Vragen en antwoorden CDA
Tekst van het document
Vragen CDA Horst aan de Maas tbv 27-6-2023
Vraag 1
De in het raadsvoorstel genoemde budgetten lijken elkaar te overlappen (Projectleiding en ondersteuning, communicatie en participatie, website). Hier staat gezamenlijk €500.000,- voor. Waarom zijn deze overlappende posten uitgesplitst?
Antwoord 1
De werkzaamheden overlappen elkaar niet. De projectleider met projectondersteuning organiseren het proces, zorgen voor besluitvorming, het uitzetten en begeleiden van opdrachten zoals bv de MER en leveren de stukken voor college en raad. De gespecialiseerde medewerkers die worden belast met communicatie en participatie hebben specifieke taken en kennis op dat gebied; we willen serieus werk maken van een goed proces van participatie door middel van de gebiedsdialogen. De kosten voor de website zijn voor gespecialiseerde kennis en faciliteiten om een projectwebsite in de lucht te houden. Overigens blijkt uit recente VNG-informatie, over de verdeling van aanvullende rijksmiddelen voor het tegengaan van klimaatverandering, dat gemeenten die zich inspannen voor het realiseren van windmolens of zonneweides, een aanvullende vergoeding ontvangen. Deze regeling is nog niet definitief. Uit concept-berekeningen volgt een vergoeding van een kleine € 500.000 voor Horst aan de Maas.
Vraag 2
Een dialoog tussen gemeente en tegenstanders lijkt uit het zicht geraakt. In de beantwoording op vraag 1 van onze raadsvragen d.d. 31-05-23 wordt gesproken over het verder aangaan van de dialoog en het zoeken van oplossingen. Hoe denkt de gemeente deze dialoog te gaan voeren? Aan welke oplossingen denkt de gemeente?
Antwoord 2
Wij vinden het belangrijk om zoveel mogelijk in gesprek te blijven met alle betrokkenen. Dat geldt zowel voor voorstander als tegenstanders, maar ook voor de mensen die hun mening nog moeten vormen. De gemeente heeft vele activiteiten georganiseerd om te informeren en in gesprek te zijn en blijven. In de aanloop naar het tussenbesluit merken we dat standpunten verharden en communicatie daardoor lastiger wordt. Na het tussenbesluit van 11 juli zullen we de dialogen voortzetten, zoals ook in het raadsvoorstel staat beschreven, in de vorm van een drietal gebiedsdialogen (zie raadsvoorstel pagina 9). De MER zal daarbij helpen om eventuele specifieke effecten concreter in beeld te brengen en bespreekbaar te maken, waardoor een deel van de zorgen mogelijk vermindert.
Vraag 3
Uit de beantwoording (vraag 2) blijkt dat er over een groot aantal zaken ‘beslist gelijkluidend’ gedacht wordt. Verschillende ondernemers in het gebied geven aan na te denken over bedrijfsverplaatsing of bedrijfsbeëindiging. Daarnaast krijgen we veel signalen over grote onvrede bij verschillende ondernemers over de manier waarop de dialoog tot op heden gevoerd is. Hoe kijkt de gemeente naar deze signalen?
Antwoord 3
De gesprekken met de boomtelers waren intensief, kritisch, maar ook oplossingsgericht met erkenning van het probleem van klimaatverandering en herkenning voor de opgave waarvoor de gemeente staat. Aan de ondernemers geuite zorgen wordt ook in het vervolgproces aandacht gegeven, deze nemen we serieus. We zijn het met elkaar eens dat het belang
van de boomteeltsector voor de gemeente heel groot is en dat we deze sector ruim voldoende kansen voor de toekomst moeten geven. We hebben serieus moeite gedaan om een goede dialoog te voeren met alle betrokkenen, waarbij we zowel positieve als negatieve reacties kregen. Die positieve reacties zijn nu echter minder goed hoorbaar geworden. Het feit dat een aantal deelnemers het inhoudelijk oneens is met het voorstel, is niet hetzelfde als het voeren van een slecht proces. We zien geen reden waarom de windmolens een aanmerkelijk negatief effect hebben op de bedrijfsvoering van boomtelers. We hebben aan de boomtelers voorstellen gedaan voor een versterking van de boomteeltsector (versterking pachtpositie, uitbreiding areaal, strategische samenwerking, verder stimuleren innovatie en natuurinclusiviteit) die we in samenspraak met ondernemers zouden willen uitwerken. Vraag 4
In de beantwoording van onze eerdere vragen wordt de verwachting uitgesproken dat er een gangbare werksituatie ontstaat onder de molens. Waar is deze verwachting op gebaseerd? Liggen hier onderzoeken aan ten grondslag; en zo ja, welke onderzoeken?
