CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

Vragen en antwoorden Essentie

Gemeenteraad 4 juli 2023, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Antwoorden en vragen fracties over windmolens.5.046 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vragen Essentie

Vraag 1

Zijn er mogelijkheden om met lagere windmolens ook de doelstelling te bereiken?

Antwoord 1

We gaan ervan uit dat hiermee de doelstelling uit KODE wordt bedoeld. Op pagina 14 van het Arcadisrapport is deze vraag beantwoord (dit naar aanleiding van een eerdere toezegging aan uw raad): “In het KODE is een opgave voor de realisatie van 223 TJ aan windenergie ten doel gesteld. Wanneer deze doelstelling gerealiseerd wordt met kleine windturbines is de plaatsing van deze turbines van groot belang. In de meest ideale omstandigheden met de meest ideale turbines uit het STOWA onderzoek dienen er minimaal 35 kleine windturbines te worden geplaatst van type DW 54 met een tiphoogte van 104 meter.” In de regel neemt de opbrengst tenminste kwadratisch toe met de hoogte. Een tweemaal hogere windmolen levert dus minstens 4 keer meer energie. Andersom werkt die regel ook: van een windmolen met de halve hoogte heeft men er minstens viermaal meer nodig om dezelfde opbrengst te halen.

Vraag 2

In KODE is een doelstelling voor opwek van energie vastgesteld. Hoeveel procent van deze doelstelling is reeds behaald met bv. de plaatsing van PV op daken dan wel geplande PV die nu nog niet aangesloten kunnen worden?

Antwoord 2

We hebben in KODE de ambitie om 30% van ons toekomstige energiegebruik lokaal duurzaam op te wekken. In totaal 1050 TJ met wind en zon. We schatten dat hiervan momenteel zo’n 12% is gerealiseerd. Let op: als we 12% van ons doel van 30% hebben gerealiseerd, wekken we ca 4% van onze energiebehoefte lokaal duurzaam op. Spoor 1: 212 TJ (8% procentpunt van de 30) zou kunnen worden gerealiseerd met zon op dak en andere vormen van dubbel ruimte gebruik. We hebben geen exacte actuele gegevens. We ramen dat maximaal de helft hiervan (ca 100 TJ) is gerealiseerd. De komende jaren wordt mede door extra normering door het rijk een flinke verdere groei verwacht. Spoor 2 en 3: Voor het overige is de ambitie om 848TJ (indicatief 350 ha zonneweides en 7 windmolens) aan opwek te realiseren. Hiervan is een kleine 30 ha zon op land (= indicatief 30TJ) gerealiseerd. Bij de actualisatie van KODE, waarbij ook de verhoogde EU- en rijksambities worden verwerkt, zullen we voorzien in hardere cijfers.

Vraag 3

In hoeverre is de glastuinbouw in doelstelling meegenomen?

Antwoord 3

De CO2-doelstellingen voor glastuinbouw zijn net als alle andere maatschappelijke sectoren (industrie, gebouwde omgeving, mobiliteit, landbouw) in het klimaatakkoord, en in het gemeentelijk beleid integraal meegenomen. Horst aan de Maas heeft net als veel andere gemeenten een eigen ambitie geformuleerd in de vorm van een percentage van de totale energiebehoefte die we in 2030 lokaal duurzaam willen opwekken. Dat geldt voor de gehele gemeente, dus ook voor de glastuinbouw. Dan kan er lokaal ook een samenhangende oplossing worden gekozen. Als elke sector zijn eigen oplossingen zou moeten genereren zou dat tot versplintering leiden. De lokale glastuinbouw zou dan voor het opwekken van de eigen energie in de eigen gemeente eigen molens moeten gaan plaatsen, of eigen zonnevelden moeten realiseren. Dit is in strijd met de opzet van het klimaatakkoord en feitelijk onwerkbaar. Voor de sector glastuinbouw geldt dat er een hoge noodzaak is om energetisch te verduurzamen. Juist daarom is er in KODE een relatief hoge energiebespaarambitie opgenomen (-35%), die hoger is dan in veel andere gemeenten en juist daarom ondersteunt de gemeente de sector ook met de lobby voor geothermie.

Vraag 4

Hoe worden de medewerkers die onder de windmolens werken, toetsend meegenomen in de MER? M.a.w. hoe kan het effect op de werknemers gemeten worden zonder dat er afspraken over normen zijn?

