5. Oriënterend onderzoek flora en fauna
Tekst van het document
BURO SRO T.a.v. dhr. T. Oostrom `t Goylaan 11 3525 AA Utrecht
Datum
3 juni 2019
Kenmerk
BE/2019/344
Uw kenmerk
Email d.d. 13 mei 2019
Auteur(s)
J.E. Soethout
Collegiale toets
K.J. Rebergen
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan Wickenburghseweg 38 ‘t Goy Aan de Wickenburghseweg 38 ‘t Goy is een woning met bijgebouwen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bijgebouwen (kassen en stallen) te saneren ten behoeve van de realisatie van een woning, een houtwal langs beide zijden van het perceel en de aanleg van een ecologisch eiland. Het vigerende bestemmingsbeleid voorziet niet in de ontwikkelingsmogelijkheid en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarisch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Wickenburghseweg 38 ’t Goy en betreft een woning met bijgebouwen en tuin (figuur 1). De woning blijft in de beoogde ontwikkelingen behouden en wordt verder niet meegenomen in deze quickscan. Het zuidelijk gelegen bijgebouw (I: kas) is opgetrokken uit gemetselde betonblokken, waarbij een spouwmuur ontbreekt. Het zijn twee geschakelde kassen welke beide een zadeldak bezitten bedekt met golfplaten. Het noordelijke bijgebouw (II) wordt gebruikt als opslagloods voor caravans. Het is opgebouwd uit een stalenconstructie, waarbij zowel de zijgevels als het dak bedekt zijn met golfplaten. De westzijde van de opslagloods is geheel open. Rondom de bijgebouwen is verharding aanwezig in de vorm van een oprit. Ten oosten van de woning is een tuin gelegen met diverse tuinplanten en terrasverharding. In de tuin is een tuinhuis (III) gesitueerd welke in de beoogde ontwikkelingen gesaneerd wordt. Het is opgetrokken uit houten panelen en het draagt een zadeldak bedekt met bitumen. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door (agrarische) percelen, woningen, bedrijven en infrastructuur. Op een afstand van 280 m ten zuiden van de planlocatie is het Amsterdam-Rijnkanaal gelegen.
Rivier de Lek ligt ten zuidoosten gelegen van de planlocatie op een afstand van 3,3 km. De N410 ligt ten noorden van de planlocatie op een afstand van 3,5 km gelegen. Ten noordwesten van de planlocatie ligt op een afstand van 5,7 km de A27 gelegen.
Figuur 1 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Wickenburghseweg 38 ’t Goy. De woning (groen gekleurd) blijft behouden. De rood gekleurde bebouwing wordt gesaneerd: I = kassen, II = opslagloods en III = tuinhuis (bron: arcgis.com).
2
Figuur 2 De situatieschets van de beoogde ontwikkelingen aan de Wickenburghseweg 38 ’t Goy waarbij een vrijstaande woning, houtwallen en een ecologisch eiland worden gerealiseerd.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreffen de sloop van de bijgebouwen (I t/m III) ten behoeve van de realisatie van een woning, een ecologisch eiland en de aanleg van houtwallen langs beide zijde van het perceel. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • saneren van de bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: kap- en graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • vergraven terrein en egaliseren; graafwerkzaamheden en grondtransport; • terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • realisatie watergangen; (af)graafwerkzaamheden, transport van grond; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden. Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen
3
of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 13 mei 2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 10 Celsius en windkracht 2-3 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rusten voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe.
In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht.
4
Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Dwergspitsmuis
Konijn
Wezel
Egel
Meerkikker
Woelrat
Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen op de planlocatie. Het plangebied en de directe omgeving ervan bestaat uit agrarische percelen en bedrijven. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. In het algemeen komen muurvegetaties in ons land voor op stenige, steile tot verticale standplaatsen. Van nature groeien ze op gebergten en rotsen. Een alternatieve standplaats zijn voegen op verweerde muren. De vegetatie binnen het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit algemene vaatplanten en aangeplante gecultiveerde en/of algemene inheemse vaatplanten. De aangetroffen vegetatie betreft onder andere: conifeer, sering, pitrus, grote brandnetel, zuring, paardenbloem, fluitenkruid en rozenbottel.
De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Het plangebied bestaat grotendeels uit verharding en is anderzijds in gebruik als zijnde tuin. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. In de directe omgeving van de planlocaties zijn, is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bever, boommarter, bruine rat, bunzing, das, rode eekhoorn, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, ree, vos, wezel, woelrat en diverse muisachtigen waaronder de waterspitsmuis (NDFF, 2000-2019). Enkele zoogdiersoorten zijn door de provincie vrijgesteld van bescherming, in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Voor de in de omgeving voorkomende bever, boommarter, das, rode eekhoorn en waterspitsmuis geldt een dergelijke vrijstelling niet.
