeltondersteunende voorzieningen, zoals stellages met en voor regenkappen bij de grondgebonden teelt van (zacht)fruit, boomteelthekken, vraatnetten beregeningspalen en begeleidingspalen met een maximale hoogte van 10 meter.
tijdelijk of permanent
laag of hoog
voorbeeld
Tijdelijk (maximaal 6 maanden per jaar)
laag: < 1,2 m
afdekfolies, insectengaas, acryldoek, lage tunnel- of boogkassen
hoog: > 1,2 m
hagelnetten, schaduwhallen, wandelkappen
laag: < 1,2 m
containervelden
Permanent (minimaal 6 maanden per jaar)
56
hoog: > 1,2 m
Overig
1.73
bakken op stellingen (met regenkappen), teeltondersteunende kassen, hoge tunnel- of boogkassen stellages met en voor regenkappen bij grondgebonden teelt van zacht fruit, boomteelthekken, vraatnetten, palen en masten voor gewasbescherming, beregeningspalen en geleidingspalen
verblijfsrecreatie
recreatieve activiteiten waarbij overnachtingen plaatsvinden. 1.74
verkoopvloeroppervlakte
de oppervlakte van alle toegankelijke winkelruimte ten behoeve van de detailhandel. 1.75
volwaardig agrarisch bedrijf
een agrarisch bedrijf met een omvang van ten minste één volledige arbeidskracht of een bedrijf met een aannemelijk perspectief op volwaardigheid. 1.76
voorgevel
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.77
voorgevelrooilijn
de lijn in het verlengde van de voorgevel. 1.78
voorkeursgrenswaarde
de maximale waarde voor de geluidsbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder. 1.79
voorzieningen van algemeen nut
voorzieningen ten behoeve van de op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer. 1.80
waterpeil
de hoogte (het niveau) van de waterspiegel gemeten naar NAP op het moment van aanvraag van de vergunning, afwijking of bestemmingswijziging. Dit kan betrekking hebben op zowel oppervlaktewater als grondwater. 1.81
woning
een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één zelfstandig huishouden, niet zijnde een woonschip of -ark. 1.82
woongebouw
een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden. 1.83
zelfstandig wonen
het bewonen van een zelfstandige woonruimte. 1.84
zelfstandige woonruimte
woonruimte met een eigen toegang, die door een huishouden kan worden bewoond zonder dat het huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.
57
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
Meetmethode
2.1.1
lengte, breedte en diepte van bouwwerken
tussen de verst van elkaar gelegen punten van die werken, horizontaal gemeten; 2.1.2
goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.1.3
inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.1.4
bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen, met dien verstande dat indien het bouwwerk een woonschip betreft het volgende geldt: vanaf het waterpeil tot aan het hoogste punt van het bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals masten, stuurhutten, lichtkoepels, schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.1.5
oppervlakte van een bouwwerk
tussen de (fictieve) buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een gebouw of van een overig bouwwerk; 2.1.6
onderlinge afstanden
afstanden tussen bouwwerken onderling en ook afstanden van bouwwerken tot erfscheidingen worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn; 2.1.7
hoogte van een windturbine
vanaf het peil tot aan de as van de windturbine. 2.2
Uitzonderingen
2.2.1
Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.
58
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Agrarisch 3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten zoals genoemd in lid 1.5 onder a; b. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, bestaande uit de openheid van het gebied en het verkavelingspatroon; c. bescherming van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van omliggende gevoelige functies, voor zover gelegen binnen een afstand van 50 meter van een nieuw aan te planten fruitboomgaard; d. ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt': tevens het uitoefenen van fruitteeltbedrijf zoals genoemd in lid 1.5 onder f, alsmede voor: 1. de huisvesting van piekwerkers ten behoeve van het fruitteeltbedrijf; met daaraan ondergeschikt: e. mestverwerking ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering; f. de in tabel 3.1 genoemde nevenfuncties met de daarbij behorende maximaal in gebruik te nemen oppervlaktes voor bebouwing en gronden; bij een combinatie van nevenfuncties mag ten hoogste 300 m2 aan bebouwing en 4.000 m2 aan gronden worden gebruikt, tenzij in tabel 3.1 is bepaald dat alle bij het bedrijf behorende gronden in gebruik genomen mogen worden; g. zelfstandig wonen, daaronder begrepen beroepen- en bedrijven-aan-huis, uitsluitend in de bedrijfswoning; h.
bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals teeltondersteunende voorzieningen, groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, ontsluitingswegen, kavelpaden en voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, bruggen, dammen, duikers, gemalen, waterberging en overige voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; tevens natuurvriendelijke oevers, helofytenfilters, vispaaiplaatsen en voorzieningen ten behoeve van de verbetering van de waterkwaliteit. Tabel 3.1 Rechtstreeks toegestane nevenfuncties nevenfunctie
max. m2 aan max m2 aan gronden bestaande bebouwing in gebruik in gebruik
verkoop aan huis van streekeigen agrarische producten
100
100
inpandige opslag en stalling van agrarische producten (meer dan reguliere opslag ten behoeve van eigen bedrijfsvoering)
300
-
veearts/hoefsmederij/KI-station
100
100
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij)
100
100
inpandige statische volumineuze opslag en stalling 300 van niet-agrarische producten/werktuigen/ voertuigen in bestaande gebouwen behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, geen detailhandel
-
rondleidingen op het agrarische bedrijf
-
alle bij het bedrijf behorende gronden
kano-, boot of fietsenverhuur
100
100
kleinschalige kinderopvang in de bedrijfswoning
-
-
3.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 59
3.2.1
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. het gezamenlijk oppervlak aan hoofdgebouwen (inclusief bedrijfswoning c.q. plattelandswoning en bijbehorende bouwwerken) binnen het bouwvlak mag ten hoogste 1 ha bedragen, ook indien sprake is van een gecombineerd bedrijf met meerdere productietakken; c. in afwijking van het gestelde onder b, geldt ten behoeve van het oppervlak aan gebouwen voor fruitteelt, niet zijnde koelruimten, de volgende regeling: 1. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 5 ha, mag het oppervlak aan gebouwen ten hoogste 450 m² bedragen; 2. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 10 ha, mag het oppervlak aan gebouwen ten hoogste 900 m² bedragen; 3. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 20 ha, mag het oppervlak aan gebouwen ten hoogste 1.800 m² bedragen; 4. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 30 ha, mag het oppervlak aan gebouwen ten hoogste 2.700 m² bedragen; 5. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft groter dan 30 ha, mag het oppervlak aan gebouwen ten hoogste 3.600 m² bedragen; d.
in afwijking van het gestelde onder b, geldt ten behoeve van het oppervlak aan koelruimten ten behoeve van de fruitteelt, de volgende regeling: 1. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 5 ha, mag het oppervlak aan koelruimten ten hoogste 175 m² bedragen; 2. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 10 ha, mag het oppervlak aan koelruimten ten hoogste 350 m² bedragen; 3. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 20 ha, mag het oppervlak aan koelruimten ten hoogste 700 m² bedragen; 4. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft tot en met 30 ha, mag het oppervlak aan koelruimten ten hoogste 1.050 m² bedragen; 5. indien het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld een omvang heeft groter dan 30 ha, mag het oppervlak aan koelruimten ten hoogste 1.400 m² bedragen; e. voor hoofdgebouwen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 11 m; f. de onderlinge afstand tussen hoofdgebouwen mag ten hoogste 20 m bedragen; g. voor de voorgevelrooilijn mag niet worden gebouwd; h. per bouwvlak is 1 bedrijfswoning c.q. plattelandswoning toegestaan; i. voor de bedrijfswoning c.q.
