Bijlage 1.5 Nader onderzoek vleermuizen
Tekst van het document
Nader onderzoek vleermuizen Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten
Opdrachtgever: Wonam Dhr. K. Mulder Koningin Wilhelminaplein 856 1060 CM Amsterdam
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
9540 04-11-2019 Jac Hakkens Ninja Blok Maaike Leenen Definitief 1
© 2019 Eelerwoude Onderzoek van Eelerwoude voldoet aan de eisen die het bevoegd gezag stelt. Eelerwoude is lid van het Netwerk Groene Bureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. Het Netwerk heeft een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbende een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van flora en fauna. Desondanks zal nooit een 100% volledig beeld van de aanwezige flora en fauna gegeven kunnen worden. Natuur is dynamisch, situaties kunnen veranderen. Deze informatie is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1
Inleiding ............................................................................................................................... 5
1.1
Aanleiding ........................................................................................................................ 5
2
Huidige situatie en ontwikkeling ......................................................................................... 6
2.1
Huidige situatie ............................................................................................................... 6
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ............................................................................................ 6
3
Natuurwetgeving ................................................................................................................. 7
3.1
Inleiding ........................................................................................................................... 7
3.2
Bescherming van soorten ................................................................................................ 7
4
Methode .............................................................................................................................. 8
4.1
Bureauonderzoek ............................................................................................................ 8
4.2
Veldonderzoek ................................................................................................................ 8
5
Beschermde soorten .......................................................................................................... 11
5.1
Vleermuizen .................................................................................................................. 11
5.2
Effecten en ontheffing ................................................................................................... 15
5.3
Te nemen maatregelen ................................................................................................. 15
6
Conclusie ............................................................................................................................ 18
6.1
Conclusie ....................................................................................................................... 18
6.2
Ontheffing noodzakelijk ................................................................................................ 18
6.3
Uitvoerbaarheid van de plannen ................................................................................... 19
6.4
Geldigheid onderzoek ................................................................................................... 19
Literatuurlijst .................................................................................................................................. 20 Bijlage 1 Soortenkaarten................................................................................................................. 21 Bijlage 2 Wettelijk kader natuurwetgeving..................................................................................... 23
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
3
Figuur 1.Contouren van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving (Bron: ArcGIS Maps, 2019).
Figuur 2.Ligging plangebied te opzichte van Houten (Bron: ArcGIS Maps, 2019).
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De projectontwikkelaar WONAM is voornemens om op de locatie Kokermolen 1-11 en Molen 1317 in Houten, de huidige panden te slopen. Voor de deze locatie is de realisatie van woningbouw beoogd. In verband met deze plannen is in 2019 een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Nader, gericht veldonderzoek is noodzakelijk om aan te tonen, dan wel uit te sluiten dat aanwezige bebouwing en of bomen een functie hebben als verblijfplaats voor beschermde soorten. Duidelijk moet dan ook worden om welke soort(en) en aantallen het gaat en wat de eventuele functie van de gebouwen en bomen zijn voor deze soort(en). Uit het onderzoek komt naar voren of de voorgenomen ontwikkelingen consequenties hebben voor de aanwezige beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming, en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