Antwoord 4

Er zijn wel degelijk normen voor medewerkers die onder de windmolens werken. Die normen zijn vastgelegd in de Arbo-wetgeving.. Nederland kent een maximale norm voor geluidbelasting op het werk van 80 decibel. Daarboven is gehoorbescherming verplicht.

Onder de molens wordt een geluidsbelasting door de windmolens van 50 tot 55 decibel verwacht. Dat is vergelijkbaar met het geluidsniveau van een stil kantoor. In het MER zullen wij onderzoeken wat de effecten zijn voor werknemers op het veld en of/hoe de effecten kunnen worden beperkt. Vraag 5

In hoeverre is bij de bepaling van de zoekgebieden rekening gehouden met het ‘uitkopen’ van inwoners? Wellicht dat het uitkopen van 1 inwoner leidt tot het plaatsen tot een aantal extra windmolens? Met andere woorden: wanneer wordt dit als rechtvaardig en moreel beschouwd en is het de afweging waard in tijd, energie en draagvlak, algemeen belang?

Antwoord 5

Bij de huidige zoekgebieden is uitgegaan van bestaande woningen. Uit het onderzoek van Arcadis blijkt dat op basis van de bestaande situatie maximaal 8 tot 10 windmolens mogelijk zijn. Daarmee kunnen we voldoende bijdragen aan de doelstellingen uit KODE, zonder dat inwoners hoeven te worden uitgekocht . Het uitkopen van inwoners is iets wat we op voorhand zoveel mogelijk proberen te voorkomen.

Vraag 6

In hoeverre is bekend of er eventuele burgers / ondernemers zijn die uitgekocht zouden willen worden?

Antwoord 6

Venlo heeft een uitkoopmogelijkheid aangeboden aan inwoners van Heierhoeve. Wij hebben in Horst aan de Maas nu geen uitkoopregeling voorzien. We zullen in de omgevingsdialoog onderzoeken of er aanleiding en ruimte is om dit te overwegen. Vooralsnog zien wij daarvoor geen aanleiding omdat plaatsing mogelijk is zonder de normen te overschrijden.

Vraag 7

Zijn er nog andere locaties (met andere instrumenten, zoals uitkopen) voorstelbaar of bijvoorbeeld met andere windmolens (molens zonder wieken)?

Antwoord 7

Neen, er zijn nu geen andere locaties aan de orde nu de raad met KODE en de windverkenning het keuzeproces heeft doorlopen en de ontwikkelgebieden Witveld en Hoogheide (en Klaver 11) als meest kansrijke gebieden heeft aangewezen. We wekken in 2030 energie op met bewezen technieken: zon en windmolens. Wiekloze molens zijn experimenteel en wekken bij verre niet de energie op die we nodig hebben.

Vraag 8

Mogen we ook inkopen in andere projecten om zo te voldoen aan de 'lokale opwek'?

Antwoord 8

Neen, dat mag niet. Dat is niet in overeenstemming KODE. Daarin is namelijk vastgelegd dat we 30% van onze energiebehoefte willen invullen met elektriciteit die lokaal (in eigen gemeente) duurzaam is opgewekt. Ook in het klimaatakkoord is afgesproken dat regio’s werken aan het opwekken binnen de eigen regio. Het afwentelen van de opgave naar anderen is dus niet mogelijk.

Vraag 9

Op welke manier verminderen 7 windmolens de klimaatstress in onze gemeente?

Antwoord 9

De winning en verbruik van fossiele brandstoffen veroorzaakt productie van CO2 en dit leidt tot klimaatverandering. Door energie duurzaam op te wekken met zon en wind dragen we allemaal tezamen bij aan een vermindering van CO2-uitstoot. Daarmee gaan we klimaatverandering tegen en wordt ook de klimaatstress verminderd. We merken klimaatstress nu ook al in onze gemeente, door periodes van extreme hitte, droogte of juist excessieve buien, maar ook door veranderingen in de biodiversiteit. Als we door wereldwijze actie de klimaatverandering tegengaan, zullen we dat dus ook lokaal merken. Voor het tegengaan van klimaatverandering rust een bijzondere verantwoordelijkheid op ons rijke deel van de wereld. We zijn immers al het langst verantwoordelijk voor de uitstoot van broeikasgassen en we zijn het best in staat om te investeren in maatregelen. De armere landen lijden het meest onder klimaatverandering, zijn er het minst schuld aan en zijn het minst in staat om de gevolgen op te vangen. Binnen Nederland behoort Horst aan de Maas tot de 10% meest broeikasgas uitstotende gemeenten (relatief; per inwoner, bron: CBS)

Vraag 10

Waarom zijn de wettelijke kaders over afstand in ieder land anders, terwijl er wel wetenschappelijke overeenstemming over is?