plattelandswoning geldt een maximale inhoudsmaat (exclusief bijbehorende bouwwerken) van 660 m3 met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,2 en 8,5 m; j. overigens geldt het volgende:
koel- en opslagruimte ter plaatse van de aanduiding 'fruitteelt' 3.2.2
max. oppervlak
max. max. goothoog bouwhoogte te
zie sub d
8m
12 m
Erfbebouwing
a. Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. buiten het bouwvlak is 1 schuilstal per bedrijf mogelijk met een maximale oppervlakte van 20 m2 en een maximale bouwhoogte van 3 m; c. in afwijking van het bepaalde onder a is buiten het bouwvlak maximaal één gebouw per fruitteeltbedrijf mogelijk ten dienste van het plaatsen van installaties voor de levensduur en veiligheid, zoals een aggregaat, een druppelaar, etc. met een maximale oppervlakte van 30 m2 en een maximale bouwhoogte van 3 m. b. Bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken behorende bij de bedrijfswoning c.q. plattelandswoning gelden 60
de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. de oppervlakte bedraagt maximaal 50% van de oppervlakte van het bouwvlak, met een maximum van 50 m2; c. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,2 m; d. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 6 m. c. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en ten dienste van de bestemming worden gebouwd; b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheiding bedraagt maximaal 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn en buiten het bouwvlak maximaal 1 m bedraagt; c. de bouwhoogte van silo's bedraagt maximaal 12 m; d. ten behoeve van paardenbakken gelden de volgende regels: 1. per bouwvlak is ten hoogste één paardenbak toegestaan; 2. een paardenbak is alleen toegestaan buiten het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak'; 3. de afmeting van de paardenbak bedraagt maximaal 20 bij 40 m; 4. de paardenbak dient achter de bestaande bebouwing gerealiseerd te worden; 5. lichtmasten zijn niet toegestaan; 6.
de bouwhoogte van afrasteringen bedraagt maximaal 1,5 m; 7. het woon- en leefklimaat van derden mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 50 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden; e. ten behoeve van teeltondersteunende voorzieningen gelden de volgende regels: 1. permanente lage en hoge teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan, waarbij het maximale oppervlak 1.000 m2 en de maximale bouwhoogte 3 m bedraagt; 2. tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan; 3. tijdelijke hoge teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan met een maximale bouwhoogte van 4 m; 4. overige teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan met een bouwhoogte van 4 m; f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m. 3.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere eisen te stellen met betrekking tot de situering en/of afmetingen van bebouwing, indien dit noodzakelijk is in verband met: a. b. c. d. e.
een goede stedenbouwkundige en/of landschappelijke inpassing; een goede verkeerskundige inpassing; een goede inpassing van de cultuurhistorische waarden; een goede hydrologische inpassing; een goede brandveiligheid en rampenbestrijding.
3.4
Afwijken van de bouwregels
3.4.1
Ten behoeve van het bebouwingsoppervlak
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 3.2.1 onder b teneinde het maximum bebouwingsoppervlak te vergroten, met inachtneming van het volgende: a. het maximum bebouwingsoppervlak mag worden vergroot tot ten hoogste 1,44 ha; b. een omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de productietak grondgebonden veehouderij; c. vergroting van het bebouwingsoppervlak is alleen toelaatbaar, voor zover een doelmatige bedrijfsvoering dit noodzakelijk maakt; hiervan in is ieder geval sprake, indien de vergroting vanwege milieuwetgeving of het dierwelzijn is vereist; d. van de bevoegdheid tot afwijken wordt uitsluitend gebruikgemaakt indien sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf; e. de vergroting van het bebouwingsoppervlak dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en 61
(agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden) en er dient zorg gedragen te worden voor een goede waterhuishouding bij toename van verharding. 3.4.2
Ten behoeve van een groter oppervlak bebouwing voor fruitteelt
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 3.2.1 onder c en d, teneinde een groter oppervlak aan bebouwing voor de fruitteelt toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. van de afwijking mag uitsluitend gebruik worden gemaakt, indien het groter oppervlak voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is; b. van de bevoegdheid tot afwijken wordt uitsluitend gebruikgemaakt indien sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf; c. alvorens de omgevingsvergunning te verlenen wordt met een schriftelijke advies van een agrarisch deskundige aangetoond dat aan het gestelde onder a en b wordt voldaan; d. het oppervlak mag vergroot worden tot het ten hoogste het toegestane oppervlak in 2 hogere categorie, zoals bedoeld in lid 3.2.1 onder c en d; e. de afwijking dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden). 3.4.3
