RIB.22.050 Natuurbrand beheersplan Deurnsche Peel en Mariapeel 2022
Tekst van het document
Stuknummer: 22.0003105
Raad 06-09-2022 RIB.22.050
raadsinformatiebrief van
: Burgemeester en wethouders
portefeuillehouder
: R. Palmen
aan
: De leden van de gemeenteraad
datum
: 19/07/2022
status
: Actieve informatie
openbaar
: Ja
Onderwerp RIB Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel en Mariapeel Aanleiding In april 2020 vond een onbeheersbare natuurbrand plaats in de Deurnsche Peel en Mariapeel. Deze brand had veel impact op de omgeving. Bewoners moesten tijdelijk hun woning verlaten, er was langdurige rookoverlast en circa 710 hectare natuurgebied is afgebrand. Deze Peelbrand heeft geleid tot het voorliggende Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel. Dit plan is opgesteld door de Gebiedscommissie Natuurbrandbeheersing Deurnsche Peel & Mariapeel. Deze commissie bestaat uit vertegenwoordigers van Staatsbosbeheer, Waterschap Aa en Maas, Veiligheidsregio Brabant Zuid-Oost en gemeente Deurne en Horst aan de Maas. De commissie wordt voorgezeten door de burgemeester van Deurne. De Gebiedscommissie is, in opdracht van de Commissaris van de Koning van de provincie Noord-Brabant, gestart met haar werkzaamheden naar aanleiding van de Peelbrand in 2020 en de daaropvolgende onderzoeken door Wageningen University & Research en een onderzoekscommissie onder leiding van Jan Jaap de Graeff. De kernopdracht voor de Gebiedscommissie is het opstellen en periodiek actualiseren van een Natuurbrandbeheerplan. Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel en Mariapeel Natuurbrandbeheersplan In het Natuurbrandbeheersplan is opgenomen op welke wijze gewerkt gaat worden aan een brandveiliger gebied.
Over de kosten hiervan voor het Limburgs deel van het gebied heeft Provincie Noord-Brabant contact met Provincie Limburg. Doel is het voorkomen van een onbeheersbare brand en een scenario zoals dat heeft plaatsgevonden bij de Peelbrand in 2020. Door het nemen van maatregelen op het terrein van inrichten en beheren van de natuur, wordt het gebied zelf weerbaarder tegen brand. Ook wordt daarmee de brandbestrijding beter gefaciliteerd. De te nemen maatregelen sluiten voor een groot deel aan bij de uitvoering van de plannen Leegveld en Groot onderhoud Peelkanalen. Daarnaast is er sprake van een aantal specifieke maatregelen gericht op brandveiligheid en het faciliteren van brandbestrijding. Zo wordt op een aantal locaties keer- en passeerplaatsen gerealiseerd voor tankautospuiten van de brandweer. Het plan is geen vaststaand gegeven. Periodiek wordt het door de gebiedscommissie geactualiseerd.
Bezoekadres: BezoekAdres, PlaatsBA
Postadres / PostCodePA PlaatsPA
T TelefoonNummer
F FaxNummer
Pag. 2 van 2
Toelichting in dorpsraden en werkgroep Behoud de Peel Het plan is toegelicht aan alle omliggende dorpsraden, waaronder de dorpsraad van Griendtsveen en werkgroep Behoud de Peel. De dorpsraad van Griendtsveen heeft aangegeven de maatregelen te begrijpen. Ze hebben uitgesproken als omwonenden aandacht te hebben voor de inrichting van hun eigen perceel in het gebied om brandoverslag waar mogelijk te voorkomen.
Bijlagen 1. Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel-Mariapeel
2
Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel Auteur :
Kernteam Peelbrand
Datum :
1 maart 2022 - versie 1.1
Vastgesteld door de Gebiedscommissie Natuurbrandbeheersing Deurnsche Peel & Mariapeel
Inhoudsopgave 1.
Inleiding...................................................................................................... 3 1.1
Context .................................................................................................... 3
1.2
Doel natuurbrandbeheersplan ..................................................................... 3
1.3
Samenstelling Gebiedscommissie Natuurbrandbeheersing .............................. 3
1.4
Leeswijzer ................................................................................................ 4
2.
Gebiedsomschrijving ..................................................................................... 5 2.1
Deurnsche Peel & Mariapeel ........................................................................ 5
2.2
Risico’s .................................................................................................... 6
2.3
Bestaande kaders en plannen ..................................................................... 7
2.4
Ontbrekend normenkader ........................................................................... 7
2.5
Overlegstructuren ..................................................................................... 7
2.6
Stakeholders in het natuurgebied ................................................................ 8
3.
Opvattingen over het gebied .......................................................................... 9 3.1
Gedeelde opvatting ................................................................................... 9
3.1.1
Gezamenlijke beleidsuitgangspunten ..................................................... 9
3.1.2
Gezamenlijke doelstelling ....................................................................10
3.2 4.
Gewenste scenario ...................................................................................10 Maatregelen ...............................................................................................11
4.1
Uitgangspunten voor de gebiedsgerichte aanpak ..........................................11
4.2
Randvoorwaarden voor de gebiedsgerichte aanpak .......................................11
4.3
De aanpak ...............................................................................................12
4.3.1
Brandcompartimenten; situatie 2020 ....................................................12
4.3.2
Brandcompartimenten; eindresultaat aanvang 2023 ...............................13
4.3.3
Maatregelen ......................................................................................14
4.3.4
Knelpunten ........................................................................................16
4.4 5.
Planning en uitvoering ..............................................................................17 Communicatie .............................................................................................18
5.1
Communicatieaanpak................................................................................18
5.2
Communicatie uitgangspunten ...................................................................18
5.3
Overkoepelende kernboodschap .................................................................19
5.4
Samenwerking met partners ......................................................................19
Bijlage 1: Overzichtskaart......................................................................................20 Bijlage 2: Risico Index Natuurbranden (RIN) ............................................................21 Bijlage 3: Overdracht nafase ..................................................................................23
2
Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel
1.
Inleiding
1.1
Context
In april 2020 vond een onbeheersbare natuurbrand plaats in de Deurnsche Peel. Deze brand had veel impact op de omgeving. Bewoners moesten tijdelijk hun woning verlaten, er was langdurige rookoverlast en circa 710 hectare natuurgebied is afgebrand. De brand leidde tot verschillende vragen en onderzoeken. Eén daarvan betrof een onderzoek naar de (bestuurlijke) samenwerking om een onbeheersbare natuurbrand te voorkómen. Uit het onderzoek blijkt dat samenwerking tussen de diverse partijen versterkt moet worden. Daarnaast is vastgesteld dat bij het opstellen van plannen voor natuurgebieden, waaronder de Deurnsche Peel, onvoldoende aandacht is voor brandveiligheid. Dat geldt zowel voor het bepalen van de natuurdoelstellingen als voor het inrichten van deze gebieden en het beheren daarvan. De uitkomsten van dit onderzoek zijn samengevat in het rapport “De Peel in Brand” uit 2020. Gelijktijdig met het hierboven genoemde rapport heeft Wageningen University & Research (WUR) een tweede onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek gaat over het beheer en onderhoud van een natuurgebied in relatie tot de brandveiligheid in dat gebied. Centraal staat de vraag hoe het inrichten en beheren van het natuurgebied het ontstaan, de ontwikkeling en de bestrijding van branden beïnvloeden. Uit beide onderzoeken blijkt dat het vraagstuk urgent is.