Antwoord 10

Dat heeft enerzijds te maken met de geografische en demografische verschillen tussen landen en anderzijds met de mate van geluidsbelasting die ieder land voor zijn burger bereid is te accepteren. Er is daarbij altijd sprake van een belangenafweging tussen het bieden van ruimte aan ontwikkeling en het beschermen van inwoners. De verschillen zijn overigens veel minder groot dan vaak wordt beweerd. Verwarrend is dat ieder land een eigen meetmethode hanteert. Verschillende wetenschappers hebben al geprobeerd een vergelijking te trekken tussen landen. Dat leidt niet tot eenduidige uitkomsten. Onderstaande grafiek geeft een indicatie

Vraag 11

Hoe duur worden obligaties bij Reindonk? Is dit voor iedere inwoner haalbaar om te kopen, zodat het ook echt coöperatief is?

Antwoord 11

Dat is nog niet bekend. Dat is ook pas duidelijk als de businesscase verder is uitgewerkt en kosten en opbrengsten beter kunnen worden ingeschat. Gebruikelijk is bij lokale energie coöperaties dat participaties breed worden uitgezet zodat zo veel mogelijk inwoners deel kunnen nemen. Participaties zijn ook klein van omvang, zodat ook mensen met een minder gevulde beurs kunnen instappen. Uiteindelijk bepalen de leden van de coöperatieve vereniging de exacte details. We hopen en verwachten dat veel inwoners lid van de coöperatieve vereniging zullen worden en hun stem zullen laten horen. Wij zullen onze wensen over brede en laagdrempelige toegang ook kenbaar maken aan de lokale energie coöperatie.

Vraag 12

Er wordt gezegd dat er een omgevingsdialoog gaat plaatsvinden. Wat als omwonenden / bedrijven hier aangeven dat ze geen windmolens willen?

Antwoord 12

Windturbines zijn noodzakelijk om de klimaatcrisis te keren, maar zij zijn tegelijk een belasting voor de directe omgeving. Het draagvlak in Nederland voor windenergie is groot en de tegenstand bij concrete projecten is eveneens hevig. Hier botst het algemeen en het lokale belang. En die botsing is ook te horen in onze gemeenschap. Een breed draagvlak binnen een plangebied is gegeven de belasting voor de omgeving illusoir. Maar naarmate planvorming voortschrijdt gaat de vraag óf molens worden geplaatst over in de vraag hóé molens worden ingepast en hoe de effecten kunnen worden geminimaliseerd. Daarom is het van belang om voorbij wel/niet te komen en te praten over hóé windmolens worden ingepast en niet óf ze worden ingepast. Acceptatie o.a. door de lusten daadwerkelijk aan het plangebied toe te laten komen, om zo veel mogelijk gebiedsbelangen en koppelkansen te honoreren, en ook door een luisterend oor te hebben voor de reële zorgen over gezondheid en overlast die bij de inwoners leven. Lokaal draagvlak kan geen absolute randvoorwaarde zijn. Het belang van de energietransitie is daarvoor te groot en het kan niet zijn dat de energietransitie, waarvoor maatschappelijk draagvlak bestaat in algemeenheid, niet door zou kunnen gaan louter op het ontbreken van lokaal draagvlak.

Vraag 13

Er wordt gezegd dat de gemeenteraad het laatste woord heeft over de plaatsing van windmolens. Gaat dat alleen over dit project of over de vergunning van alle windmolens? Dus: als er een individuele aanvraag voor een windmolen komt die voldoet aan afstandseisen etc, kan deze dan wettelijk worden geweigerd?

Antwoord 13

De gemeenteraad is als hoogste orgaan altijd het orgaan dat het beslissende woord heeft over het plaatsen van windmolens. Onder de huidige wet kan immers geen vergunning worden verleend zonder verklaring van geen bedenking van de raad. In de komende omgevingswet heeft het bindend advies van de raad dezelfde functie. Maar zoals elk overheidsbesluit moet dit besluit wel zijn gebaseerd op een goede motivering. Bij bestemmingsplannen/omgevingsplannen is er weinig ruimte: als iets eenmaal past, in het plan bepaalt het “imperatief-limitatieve stelsel” dat vergunning moet worden verleend, want het is in het plan toegestaan Voor de windmolens is nog geen omgevingsplan gemaakt. Dan is de beslissingsruimte voor de gemeenteraad groot: de raad kan vrijelijk afwegen - mits goed gemotiveerd - of er al dan niet medewerking wordt verleend aan ofwel het wijzigen van het omgevingsplan ofwel aan een ‘Bopa’ (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). De situatie zal dus - mits goed gemotiveerd - zo zijn dat de gemeenteraad niet gedwongen wordt om ongewild vergunning te verlenen.