Ten behoeve van meerdere gebouwen buiten het bouwvlak
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 3.2.1 onder a, teneinde meerdere gebouwen buiten het bouwvlak toe te staan bij een fruitteeltbedrijf, met inachtneming van het volgende: a. het aantal gebouwen per bedrijf mag niet meer bedragen dan opgenomen in onderstaande tabel; b. de afwijking dient milieuhygienisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); c. de maximale oppervlakte per gebouw mag niet meer bedragen dan 30 m2 en de maximale bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
Bedrijven tot en met 5 ha : 1 gebouw Bedrijven tot en met 10 ha : 2 gebouwen Bedrijven tot en met 20 ha : 3 gebouwen Bedrijven tot en met 30 ha : 4 gebouwen Bedrijven met meer dan 30 ha : 5 gebouwen 3.5
Specifieke gebruiksregels
3.5.1
Strijdig gebruik
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende bepalingen: a. mestopslag buiten het bouwvlak is niet toegestaan; b. faciliteiten ten behoeve van paarden, zoals paardenbakken, tredmolens, uitloopvoorzieningen en mestplaten zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak, tenzij met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak' anders is aangegeven; c. ten behoeve van de in tabel 3.1 genoemde nevenfuncties gelden de volgende gebruiksregels: 1. het oprichten van lichtmasten, lichtbakken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van reclameborden en/of neonreclame is niet toegestaan; 2. opslag van stoffen en producten die gevaar of milieuoverlast kunnen opleveren, is in geen geval toegestaan; 3. buitenopslag buiten het bouwvlak is niet toegestaan met uitzondering van tijdelijke opslag; 4. er mag geen detailhandel ontstaan met een verkoopvloeroppervlak van meer dan 100 m2; 5. de nevenfunctie is niet toegestaan indien de nevenfunctie leidt tot een nieuwe geurgevoelig object. d. tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: 1. prostitutiebedrijven; 2. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen voor de voorgevelrooilijn; 3. wonen, behoudens bedrijfswoningen en plattelandswoningen; 4. commerciële zaalverhuur; 62
5. zelfstandige horeca, anders dan genoemd in tabel 3.1. e. ten behoeve van de huisvesting van werknemers en piekwerkers geldt het volgende: 1. het huisvesten van piekwerkers is toegestaan onder voorwaarden dat: maximaal 35 piekwerkers gehuisvest worden in uitsluitend kampeermiddelen en/of woonunits met een maximum aantal van 12; huisvesting plaatsvindt over een aaneengesloten periode van maximaal 12 weken; de huisvesting plaatsvindt binnen het bouwvlak; de huisvesting milieuhygiënisch inpasbaar is; er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden). f. Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: het gebruik van gebouwen en overkappingen ten behoeve van de uitbreiding of wijziging van de bestaande veestapel waarbij een toename plaatsvindt van de bestaande ammoniakemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf. 3.5.2
Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing
Het gebruik van gronden voor fruitteelt is alleen toegestaan indien en zolang, binnen 1 jaar na het onherroeppelijk worden van het bestemmingsplan, de gronden zijn ingericht overeenkomstig het inrichtingsplan dat is opgenomen als Bijlage 1 bij deze regels. 3.6
Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1
Ten behoeve van nevenfuncties
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 3.1 onder g, teneinde de in tabel 3.2 genoemde nevenfuncties met de daarbij behorende maximaal in gebruik te nemen oppervlaktes voor bebouwing en gronden toe te staan, met inachtneming van het volgende: a. nevenfuncties dienen milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen onevenredige beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden); b. ten behoeve van de nevenfunctie mag geen nieuwe bebouwing worden gebouwd; c. er mag geen sprake zijn van een onevenredige vergroting van de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking; d. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in lid 3.1 onder g , teneinde de in tabel 3.2 genoemde nevenfuncties met de daarbij behorende maximaal in gebruik te nemen oppervlaktes voor bebouwing en gronden toe te staan, met inachtneming van het volgende: e. ten behoeve van de nevenfunctie kleinschalig kamperen gelden de volgende regels: 1. kampeermiddelen mogen uitsluitend worden geplaatst in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober; 2. de kampeermiddelen dienen op of aansluitend aan het betreffende bouwvlak geplaatst te worden; 3.