Immers: het klimaat verandert, waardoor het risico op natuurbranden toeneemt. Een centrale opdracht vanuit het rapport “De Peel in Brand” is door de commissaris overgenomen en als opdracht neergelegd bij de verschillende gebiedscommissies natuurbrandbeheersing in NoordBrabant. Deze opdracht is dat een natuurbrandbeheersplan centraal moet staan. Hiermee is niet gezegd dat natuurbranden altijd voorkomen kunnen worden. Uitzonderlijke situaties zullen er altijd zijn. Maar de natuurbrandbeheersing kan en moet beter.
1.2
Doel natuurbrandbeheersplan
De Gebiedscommissie Natuurbrandbeheersing heeft als doel om een natuurbrand te voorkomen die voor de gebiedscommissie niet meer te accepteren is. Om te kunnen bepalen wanneer zich dit voordoet is dit natuurbrandbeheersplan opgesteld waarin de gedeelde opvatting over het gebied is omschreven in samenhang met de doelstellingen voor brandpreventie en –bestrijding. Dit is een dynamisch document dat periodiek geactualiseerd moet worden.
1.3
Samenstelling Gebiedscommissie Natuurbrandbeheersing
De gebiedscommissie is een bestuurlijke samenwerking onder voorzitterschap van de burgemeester. De gebiedscommissie bepaalt gezamenlijk welke partijen bestuurlijk vertegenwoordigd moeten zijn. De gebiedscommissie is verantwoordelijk voor het opstellen van het natuurbrandbeheersplan. Tijdens en na het opstellen bewaakt de gebiedscommissie de voortgang, geeft richting en stelt prioriteiten en neemt beslissingen over bestuurlijke
3
dilemma’s en uitgangspunten. Zo nodig signaleert de gebiedscommissie knelpunten en rapporteert deze aan de commissaris van de Koning in Noord-Brabant. De gebiedscommissie Deurnsche Peel & Mariapeel (hierna: gebiedscommissie) bestaat uit de volgende deelnemers: burgemeester gemeente Deurne, provinciehoofd Staatsbosbeheer Noord-Brabant, adviseur natuurbrandbeheersing Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost, lid dagelijkse bestuur Waterschap Aa en Maas, ambtenaar rampenbestrijding gemeente Deurne (secretaris/notulist). Eén deel van het gebied, de Mariapeel, ligt in de provincie Limburg. In Limburg zijn de Veiligheidsregio’s regisseur van preventie en aanpak natuurbranden. Daarom vindt er over het natuurbrandbeheersplan afstemming plaats tussen Veiligheidsregio BrabantZuidoost en Limburg-Noord. De burgemeester van de gemeente Horst aan de Maas is agenda lid van de gebiedscommissie. De gebiedscommissie wordt ambtelijk ondersteund door een vertegenwoordiging van deze organisaties. Naar behoefte kan vertegenwoordiging van andere organisaties (tijdelijk) worden toegevoegd.
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft het gebied, inclusief risico’s en relevante ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 zijn de opvattingen over het gebied opgenomen met de doelen en uitgangspunten voor de aanpak. Hoofdstuk 4 beschrijft de te nemen maatregelen om de brandveiligheid in het gebied te vergroten en hoofdstuk 5 gaat nader in op communicatie.
4
Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel
2.
Gebiedsomschrijving
Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden. De Deurnsche Peel & Mariapeel is één van deze gebieden. Dit hoofdstuk geeft een omschrijving van de Natura 2000-waarden. Daarnaast is aan de hand van de Risico Index Natuurbranden inzicht gegeven in de brandrisico’s van dit gebied. Ten slotte is een overzicht opgenomen van relevante kaders en plannen die invloed hebben op het gebied.
2.1
Deurnsche Peel & Mariapeel
De Deurnsche Peel en de Mariapeel vormen een min of meer samenhangend restant van het grotendeels verdwenen hoogveengebied De Peel met een gezamenlijke oppervlakte van 2500 hectare. In dit afwisselend landschap van ondoordringbare veenmoerassen, plassen, open heideterreinen, vlakten, bosjes en zandruggen groeien talloze bijzondere planten. Bovendien is het één van de rijkste vogelgebieden van West-Europa. Het gebied ligt op de waterscheiding tussen het Brabantse riviertje de Aa in het westen en de Limburgse Grote Molenbeek in het oosten. Ten westen van de Deurnsche Peel ligt de Peelrandbreuk; deze breuklijn zorgt ervoor dat het grondwater in beide peelgebieden opgestuwd wordt. Door deze natte omstandigheden heeft het hoogveen zich eeuwenlang kunnen opstapelen tot een pakket van 6 tot 8 meter hoog. Vroeger werd hier op grote schaal turf gewonnen door het afsteken van hoogveen. Hiervan zijn duidelijke sporen overgebleven, zoals is te zien aan de vele kanalen, sloten en peelbanen die de twee veengebieden doorkruisen. Het meeste veen is in het verleden afgegraven, maar plaatselijk zijn nog dikke pakketten restveen aanwezig. Het gebied ligt in het grondgebied van de gemeente Deurne (Deurnsche Peel) en gemeente Horst aan de Maas (Mariapeel). Het eigendom ligt bij Staatsbosbeheer. Sommige delen zijn eigendom van de Waterschappen Aa en Maas of Waterschap Limburg.
Direct aangrenzend aan het gebied liggen de dorpen Helenaveen en Liessel (gemeente Deurne) en Griendtsveen (gemeente Horst aan de Maas). Onderdeel van de Deurnsche Peel zijn de kleinere gebieden “De Bult” (ten noorden van de Deurnsche Peel) en de zuidelijke delen “’t Zinkske” en “Heitrakse Peel”. De maatregelen in dit plan handelen over de Deurnsche Peel en Mariapeel. De kleinere gebieden vallen buiten dit NBBP. In bijlage 1 is een overzichtskaart van het gebied opgenomen. Het totale gebied heeft een Natura 2000-status. In het gebied vindt natuurherstel plaats door vernatting van het gebied met de bedoeling veenmossen te herintroduceren. De zogenaamde Leegveld- en Peelkanaalprojecten hebben als doel om natuurherstel te bevorderen door het verhogen en stabiliseren van het grondwaterpeil en het verwijderen van berkenopslag. Het gebied heeft te maken met: • Stikstofdepositie waardoor ongewenste vegetatie zoals pijpenstrootje en adelaarsvaren extra hard groeit en zorgt voor meer brandstof in het gebied. Dit draagt bij aan een snelle verspreiding van een brand. • Verdroging waardoor vegetatie kan afsterven of het hoogveenherstel stagneert. Daarnaast is in de Deurnsche Peel door de daling van de grondwaterstand een dikkere veenlaag ontstaan die brandbaar is. • Klimaatverandering.
Dit kan zich door het jaar heen met name uiten in periodes van droogte, lage luchtvochtigheid en een langer groeiseizoen waardoor er meer brandstof in het gebied kan komen.