Vraag 14

Hangt ons, bij instemmen met dit RV, boven het hoofd dat we over 2 jaar te horen krijgen: 'als u nu niet instemt, is er 1 miljoen verloren gegaan wat anders terug was verdiend aan de ontwikkelaar'?

Antwoord 14

Neen dat is niet zo. Ook nu is na KODE (november 2021) al heel veel werk verzet om tot dit besluit te komen. Maar ook nu is het argument dat er al veel gedaan en uitgegeven is niet aan de orde. Dat zal straks wat het college betreft hetzelfde zijn: de raad moet in alle vrijheid tot zijn eindoordeel kunnen komen.

Vraag 15

Beslispunt 2: Voorstel is om de Raad in 2025 definitief een besluit te laten namen over de vergunning. In hoeverre is de Raad dan nog aan zet om buiten een ruimtelijke gronden, een eventuele vergunning te weigeren? Immers een vergunning is op basis van ruimtelijke onderbouwing.

Antwoord 15

Zie vraag 13

Vraag 16

Beslispunt 3: Er worden drie varianten genoemd die ten minste worden uitgewerkt (gesocialiseerde grondvergoeding, omwonenderegeling en omgevingsfonds). In hoeverre heeft het College al beeld bij de invulling van deze eerlijkere verdeling van de opbrengsten?

Antwoord 16 De eerlijke verdeling van lusten en lasten gaat over meer dan alleen mede-eigendom. Het gaat ook over een gesocialiseerde grondvergoeding én een goede omwonendenregeling én het vormen van een omgevingsfonds (er is dus eigenlijk geen sprake van drie varianten maar van instrumenten die tegelijkertijd worden ingezet). Een gesocialiseerde grondvergoeding betekent dat de grondeigenaren (en ook pachters) binnen het gebied waarin de bouw van windmolens volgens de normen mogelijk is (het ontwikkelgebied), samen de vergoeding voor het opstalrecht - volgens een gezamenlijk af te spreken sleutel - delen. Dat betekent dus dat vermeden wordt dat de opbrengst enkel toevloeit naar de toevallige eigenaar van het perceel waar de molens op komen te staan. Terwijl de buurman waar de molens óók had kunnen staan, niets krijgt. Een omwonendenregeling is een afspraak - niet gebaseerd op de wet, maar op een onderlinge overeenkomst - waarbij is geregeld dat een deel van de grondopbrengst van de molens wordt bestemd voor de meest nabije omwonenden. Deze regeling komt in de gebiedsdialoog tot stand. Bij een omgevingsfonds wordt meestal aangesloten bij de vrijwillige afspraken die landelijk gemaakt zijn om tenminste € 0,50 per opgewekt MWh te storten in een fonds dat aan de gehele gemeenschap ten goede kan komen.

Het beheer van een dergelijk fonds kan in handen van een stichting of van dorpsraden worden gelegd. Indien de gemeente als mede-ontwikkelaar optreedt, ontstaat financiële ruimte voor een mogelijke additionele omwonendenvergoeding, zoals in het raadsvoorstel is opgenomen. Vraag 17

Argument 1.1 en argument 1.7: Het gezag is van de provincie overgedragen naar de gemeente Horst aan de Maas. Wanneer de raad niet in zou stemmen: hoe worden dan Venlose taferelen voorkomen? Wat is het risico dat we als gemeente Horst aan de Maas met de rug tegen de muur staan?

Antwoord 17

Normaal moet de provincie besluiten op een aanvraag voor windmolens (tussen 5 en 100 MW). Door de overdracht mag de gemeente nu zelf beslissen en randvoorwaarden stellen. Als de raad besluit tot een no-go, dan valt de bevoegdheid op grond van de wet terug naar de provincie. Dat betekent dat de provincie een besluit moet nemen indien aldaar een aanvraag voor een windpark in Horst wordt ingediend. Welk besluit de provincie dan neemt, is aan de provincie. Wij zouden dat een onwenselijke situatie vinden en geven de voorkeur aan een lokaal besluit.