Antwoord 4
Uit de eerste onderzoeken door een geluidsdeskundige blijkt dat medewerkers, die recht onder de windmolen staan, te maken krijgen met een geluidsbelasting van 50 tot 55 dB(A). Dat is minder dan het geluid in een kantoorruimte. We zullen in de MER verder ingaan op dit punt en zullen dan ook locatiespecifieke berekeningen maken.
Vraag 5
In de beantwoording van onze eerdere vragen lezen we dat het ruimtebeslag <1% bedraagt. Op basis van welke cijfers komt dat percentage tot stand? Is hierin rekening gehouden met de (betonnen) funderingen, toevoerwegen en technische ruimtes etc.?
Antwoord 5
We weten hoeveel ruimte nodig is om een molen op te richten en te onderhouden. Voor de voet van de windmolen is slechts 150 m² nodig. Voor de ontsluiting en de opstelplaats is globaal samen 1000 m² nodig. Het doel van de door u aangehaalde passage is om aan te geven dat het ruimtebeslag zeer beperkt is vergelijking met de ontwikkelgebieden Witveld/Hoogheide die samen meer dan 100 ha groot zijns. Daarnaast kan het beperkte verlies van ruimte voor de windmolens waarschijnlijk worden gecompenseerd. Dientengevolge zien wij geen nadelen van het plaatsen van windmolens voor de continuïteit van de boomteeltsector of individuele bedrijven in dit gebied.
Vraag 6
Uit de eerdere beantwoording blijkt dat de gemeente de sector ruim voldoende kansen voor de toekomst moet geven. Wat verstaat de gemeente hieronder? In hoeverre vergroten we de kwetsbaarheid van de sector door de eventuele plaatsing van windturbines (gelet op m.n. effecten op arbeidsmarktpositie, arbeidsomstandigheden, beschikbaarheid areaal nu en in de toekomst, en teeltklimaat).
Antwoord 6
De gemeenteraad heeft in KODE aangegeven de voorkeur te geven aan dubbel ruimtegebruik. Dat is zeer goed te verwezenlijken door windmolens op agrarische grond te plaatsen. In tegenstelling tot zonneweides gaat er nauwelijks landbouwgrond verloren. De combinatie van boom- en sierteelt met windmolens is kansrijk en zal in de MER op alle details worden onderzocht. Daarbij horen ook de omstandigheden voor werknemers nabij de molens. De indicaties over de geluidsbelasting voor werknemers geven geenszins aan dat er een slecht werkklimaat zou ontstaan. We zien geen reden waarom de windmolens een aanmerkelijk negatief effect hebben op de bedrijfsvoering van boomtelers. We hebben aan de boomtelers voorstellen gedaan voor een versterking van het boomteeltcluster (versterking pachtpositie, uitbreiding
areaal, strategische samenwerking, verder stimuleren innovatie en natuurinclusiviteit) die we in samenspraak met ondernemers zouden willen uitwerken. Vraag 7
Uit de eerdere beantwoording blijkt dat de gemeente het aannemelijk acht dat acceptatie toeneemt naar mate het ‘aannemelijker wordt’ dat de plannen gerealiseerd worden. Waar is deze aanname op gebaseerd?
Antwoord 7
Naarmate de kans groter wordt dat een plan daadwerkelijk wordt gerealiseerd, wordt door een deel van de betrokkenen gekozen om dan mee te werken aan de meest acceptabele oplossing. Omdat men zo invloed heeft op het resultaat. Dit is gebruikelijke dynamiek die ook in veel andere ruimtelijke ontwikkelingen en in andere gemeenten voorkomt.