5
Het project Leegveld omvat maatregelen die tot doel hebben het waterpeil aan de rand van de Deurnsche Peel te verhogen. Hiertoe wordt natuur hersteld en er worden onder andere kades aangelegd en stuwen gebouwd. In project Peelkanalen (door de waterschappen) worden kanalen gebaggerd. Betere doorstroming van de Peelkanalen draagt bij aan droogtebestrijding van (buiten)gebieden. Doel is om watertekorten te voorkomen en kwetsbare natuur in beken en Peelvenen beter te beschermen. Het gebied valt binnen de grenzen van twee provincies: Noord-Brabant en Limburg. Deze grens maakt het soms lastig om goed afgestemd en integraal aan brandveiligheid te werken. Zo kent de provincie Limburg een andere aanpak van natuurbrandbeheersing. In deze provincie is namelijk de Veiligheidsregio regisseur terwijl in Noord-Brabant deze taak is weg gelegd bij de gemeente/burgemeester.
2.2
Risico’s
De risico’s zijn vastgesteld aan de hand van de Risico Index Natuurbranden (RIN). Deze werkwijze is in 2013 landelijk beschikbaar gekomen. In 2018 is deze werkwijze voor het laatst herzien en ontwikkeld tot een webbased applicatie, waarin de meeste parameters zijn geautomatiseerd. De definitie van het begrip ‘risico’ binnen de RIN is: ‘de kans dat een eenmaal ontstane natuurbrand zich ontwikkelt tot onbeheersbare proporties’. De RIN kijkt naar de effecten en uitbreidingsmogelijkheden en niet naar de ontstaanskansen1. Zowel de Deurnsche Peel als de Mariapeel bestaat voornamelijk uit brandbare tot verhoogd brandbare vegetatie met een grote kans op uitbreiding. Aan de randen van het gebied en tussen de gebieden in, is bewoning, in onder andere de dorpen Helenaveen en Griendtsveen en aan de Soemeersingel. In het gehele gebied komen diverse kwetsbare objecten voor. Denk daarbij aan kunstwerken 2 van de waterschappen en (Rijks)monumenten, zoals bouwwerken uit de hoogtijdagen van de turfwinning en diverse kazematten als onderdeel van de Peel-Raamstelling. De opkomst van het eerste brandweervoertuig is in nagenoeg het gehele gebied meer dan 15 minuten en die van het eerste peloton meer dan 25 minuten. Aan de randen van het gebied is voldoende primaire waterwinning (brandkranen). Daarnaast kan teruggevallen worden op secundaire waterwinning (waterlopen en het kanaal).
Vooral in het gebied de Deurnsche Peel is onvoldoende waterwinning op korte afstand. Hetzelfde geldt voor ontsluiting van het gebied. Aan de randen is dit geen probleem. Met name in het gebied de Deurnsche Peel is de ontsluiting vaak een uitdaging doordat paden vanwege de veenondergrond niet stevig genoeg zijn voor berijdbaarheid met groot materieel. Overigens stelt de WUR dat internationaal gezien toegankelijkheid van een natuurgebied voor tankautospuiten niet nodig is omdat daar meer wordt uitgegaan van het natuurlijk stoppen van een brand. Daarnaast kan beperkte toegankelijkheid bijdragen aan een lagere kans op natuurbrand omdat verreweg de meeste branden door de mens zijn veroorzaakt (per ongeluk of expres)3. Een samenvatting van de risico-inventarisatie is te vinden in bijlage 2.
6
1
www.brandweer.nl/natuurbrandbeheersing
2
Voorbeelden van kunstwerken in deze context zijn stuwen en gemalen.
3
Stoof et al – 2020 – Relatie natuurbeheer en brandveiligheid Deurnese Peel
Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel
2.3
Bestaande kaders en plannen
Eén van de belangrijkste kaders voor de inrichting en beheer van het gebied zijn de Natura 2000 beheer- en inrichtingsplannen (zoals Leegveld en Peelkanalen). In deze plannen is vastgelegd hoe het gebied wordt beheerd en op welke wijze dit wordt ingericht om aan de Natura 2000-doelstellingen te voldoen. Voor wat betreft natuurbrandpreventie is het van belang dat in het Natura 2000-beheerplan een natuurbrandparagraaf wordt opgenomen. Deze ontbreekt nu. In deze paragraaf wordt vastgelegd wat er in het gebied aan maatregelen getroffen wordt om natuurbranden te voorkomen of te beperken. De basis voor de inhoud van deze paragraaf wordt gelegd door de gebiedscommissie natuurbrandbeheersing met het vaststellen van het Natuurbrandbeheersplan. Vanaf de eerstkomende actualisatie voor de Deurnsche Peel & Mariapeel dient natuurbrandpreventie integraal onderdeel te zijn van het Natura 2000-beheerplan. Daarmee worden de natuurdoelstellingen en maatregelen aangevuld met die voor brandpreventie. Een ander beleidskader voor natuurbrandpreventie is het nog vast te stellen Omgevingsplan van de gemeenten. Ook daarin zullen brandveiligheid- en preventie een plek dienen te krijgen. Dat geldt ook voor de Omgevingsverordening van de beide provincies. In het huidige bestemmingsplan buitengebied Deurne, waarbinnen het gebied valt, is er geen aandacht geschonken aan een natuurbrand.
Verder zijn relevante kaders te vinden in: • Gemeente: APV en Kadernota Integraal Veiligheidsbeleid; • Waterschap: Waterbeheerplan WBP (periode 6 jaar), waterovereenkomsten, Natuur- en beheerplannen (droogte), Keur; • Veiligheidsregio: Dekkingsplan / maatgevend scenario, Regionaal risicoprofiel Brabant-Zuidoost 2019, Visie 2025 en Meerjarenbeleidsplan; • Staatsbosbeheer: PAS – gebiedsanalyse, PAS – Maatregelen/Natuurherstel, SNL/regulier beheer; • Provincie: Provinciaal natuurbeleidsplan (5 jaar), Omgevingsverordening, Subsidiestelsel Natuur en Landschap, Subsidieregeling natuur Noord-Brabant, Subsidieregeling Groenontwikkelfonds, Provinciaal waterbeheerplan.
2.4
Ontbrekend normenkader
Door het ontbreken van een normenkader is het lastig voor de gebiedscommissie om goed te bepalen wanneer het risico op natuurbrand en de effecten daarvan onacceptabel zijn waardoor aanvullende beheer- of inrichtingsmaatregelen nodig zijn. Er zijn inmiddels gesprekken over een normenkader gestart met de ministeries van LNV en J&V, Brandweer Nederland, drie provincies en de daarin gelegen acht veiligheidsregio’s. Totdat er een normenkader is zal dit een dilemma blijven en zullen deze kaders in onderling overleg moeten worden bepaald.
2.5
Overlegstructuren
De inrichting en het beheer van het gebied wordt met name bepaald in de context van project Leegveld. Waterschap Aa en Maas en Provincie Noord-Brabant zijn opdrachtgevers van dit project. Het project wordt bestuurlijk aangestuurd door het Bestuurlijk Overleg Peelvenen met als deelnemers de provincie, gemeente (Deurne en Asten), Staatsbosbeheer en Waterschap. Het overleg wordt voorgezeten door de gedeputeerde natuur van Provincie Noord-Brabant. De Integrale gebiedscommissie Peelvenen (IGC) fungeert als adviescommissie voor Gedeputeerde Staten en het
7
bestuurlijk overleg. De uitvoering geschiedt door diverse projectgroepen. In de IGC dienen ‘alle in het gebied betrokken belangen van enig gewicht’ voldoende en op een juiste manier vertegenwoordigd te zijn. Als het gaat over de belangen in relatie tot het thema natuurbranden is dat nog onvoldoende het geval. Zo is bijvoorbeeld de veiligheidsregio niet vertegenwoordigd.