Vraag 18

Argument 1.2: Het kan zijn dat blijkt dat een of enkele windmolens vervallen. Wat is het minimale aantal voor het College om het realiseerbaar te maken (i.v.m. het uitgangspunt van clustering).

Antwoord 18

Het is inderdaad mogelijk dat uit de MER blijkt dat niet het aantal molens dat Arcadis in de maximale verkenning noemt, kan worden gerealiseerd. Arcadis geeft in zijn rapport al aan dat er een aantal knelpunten zijn die mogelijk door het schrappen van molens kunnen worden opgelost. Het is te vroeg om daar nu al conclusies over te trekken. Uitgangspunt is clustering. Dat betekent dat we de opgave voor wind uit KODE bij voorkeur in één cluster realiseren. Hoogheide/Witveld blijft het meest kansrijke gebied.

Vraag 19

Argument 1.2: De opgave kan gehaald worden met de molens die geplaatst zouden kunnen worden. Is dat de gehele opgave voor KODE of alleen de opgave voor wind? En wat betekent dit voor het aantal te plaatsen ha PV?

Antwoord 19

In KODE zijn vier sporen gedefinieerd waarlangs we meer duurzame elektriciteit gaan opwekken tot 2030. Het derde van de vier sporen is het opwekken van energie in energielandschappen via windmolens en grootschalige zonneweides. Met spoor 3 willen we 713 TJ opwekken. Uitgaande van 7 molens is dat 223 TJ aan windenergie en 275 hectare zonnepanelen.

Vraag 20

Argument 1.2: Op genomen is dat Klaver 11 ‘nu’ niet verder onderzocht wordt. Er lijkt ruimte geformuleerd in deze zin. Is Klaver 11 in de toekomst wel onderzoekswaardig en waarom dan?

Antwoord 20

De doelen voor het opwekken van duurzame energie van KODE moeten worden gerealiseerd voor 2030. Wind in Klaver 11 is door de aanwezigheid van een aantal geluidgevoelige objecten niet realiseerbaar voor 2030. Indien blijkt dat deze geluidgevoelige objecten om welke reden dan ook vervallen, kan Klaver 11 opnieuw worden bekeken. Wij achten de haalbaarheid voor 2030 echter gering.

Vraag 21

Argument 1.2 en kanttekening 4.1: Welk voordeel wordt er concreet behaald om nu aan de slag te gaan met de MER, in plaats van te wachten op de nieuwe normen?

Antwoord 21

Het inventariseren en bestuderen van milieueffecten staat los van de wettelijke norm die deze zomer wordt verwacht. Als de norm over rond de zomer van 2023 bekend wordt, wordt deze in het MER rapport verwerkt. Het MER rapport is pas na de zomer 2024 gereed. Als we zouden stoppen, valt het hele proces van planvorming stil. En dat is niet nodig. Ook de regering dringt aan om de planprocessen niet stil te leggen in afwachting van de nieuwe normen. We werken toe naar besluitvorming in de gemeenteraad in het voorjaar 2025. Het stilzetten van het planproces betekent evenveel vertraging van dit besluit. Met besluitvorming in het voorjaar van 2025 lukt het - rekening houden met Raad van State procedure, bouwvoorbereiding, aansluiting, bestellen en bouwen van molens - nipt om conform 2030 de opwek gerealiseerd te hebben. Ook is het wat ons betreft wenselijk om de omgevingsdialoog onverwijld voort te zetten en te intensiveren. De boomtelers hebben bijvoorbeeld aangegeven het gesprek enkel voor te willen zetten ná een besluit van de raad op 11 juli.

Vraag 22

Argument 1.3: We spreken regelmatig over koppelkansen. Kan het College een doorkijk geven welke koppelkansen er voor de gebieden zouden kunnen ontstaan?

Antwoord 22

Koppelkansen worden niet alleen door de overheid bepaald, maar zijn ook de resultante van de omgevingsdialoog. In de dialoog kunnen belangen naar voren komen die als koppelkans kunnen worden gehonoreerd. Voorbeeld is - op verzoek van de pachters - de kans om de pachtrelatie met de pachters te moderniseren en voor de pachters passender te maken. Een ander voorbeeld is aanpak van de geuroverlast die vaak ter sprake wordt gebracht. De inkomsten van de molens kunnen ook de agrarische structuur versterken, maar evengoed de inrichting van het landschap verbeteren. Impulsen in natuur zijn ook denkbaar. Maar een koppelkans is ook om met het omgevingsfonds extra steun te geven aan lokale culturele of sportactiviteiten.