Deze minder algemene en/of opportunistische soorten zijn erg kritisch ten aanzien van hun omgeving. Veel grondgebonden zoogdieren prefereren een structuurrijke omgeving (vegetatie, macroreliëf, etc.) waarin voldoende rust en voedsel zijn gewaarborgd. De planlocatie bestaat uit verharding, bebouwing en een tuin. Een structuurrijke omgeving van voldoende grootte en kwaliteit is niet aanwezig op de planlocatie. De naastgelegen fruitboomgaard voldoet wel aan een structuurrijke omgeving met voldoen rust. Verblijven van marterachtigen, waaronder de boommarter, bunzing, hermelijn en wezel, gaan samen met prooiresten (leeggegeten eieren, huiden van kleine(re) zoogdieren, afgebeten veren etc.), nesten, pootafdrukken of loopsporen, uitwerpselen, latrines en andere geurmarkeringen. Bij de inspectie op en rondom de planlocatie zijn deze sporen niet aangetroffen. Bovendien ontbreekt het functioneel leefgebied van de beschermde boommarter en rode eekhoorn door het ontbreken van aaneengesloten bossen. Daarbij zijn tijdens het veldbezoek geen nestbomen van de rode eekhoorn waargenomen. Derhalve kan het voorkomen van de boommarter en rode eekhoorn worden uitgesloten op de planlocatie. De bever leeft in het overgangsgebied van zoete wateren en land, zoals moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. Daarbij is een goed begroeide oever met bomen en struiken een vereiste.
Een bever gebruikt burchten en holen als verblijfplaats (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017). Op de planlocatie ontbreekt het functioneel leefgebied van de bever door het ontbreken van overgangsgebied. Het voorkomen van de bever wordt eerder verwacht langs goed begroeide oevers van de Kromme Rijn. Bovendien zijn er geen burchten of holen bekend in de directe
5
omgeving van de planlocatie. Het voorkomen van de bever op de planlocatie kan derhalve worden uitgesloten. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). Dassen maken gebruik van een netwerk van verblijfplaatsen, hieronder vallen (grote) hoofdburchten, bijburchten en vluchtpijpen. Het leefgebied van de soort moet voldoen aan voldoende dekking, weinig verstoring, een groot voedselaanbod en een bodem waar ze goed kunnen graven. De planlocatie en de directe omgeving ervan bestaat uit een monocultuur landschap van fruitboomgaarden en weidepercelen waarbij weinig houtwallen aanwezig zijn. Daarbij zijn er maar enkele waarnemingen bekend op twee verschillende locaties (NDFF, 2000-2019). Deze locaties liggen op 4,5 km en 6 km afstand van de planlocatie. Het dieet van dassen bestaat voornamelijk uit regenwormen. Daarnaast voeden ze zich ook met knollen, maïs en gevallen fruit. In de beoogde ontwikkelingen blijven de fruitboomgaarden behouden. Derhalve vindt er geen afname plaats van voedselbronnen.
Door het ontbreken van burchten en/of holen en functioneel leefgebied kan het voorkomen van de das op de planlocatie worden uitgesloten. De waterspitsmuis leeft in een gebied met schoon, niet te voedselrijk water met een aanzienlijke ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Bodem bedekkende vegetatie is een voorwaarde. Eveneens dienen in de oevers voldoende schuilmogelijkheden aanwezig te zijn. De aanwezige kavelsloot langs het perceel bezit een zeer steile rand, waardoor het niet mogelijk is voor de waterspitsmuis om vanuit het water het land op te komen (figuur 2). Bovendien is het plangebied grotendeels verhard. Een essentiële functie voor beschermde soorten is derhalve uitgesloten.
Figuur 2 De aanwezige kavelsloot langs het perceel bezit een dermate steile oever, dat het niet mogelijk is voor de waterspitsmuis om vanuit het water op het land te komen. De planlocatie heeft hooguit een (beperkte) functie voor algemene/ opportunistische soorten waarvoor een vrijstelling geldt. Dit betreft met name mol, rat- en muisachtigen. Voor dergelijke soorten is in de directe omgeving voldoende geschikt leefgebied waar individuen zich naar toe kunnen begeven gedurende de roering die kan ontstaan tijdens werkzaamheden. Essentieel leefgebied en/of vaste rust- en/of verblijfplaatsen van beschermde zoogdieren zijn niet aanwezig en worden derhalve niet aangetast. Mits enkele maatregelen worden getroffen in het kader van de Algemene zorgplicht leidt de beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten voor beschermde zoogdieren.
