2023-02-21 Beantwoording Technische vragen bij herijking inkomensregelingen _GLPvdA.docx
Tekst van het document
Raadsvoorstel en onderzoek Herijking lokale inkomensregelingen Technische vragen GroenLinks en PvdA 1.
De adviesraad heeft een advies uitgebracht bij deze herijking met daarin het verzoek aan het college om voor 15-02-2023 te reageren. Graag zien wij deze reactie van het college aan de raadsstukken toegevoegd.
De reactie van het college op het uitgebrachte advies is aan de raadstukken toegevoegd. 2.
De Armoede Index van bureau KWIZ wordt genoemd in bijlage 1 en de inleiding van het onderzoeksrapport, de inhoudelijke bevindingen ontbreken echter. Kunnen de cijfers van deze index en de vergelijking met andere gemeenten aan de raadsstukken worden toegevoegd?
In bijlage 1 staat de systematiek van de Armoede Index beschreven. Hoofdstuk 1 is de inhoudelijke uitwerking van de systematiek. De cijfers uit hoofdstuk 1 worden vervolgens in hoofdstuk 3 aangevuld met de gemeentelijke gebruikscijfers per regeling inclusief de vergelijking met andere gemeenten (waar mogelijk). 3.
Op pagina 1 van het raadsvoorstel staat (onderaan): “de adviezen op het gebied van eenduidige definities, een narratief verslag en de omgang met persoonsgegevens zijn separaat uitgewerkt”. Waar kunnen we deze uitwerking terugvinden?
Het narratief verslag is met de raad gedeeld gelijktijdig met de kwartaalrapportage Werk en Inkomen Q2 en Q3 ‘22. Via een raadsinformatiebrief (met kenmerk 753828) is de raad op de hoogte gebracht van de uitkomsten van het privacybeleid van de minimapartners. De uitwerking van de eenduidige definities is nog niet met de raad gedeeld, omdat hier nog een verdiepingsslag in wordt aangebracht. Zodra de uitwerking beschikbaar is, wordt dit ook met de raad gedeeld. 4.
Vragen U-pas a. Het Nibud stelt voor volwassenen dat een bedrag van € 100 het absolute minimum is om te participeren. Heeft het Nibud voor niet-volwassenen ook een dergelijke norm?
Voor niet-volwassenen wordt ook een norm gehanteerd. Hier wordt echter naar het totale huishouden gekeken. Een eenoudergezin met 2 kinderen in de leeftijd van 14 en 16 jaar heeft als minimale basis voor participatie een bedrag van € 180 nodig. Voor een eenoudergezin met twee jonge kinderen in de leeftijd van 3 en 5 jaar gaat het om een bedrag van € 165. b. Hoe heeft het gebruik van de U-pas zich de afgelopen jaren in Houten ontwikkeld bij jongeren en volwassenen? Indien dit afnam, wat zijn de redenen hiervoor? Zie het schema onder vraag C. Het gebruik van de U-pas varieert per jaar. Over de brede linie genomen is er sprake van een afname van gebruik. Dit kan verschillende redenen hebben: - Introductie van het gezinstegoed (via het gezinstegoed is het mogelijk om het budget voor kinderen uit één gezin bij elkaar te voegen). Dit werkt door in de gebruikscijfers. Slecht één kind zal gebruiken maken van de U-pas i.p.v. meerdere kinderen uit hetzelfde gezin. 1
-
Het aanbod Ontoereikendheid van het tegoed Effecten van de coronacrisis c. Graag ontvangen wij voor de periode 2015-heden de cijfers van het gebruik voor zowel jongeren als volwassenen. Is het mogelijk om hierbij aan te geven waaraan dit besteed werd (is er een verschuiving geweest van bestedingen die groot zijn naar kleinere, meer recreatieve bestedingen, o.a. onder invloed van het Jeugdfonds Sport en Cultuur en de Stichting Leergeld)?