Vraag 23

Argument 1.3: De omgevingsdialogen worden bij een positief besluit voorgezet. Hoe gaat het College deze gesprekken vormgeven? Wanneer is er sprake van draagvlak volgens het College?

Antwoord 23

De dialoog met omwonenden, bedrijven, grondeigenaren en pachters en met de brede gemeenschap loopt al een tijd en zal ook verder worden doorgezet. Bijeenkomsten met bewoners en bedrijven hebben plaatsgevonden in september/oktober 2022 en wederom in februari en april 2023. Grondeigenaren en pachters in het ontwikkelgebied en bewoners tot 1000 meter van het ontwikkelgebied, zijn persoonlijk per brief uitgenodigd. Ook de dorpsraden zijn voor alle bijeenkomsten uitgenodigd. Daarnaast is via de Hallo, de website en sociale media, aandacht gevraagd voor de bijeenkomsten. Verder zijn er nog aparte gesprekken geweest met grondeigenaren in Witveld en met pachters in Hoogheide. De opkomst had groter kunnen zijn. Het is zeker niet zo dat er gebrek is geweest aan communicatie en het is onjuist dat de informatie eenzijdig is geweest. We hebben steeds aansluiting gezocht bij de wetenschappelijke informatie en afstand gehouden van tendentieuze berichten. Op de avonden in april hebben we zelfs Tegenwind uitgenodigd om ook een stand te bemensen. Indien de raad op 11 juli aanstaande besluit tot een go, zullen we aan de slag gaan met een verdere omgevingsdialoog en met MER-onderzoek. Beide lopen parallel aan elkaar.

We denken nu om in drie kringen omgevingsdialogen te organiseren: de kleine kring van grondeigenaren en pachters in het ontwikkelgebied waar de molens zouden kunnen komen, de iets bredere kring van omwonenden tot een zekere afstand van de molens en een derde kring van de wijdere omgeving. De voortgang van de MER wordt ook in de drie omgevingsdialogen besproken. En de omgevingsdialogen kunnen ook onderzoeksvragen en suggesties meegeven aan de MERonderzoekers. We vinden dit participatieproces van groot belang. De resultaten van MER en omgevingsdialogen leggen we najaar 2024 aan u voor. Op dat moment kunt u besluiten om de vergunningprocedure voor de windmolens in gang te zetten of besluiten om dat niet te doen. Dat is dus een tweede go-no go besluit van uw raad. Er is dus geen automatisch groen licht na het afronden van de MER.

Vraag 24

Argument 1.4: 50% lokaal eigendom. Hoe wordt lokaal eigendom in het vervolg gedefinieerd?

Antwoord 24

Eigendom van een windturbine op coöperatieve basis via een lokale coöperatieve, democratisch georganiseerde vereniging waarvan iedere inwoner van de gemeente lid kan worden en via een participatie aan het project kan deelnemen.

Vraag 25

Argument 1.4: Wanneer spreekt men van consensus over de grondvergoeding?

Antwoord 25

Dat betekent in de praktijk dat grondeigenaren overeenstemming hebben over een verdeelsleutel. Die overeenstemming wordt bereikt in een omgevingsdialoog waaraan alle grondeigenaren en mogelijk pachters in een ontwikkelgebied deelnemen. Iedere eigenaar - en pachter - wordt uitgenodigd. Het gebeurt in de praktijk dat eigenaren in een gebied principieel niet mee willen doen, zij blijven dan vrijwillig buiten de overeenkomst en delen vrijwillig niet mee in de gesocialiseerde grondvergoeding. Pas na het afspreken van de verdeelsleutel worden de exacte plekken van de molens bepaald.

Vraag 26

Argument 1.4: Per MWh wordt 50 cent in een Omgevingsfonds gestopt. Waarop is dit bedrag gebaseerd?

Antwoord 26

De bijdrage aan het fonds is tenminste € 0,50 euro per opgewekte MWh per jaar. Dit bedrag komt uit de Gedragscode Wind op Land en is als richtlijn opgenomen in het landelijke Klimaatakkoord.

Vraag 27

Argument 1.5: Bij een positief resultaat worden vier doelen genoemd om als optie in te zetten. Dit wordt voor een groot deel bepaald uit de omgevingsdialoog. Zijn er buiten deze opties nog andere doelen denkbaar, wellicht om in te zetten voor de volledige gemeenten of versterking van MFA’s, leefbaarheid in de kernen etc.?