6
Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2000-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig welke potentieel geschikt zijn als vaste rust- en/of verblijfplaats van boom bewonende vleermuizen, door het ontbreken van openingen. Het is derhalve uitgesloten dat de ontwikkeling leidt tot een afname van vaste rust- en verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur.
De kassen (I) zijn opgetrokken uit gemetselde betonblokken waarbij een spouwmuur ontbreekt. Het draagt een zadeldak bedekt met golfplaten, isolatiemateriaal en dakbeschot zijn niet aanwezig. Derhalve bieden de kassen geen wegkruipruimtes (c.q. geschikte verblijfplaatsen) voor gebouw bewonende vleermuizen. Ook de opslagloods (II) biedt geen wegkruipruimtes voor gebouw bewonende vleermuizen. Aangezien deze zijn opgebouwd uit een stalenconstructie en bedekt zijn met damwand- en golfplaten waarbij isolatiemateriaal en dakbeschot ontbreekt. Het tuinhuis (III) is opgetrokken uit houtenpanelen en draagt een zadeldak bedekt met bitumen. Het is niet in het bezit van openingen welke toegang geven tot achterliggende open ruimten. Het is derhalve uit te sluiten dat gebouw bewonende vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats. Hoewel het uit te sluiten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als onderdeel van het foerageergebied. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen worden mogelijk aangetast. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De planlocatie vormt, gezien de overvloed aan vergelijkbaar of meer kwalitatief leefgebied, geen essentieel foerageergebied.
In de beoogde ontwikkelingen worden groenrijke structuren gerealiseerd. Deze structuren trekken aannemelijk meer insecten aan, waardoor het foerageergebied in de beoogde ontwikkelingen vergroot worden. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. In de luwte van de gebouwen kunnen migratie en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Op de planlocatie zijn geen lijnvormige structuren aanwezige die een essentiële functie hebben met betrekking tot vlieg- en/of migratieroutes. De ontwikkeling leidt niet tot significante aantasting of afname van het foerageergebied en vlieg/migratieroutes. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast of de werkzaamheden dienen tussen zonsopkomst en zonsondergang plaats te vinden. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Het plangebied is grotendeels verhard.
Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Enkel rondom de planlocatie liggen kavelsloten gesitueerd. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker,
7
kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en ringslang (Creemers & Van Delft, 2009; verspreidingsatlas NDFF 2010-2018). Voor de alpenwatersalamander, heikikker, poelkikker en ringslang geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De alpenwatersalamander komt vooral voor in heidegebieden, agrarisch gebied op zandgrond, maar wordt ook aangetroffen in steden en dorpen. Hoogveen en rivier- en zeeklei bodems worden gemeden. De soort is weinig kritisch en wordt ook aangetroffen in wateren zonder onderwatervegetatie en veel bladinval. Ook ten aanzien van de pH waarde is de alpenwatersalamander niet erg kritisch, maar in zuur en voedselarm water wordt de soort niet of nauwelijks aangetroffen (Creemers & Van Delft, 2009). Het voorkomen van de alpenwatersalamander in de kavelsloten is niet uit te sluiten. Bovendien wordt het mogelijk functioneel leefgebied niet aangetast. De heikikker en poelkikker zijn erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn en ze houden van voedselarm en schoon water. Daarnaast hebben ze vorstvrije plaatsen nodig voor de overwintering. De kavelsloten bezitten gering oever- en onderwatervegetatie. Bovendien zijn ze voedselrijk.
Door het ontbreken van vegetatierijke structuren op de planlocatie kan het voorkomen van de heikikker en poelkikker op de planlocatie uit gesloten worden. Mogelijk passeren ze de kavelsloten sporadisch. Ringslangen jagen langs het water en zonnen op open, rustige plekken. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd. Op droge plaatsen in holen, houtstapels en dichte struiken kan de soort overwinteren. Mogelijk kan de ringslang de kavelsloten gebruiken als jachtgebied. Echter ontbreken vochtige plaatsen voor de voortplanting en droge plaatsen voor de overwintering op het plangebied. De dichtstbijzijnde waarneming van de ringslang is bekend op een afstad van meer dan 4 km (NDFF, 2016). Derhalve kan het voorkomen van de ringslang op de planlocatie worden uitgesloten. Bovendien zal bij de realisatie van het ecologisch eiland het functioneel leefgebied van de ringslang toenemen. Doordat het plangebied voornamelijk verhard is, kan het voorkomen van beschermde amfibieën en reptielen op de planlocatie worden uitgesloten. Mogelijk passeren ze de kavelsloten sporadisch. In de beoogde ontwikkelingen wordt een watergang gerealiseerd, ten behoeve van de realisatie van een ecologisch eiland.