Voor 2018 was er een andere aanbieder van de U-pas. De cijfers tussen 2015 en 2018 zijn daarom niet terug te halen. In de eerste tabel wordt het aantal gebruikers van de U-pas getoond. In de tweede tabel wordt de verdeling van de budgetten weergegeven. Wat betreft de verdeling van de budgetten zien we dat er bij kinderen over de jaren heen minder tegoed wordt besteedt aan sport en cultuur en meer tegoed aan attracties en verzorging. Jaar 2021 2020 2019 2018
Gebruik U-pas kinderen 222 321 275 329
Bereik1 21% 31% 27% 32%
Gebruik U-pas volwassenen 380 433 390 401
Bereik 25% 29% 26% 26%
Verdeling budgetten kinderen Jaar 2021 2020 2019 2018
Sport € 20.000 € 26.000 € 25.000 € 40.000
Attractie € 9.000 € 2.000 € 3.500 € 3.000
Cultuurcursus € 2.000 € 4.110 € 7.000 € 6.000
Verzorging € 7.000 € 6.500 € 2.000 € 200
d. Gesteld wordt het verlagen van het budget voor kinderen zal leiden tot meer aanvragen bij Leergeld en de Jeugdpas S&C. Wat is de prognose voor het aantal aanvragen bij Leergeld en Jeugdpas S&C op basis van het voorgestelde beleid van het college in vergelijking huidige situatie? Welke kostenstijging voor stichting Leergeld en Jeugdpas S&C is te verwachten? Op basis van welk beleidskader is de keuze gebaseerd om te kiezen voor een budgetneutrale optie voor de U-pas? In 2021 gaat het om 96 kinderen die via hun U-pas tegoed sport- of cultuurcursussen hebben gevolgd. Wanneer deze kinderen via stichting Leergeld en/of het Jeugdfonds Sport en Cultuur een aanvraag indienen dan zijn de totale kosten € 38.000. Gemiddeld genomen wordt 15% van de beschikbare middelen door de organisaties zelf via fondsenwerving binnengehaald. Dit betekent dat de gemeentelijke kosten tot € 32.000 kunnen oplopen. Het kan zijn dat deze kinderen al bij Leergeld en het Jeugdfonds bekend zijn, waardoor dit geen stijging van de kosten betekent. In de opdrachtformulering is gevraagd om een budgetneutraal scenario uit te werken. 1 Ervan uitgaande dat de omvang van de doelgroep gelijk is gebleven.
2
e. Onder 2.2. van de raadsvoorstel wordt gesteld dat op dit moment nagedacht wordt over of het aanbod van de U-pas voldoende aansluit bij de behoeften van de doelgroep. Is aan te geven waar de knelpunten zijn die opgelost dienen te worden? Wanneer wordt de raad hierover geïnformeerd? Met betrekking tot het aanbod op de U-pas worden meerdere elementen genoemd: - De U-pas biedt nog altijd de mogelijkheid om de vrijwillige ouderbijdrage te voldoen via de U-pas. Dit terwijl de wetgeving hieromtrent is gewijzigd. Concreet houdt de wetswijziging in dat kinderen van ouders die de vrijwillige ouderbijdrage niet kunnen betalen altijd mee mogen doen met extra activiteiten. Uit signalen van o.a. stichting Leergeld blijkt dat veel ouders de druk vanuit school voelen om de kosten te voldoen. Hierbij wordt verwezen naar de U-pas. Betalen via de U-pas betekent dat het tegoed niet op een andere manier kan worden ingezet. Om die reden zien wij deze mogelijkheid graag van de U-pas verdwijnen. - Uit een enquête die Stichting Leergeld heeft uitgezet onder ouders en kinderen bleek dat zij lokaal een kapper, een fietsenmaker en de bioscoop misten in het aanbod. Dit aanbod is er bijvoorbeeld wel in Utrecht. - Bij een aantal organisaties krijgen U-pashouders alleen korting en kunnen zij hun tegoed niet inzetten.
Inwoners maken dan geen gebruik van de mogelijkheden omdat ze geen geld hebben voor het deel dat zij zelf moeten bekostigen. Het komende jaar willen we met bovengenoemde knelpunten aan de slag. In de kwartaalrapportage Werk en Inkomen Q4 worden de resultaten beschreven. f.
Op pagina 24 van het onderzoeksrapport staat dat het bereik van de U-pas (380 volwassenen, 222 kinderen) niet te vergelijken is met andere gemeenten in Nederland vanwege het ontbreken van een inkomenstoets in Houten. We gaan er vanuit dat de onderzoekers wel beschikken over informatie t.o.v. andere gemeenten die indicatief is. Zo ja, kan die informatie gedeeld worden met de raad?
Vanwege het ontbreken van de vermogenstoets (en niet van de inkomenstoets) gaat een vergelijking met andere gemeenten inderdaad niet altijd op. In gemeenten van vergelijkbare grootte heeft een participatieregeling een gemiddeld bereik van 40%. g. Pagina 26 van het onderzoeksrapport dat het aantal hulpvragen bij St. Leergeld 606 is. Is dit aantal vergelijkbaar met branches van Leergeld in andere gemeenten? Dat zullen we uit moeten zoeken. 5.
Vragen armoedeval: a. Pag. 13 (onderzoeksrapport): Klopt het dat de armoedeval in het bijzonder kan optreden bij de doelgroep die inkomen heeft uit werkloosheidsverzekering; arbeidsongeschiktheid; ZZP; mensen die inkomen hebben met een klein en/of tijdelijke dienstverband?
De armoedeval is het fenomeen dat iemand die meer gaat verdienen erop achteruit gaat. Dit fenomeen heeft met de hoogte van het inkomen te maken en niet perse met de inkomensbron. b. Pag 30 (onderzoeksrapport): Graag zouden wij inhoudelijke informatie ontvangen bij welke percentages / omstandigheden een armoedeval optreedt en bij welk percentage niet meer. Is dit in een grafiek / tabel inzichtelijk te maken?
