CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB.21.068 Mestverwerkingscapaciteit

Gemeenteraad 22 juni 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven.2.800 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Stuknummer: 21.0002495

Raad 22-06-2021 RIB.21.068

raadsinformatiebrief van

: Burgemeester en wethouders

portefeuillehouder

: T. Kuipers

aan

: De leden van de gemeenteraad

datum

: 22/03/2021

status

:

openbaar

: Ja

Onderwerp Berekening mestverwerkingscapaciteit Noord Limburg i.r.t. zienswijze Willems, Hoebertsweg 15 America Aanleiding De raad ontvangt actuele en gevalideerde mestcijfers op basis van mestmonitor provincie Naar aanleiding van het ontwerpbesluit over uitbreiding van mestverwerkingsbedrijf Willems, de ingediende zienswijze van de gemeente hiertegen en de bredere visievorming over de veehouderij, komt de vraag aan de orde naar de balans tussen mestproductie en mestverwerkingscapaciteit. De kernvraag is: Hoe verhoudt, in de regio Noord-Limburg, de vergunde mestverwerkingscapaciteit zich tot het te verwachten mestoverschot? In de voorbereidende raadsvergadering van 9 februari 2021 is gevraagd om de mestberekening zoals eerder aan de raad gestuurd nader te duiden in het licht van de zienswijze en de eerdere mestberekeningen van de provincie. Na een beknopte samenvatting vindt u een uitgebreide beantwoording van deze vragen. Samenvatting Mestverwerking in de regio Noord-Limburg (peiljaar 2019) Behoefte aan mestverwerking (in ton/jaar) Vergunde mestverwerking (in ton/jaar), exclusief uitbreiding Willems Conclusie

-

Berekening Gemeente Horst aan de Maas (zie toelichting) 615.000 1.090.000

Berekening Provincie Limburg (d.d. 2 feb 2021) 2.500.000 2.000.000

Overmaat aan vergunde verwerking

Tekort aan vergunde verwerking

De stelling van de gemeente in de zienswijze wordt door de gespecificeerde berekening (zie bijlage) nadrukkelijk ondersteund.

Bezoekadres: BezoekAdres, PlaatsBA

Postadres / PostCodePA PlaatsPA

T TelefoonNummer

F FaxNummer

Pag. 2 van 8

-

-

-

De conclusie van de gemeente is dat momenteel reeds sprake is van een 75% overmaat aan vergunde mestverwerkingscapaciteit en dat uitbreiding van Willems én daling van de veestapel leidt tot een nog verdere overmaat. De vergunde mestverwerkingscapaciteit kan alleen draaien indien mest van buiten de regio wordt geïmporteerd naar Noord-Limburg. In de regionale bestuursafspraken over mestverwerking is hierover vastgelegd dat in Noord Limburg alleen mestverwerkingsinstallaties voor mest uit Noord Limburg vergund kunnen worden. Kortom, vergunningverlening aan Willems is in strijd met deze bestuursafspraken. De berekening van de provincie (zoals samengevat in bovenstaande tabel) is onvolledig en onjuist. De conclusie van de provincie dat sprake is van een tekort aan verwerkingscapaciteit is onhoudbaar. o De berekening van de provincie heeft betrekking op de gehele provincie en is niet gespecificeerd naar de regio Noord-Limburg (zoals uitgangspunt in de bestuursafspraken en de mestmonitor mestmonitor 2018 en eerder). o De berekening van de provincie is onvolledig omdat ter bepaling van de behoefte aan mestverwerking in de provincie buiten beschouwing wordt gelaten dat pluimveemest vrijwel volledig buiten de provincie wordt verwerkt.

Hiermee wijkt te provincie af van de uitgangspunten zoals eerder, ook door de provincie, gehanteerd in de mestmonitor en geeft de berekening een foutief (te hoog) beeld van de verwerkingsbehoefte in (Noord-)Limburg. Op 16 maart 2021 werd een constructief gesprek gevoerd met de LLTB. In dit gesprek was tussen gemeente en LLTB een grote mate van overeenstemming over de gehanteerde cijfers en rekenkundige uitgangspunten.