5
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Aan de Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten zijn twee bedrijfsmatige kantoorpanden met parkeerterrein gesitueerd. De kantoorpanden behoren tot het kantorenpark ‘De Molenzoom’ dat tussen 1991-2000 is gerealiseerd. Het terrein ligt aan de oostzijde van de woonkern van Houten tegen de doorgaande rondweg. Ten oosten van de locatie ligt het sportpark van Houten met omliggende groenstructuren. De oppervlakte van het terrein is circa 6.000 m2. De muren van de kantoorpanden zijn voorzien van verouderd isolatiemateriaal. In de gevels zijn op diverse hoogten open stootvoegen aanwezig boven de kozijnen. De kantoorpanden zijn beiden 3 verdiepingen hoog, en voorzien van een plat dak met bitumen dakbedekking. Tussen de twee kantoorpanden in ligt een ruime parkeerplaats. Op een afstand van 900 meter ligt de Rietplas. Overige (kleinschalige) waterelementen als sloten zijn in de directe omgeving niet aanwezig. De bomenrij aan de west- en zuidkant van het terrein bestaan uit jonge Amerikaanse eiken. De beplanting aan de noordkant is samengesteld uit een bomenrij met tevens Amerikaanse eik en laagstaande hagen. Overige beplanting is niet aanwezig. Het terrein wordt verlicht door lantaarnpalen en inbouwarmaturen. Afbeelding 1 en 2 geven de ligging en begrenzing weer van het plangebied.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling Op het terrein met de twee kantoorpanden is het plan om woningbouw te realiseren. De twee kantoorpanden worden gesloopt om te worden vervangen door 2,3 en 4-kamer huurwoningen van 54 tot 89 m2. Het aantal verdiepingen van het complex variërt tussen 3 tot 6 hoog. De parkeerplaats wordt ingepast als zijnde half verdiepte garage met daarboven een gemeenschappelijke buitenruimte (Bron: LUNO voorontwerp, Wonam 2019). Hiervoor dient het bestemmingsplan deels te worden gewijzigd van de functie bedrijf naar wonen. De verlichting op het terrein blijft in de nieuwe situatie behouden. De werkzaamheden bestaan concreet uit: Saneren van kantoorgebouwen: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; Verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graaf werkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; Egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en transport; Terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed; aanleg nutsvoorzieningen e.d.; Realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; Revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden (Bron: Flora en faunaonderzoek, BLOM Ecologie B.V). Planning Zodra het besluit is genomen door de gemeente op de aanvraag van het voorgelegde ontwikkelingsplan, is het mogelijk om de planning van de uitvoering verder te concretiseren.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
6
3 Natuurwetgeving 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag en alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied; de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime andere soorten. Daarnaast zijn landelijk van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leiden tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk blijkt, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De bescherming van soorten is overal en altijd van toepassing bij ontwikkelingen. In hoofdstuk 55 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
7
4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van een verkenning van bestaande inventarisatiegegevens en gericht onderzoek naar vleermuizen.
4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en indien beschikbaar regionale verspreidingsinformatie; • Uit de landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, moet blijken of nabij de locaties in het verleden strikt beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of datering van de waarnemingen zijn daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer), en veelal betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. • Daarnaast is gebruik gemaakt van het rapport toetsing Wet natuurbescherming opgesteld door BLOM Ecologie in april 2019. Deze resultaten zijn in het nader onderzoek meegenomen. Zie de literatuurlijst voor de totale lijst van de geraadpleegde bronnen.
4.2 Veldonderzoek Op basis van vier veldbezoeken is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving van vleermuizen. De onderzoeken zijn uitgevoerd door N. Blok en M. Oomen. De betreffende personen zijn ecologisch adviseur en voldoen aan de eisen volgens onderstaand kader. In tabel 1 zijn de onderzoeksdata weergegeven. Hierbij zijn tevens de veldmedewerkers, starttijd en weersomstandigheden genoteerd.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
8
Kader – ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of
-
op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Tabel 1. Type onderzoek, datum, start- en eindtijd, uitgevoerde onderzoeker(s) en de weersomstandigheden genoteerd per veldbezoek.