2.6
Stakeholders in het natuurgebied
De volgende partijen hebben een belang in het gebied • Burgemeester (openbare orde en veiligheid); • College van B&W en Gemeenteraad (o.a. economie, plattelandsontwikkeling, recreatie en toerisme); • Commissaris van de Koning en gedeputeerde Natuur van de provincie NoordBrabant (natuurontwikkeling, Natura 2000); • Staatsbosbeheer (eigenaar, beheer); • Waterschap Aa en Maas en Waterschap Limburg (eigenaar, beheer); • Direct omwonenden (o.a. bewoners, agrariërs, recreatieondernemers, horecaondernemers, ‘directe buren’); • Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost en Veiligheidsregio Limburg Noord (advies en repressie natuurbrandveiligheid); • Gemeente Horst aan de Maas (idem gemeente Deurne, deel Mariapeel en bewoners Griendtsveen); • Inwoners (dorpsraden) Helenaveen, Griendtsveen, Neerkant en Liessel; • ZLTO (agrarische ondernemers in en om het gebied); • Werkgroep Behoud De Peel (belangengroepering voor herstel van het hoogveen en natuurbescherming van het gebied);
•
8
Recreanten in het gebied (wandelaars, vogelaars, andere vormen van recreatie).
Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel
3.
Opvattingen over het gebied
De gebiedscommissie natuurbrandbeheersing heeft als doel om een natuurbrand te voorkomen die voor de gebiedscommissie niet meer te accepteren is. Om te kunnen bepalen wanneer zich dit voordoet is dit natuurbrandbeheersplan opgesteld waarin de gedeelde opvatting over de doelstellingen, de inrichting en het beheer van het gebied is omschreven in samenhang met de doelstellingen voor brandpreventie en –bestrijding.
3.1
Gedeelde opvatting
Aan de hand van de individuele opvattingen over het gebied komt de gebiedscommissie tot onderstaande opvatting over (brand in) het gebied. De gebiedscommissie stelt beleidsuitgangspunten vast en legt een gezamenlijk doel vast dat er op gericht is om de kans op een onacceptabele natuurbrand te verkleinen tot een acceptabel risico. 3.1.1 Gezamenlijke beleidsuitgangspunten De gebiedscommissie hanteert de volgende gezamenlijke beleidsuitgangspunten: De Natura 2000-status van het gebied staat niet ter discussie. De Natura 2000-status van het gebied staat voor de gebiedscommissie niet ter discussie. Noodzakelijk geachte maatregelen kunnen echter conflicteren met de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-beheerplan of de uitvoering daarvan. De gebiedscommissie richt zich in eerste aanleg op maatregelen die niet conflicteren met Natura 2000-doelstellingen. Mochten deze maatregelen onvoldoende bijdragen aan het gezamenlijke doel, dan moet een afweging gemaakt worden waarvan het resultaat impact kan hebben op de Natura 2000-doelstellingen. In dit geval signaleert de gebiedscommissie dit knelpunt bij de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast verzoekt de gebiedscommissie de voorgestelde maatregelen op te nemen in het beheer en inrichting van het gebied, bijvoorbeeld in het Natura 2000-beheerplan.
We onderschrijven dat de ingezette vernatting een positieve bijdrage levert aan brandveiligheid. In het onderzoek van Wageningen University & Research is vastgesteld dat als de Leegveld- en Peelkanalenprojecten het gewenste effect op de vegetatiesamenstelling hebben, deze projecten kunnen leiden tot een afname van het natuurbrandrisico en het risico op langdurige overlast door nasmeulen. Dit komt doordat een kleiner deel van het gebied zal branden op een manier die de capaciteit van de brandbestrijding te boven gaat, zowel in milde als in zeer lastige weersomstandigheden. Het volledige effect van de te nemen vernattingsmaatregelen zal echter pas over enkele tientallen jaren merkbaar zijn. We beschouwen de bestaande woningen en bedrijven aangrenzend aan het gebied als een gegeven. De gebiedscommissie stelt geen maatregelen voor die leiden tot het beëindigen of verplaatsen van bestaande bewoning of bedrijvigheid. We accepteren brand in het gebied tenzij deze leidt tot slachtoffers, verlies van goederen, langdurige overlast of permanente Natura 2000-schade. Brand hoort bij het gebied “De Pelen” en dat zal waarschijnlijk ook altijd zo blijven.
Voor de gebiedscommissie is een brand onacceptabel wanneer deze leidt tot slachtoffers (bewoners, bezoekers en hulpverleners), verlies van goederen (woningen, bedrijven, Rijksmonumenten, hulpverleningsvoertuigen), langdurige overlast (bijvoorbeeld rook) of permanente Natura 2000-schade. De maatregelen zijn er daarom niet primair op gericht
9
om brand te voorkomen, maar om het risico op een brand met deze gevolgen zo veel mogelijk te verkleinen of overlast te voorkomen. We gaan voor de korte termijn uit van bestaande middelen en mogelijkheden, tegelijkertijd stimuleren we innovatie. In het zoeken van maatregelen richt de gebiedscommissie zich op middelen en mogelijkheden die nu realistisch voorhanden zijn. Oplossingen worden ook gezocht in innovatieve maatregelen die een langere doorlooptijd hebben of waar de gebiedscommissie geen of beperkt invloed op heeft. Denk hierbij aan het ontwikkelen van een normenkader, het oprichten van een tweede landelijke handcrew of andere innovaties in natuurbrandbestrijding. Op dit gebied functioneert de gebiedscommissie als aanjager. We zien de volgende verdeling in taken en verantwoordelijkheden: • De terreinbeheerder is verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen ten aanzien van de inrichting en het beheer van zijn gebied, zowel met het oog op preventie als voor het kunnen bestrijden (bijvoorbeeld toegankelijkheid) van natuurbranden. • Bij een brand zijn de veiligheidsregio’s verantwoordelijk voor de brandbestrijding. • De terreinbeheerder is verantwoordelijk voor de nafase (o.a. het bestrijden van nasmeulen).
Op landelijk niveau wordt over de verantwoordelijkheidsverdeling in de nafase door betrokken partijen, waaronder Staatsbosbeheer en Brandweer Nederland, nog discussie gevoerd. Tot het moment dat andere besluitvorming plaats vindt wordt daarom in dit plan als uitgangspunt de werkwijze van 2020 gehanteerd (zie bijlage 3). 3.1.2 Gezamenlijke doelstelling Het hoofddoel van de gebiedscommissie is het voorkomen van een brand die leidt tot: - Slachtoffers; - Verlies van goederen; - Onherstelbare schade aan Natura 2000-waarde(n); - Langdurige (rook)overlast; - Langdurige en grootschalige inzet door brandweer (blussen en nablussen) en terreinbeheerders (aanpak nafase). Om aan deze doelstelling te voldoen richt de gebiedscommissie zich op maatregelen die bijdragen aan: - Het zo klein mogelijk houden van een brand; - Het beschermen van bewoond gebied; - Het zo effectief mogelijk bestrijden van een brand; - Het voorkomen en/of bestrijden van ongewenste effecten van een brand.