3
De adviesraad vraagt ook aandacht voor de armoedeval. Dit doen zij door nadrukkelijk het onderscheid aan te brengen tussen belastbaar en besteedbaar inkomen. In reactie op het advies van de adviesraad hebben wij toegezegd om een berekening te maken naar de netto inkomenspositie van inwoners met een laag inkomen. Op die manier ontstaat inzicht in het vrij besteedbaar bedrag per inkomenscategorie. Over de uitkomsten wordt u geïnformeerd. c. Andere gemeenten hebben vast al geëxperimenteerd met het voorkomen van de armoedeval. Welke best practices zijn er? De oplossing om de effecten van de armoedeval te verzachten worden vaak gezocht in de reintegratiekant. Inwoners die vanuit een uitkering aan het werk gaat ontvangen bijvoorbeeld een uitstroompremie. Een andere mogelijkheid is een bijverdienpremie of inkomstenvrijlating.
4
6.
Vragen Onderzoeksrapport a. Voor dit onderzoek zijn de cijfers van 2021 gebruikt. Dit was middenin de Coronacrisis. In welke mate zijn hierdoor de cijfers niet representatief / accuraat?
De gebruikscijfers wisselen per jaar. Om die reden is in kaart gebracht wat de cijfers over eerdere jaren waren om te bepalen of de cijfers over 2021 representatief zijn. De uitwerking hiervan vindt u onder vraag 4C. Daaruit blijkt dat de coronacrisis wel effect heeft gehad op de cijfers, maar dat dit niet tot hele grote afwijkingen heeft geleid. b. Pagina 5 voetnoot 3: het bereik van de bijzondere bijstand is lager dan het landelijk gemiddelde. De onderzoekers stellen in de voetnoot dat “een laag bereik van de bijzondere bijstand en het beeld dat de meeste kosten kunnen worden opgevangen door de overige regelingen in het aanbod impliceert niet direct de conclusie dat het huidige aanbod aan inkomensondersteunende regelingen ook volstaat voor alle doelgroepen. De input van ketenpartners geeft hiervan een uitgebreider beeld”. Is er een separaat document waarin deze input is beschreven en kan de raad deze ontvangen? Hoofdstuk 4 is de uitwerking van de gesprekken met ketenpartners. In dit hoofdstuk worden een aantal verbeterpunten en mogelijke wijzigingen beschreven. c. Pagina 26 onder Regelingen Specifieke Doelgroepen. Er staat de zin “deze regelingen zijn voor specifieke doelgroepen dus daarom kan er geen doelgroep worden vastgesteld” (deze zin komt daarna meermalen terug). Graag daarom een duiding van deze zin.
Betekent het dat de onderzoekers vaststellen dat de gemeente Houten geen actieve doelgroep-benadering kent bij deze regelingen? De omvang van de doelgroep is aan de hand van de Armoede Index vastgesteld. Voor regelingen waar alleen de inkomenseis geldt, kunnen we het bereik van de regeling vaststellen. Voorbeelden hiervan zijn de individuele inkomenstoets, ondersteuning via stichting Leergeld of de U-pas. Voor een aantal regelingen gelden echter aanvullende voorwaarden. Om die reden kan de omvang van de doelgroep niet worden vastgesteld. Het bereik kan daarmee ook niet in kaart worden gebracht. Voorbeelden hiervan zijn de studietoeslag en de regeling chronisch zieken. d. Pagina 30: als verbeterpunt wordt aangedragen om meer armoederegelingen voor pensioengerechtigden te hebben. Wat voor soort regelingen zouden dit kunnen zijn? Naast het bestaande aanbod via de U-pas kan er ook een specifiek aanbod voor ouderen gecreëerd worden. Voorbeelden hiervan zijn: - Beweeglessen voor ouderen - Eten in buurtcentra’s - Uitjes speciaal voor ouderen - Fysiotherapie 7.
Het effect van het verhogen naar 130% van de regelingen is niet onderzocht. 130% wordt wel genoemd als definitie van 'sociale minima' en bovendien hebben we een raadsbrede motie om voor in ieder geval energietoeslag die 130% te onderzoeken. Waarom is dit niet gebeurd?
In de afweging hebben een aantal elementen een rol gespeeld. O.a. het onderscheid tussen een generiek pakket aan inkomensondersteuning en het bieden van maatwerk voor midden lage 5
inkomens. Daarnaast de weging tussen enerzijds een ruimhartig minimabeleid en anderzijds het versterken van de armoedeval. Tot slot is er naar de inkomensgrenzen van buurgemeenten gekeken. We willen namelijk voorkomen dat er regionaal grote verschillen ontstaan. 8.
Gemiddeld in Nederland hebben gemeentes te maken met 8-9.5% van de bevolking die valt onder 120%Wms. In Houten hebben we geluk; als we kijken naar 130%Wms dan valt daar nog steeds slechts 8% van de inwoners onder. Oftewel; we zouden in Houten een zelfde aantal mensen helpen als in andere gemeentes als we rekenen met een hoger Wms grens. Gezien het streven bij andere inkomensregelingen op landelijke gemiddelden te opereren: waarom wordt er hier dan niet voor gekozen?
Zie beantwoording bij vraag 7.
6