De realisatie van een ecologisch eiland zal het functioneel leefgebied van eventueel (beschermde) amfibieën en reptielen vergroten. Deze watergangen zullen namelijk aangelegd worden met vegetatierijke structuren. Om negatieve effecten op mogelijke aanwezige beschermde amfibieën en reptielen te voorkomen dienen maatregelen getroffen te worden bij de realisatie van de watergang. Eerst dienen de toekomstige ontsluitingsdelen afgedamd te worden. Vervolgens zal de watergang volledig afgegraven worden, waarna de dammen weggehaald zullen worden. Hierdoor zullen de effecten beperkt worden ten aanzien van amfibieën en reptielen (figuur 3).
8
Figuur 3 Ten behoeve van de realisatie van het ecologisch eiland dient een watergang gerealiseerd (donker blauw) te worden. Deze dient eerst volledig afgegraven te worden, waarna deze pas aan het einde in verbinding gebracht mag worden met de bestaande watergang. Gedurende de ontwikkeling worden mogelijk incidenteel passerende of aanwezige (algemene) minder watergebonden amfibieën verstoord. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen de invloedsfeer van de beoogde ontwikkelingen is relevant oppervlaktewater aanwezig voor algemene vissen. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van onder andere: bittervoorn, driedoornige stekelbaars, kleine modderkruiper, marmergrondel, rietvoorn, snoek en vetje. Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. De kavelsloten vormen potentieel functioneel leefgebied voor deze algemene voorkomende soorten. Het voorkomen van beschermde vissoorten, zoals de beekdonderpad en grote modderkruiper, worden niet verwacht aangezien ze hoge eisen stellen aan hun leefgebied en doordat de aanwezigheid van beschermde vissen niet bekend is.
Ze zijn meestal gebonden aan snelstromende wateren en aan een watersysteem met een rijke onderwatervegetatie, grind of een dikke sliblaag. In de beoogde ontwikkelingen wordt een nieuwe watergang gerealiseerd. Om tevens aan de algemene zorgplicht ten aanzien van aanwezige vissoorten te voldoen dienen de maatregelen getroffen te worden welke beschreven zijn bij amfibieën en reptielen (figuur 3). Mogelijk bestaat er een kans dat er geluids- en/of trillingseffecten optreden gedurende de werkzaamheden. Deze effecten kunnen bijvoorbeeld optreden bij eventuele heiwerkzaamheden en zijn over het algemeen van relatief korte duur. Tijdens deze werkzaamheden kunnen aanwezige vissen zich al dan niet tijdelijk ophouden buiten de verstoringszone, waar ruim voldoende kwalitatief gelijkwaardig habitat aanwezig is. Gedurende de overige werkzaamheden worden er geen effecten verwacht. Effecten op (beschermde) vissen zijn per definitie uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. In de omgeving is het voorkomen van de beschermde teunisbloempijlstaart en beekrombout bekend (NDFF, 2000-2019). De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen en bosranden. De beekrombout komt voor langs uiteenlopende typen stromende wateren.
Belangrijk is de aanwezigheid van zuurstofrijk water en onbegroeide zandige substraten en het water moet niet te rijk zijn aan nitraten en fosfaten. Het functioneel leefgebied van de teunisbloempijlstaart en beekrombout ontbreekt op de planlocatie. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Tevens
9
is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: merel, groene specht, houtduif, tjiftjaf, putter en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Op de planlocatie zijn geen (grote, oude) bomen met horsten, holtes en/of oude nesten aanwezig van of die geschikt zouden kunnen zijn voor roofvogels en uilen. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer, ransuil en torenvalk kan uitgesloten worden. De te slopen bebouwing biedt toegang voor soorten die gebruik maken van bebouwing, zoals de steenuil of kerkuil. De directe omgeving van de planlocatie is het functioneel leefgebied aanwezig van uilenen roofvogelsoorten. In de opslagloods (II) zijn meerdere verouderde braakballen en uitwerpselen aangetroffen. Mogelijk diende de opslagloods als rustplaats voor een steenuil. Echter is de opslagloods in het verleden ongeschikt gemaakt voor vogels (figuur 4). Derhalve kan het voorkomen van soorten die van bebouwing gebruik maken hedendaags uitgesloten worden.