Antwoord 27

Ja, dit kunnen we met behulp van de resultaten uit de omgevingsdialoog nader bepalen.

Vraag 28

Argument 4.1: de kosten worden uiteindelijk verhaald op de initiatiefnemers. Betreft dit de volledige €960.000 .-? De gemeente is mogelijk zelf ook initiatiefnemer, waardoor het zelf ook moet afdragen?

Antwoord 28

Ja dat klopt. De gemeente treedt in twee hoedanigheden op. Ten eerste als hoeder van een goede ruimtelijke ordening en een goed leefmilieu. Uit dien hoofde ontwikkelt de gemeente de plannen voor duurzame energie. Ten tweede als eigenaar van gronden en als investeerder, die zorgt voor een rendabele en nuttige inzet daarvan. Als de gemeente als ontwikkelaar en eigenaar/exploitant van een aantal windmolens zou gaan optreden, zal zij een proportioneel deel van de kosten moeten dragen. Dit is onderdeel van de businesscase bij een eventuele investeringsbeslissing. Overigens blijkt uit recente VNG-informatie over de verdeling van aanvullende rijksmiddelen voor het tegengaan van klimaatverandering, dat het dat gemeenten die zich inspannen voor de realiseren van windmolens of zonneweides een aanvullende vergoeding ontvangen. De regeling is nog niet definitief. Uit concept-berekeningen volgt een vergoeding van een kleine €500.000 voor Horst aan de Maas.

Vraag 29

Kanttekening 1.4: er wordt gesproken over een actualisatie van KODE. Hoe en gaat deze plaatsvinden?

Antwoord 29

In eerder gesprek met de raad is geopperd om KODE te actualiseren. Daarbij kan enerzijds in beeld gebracht worden wat de voortgang is van de realisatie van de ambities. Anderzijds kan de ambitie (35% energiebesparing en 30% lokale opwek) worden herijkt aan de hand van de aanscherpte EU- en kabinetsambities. De EU en het kabinet hebben immers besloten om de CO2-reductieambitie aanzienlijk aan te scherpen.

Vraag 30

Vanuit RES is de opgave om tot 2030 van het energiegebruik 2017, van de bebouwde omgeving; 35% besparen en 30% lokaal op te wekken. De RES noemt de bebouwde omgeving (is 23% van het totale verbruik) en niet het totaal verbruik. De ambitie in KODE lijkt hiermee hoger geformuleerd. Is de wethouder hiervan op de hoogte?

Antwoord 30

De energieambities van onze gemeente, zoals die in KODE zijn vastgelegd, zijn gebaseerd op het totale energiegebruik in de gehele gemeente. KODE beperkt zich dus niet tot het energieverbruik in de gebouwde omgeving. De ambitie is om 30% van het totale energieverbruik in 2030 (dus na 35% besparing) duurzaam op te wekken. De suggestie dat de RES zich enkel richt op het opwekken van elektriciteit voor de gebouwde omgeving is onjuist. Het klimaatakkoord bevat, via de tafel Elektriciteit/Energiesysteem, een aantal opdrachten voor het realiseren van duurzame opwek (m.n. klein zon op dak, groot zon op dak, zon op land, wind op land, wind op zee). Deze opgewekte elektriciteit is bedoeld voor de andere 4 tafels (afnemers/sectoren) te weten gebouwde omgeving, landbouw, industrie en mobiliteit.

Vraag 31

In hoeverre is het mogelijk om hieruit te concluderen dat de lokale opwek voor na 2030 al gehaald is?

Antwoord 31

Omdat het doel is gerelateerd aan het totale energieverbruik in 2030 hebben we dat doel nog lang niet bereikt. In vraag 2 is ook al aangegeven dat we inschatten dat van het doel van 30% lokaal op te wekken duurzame energie nu ongeveer 12% is gerealiseerd. Let op: als we 12% van ons doel van 30% hebben gerealiseerd, wekken we ca 4% van onze energiebehoefte lokaal duurzaam op.

Vraag 32

In hoeverre is de Raad aan zet – om bij nieuwe inzichten – de ambitie in KODE bij te stellen?

Antwoord 32

Het evalueren en bijstellen van beleid is een bevoegdheid van de raad.