Datum
Type onderzoek
17-06-2019
Kraamonderzoek
15-07-2019
Kraamonderzoek
26-08-2019
Baltsonderzoek
16-09-2019
Baltsonderzoek
Start –eindtijd
21:30 - 23:40 Zon onder: 22:05
03:20 – 05:20
Veldmedewerker
N. Blok, M. Oomen
N. Blok, M. Oomen
Zon op: 05:36
Weersomstandigheden
22°C, licht bewolkt en droog, windkracht 2 bft
13°C, half bewolkt en droog, windkracht 2 bft
21:10-23:15 Zon onder: 20:43 22:20 – 00:20 Zon onder: 19:54
N. Blok
N. Blok
24°C, heldere hemel, droog, windkracht 1 bft 13°C, half bewolkt en droog, hoge luchtvochtigheid, windkracht 1 bft
Vleermuizen Bij de uitvoering van het vleermuisonderzoek is gewerkt volgens het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat in januari 2017 is geëvalueerd door deskundigen van het Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het protocol is daarmee aangepast naar de meest recente wetenschappelijke inzichten.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
9
Het vleermuisonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van de soortensamenstelling, de aantallen, de gebruiksfunctie van het gebied en het vaststellen van verblijfplaatsen (kraamverblijven, winterverblijfplaatsen, zomerverblijven etc.), vliegroutes en foerageergebieden. Het onderzoek heeft zich geconcentreerd op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen vanwege de geschiktheid van het type bebouwing voor deze soorten. Uiteraard is tijdens de veldbezoeken ook aandacht besteed aan eventuele andere beschermde vleermuissoorten binnen het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een Echo Sound Meter Pro, batdetector Pettersson D240X en een Pettersson D100. In totaal zijn vier veldbezoeken uitgevoerd waarvan twee in de kraamperiode en twee in de baltsperiode. Een extra veldbezoek voor laatvlieger of massawinterblijfplaatsen word in dit kader niet nodig geacht. Het kraamonderzoek heeft zich gericht op de aanwezigheid van zomer- en/of kraamverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens het uitvlieg- of invliegtijdstip van vleermuizen, respectievelijk rond zonsondergang en zonsopkomst. Het baltsonderzoek heeft zich gericht op het vaststellen van balts-, paar-, en/of winterverblijfplaatsen van vleermuizen.
Deze bezoeken hebben plaatsgevonden tijdens de baltsactiviteit van vleermuizen, na zonsondergang tot middernacht. Tijdens dit tijdstip is de meeste baltsactiviteit bij vleermuizen waar te nemen. Het bezoek heeft plaatsgevonden na zonsondergang na het uitvlieg tijdstip. De veldbezoeken hebben plaatsgevonden tijdens voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden conform het vleermuisprotocol.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
10
5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.1 Vleermuizen Voorkomen en functie Tijdens het vleermuisonderzoek zijn in het plangebied 3 soorten waargenomen; de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Hieronder wordt alleen ingegaan op de gewone dwergvleermuis en hoe deze soort het plangebied gebruikt. Voor de overige twee soorten heeft het plangebied geen specifieke functie. Het ging om enkele langsvliegende exemplaren. In bijlage 1 zijn de verspreidingskaarten opgenomen van het plangebied. Op verspreidingskaarten is inzichtelijk gemaakt hoe de waargenomen vleermuizen het plangebied gebruiken. Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is in Nederland de meest algemeen voorkomende vleermuissoort. De soort wordt veelvuldig waargenomen in stedelijk gebied. De staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis is gunstig. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen aangetroffen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering (zie onderstaand kader – vleermuisverblijfplaatsen). Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij (mogelijk) vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden, mits deze vorstvrij zijn. Ze jagen hoofdzakelijk binnen en straal van 2-5 km van de verblijfplaats. Vliegroutes volgen zoveel mogelijk lijnvormige (groen)structuren en ze jagen in gesloten tot half open landschap.
Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied wordt door de gewone dwergvleermuis gebruikt door diverse foeragerende en langsvliegende individuen (zie onderstaand kader – foerageergebieden en vliegroutes). Tijdens het onderzoek werden gemiddeld 1 tot 5 gewone dwergvleermuizen waargenomen per veldbezoek. Er is in het plangebied foerageergebied aanwezig dat onderdeel uitmaakt van het leefgebied. Het pand aan de Kokermolen 1-11 met de aangrenzende bomenrij naar het noorden, heeft een functie als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis. Ook de hagen met vrijstaande bomen aan de noordzijde gelegen tussen de panden in is interessant als jachtgebied voor de gewone dwergvleermuis. De overige waargenomen vleermuizen (rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis) zijn langsvliegend waargenomen boven de parkeerplaats en in de richting van het sportcomplex aan de oostkant. Er zijn geen vliegroutes aanwezig in het plangebied. De opgaande beplanting rondom het terrein blijft in de nieuwe situatie deels behouden. Gezien de afwezigheid van groene elementen op de parkeerplaats was een lage concentratie van aanwezige vleermuizen hier ook te verwachten.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
11
Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
Ook de omgeving is geschikt als foerageergebied, ondermeer door de aanwezigheid van lijnvormige (groen)structuren en waterelementen. Vleermuizen gebruiken onder andere lijnvormige elementen zoals houtsingels of wegen met bomenrijen om zich langs te verplaatsen welke als vliegroute kunnen dienen. Verblijfplaatsen Tijdens het kraamonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied 2 zomerverblijfplaatsen vastgesteld. Op 17 juni om 10:37 is een gewone dwergvleermuis waargenomen met binding aan de voorgevel van de Molen 13-17. Hij vloog hier uit een gleuf in de muur. De andere verblijfplaats is vastgesteld aan de oostgevel van de Kokermolen 1-11. Het betreft een opening in het tweede raamkozijn van links onder licht gevende letters “Businesscenter de terp” (zie bijlage 1). Dit was rond 4.55.
Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis, franjestaart en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Vleermuizen baltsen (ook wel sociale roep) in het najaar binnen een territorium om vrouwtjes te vinden en mee te lokken naar hun verblijfplaats om te paren. Zij vliegen daarbij op vaste routes,
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
12
waarbij ze een zeer sterke binding met een bepaald gebouw(en) en/of beplanting hebben waar zich een paar- en/of baltslocatie bevindt. Baltsende mannetjes zijn dan ook een indicatie voor de aanwezigheid van een balts- en/of paarverblijfplaats. Mogelijk overwinteren deze mannetjes ook op deze locaties. Een locatie met een balts- en/of paarverblijfplaats kan dan ook aangemerkt worden als (vermoedelijke) winterverblijfplaats. Bij strenge vorst verhuizen ze echter vaak naar massawinterverblijfplaatsen, die niet binnen het plangebied aanwezig zijn. De exacte plekken van de balts- en/of paarplekken zijn vaak niet duidelijk, aangezien ze tijdens het baltsen zelden in- of uitvliegen. In deze situatie baltsten de mannetjes rondom het pand langs de gevels. Tijdens de baltsbezoeken zijn actief baltsende mannetjes waargenomen (zie onderstaand kader – paarverblijfplaatsen). Tijdens het baltsonderzoek zijn binnen de begrenzing van het plangebied 3 balts-, paarverblijfplaatsen vastgesteld. Het betrof de openstootvoegen aan de bovenkant van de gevels van de panden, met 4-6 individuen. Één actief baltsend dier werd waargenomen aan de oostgevel van kokermolen 1-11, waarvan het exacte verblijf zich bevindt in een stootvoeg of kozijnopening.
Iets noordelijker vanaf deze locatie is in hetzelfde pand, een baltsverblijfplaats geconstateerd op basis van een mannetje dat herhaaldelijk de gevel aantikte onder het rechter kozijn, bovenaan de gevel. Deze waarnemingen zijn op 26 augustus gedaan. Aan de andere kant van het pand, ter hoogte van het parkeerterrein zijn tijdens beide baltsbezoeken een mannetje met vrouwtje waargenomen. De dieren vlogen herhaaldelijk op en neer onder de herkenbare baltsroep op ongeveer 25 kHz langs de gevel. De verblijfplaats van dit mannetje begeeft zich boven de rechter ingang van de Kokermolen 1-11(zie bijlage 1).