3.2
Gewenste scenario
In april 2020 was er sprake van extreme weersomstandigheden. De verwachting is echter dat er in de toekomst vaker sprake zal zijn van deze (extreme) weersomstandigheden. Ook uit de RIN valt op te maken dat het scenario april 2020 nog steeds een realistisch scenario is. Met de bestuurlijke uitgangspunten en de gezamenlijke doelstelling wil de gebiedscommissie toewerken naar een nieuw realistisch scenario. De effecten van de te nemen maatregelen moeten er toe leiden dat het scenario april 2020 het worst-case scenario wordt. In het gewenste scenario blijft de brand beperkt tot één of enkele compartimenten met een vooraf bepaalde oppervlakte.
10
Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel
4.
Maatregelen
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven welke maatregelen er worden uitgevoerd om aan de gezamenlijk beleidsuitgangspunten en doelstellingen te voldoen. Op basis van de ‘Toolbox Gebiedsgerichte aanpak Natuurbandbeheersing’4 is uitgewerkt welke maatregelen in het gebied worden getroffen. De aanpak kent drie componenten: brandcompartimentering, beheer binnen een compartiment en voorbereiden op en faciliteren van brandbestrijding.
4.1
Uitgangspunten voor de gebiedsgerichte aanpak
De in dit plan opgenomen doelstellingen bereiken we door een gebiedsgerichte aanpak. Gezamenlijk gaan we voor het zo slim en effectief mogelijk inrichten en beheren van de natuur, met als doel de kans op een onbeheersbare natuurbrand te verkleinen. Het gaat er hierbij om een gebied zelf intrinsiek zo weerbaar mogelijk te maken tegen brand. Brandbestrijdingstactieken en -technieken sluiten daarop aan. Daarbij gaan we uit van de volgende uitgangspunten: -
-
-
Succesvolle vernatting beïnvloedt op termijn de brandveiligheidssituatie in het gebied in positieve zin. In dat geval heeft een aantal maatregelen een tijdelijk karakter; We baseren ons zoveel als mogelijk op de werkzaamheden en aanpassingen zoals deze voorzien zijn in bestaande plannen (met name in Plan Leegveld en Groot onderhoud Peelkanalen) in dit gebied. We realiseren daarmee ‘werk met werk’ zodat de financiële dekking (grotendeels) al is voorzien. Daarnaast leidt dit tot zo min mogelijk aanpassingen in bestaande plannen en daarbij behorende planningen en vergunningen. Daarmee zijn resultaten op korte termijn haalbaar en zichtbaar. Bovendien worden de natuurdoelstellingen vanuit de Natura 2000-status op deze wijze zoveel als mogelijk gerespecteerd; De kans op het beïnvloeden/beperken van het maximaal scenario in een brandcompartiment wordt bepaald door de bestrijdingsmogelijkheden in dat brandcompartiment; De maatregelen in relatie tot de bestrijdbaarheid van een brand houden rekening met de binnen Veiligheidsregio Brabant Zuidoost en Veiligheidsregio Limburg Noord gehanteerde brandbestrijdingstactieken, -technieken en -materieel.
4.2
Randvoorwaarden voor de gebiedsgerichte aanpak
Naast uitgangspunten gelden een aantal randvoorwaarden waaraan te nemen maatregelen moeten voldoen: Inrichting van het gebied: - Een zogenaamde ‘Natuurlijke Compartimentsgrens’ is zodanig ingericht dat een brand op die grens zonder inzet van de brandweer vanzelf stopt; - In beperkte mate kan deze brandcompartimentering ondersteund worden door inzet van de brandweer doch het hiermee ingezette potentieel is daarmee niet beschikbaar voor een inzet binnen het brandcompartiment; - Defensieve inzet binnen een compartiment met behulp van brandweer- of ander materieel – met name het aanleggen van een zogenaamde ‘stoplijn’ - is enkel mogelijk vanuit een infrastructuur die geschikt en voldoende veilig is voor het betreffende materieel en personeel; - De bluswatervoorziening in het gebied dient zodanig te zijn ingericht dat de te voorziene inzetscenario’s van de brandweer voldoende worden gefaciliteerd.
4
https://www.brandweernederland.nl/nieuws/toolbox-natuurbrandbeheersing-verzameling-van-informatie-en-bestpractices/
11
Beheer van het gebied: - Structureel vegetatie- en brandstofbeheer in het gebied is noodzakelijk. Dit draagt bij aan de weerbaarheid van het gebied tegen brand en vormen de basis voor een succesvolle brandbestrijding. Daarnaast wordt hiermee de kans op langdurige (rook)overlast na een eventuele brand gereduceerd.
4.3
De aanpak
Vanuit de voornoemde uitgangspunten en randvoorwaarden is een plan van aanpak tot stand gekomen dat op korte termijn haal- en uitvoerbaar wordt geacht en kan leiden tot een gebied dat zoveel als mogelijk ‘intrinsiek weerbaar’ is tegen een brand en dat daarnaast de bestrijding van een brand ondersteunt. Als referentiekader wordt als eerste de situatie in 2020 geschetst. Vervolgens wordt beschreven op welke wijze toegewerkt wordt naar het beoogde eindresultaat en daarmee een verbetering van de brandveiligheid in het gebied. 4.3.1 Brandcompartimenten; situatie 2020 Het ‘maximum scenario’ van een brand beslaat in principe het brandcompartiment waarin de brand is ontstaan. Tijdens de brand van 2020 zagen deze compartimenten er als volgt uit:
Brandcompartimentgrootte Er was feitelijk sprake van twee brandcompartimenten; Deurnsche Peel en Mariapeel. De grens tussen deze twee gebieden was overigens niet als een houdbare brandcompartimentsgrens uitgevoerd. Deze heeft tijdens de brand in 2020 wel als zodanig gefunctioneerd aangezien weersomstandigheden daarvoor gunstig waren.