Vraag 8
Uit de eerder beantwoording blijkt dat lokaal draagvlak volgens de gemeente geen absolute randvoorwaarde is. Als zowel bewoners als gebruikers binnen een gebied aan de handrem trekken vergt dit volgens het CDA extra zorgvuldigheid en inspanning. Dit kan bijvoorbeeld een reden zijn om ambities te heroverwegen en voor minimale impact te kiezen. Hoe ziet de wethouder dit?
Antwoord 8
Wij onderschrijven dat in – op iedere wijze - zorgvuldigheid in de communicatie en de planvorming nodig is. Hoe dan ook is betrokkenheid nodig en moet men in een dialoog mee kunnen blijven doen én inbreng hebben in de uiteindelijke planvorm. In het MER onderzoeken we daarom alternatieven en varianten zodat we samen - op basis van de omgevingsdialoog - kunnen werken naar een plan dat aan de doelstellingen voldoet, maar ook met de minste impact. Het belang en tegelijkertijd de relativiteit van lokaal draagvlak in het licht van het algemeen belang van de energietransitie, volgt niet alleen uit de beantwoording maar ook uit de motie van uw raad en het hoofdlijnenakkoord.
Vraag 9
De beantwoording van vraag 6 van de eerder door CDA gestelde vragen is ‘hoog over’ en loopt weg van de vraag. Om die reden probeert CDA de vraag scherper te stellen. Heeft de gemeente in beeld wat effecten zijn op ontwikkelkansen in het gebied op het gebied van bedrijvigheid, landbouw, wonen (ook in relatie tot de ontwikkeling van dorpskernen) toerisme en recreatie? Zo ja, in hoeverre zijn deze effecten van invloed op de genoemde thema’s?
Antwoord 9
De vraag naar algemene effecten is ook alleen algemeen te beantwoorden. We zien geen negatieve effecten op de ontwikkelmogelijkheden voor de landbouw; voor de betrokken agrariërs kan de opbrengst van de windmolens een extra inkomstenbron voor hun bedrijf vormen. Enkele agrariërs hebben aandacht gevraagd voor het feit dat uitbreiding van bedrijfsgebouwen niet mag conflicteren met eventuele externe veiligheidscirkels. Vooralsnog zien we hier conflicterende belangen. De afstand tot de dorpskernen (> 1km) is zodanig dat daar in het geheel geen sprake is van enig effect op ontwikkelmogelijkheden. De effecten op recreatie moeten nader in beeld worden gebracht.
Vraag 10
Ter aanvulling op de beantwoording van vraag 9: kan de gemeente garanderen dat bij de ontwikkeling van windturbines op gemeentelijk eigendom één op één aanbesteden geen juridische bezwaren of risico’s oplevert? Waarom speelt, bijvoorbeeld, het Didam arrest hierin geen rol? Op grond van voorlopige uitspraken van deskundigen van het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (NP RES) zien we hier geen
bezwaren en risico’s. We kunnen deze vraag echter nog niet definitief beantwoorden. De vraag speelt in veel gemeenten waar windmolens en zonnevelden ontwikkeld worden door een lokale energie coöperatie op gemeentegrond. In het Klimaatakkoord is door alle overheden afgesproken dat gewerkt moet worden naar 50% lokaal eigendom. Dat lijkt in strijd met een aanbestedingsverplichting. Anderzijds wijst het Didam arrest op een aanbestedingsplicht voor het verlenen van zakelijk rechten op gemeentegrond ten behoeve van een commerciële bestemming. Het NPRES heeft op zich genomen om deze vraag door een juridisch expert uitgebreider te laten beantwoorden. Wij zullen de uitkomst daarvan vertalen naar de situatie in Horst aan de Maas zodat we “Didam-proof” zijn. Vraag 11
In hoeverre is de samenwerking tussen de gemeente en energiecoöperatie Reindonk geformaliseerd? Zijn er al overeenkomsten gesloten? En zo ja: wat is het doel en de reikwijdte/impact van deze overeenkomsten en is de gemeenteraad hierover geïnformeerd? Er is opdracht verleend aan Reindonk om een verkenning te doen naar de sociale haalbaarheid. De gemeenteraad heeft in KODE wel de wens vastgelegd om 50% lokaal eigendom te realiseren, conform het Klimaatakkoord. Samenwerking met een lokale coöperatie is daarvoor de meest voor de hand liggende toekomstige vorm. De gemeente en Reindonk hebben daarvoor een intentieovereenkomst gesloten. Er zijn geen realiseringsovereenkomsten gesloten tussen de gemeente en Reindonk.