Figuur 4 De opslagloods is ongeschikt gemaakt voor broedvogels. De huismus is sterk verbonden met de mens en nestelt graag op beschutte plekken onder daken. Daarbij stelt de huismus een aantal eisen aan zijn leefgebied. Zo moeten er genoeg voedselbronnen, groenblijvende hagen, drinkwater, grind/zand (voor stofbaden) aanwezig zijn. De huismus is een standvogel en verblijft binnen enkele honderden meters van zijn broedplek. De verschillende habitateisen moeten dan ook binnen het bereik van de broedplaats aanwezig zijn. Op de planlocatie ontbreken voornamelijk drinkwater, zand/grind en voldoende voedselbronnen hagen. Bovendien bieden de golfplaten daken geen nestgelegenheid voor de huismus aangezien de temperatuur in de achterliggende open ruimte hoog kan oplopen en derhalve niet geschikt zijn als nestlocatie. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ontwikkelingen leiden tot zeer
10
beperkte aantasting van groene delen en resulteren niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Potentieel geschikte in- en uitvliegopeningen op voldoende hoogte zijn niet aanwezig. Bovendien ligt het plangebied in een landelijke omgeving. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in het voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.
Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 8,9 km ligt het Natura 2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid. Overige natura 2000-gebieden in de omgeving zijn op grotere afstand gelegen (figuur 5). De planlocatie ligt op een afstand van circa 290 m ten oosten van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6).
Figuur 5 De planlocatie ligt op een afstand van 8,9 km tot het Natura 2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid (bron: webkaart.provincie-utrecht.nl)
11
Figuur 6 De planlocatie ligt op een afstand van circa 290 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: webkaart.provincie-utrecht.nl). De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van de kassen (I), opslagloods (II) en tuinhuis (III) ten behoeve van de realisatie van een woning en een ecologisch eiland, wat leidt tot een zeer beperkte verkeerstoename. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en beperkte toename in stikstofdepositie (projecteffect). In de toekomst zal in geval van nieuwbouw sprake zijn van een relatief lagere uitstoot (hogere isolatiewaarden en een hoogrenderende stookinstallatie aangezien deze aan de nieuwste bouweisen moeten voldoen). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats dat de stikstofdepositie onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare blijft. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunning plichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunning plichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming.
Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunning plichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed;
12
f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Op de planlocatie zijn houtopstanden (beschreven onder b) aanwezig. In de beoogde ontwikkelingen worden mogelijk enkele bomen gekapt. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet melding- en/of vergunning plichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming. Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
13
Conclusies Samenvatting De te slopen bebouwing heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingof vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
+/-
-
-
+/-
+/-
+/-
n
n
n
+/-
+/-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat andere soort
-
+/-
Soort specifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek/ Aerius
Natura 2000
8,9 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
290 m
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding/ vergunning
Struiken
ja
ja
n.v.t.
Bomen
ja
ja
n.v.t.
n
+/-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
vleermuizen
- = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)
zoogdieren
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. Legenda vaatplanten
Tabel 2
Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Conclusie Het saneren van de bebouwing ten behoeve van de realisatie van een woning en een ecologisch eiland, aan de Wickenburghseweg 38 ’t Goy, is uitvoerbaar zoals is bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).
14
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Ten aanzien van mogelijk foeragerende vleermuizen dient de planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlicht te worden en een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toe te passen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, geconvergeerde lichtbundel toe passen) of de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uit te voeren (buiten schemerperiodes). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
• Ten aanzien van aanwezige amfibieën, reptielen en vissen dienen maatregelen getroffen te worden bij de realisatie van de watergang. Eerst dienen de toekomstige ontsluitingsdelen afgedamd te worden. Vervolgens zal de watergang volledig afgegraven worden, waarna de dammen weggehaald zullen worden. Hierdoor zullen de effecten beperkt worden ten aanzien van amfibieën, reptielen en vissen.
15
Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie.
KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
16
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.
Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. J.E. Soethout
Bijlage 1 Fotografische impressie
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
17
Bijlage 1 Fotografische impressie
Figuur 1 De planlocatie is gelegen aan de Wickenburghseweg 38 ‘t Goy.
Figuur 2 Het plangebied betreft een woonperceel met daarop verschillende bijgebouwen gelegen.
18
Figuur 3 De initiatiefnemer is voornemens om de bijgebouwen (kassen, opslagloods en tuinhuis) te saneren ten behoeve van de realisatie van een woning en ecologisch eiland.
Figuur 4 Naast de woning is een tuin gesitueerd.
19