12
Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel Bestrijdbaarheid Het terrein was voor brandweereenheden niet toegankelijk. Bestrijding binnen een compartiment was daarom nauwelijks mogelijk. Waarschijnlijk scenario Het afbranden van één brandcompartiment. Tijdens de brand is daadwerkelijk ruim 700 hectare van een compartiment van 1129 hectare afgebrand. 4.3.2 Brandcompartimenten; eindresultaat aanvang 2023 Dit plan voorziet in het realiseren van de indeling van het gebied in vier compartimenten. De eerste inzet van de brandweer zal – nadat een offensieve aanpak van de brand niet mogelijk is gebleken – overgaan naar een defensieve tactiek waarbij in eerste instantie de focus op de naastliggende brandcompartimenten is gericht. Tegelijkertijd is er aandacht voor specifieke objecten en andere aandachtspunten in het getroffen brandcompartiment. Als die inzet succesvol is wordt aansluitend en daar waar mogelijk de bestrijding van de brand in het brandcompartiment opgepakt. De mogelijkheden hiertoe binnen de verschillende brandcompartimenten zijn beperkt, divers en afhankelijk van veel factoren. Visueel ziet de te realiseren compartimentsindeling er als volgt uit:
13
4.3.3 Maatregelen Om te komen tot de brandcompartimentsindeling die hiervoor beschreven is, worden onderstaande compartimentsgrenzen gerealiseerd:
Compartimentsgrenzen
Legenda bij kaart Compartimentsgrenzen Zwarte ononderbroken lijn Kwaliteit: Brandcompartimentsgrens. Functie: Tegengaan van branduitbreiding buiten het getroffen brandcompartiment. Uitvoering: Het gebied / de vegetatie op deze lijn is zodanig ingericht dat zonder inzet van de brandweer de brand stopt. Kans op succes: Zeer waarschijnlijk Invloed op max. scenario: Groot Groene ononderbroken lijn Kwaliteit: Brandcompartimentsgrens. Functie: Tegengaan van branduitbreiding buiten het getroffen brandcompartiment. Uitvoering: Het gebied / de vegetatie op deze lijn is zodanig ingericht dat het – ondersteund door een beperkte inzet van de brandweer - de brand stopt. De wegen zijn structureel bereikbaar voor m.n. tankautospuiten en ander brandweermaterieel en passend bij de te hanteren bestrijdingstechniek. Kans op succes: Waarschijnlijk Invloed op max. scenario Groot
14
Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel Binnen deze compartimenten worden maatregelen genomen gericht op preventief beheer en maatregelen ten behoeve van bestrijding:
Legenda bij kaart Beheer en bestrijdbaarheid Roze onderbroken lijn Kwaliteit: Functie: Uitvoering: Kans op succes: Invloed op max. scenario: Blauwe onderbroken lijn Kwaliteit: Functie: Uitvoering: Kans op succes: Invloed op max. scenario: Blauwe cirkels Locaties brandstofbeheer. Functie: Uitvoering: Kans op succes: Invloed op max. scenario:
Sub-Brandcompartimentsgrens. Mogelijk maken van brandbestrijding met inzet van tankautospuiten, eventueel ondersteund door ander materieel en personeel, waarmee de brand op deze lijn mogelijk gestopt wordt. De wegen/kades zijn structureel bereikbaar voor m.n. tankautospuiten en ander brandweermaterieel, de vegetatie is aangepast aan de te gebruiken bestrijdingstechniek. Mogelijk Beperkt Sub–Brandcompartimentsgrens Mogelijk maken van brandbestrijding met inzet van andere middelen dan tankautospuiten (giertonnen, handcrew e.d.) waarmee de brand op deze lijn mogelijk gestopt wordt. Toegankelijk m.n. voor loonwerkers, vegetatie aangepast. Twijfelachtig Groot
Verminderen hoeveelheid brandbaar materiaal om intensiteit van een brand alsook extreem vliegvuur (adelaarsvaren) te voorkomen. Maaien (en afvoeren), begrazen, beheerbranden. Waarschijnlijk Redelijk
15
Brandcompartimentgrootte Er is sprake van twee grote en twee kleinere compartimenten. De bandcompartimentgrootte varieert van 210 ha tot 824 ha. Bestrijdbaarheid De groene grenzen vragen eerst aandacht van de brandweer. Aansluitend is brandbestrijding met brandweereenheden in de brandcompartimenten enkel mogelijk over de groene en roze lijnen. Inzet andersoortige middelen (zoals loonwerkers) is in theorie mogelijk, ook over de blauwe lijnen, maar van veel factoren – met name veiligheid personeel – afhankelijk. Waarschijnlijk scenario Maximaal één volledig brandcompartiment. Er is zeer beperkte kans op verkleinen van het scenario door aanleg ‘stoplijnen’ (zie stippellijnen). Bij het inschatten van dit scenario is uitgegaan van de ‘gangbare’ weersgesteldheid. De omstandigheden voor en tijdens de laatste brand in april 2020 waren extreem waardoor bij vergelijkbare omstandigheden er een gerede kans bestaat dat dit scenario – ondanks de maatregelen - overschreden wordt. Kosten Aangezien het plan grotendeels gebaseerd is op de reeds bestaande aanpassingen in/aan het gebied zijn daarmee de meeste kosten gedekt. Voor de aanvullende maatregelen (aanpassing kades, aanleg bluswatervoorziening, brandstof- en vegetatiebeheer) heeft Staatsbosbeheer een projectsubsidie ontvangen (‘Herstelmaatregelen en brandpreventie Deurnsche Peel 2e tranche’) en deze is naar verwachting toereikend.
Deze subsidie is overigens niet inzetbaar voor maatregelen in de Mariapeel (4.3.4 zie knelpunten). Naast deze subsidie kan een aantal werkzaamheden worden uitgevoerd vanuit Natura 2000maatregelen. Voor de structurele kosten voor onderhoud en instandhouding zijn de bestaande middelen voor de Deurnsche Peel en Mariapeel toereikend. Tijdpad De initiële werkzaamheden vanuit de projecten Leegveld en Groot onderhoud Peelkanalen worden in Q4 2022 afgerond. Daarnaast moeten structurele maatregelen worden opgenomen in het nieuwe Natura 2000-beheerplan. Direct omwonenden Aan de randen van het gebied bevinden zich woningen en bedrijven die met hun perceel direct grenzen aan het gebied. Om deze percelen te beschermen en weerbaarder te maken zijn er mogelijk extra maatregelen in beheer en inrichting noodzakelijk. Dat geldt zowel voor de directe strook aangrenzend aan het perceel als het perceel zelf. Dat vraagt om nauw overleg met en directe betrokkenheid van de eigenaren van deze percelen bij de te nemen maatregelen. Gezamenlijk wordt bepaald in hoeverre maatwerk nodig en/of wenselijk is. Omwonenden dienen daarbij handelingsperspectief te krijgen en te weten wat zij zelf kunnen doen (terreininrichting en vegetatiebeheer) om de kans op het overslaan van een brand van de vegetatie naar een gebouw verminderen.
Maar eveneens vice versa: het beperken van de kans van overslaan van een brand op een perceel naar het natuurgebied.
16
4.3.4 Knelpunten Geen financiële dekking Mariapeel Voor de uitvoering van de maatregelen in de Deurnsche Peel zijn de bestaande middelen (beheer) en een ontvangen subsidie toereikend om de kosten te dekken. Voor de Mariapeel is dit echter niet het geval. Omdat de Mariapeel grondgebied is van de Provincie Limburg wordt daar via de Provincie Noord-Brabant een verzoek neergelegd om middelen beschikbaar te stellen.
Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel
4.4
Planning en uitvoering
Er wordt een uitvoeringsplan opgesteld waarin de te nemen maatregelen en een planning in tijd zijn opgenomen. Omdat de voorgestane aanpak grotendeels aansluit op de lopende werkzaamheden van het project Leegveld is de uitvoering in feite al volop gaande. De voortgang van de te nemen maatregelen wordt bewaakt door de gebiedscommissie en daarom periodiek geagendeerd. Het uitvoeringsplan is een dynamisch document dat continue wordt geactualiseerd en/of bijgesteld.
17
5.
Communicatie
Voor alle communicatie met betrekking tot het Natuurbrandbeheersplan, en de maatregelen die daaruit voorkomen, is separaat een communicatiestrategie opgesteld. De hoofdlijnen van deze strategie zijn in de hoofdstuk opgenomen.