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
13
Kader – Paarverblijfplaatsen Definitie paar(verblijf)plaats in het vleermuisprotocol 2017: Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar ten minste een baltsend mannetje of meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren of komen zwermen. Welk gedrag is waar te nemen, is afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag en/of baltsroepen. (Zwermen bij het invliegen komt bij meer verblijfsfuncties voor.) Een samenhang van waarnemingen kunnen duidelijk maken wat de waarde van een locatie is. Fanatiek roepende mannetjes zijn een belangrijke indicatie voor een paarverblijfplaats in het gebied. Maar wanneer is de roep nou een indicatie voor een paarverblijfplaats of wanneer is het gewoon een sociaal geluid? Om zeker te kunnen aangeven dat het om een baltsroep gaat voor het vaststellen van een paarverblijfplaats moet er gekeken worden naar verschillende factoren: •
aantal roepen; wanneer een vleermuis <5 roept, gaat het om een sociale roep. Wanneer de roep in lange series met regelmatige intervallen > 10 keer wordt uitgestoten gaat het om een baltsroep;
•
vliegstijl; baltsactiviteiten gaan gepaard met vleugelslagen welke onderbroken worden met een glijdende vlucht;
•
valse landingen; baltsende mannetjes worden vaak herhaaldelijk aanvliegend waargenomen bij bepaalde plaatsen op de muur, dit vaak in de hoeken van een gebouw of onder uitstekende delen van de wand;
•
aantal uren na en voor zonsondergang en -opgang; baltsactiviteiten worden opgebouwd tot 4 uur na zonsondergang (met een piek in het 4e uur) en 4 uur voor zonsopkomst (piek op het 3e uur), om middernacht nemen de baltsactiviteiten iets af;
•
tijd van het jaar; van juli tot augustus is er weinig baltsactiviteit in de eerste uren na zonsondergang, van augustus t/m oktober beginnen de baltsactiviteiten steeds vroeger op de avond;
•
temperatuur en weersomstandigheden; bij hogere temperatuur in de avond zijn er meer baltsactiviteiten, bij heftige regen zijn er geen baltsactiviteiten aanwezig, andere weers- omstandigheden hebben geen invloed op de baltsactiviteiten.
Voordeel van het inventariseren tijdens de baltspiek is dat er makkelijk vastgesteld kan worden wat de territoriumgrenzen van het mannetje zijn, deze kunnen voor gewone dwergvleermuis circa 1,2 tot 10 ha groot zijn. Met deze gegevens kan de dichtheid van de paarplaatsen bepaald worden. Daarnaast is er een voordeel dat ook de aangrenzende gebieden makkelijk beoordeeld kunnen worden en of deze binnen het territorium vallen. Informatie over het territorium is belangrijk wanneer er in het plangebied een paarverblijfplaats wordt aangetroffen. Aan de hand van de informatie over de territoria in de omgeving kan aangegeven worden of er voldoende alternatieve in de omgeving aanwezig zijn. Want ook in de paartijd verhuizen mannetjes regelmatig binnen hun territorium.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
14
5.2 Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Foerageergebied en vliegroutes Door de voorgenomen werkzaamheden treedt een tijdelijke verstoring op van foerageergebieden die onderdeel uitmaken van het leefgebied van de betreffende vleermuissoorten binnen het plangebied. De groenelementen blijven voor een deel na de ontwikkeling behouden. Tevens zal nieuwe beplanting terugkomen op het binnen terrein van de nieuwe appartementencomplexen. Verblijfplaatsen Tijdens het vleermuisonderzoek is binnen het plangebied een aantal verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis vastgesteld. Het gaat om de volgende verblijfplaatsen: • 2 zomerverblijfplaatsen; • 3 balts-, paarverblijfplaatsen. In de gevels van de kantoorpanden aan de Kokermolen 1-11 en de Molen 13-17, zijn verblijfplaatsen vastgesteld. Er zijn geschikte gevels met open stootvoegen en gleuven in raamkozijnen aanwezig, waar gewone dwergvleermuis eenvoudig in kan kruipen.