Vraag 12
In de beantwoording op vraag 14 van de eerder door het CDA gestelde vragen is te lezen dat Arcadis in verschillende entiteiten optreedt als adviseur en ontwikkelaar. Waarom is er niet voor gekozen om dit te vermijden door een adviserende partij in te schakelen die niet op twee fronten actief is? In Horst aan de maas treedt Arcadis slechts op in de rol van deskundig adviseur. Arcadis zal geen enkele andere rol in het project vervullen.
Vraag 13
In de beantwoording op vraag 15 van de eerder door het CDA gestelde vragen wordt aangegeven dat de glastuinbouw nog geen oplossingen gevonden lijkt te hebben voor hun eigen opgave, daarom is deze opgave meegenomen in de totale opgave van onze gemeente. Waarom vertrouwen we de tuinbouwsector niet in het vinden van oplossingen? Als zij niet meegaan met de energietransitie worden ze hier immers zelf de dupe van. Is het college bereid om de dialoog aan te gaan met de sector om te komen tot afspraken op dit thema?
Antwoord 13
Het idee dat de verschillende tafels of sectoren los van elkaar kunnen worden gezien, is onjuist. In het Klimaatakkoord is gewerkt met vijf verschillende ‘tafels’ (Elektriciteit, industrie, landbouw, gebouwde omgeving en mobiliteit). De tafel Elektriciteit had de opgave om windenergie en zonne-energie te realiseren waarmee álle andere tafels van duurzame elektriciteit zouden kunnen worden voorzien. De tafel ‘mobiliteit’ zorgt bijvoorbeeld voor elektrische auto’s en laadpalen, maar de duurzame energie komt van zonnepanelen en windmolens (en in de toekomst eventueel andere opwektechnieken). Horst aan de Maas heeft, in die lijn, net als veel andere gemeenten een eigen ambitie geformuleerd in de vorm van een percentage van de totale energiebehoefte die we in 2030 lokaal duurzaam willen opwekken. Dan kan er lokaal ook een samenhangende oplossing worden gekozen. Als elke sector zijn eigen oplossingen zou moeten genereren, zou dat tot versplintering leiden. De lokale glastuinbouw zou dan voor het opwekken van de eigen energie in de eigen gemeente eigen molens moeten
gaan plaatsen, of eigen zonnevelden moeten realiseren. Dit is in strijd met de opzet van het klimaatakkoord en feitelijk onwerkbaar. Voor de sector glastuinbouw geldt inderdaad dat er een hoge noodzaak is om energetisch te verduurzamen. Juist daarom is er in KODE een relatief hoge energiebespaarambitie opgenomen (-35%), die hoger is dan in veel andere gemeenten en juist daarom ondersteunt de gemeente de sector ook met de lobby voor geothermie. Vraag 14
In de beantwoording op vraag 16 van de eerder door het CDA gestelde vragen leest het CDA dat we de ambitie hebben om in 2030 voldoende duurzame energie lokaal op te wekken. In hoeverre kan deze tijdsgevoelige ambitie een zorgvuldig en integer proces onder druk zetten?
Antwoord 14
De klimaatcrisis wacht niet op ons, het zou immoreel zijn om de oplossing van het klimaataanpak nodeloos voor ons uit te schuiven. En uiteraard moeten de urgente oplossingen die we kiezen zorgvuldig tot stand komen. Het doel om in 2030 een aantal windturbines gerealiseerd te hebben, kan zeker op een zorgvuldige wijze worden bereikt. Er is tijd genoeg om dat proces overwogen en met een zorgvuldige dialoog met alle betrokkenen, te doorlopen. In die zin is er geen tegenspraak tussen noodzaak en zorgvuldigheid.
Vriendelijke groeten en op voorhand dank voor de beantwoording, Fractie CDA Horst aan de Maas