5.1
Communicatieaanpak
De communicatieaanpak is drieledig: 1. Procescommunicatie Natuurbrandbeheersplan: alle communicatie met betrekking tot (het vaststellen van) het Natuurbrandbeheersplan. 2. Procescommunicatie maatregelen: alle communicatie met betrekking tot de maatregelen (beheer en bestrijding) die voortkomen uit het Natuurbrandbeheersplan (uitvoeringsplan). 3. Risicocommunicatie: alle communicatie die wordt ingezet om mensen bewust te maken van het risico wat een natuurbrand met zich meebrengt in de omgeving waar ze wonen, werken en recreëren. Met aandacht voor het bieden van handelingsperspectief bij het voorkomen van een natuurbrand en wat te doen in tijden van een natuurbrand (preventie). Inclusief de communicatie na een natuurbrand (nazorg). N.B. Crisiscommunicatie: wanneer er branden zijn in de Deurnsche Peel en Mariapeel, gelden de afspraken zoals die gelden voor een regulier crisisproces. Crisiscommunicatie is een onderdeel van het proces Bevolkingszorg, wat een gemeentelijk proces is. Daarnaast is de burgemeester eindverantwoordelijk is voor de openbare orde en veiligheid waaronder ook het tijdig informeren van inwoners ten tijde van rampen en crisis behoort. De veiligheidsregio kan gemeenten ondersteunen bij crisiscommunicatie.
5.2
18
Communicatie uitgangspunten
Om effectief te kunnen communiceren is het noodzakelijk dat er samenhang in de communicatie wordt aangebracht. Dit geldt voor zowel procescommunicatie als risicocommunicatie. Een goede afstemming -met diverse partners- en bundeling van informatie is essentieel voor een efficiënte informatievoorziening. We hanteren daarom de volgende communicatie uitgangspunten: 1. We zijn open en transparant. Dit betekent dat we dillema’s bespreekbaar maken en ook communiceren als er geen ontwikkelingen zijn. Denk aan een jaarlijkse terugkoppeling naar de omgeving over de stand van zaken in het gebied. 2. Doe wat je zegt. Actief communiceren schept verwachtingen over onze eigen inspanningen. Woorden alleen zijn niet genoeg. Betrouwbaarheid wordt afgemeten aan daden. We verstrekken dan ook tijdige, volledige en betrouwbare informatie. 3. Eenduidige communicatie. Door middel van goede (proces)communicatie laten we steeds zien dat we werken aan de maatregelen. In de procescommunicatie is elke partner zelf verantwoordelijk. Waarbij we altijd samenhang creëren binnen de verschillende opgaven/maatregelen en een overkoepelende kernboodschap opnemen. 4. Maatwerk. Bij zowel procescommunicatie als risicocommunicatie is maatwerk vereist. Dit betekent dat er goed wordt gekeken naar welk middel voor welke doelgroep wordt ingezet. 5. Bestaande communicatiekanalen.
We maken zoveel mogelijk gebruik van de reeds bestaande informatiekanalen van de diverse partners. Deze kanalen zijn immers bekend en voelen vertrouwd bij de diverse doelgroepen en kunnen direct ingezet worden. 6. Participatie indien mogelijk. Bij de uitvoering van de diverse maatregelen wordt waar mogelijk participatie met de omgeving ingezet. Waarbij we duidelijk zijn
Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel binnen welke kaders de omgeving kan worden betrokken (verwachtingsmanagement). 7. Handelingsperspectief. In alle communicatiemiddelen die worden ingezet om mensen bewust te maken van het risico wat een natuurbrand met zich meebrengt in de omgeving waar ze wonen, werken en recreëren bieden we ook een handelingsperspectief (risicocommunicatie). Denk aan het bieden van handelingsperspectief voor het voorkomen van een natuurbrand. 8. We communiceren in heldere en begrijpelijke taal (B1 niveau) en visualiseren zoveel mogelijk de ontwikkelingen en maatregelen.
5.3
Overkoepelende kernboodschap
Belangrijk is dat het voor de burger duidelijk moet zijn dat alle partners samen werken aan één gezamenlijk doel, dus dat ieders inbreng deel uitmaakt van het grote geheel. Voor de communicatie betekent dit dat we werken met een gezamenlijk koepelverhaal (parapluboodschap); een overkoepelende kernboodschap die de afzonderlijke partners gebruiken bij hun individuele communicatieacties. Kernboodschap Natuurbranden kunnen we niet voorkomen. We krijgen steeds vaker te maken met perioden van hitte en droogte als gevolg van het veranderende klimaat. Wel kunnen we de risico’s op een natuurbrand en de gevolgen daarvan verkleinen. Daarom werken Staatsbosbeheer, de veiligheidsregio’s Brabant-Zuidoost en Limburg Noord, Waterschap Aa en Maas en de gemeenten Deurne en Horst aan de Maas samen aan maatregelen in de Deurnsche Peel en de Mariapeel om de brandveiligheid te vergroten. Zo zijn we beter voorbereid bij een volgende natuurbrand, houden we de omvang van de brand zo klein mogelijk en beperken we de gevolgen zoals overlast voor omwonenden. Daarnaast laten we zien wat je als inwoner en bezoeker(s) zelf kunt doen om een natuurbrand te voorkomen en nadelige gevolgen te beperken.
5.4
Samenwerking met partners
De intentie is om gezamenlijk op te trekken met respect voor elkaars rol en verantwoordelijkheid, ook in de communicatie. Zo laten we zien dat we gezamenlijk werken aan meer brandveiligheid in het gebied. Gezamenlijkheid is niet altijd vereist, bijvoorbeeld omdat een partner heel specifiek voor een specifieke actie verantwoordelijk is. Zo zal bijvoorbeeld Staatsbosbeheer zelf communiceren over de maatregelen die rondom natuurbeheer en inrichting worden genomen. Soms bevinden partners zich bovendien elders in het krachtenveld dan de gemeente. Gezamenlijke communicatie kan dan zelfs afbreukrisico’s introduceren. Communicatie wordt wel steeds met de samenwerkingspartners afgestemd; zij mogen niet voor verrassingen komen te staan. Bovendien committeert elke partner zich aan de algemene (communicatie)uitgangspunten en de kernboodschap zoals hierboven beschreven.
19
Bijlage 1: Overzichtskaart
20
Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel
Bijlage 2: Risico Index Natuurbranden (RIN)
Samenvatting Om een inschatting te kunnen maken van de risico’s van een natuurbrand in de Deurnsche Peel en Mariapeel is in januari/februari 2021 een update uitgevoerd van de (digitale) Risico Index Natuurbranden (RIN). Er is gebruik gemaakt van de landelijke handreiking en de webbased applicatie, waarin de meeste parameters zijn geautomatiseerd. De definitie van het begrip ‘risico’ binnen de RIN is: ‘de kans dat een eenmaal ontstane natuurbrand zich ontwikkelt tot onbeheersbare proporties’. Er wordt dus alleen gekeken naar de effecten en uitbreidingsmogelijkheden en niet naar de ontstaanskansen. Zowel in de Deurnsche Peel als de Mariapeel bestaat de vegetatie uit brandbare tot verhoogd brandbare vegetatie met een grote kans op uitbreiding (3 tot 4 zijden). Het gehele gebied is een Natura 2000 gebied en daarmee van hoge ecologische waarde. Aan de randen van het gebied is wat bewoning, verblijfsrecreatie en gevaarlijke stoffen aanwezig en in het gehele gebied komen waardevolle objecten voor in de vorm van kazematten als onderdeel van Peel-Raamstelling en diverse bouwwerken uit de hoogtijdagen van de turfwinning in Griendtsveen en Helenaveen. Dagrecreatie bestaat voornamelijk uit wandelaars en fietsers op de toegankelijke paden en wegen. Bluswatervoorziening is er in de vorm van brandkranen, waterlopen en het kanaal.