De spouwmuren zijn toegankelijk voor vleermuizen om tussen te kruipen. Als gevolg van de werkzaamheden raken de aanwezige verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis ongeschikt, een overtreding van de Wet natuurbescherming. In de nieuwe situatie is het noodzakelijk dat in de nieuwe gebouwen weer ruimten beschikbaar zijn voor de aanwezige gewone dwergvleermuis als verblijfplaats. Daarnaast zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en om te allen tijde een verblijfplaats aan te bieden. De gewone dwergvleermuis maakt gebruik van een netwerk aan verblijfplaatsen. Rond het plangebied zijn dan ook diverse alternatieve verblijfplaatsen aanwezig (en vastgesteld). Met de voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook niet verwacht dat de gunstige staat van instandhouding van gewone dwergvleermuis in het geding komt, vooral niet na het nemen van enkele maatregelen. Het vernietigen of beschadigen van verblijfplaatsen van vleermuizen is wel ontheffingsplichtig. Hiervoor dient een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming, aangevraagd te worden.
5.3 Te nemen maatregelen Om negatieve effecten op gewone dwergvleermuis zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk. Te nemen maatregelen op hoofdlijnen:
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
15
•
•
• • • •
plaatsen van tijdelijke kasten voor gewone dwergvleermuis voorafgaand aan de werkzaamheden (compensatiefactor 4 per verblijfplaats, minimaal 20 kasten). Betreffende kasten dienen 6 maanden voorafgaand aan de werkzaamheden opgehangen te worden; het ongeschikt maken van de panden dient ongeveer twee weken voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden te zijn uitgevoerd. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de kwetsbare perioden van gewone dwergvleermuis; nieuwe, duurzame verblijfplaatsen creëren in de toekomstige situatie (bijvoorbeeld inbouwkasten integreren, of toegankelijkheid spouwmuur inpassen); opstellen van een ecologisch werkprotocol; begeleiding tijdens de werkzaamheden. de verlichting dient in de nieuwe situatie niet toe te nemen (zie kader – verlichting)
Conclusie: Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden door de sloop van de kantoorpanden, zijn negatieve effecten op gewone dwergvleermuizen niet uit te sluiten. Een ontheffing dient aangevraagd te worden, evenals het nemen van bovenstaande maatregelen.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
16
Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.
Op dit moment is binnen en rondom het plangebied verlichting aanwezig. De verlichting beperkt zich tot de straatlantaarns en in de nieuwe situatie zal de verlichting mogelijk toenemen. Verwacht wordt dat met de toename van verlichting rondom de te ontwikkelen locaties geen negatief effect zal optreden op de aanwezige gewone dwergvleermuis. Deze soort geldt namelijk niet als bijzonder gevoelig voor verstoring door verlichting. Er dient wel te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:
-
verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is;
-
beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur;
-
geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes.
verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting); verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven;
Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
17
6 Conclusie Op basis van het uitgevoerde vleermuisonderzoek worden de onderstaande conclusies getrokken.
6.1 Conclusie Uit het vleermuisonderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de volgende beschermde soort: de gewone dwergvleermuis. Er zijn in het plangebied 2 zomerverblijfplaatsen en 3 balts- en/of paarverblijfplaatsen aangetroffen. Als gevolg van de geplande werkzaamheden worden negatieve effecten verwacht en treedt vernietiging op van de verblijfplaatsen. Hierbij is het van belang dat in de nieuwe situatie de gebouwen weer geschikt zijn als verblijfplaats voor de betreffende soort. Het treffen van maatregelen is noodzakelijk om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en om te allen tijde een verblijfplaats aan de beschermde soorten aan te bieden. Met de voorgenomen werkzaamheden wordt dan ook niet verwacht dat de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis in het geding komt. Vooral niet na het treffen van enkele maatregelen. Het verstoren en wegnemen van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis is wel ontheffingsplichtig. Hiervoor dient een ontheffing aangevraagd te worden.
6.2 Ontheffing noodzakelijk Voor de herontwikkeling van het terrein aan de Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten, dient een ontheffing aangevraagd te worden voor gewone dwergvleermuis. Om een ontheffing Wet natuurbescherming te verkrijgen voor de gewone dwergvleermuis, moet voldaan worden aan volgende punten: ➢ ➢ ➢ ➢
de gunstige staat van instandhouding gegarandeerd blijven; invulling gegeven worden aan de zorgplicht; voldaan worden aan een bij de wet genoemd belang; er mogen geen alternatieven zijn.