Vraag 33

Het gebied Hoog-Heide is door de gemeente aangewezen als boom- en sierteelt locatie. Hier hebben bedrijven zich volgens de gestelde visie gevestigd en zijn een unieke samenwerking aangegaan welke elkaar en het gebied versterken. Van hieruit vindt handel en export plaats over heel Europa. In hoeverre kan de overheid als betrouwbare

overheid worden gezien, als de door de komst van windturbines de arbeidsomstandigheden van werknemers mogelijk onder druk komen te staan? Antwoord 33

Wij zijn ervan overtuigd dat de windmolens goed te combineren zijn met de activiteiten van boom- en sierteelt. Dat stemt overeen met de wens uit KODE om dubbelgebruik mogelijk te maken: opwek en agrarischt gebruik tegelijkertijd. Uit de eerste onderzoeken door een geluidsdeskundige blijkt dat medewerkers, die recht onder de windmolen staan, te maken krijgen met een geluidsbelasting van 50 tot 55 dB(A). Dat is minder dan het geluid in een kantoorruimte. Er is dus geen sprake van arbeidsomstandigheden die onder druk staan. We zullen in de MER verder ingaan op dit punt en zullen dan ook locatiespecifieke berekeningen maken.

Vraag 34

Op welke manier kan het College enige vorm van garantie geven aan deze sector?

Antwoord 34

Als de sector aantoonbaar schade zou leiden, is deze schade verhaalbaar op de gemeente (planschade) en op de initiatiefnemer (overige schade). De gemeente zal vooraf in de anterieure overeenkomst regelen dat de planschade door de initiatiefnemer gedragen wordt. De garantie is dus dat schade verhaalbaar is. Wij kunnen ons ook geen andere vorm van garantie voorstellen die maatschappelijk aanvaardbaar is.

Vraag 35

Er heeft een onderzoek plaatsgevonden van CE Delft voor het halen van de klimaat doelstelling. In de bevindingen hiervan wordt geconcludeerd dat we voor het behalen van de klimaat doelstelling 2030 niet afhankelijk zijn van wind op land, maar wind op zee i.c.m. zon op daken. In hoeverre is dit meegenomen in de bevindingen?

Antwoord 35

Gedoeld wordt op een rapport van CE Delft dat is geschreven op verzoek van de antiwindlobby. Dit rapport focust op de vraag of de energieambities ná 2030 richting 2050 (klimaatneutraal) kunnen worden gehaald zonder extra windmolens op land. Dit laat onverlet dat richting de doelstelling voor 2030 (49% CO2-reductie) nog veel windmolens op land moeten worden gerealiseerd. Overigens concludeert CE Delft dat we na 2030 geen extra windmolens op land hoeven te plaatsen, mits we accepteren dat we sterk geopolitiek afhankelijk worden van waterstofimport, meer kerncentrales bouwen én het energiegebruik van de industrie zeer fors reduceren.

Vraag 36

Is er navraag gedaan hoe we als lokale overheid / regio zelf strikte voorwaarden kunnen stellen voor een veilige werk omgeving onder en direct nabij de windturbines?

Antwoord 36

Dit is een Rijksverantwoordelijkheid die wordt ingevuld in de Arbo-wet. De gemeente heeft hierin geen bevoegdheid.

Vraag 37

Hoe kunnen toekomstige nadelige effecten op de teelt, ten gevolgen van extreme temperatuurschommelingen door de turbines, voor de kweker vergoed worden?

Antwoord 37

Het is correct dat windmolens een geringe turbulentie en menging van luchtlagen kunnen veroorzaken en daarmee in theorie een zeer beperkt effect op het lokale microklimaat kunnen hebben. Wij zullen dit aspect meenemen in de milieu-effect rapportage. Anderzijds is het bewezen dat klimaatverandering door het gebruik van fossiele brandstoffen zal zorgen voor een forse toename van de perioden met zeer warm en zeer droog weer, met watertekorten voor o.a. de landbouw tot gevolg en een vermindering van de biodiversiteit. De energietransitie is de beste aanpak om deze effecten tegen te gaan.

Vraag 38

Wordt er rekening gehouden met een mogelijke toename van energieverbruik in de zomer door het toegenomen gebruik van airco's? Is het een mogelijkheid om ook vergroening en verblauwing mee te nemen als onderdeel van de mogelijkheden tot energiebesparing?

Antwoord 38

In de prognose voor toekomstig energieverbruik is de groei van het energieverbruik ten behoeve van koeling meegenomen. Door de klimaatverandering zullen we minder energie nodig hebben om te verwarmen, maar meer om te koelen. Vergroening en verblauwing leidt, als we uw vraag goed begrijpen, niet direct tot reductie van het energieverbruik.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12943157/1