In de vakken waar een begaanbare weg is, is vaak primaire waterwinning binnen 1 tot 2 km aanwezig en secundair tussen 1 en 3 km. Als er geen openbare wegen zijn ligt de primaire waterwinning vaak op meer dan 2 km en de secundaire op meer dan 3 km. De opkomst van het eerste voertuig is nagenoeg in het hele gebied meer dan 15 minuten en die van het eerste peloton meer dan 25 minuten. Ontdekking van een brand scoort middel tot klein door de afwezigheid van bewoning en publiek. Daar waar het gebied toegankelijk is voor publiek zijn er 2 of meer vluchtroutes aanwezig. Terreinbekendheid scoort ruim aanwezig aangezien er een bereikbaarheidskaart is, er geoefend wordt met het thema natuurbrand en er natuurbeheerders beschikbaar zijn voor gidsfunctie en CoPI (Commando Plaats Incident, de operationele leiding op de plaats van een incident). De ontsluiting in de vakken waar doorgaande wegen aanwezig zijn is optimaal. In het gebied zelf is de ontsluiting vaak slecht doordat er geen goed begaanbare wegen in de kilometervlakken aanwezig zijn.
21
Risico’s Gezien de scores uit de RIN zijn er een aantal concrete risico’s te benoemen: 1. Risico op afbranden van het gehele natuurgebied Gezien de brandbare tot zeer brandbare vegetatie is tijdens droge perioden met voldoende wind de kans op een snelle uitbreiding zeer aannemelijk. In de Mariapeel bestaat er een kans om de brand te bestrijden/te stoppen doordat de melder in het gebied een goede locatieduiding kan doen en de brandweer redelijk snel met een voertuig ter plaatse kan komen. In de Deurnsche Peel zal de melder over het algemeen geen exacte locatie aan kunnen geven omdat het gebied zeer beperkt toegankelijk is en is de kans dat een brand snel bestreden kan worden om dezelfde reden nihil. De brand kan, zeker in de Deurnsche Peel, alleen op de randen van het gebied goed tegengehouden worden. 2. Bedreiging van omwonende door overslag van brand naar woonhuizen In de Deurnsche Peel bestaat het risico dat huizen bedreigt worden doordat de brand de kans krijgt zich te ontwikkelen door de aanwezige vegetatie en de onmogelijkheid de brand te bestrijden. 3. Dagenlang overlast door rook veroorzaakt door brand Afhankelijk van de windkracht, windrichting en de (on)mogelijkheid een brand te stoppen kan de brand voor langere tijd rookoverlast veroorzaken in de omgeving, vergelijkbaar met de brand in 2020.
22
Natuurbrandbeheersplan Deurnsche Peel & Mariapeel
Bijlage 3: Overdracht nafase Inleiding In deze notitie is aangegeven welke afspraken er gemaakt zijn / welke werkwijze gehanteerd wordt bij de overdracht van het gebied na een brandincident met als doel dat na die overdracht in de z.g. Nafase voor alle partijen helder is wie waarvoor verantwoordelijk is en wat men verder van elkaar mag verwachten,. Specifiek gaat het daarbij om de overdracht door de brandweer naar de gebiedseigenaar. (SBB) Uiteraard worden ook – daar waar relevant – de andere partners bij / na het incident betrokken. Ten tijde van het opstellen van dit document is de bredere (landelijke) discussie over dit onderwerp nog niet gevoerd en zijn er daarmee ook geen (landelijke) conclusies en daaruit voortvloeiende aanbevelingen / werkwijzen voorhanden. Daarom wordt voor nu als uitgangspunt de werkwijze van 2020 na de peelbrand gehanteerd met dien verstande dat de leerpunten van toen zijn meegenomen. Bovenstaande kan als consequentie hebben dat deze paragraaf in de toekomst aangepast wordt. Moment Het moment waarop de feitelijke overdracht van het incident(gebied) plaatsvindt wordt bepaald door het op dat moment hoogst actieve operationeel gremium. (OT-COPIMotorkapoverleg) Het initiatief tot overdragen kan komen van zowel de brandweer als van Staatsbosbeheer.
Over zowel het besluit tot als het specifieke moment van overdracht wordt te allen tijde de (coördinerend) burgemeester van het incident geïnformeerd. Overdracht van het incident kan enkel plaatsvinden als tenminste aan onderstaande randvoorwaarden is voldaan: - De brand is volledig onder controle en de situatie is stabiel; - De restrisico’s zijn voldoende in beeld; - Er zijn heldere afspraken over taken, rollen en verantwoordelijkheden van de betrokken partijen (zie ook hierna) alsook over de onderlinge afstemming en communicatie; - De hierboven genoemde afwegingen en afspraken zijn vastgelegd in het z.g. Gebiedsoverdrachtsdocument. Overdracht Overdracht vindt fysiek plaats in het bijzijn van de partijen uit het z.g. ‘Nazorgoverleg’. Dit overleg bestaat in beginsel uit vertegenwoordigers van Staatsbosbeheer, Waterschap Aa en Maas, gemeente Deurne en/of Horst aan de Maas, Veiligheidsregio Limburg Noord en/of Brabant Zuidoost. Van de twee laatstgenoemde partijen participeert tenminste de meest getroffen gemeente / veiligheidsregio. Indien de situatie daar aanleiding toe geeft kunnen andere partijen toegevoegd worden. Elke partij ‘levert’ een – bij voorkeur ‘dedicated’ – vertegenwoordiger met voldoende mandaat om als case-manager in het team op te treden. De vertegenwoordiger van Staatsbosbeheer treedt op als voorzitter van het overleg.
Het overleg komt in eerste instantie in volledige bezetting bijeen. Er worden hierbij tenminste o.b.v. consensus afspraken gemaakt over: - Het daadwerkelijk moment van overdracht waarbij rekening wordt gehouden met een zodanige overdrachtsperiode om SBB voldoende voorbereidingstijd te geven; - De verantwoordelijkheid voor de veiligheid in het gebied;
23
De financiële verantwoordelijkheid over o.a. een mogelijke vervolginzet door derden; - Procesafspraken m.b.t. mogelijkheden van onderlinge ondersteuning; - De onderlinge informatievoorziening en bereikbaarheid. Met name over situaties waarbij spoedeisende inzet brandweer noodzakelijk (b)lijkt; - Communicatie. Aanvullende werkafspraken voor specifieke situaties zijn uiteraard mogelijk. Deze afspraken worden vastgelegd in het z.g. Gebiedsoverdrachtdocument. -
Dit document wordt aansluitend – mits van toepassing – ter kennisname gebracht van het ‘Lokaal CrisisTeam’ (LCT) van de betrokken gemeente(n) waarna het onderdeel zal zijn van het Nafasedocument. Begeleiding / controle De gehele operationele Nafase in het gebied wordt vanaf het moment van overdracht begeleid door het Nazorgoverleg. Hierbij vindt periodiek afstemming plaats over: - Voortgang van de werkzaamheden; - Knelpunten en noodzakelijke oplossingen; - Communicatie; Daarnaast bewaakt het overleg de verbinding / samenhang met het LCT en escaleert bij onderwerpen welke binnen het overleg niet kunnen worden opgelost. Ten slotte begeleidt het overleg ook de verdere afschaling van het incident naar ‘normaal’. Bij deze laatste afschaling is het van belang dat afspraken worden gemaakt over: - het daadwerkelijk moment van afschaling - restafspraken.
24