Deze gegevens moeten worden uitgewerkt in een projectplan. In het projectplan staat concreet welke werkzaamheden, wanneer, en op welke wijze worden uitgevoerd. Dit wordt aangevuld met een onderbouwing van de noodzaak van het project. Een ontheffingsaanvraag moet worden ingediend bij de provincie Utrecht. Maximaal twintig weken na het indienen van de aanvraag wordt er een besluit genomen. Op dat besluit kunnen belanghebbenden nog bezwaar maken. Deze termijnen zijn terug te vinden op de website van de provincie.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
18
De concrete maatregelen dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Hierin dienen eveneens de aanvullende voorwaarden verwerkt te worden die voortvloeien uit de ontheffingsaanvraag.
6.3 Uitvoerbaarheid van de plannen Er moet bij ruimtelijke planvorming, te allen tijde aangetoond worden, dat deze uitvoerbaar zijn binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Voor verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis worden regelmatig ontheffingen of een verklaring van geen bedenkingen aangevraagd en verkregen. In zijn algemeenheid moeten daarbij de volgende maatregelen genomen worden om de gunstige staat van instandhouding te garanderen en aan de zorgplicht te voldoen: aanbieden nieuwe en meer verblijfplaatsen vóór verwijderen huidige; in stand houden van voldoende functioneel leefgebied (foerageergebied en dergelijke); voorkomen van aantasten/doden dieren bij uitvoering, bijvoorbeeld door uit te voeren buiten de gevoelige periodes. Door bovengenoemde maatregelen te nemen wordt de functionaliteit van het plangebied (en/of directe omgeving) voor de dieren in stand gehouden. In dat geval kan een ontheffing worden aangevraagd voor het verstoren van de dieren en tijdelijk vernietigen van verblijfplaatsen. Het plan biedt voldoende ruimte om aan de eisen voor een ontheffing te voldoen. De noodzaak voor een ontheffing belemmert de uitvoerbaarheid van het plan of de deelplannen dus niet.
6.4 Geldigheid onderzoek Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegde gezag hanteert de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “ Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.” Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten Definitief
19
LITERATUURLIJST -
-
Bij12 (2017). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Bij12, versie 1.0, Utrecht. Dietz, C., Helversen, O. van, & Nill, D. (2011). Vleermuizen: Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Utrecht, Nederland: De Fontein & Tirion Uitgevers. Limpens, H. , K. Mostert en W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Utrecht: KNNV Uitgeverij. Limpens, H., P. Twisk & G. Veenbaas (2004). Met vleermuizen overweg. Brochure over vleermuizen en de wijze waarop bij planning, aanleg, reconstructie en beheer van wegen praktische invullingen kan worden gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor vleermuizen. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft / Zoogdiervereniging, Arnhem. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur (2017). Vleermuisprotocol 2017. BLOM Ecologie B.V., Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Kokermolen 1-11 en de Molen 13-17 te Houten, 17-04-2019. LUNO voorontwerp., Wonam BV., 2019.
Soortinformatie:
- www.zoogdierenvereniging.nl - www.eurobats.org - www. nederlandsesoorten.nl
BIJLAGE 1 VERSPREIDINGSKAARTEN
BIJLAGE 2 WETTELIJK KADER NATUURWETGEVING Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd1. 3. Beschermingsregime andere soorten Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Voor een overzicht welke soorten onder welk beschermingsregime vallen, wordt verwezen naar de website van de provincie Noord-Holland. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 3). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen.
1 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten | Eelerwoude | 23
Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten | Eelerwoude | 24
Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3).
Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.
Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. 2.
De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten | Eelerwoude | 25
Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten | Eelerwoude | 26
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora en fauna;
•
voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;
•
om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;
•
in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;
•
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
•
ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;
•
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
•
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
•
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
•
in het algemeen belang van de betreffende soort.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten | Eelerwoude | 27
Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebied een Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.
Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten | Eelerwoude | 28
www.eelerwoude.nl