2

Pag. 3 van 8

Nadere toelichting Vragen Uit de beraadslaging in de voorbereidende raad van 9 februari 2021 zijn de volgende vragen te destilleren (toezegging 2020.23): 1. De raad wil van de provincie een actualisatie ontvangen van de mestmonitor zoals laatstelijk opgesteld over 2018 onder regie van de provincie. 2. De raad wil ter onderbouwing van de zienswijze een gedetailleerdere berekening ontvangen dan zoals opgenomen in de RIB.21.031 (waarin enkel over varkensmest (en niet andere dieren) is gesproken en waarin de verwerkingsopgave niet in fosfaatkilo’s is uitgedrukt). Deze berekening dient aan te sluiten bij de uitgangspunten zoals opgenomen in de mestmonitor 2018 en eerder. 3. De raad willen een duiding van de verschillen tussen de berekening provincie en de berekening van de gemeente. Beantwoording Antwoord op vraag 1: Actualisatie mestmonitor 2018 De mestmonitor 2018 en in eerdere jaren is in het verleden opgesteld onder regie van de provincie (bestuursafspraak 1.6 POL). We hebben in 2020 en begin 2021 meermaals aan de provincie gevraagd om een actualisatie voor de mestmonitoring (voor peiljaar 2019). Tot heden is geen actualisatie ontvangen. De cijfers zoals opgenomen in de provinciale berekening d.d. 2 februari 2021 zijn gebaseerd op afwijkende uitgangspunten en geven een onjuist beeld (zie ook beantwoording vraag 3).

In maart 2018 is de 1e actualisatie van de Bestuursafspraken POL vastgesteld. Deze luiden als volgt:

3

Pag. 4 van 8

Antwoord op vraag 2: Gedetailleerde mestberekening

Berekening mestverwerkingsbehoefte Noord-Limburg Om de verwerkingsbehoefte voor Noord-Limburg te kunnen bepalen, starten we met een overzicht van de mestproductie in geheel Limburg.1 Mestproductie geheel Limburg (bron CBS, peiljaar 2019) Mestproductie (in ton) Fosfaatproductie (P205), (in ton) Rundvee

2.025.000

2.770

Varkens

1.612.000

6.040

Pluimvee

227.000

4.990

TOTAAL

4.042.000

14.420

De mestproductie in heel Limburg (uitgedrukt in fosfaat) is ruim 14.420 ton fosfaat. De plaatsingsruimte in heel Limburg is 5.940 ton fosfaat (bron CBS). 2 Kortom, er is een mestoverschot van (14.420-5.940=) 8.480 ton fosfaat. In de mestmonitor 2018 (die mede door de provincie is opgesteld; zie RIB 18.108) wordt, voor de bepaling van de benodigde mestverwerkingscapaciteit, de pluimveemest buiten beschouwing gelaten. Deze wordt immers (grotendeels) verwerkt door verbranding en geëxporteerd. Op basis hiervan is aannemelijk dat in Limburg een mestoverschot van (8.480-4.990=) 3.490 ton fosfaat resteert. Als we logischerwijs aannemen dat verder álle rundveemest en mest van overige dieren (paarden, schapen, etc) in de regio op het land wordt gebracht, is het mestoverschot feitelijk gelijk aan 57,8% van de hoeveelheid varkensmest in 2019. Kortom, er is een fosfaatoverschot van (57,8% x 6.040=) 3.490 ton in Limburg. Op basis van CBS is helder dat 66% van de Limburgse varkens, gehouden wordt in Noord-Limburg. Het fosfaatoverschot in Noord-Limburg is derhalve (66% x 3.490=) 2.303 ton. Omgerekend naar mesthoeveelheden (1 ton varkensmest bevat gemiddeld 3,75 kg fosfaat) dan blijkt de verwerkingsopgave voor Noord-Limburg afgerond 615.000 ton varkensmest.

Bij deze berekening moet in ogenschouw worden genomen dat het aantal varkens door de saneringsregeling varkenshouderij (SRV) gaat dalen met naar verwachting circa 10% in 2022 (bron: Rijksoverheid). Deze afname leidt tot een vermindering van het mestoverschot van circa 20%. Als gevolg van de recent in de 1 e en 2e kamer behandelde Stikstofwet zal het aantal dieren en daarmee de mestproductie de komende jaren verder dalen. Het kabinet heeft veel geld gereserveerd voor een beëindigingsregeling en voor de opkoop van piekbelasters.

1

Deze berekening sluit zo goed mogelijk aan bij de berekeningsmethodiek van de mestmonitor 2018. Doordat in de openbare CBSinformatie alleen plaatsingsruimte 2019 voor geheel Limburg is opgenomen moet van hieruit worden gededuceerd. 2 Naast mest van pluimvee, varkens en runderen is sprake van mest van andere dieren (o.a. paarden, schapen, nertsen). De omvang hiervan is echter zeer klein in vergelijking met de andere dieren (<4%). In het totale mestoverschot is hier wel rekening mee gehouden.

4

Pag. 5 van 8

Conclusie gemeente Horst aan de Maas: de behoefte aan mestverwerkingscapaciteit voor de verwerking van varkensmest in Noord Limburg is in 2019 ongeveer 615.000 ton varkensmest. De komende jaren zal deze behoefte fors dalen door de vermindering van het aantal dieren waardoor het mestoverschot zal afnemen. Overleg LLTB Op 16 maart 2021 werd een constructief gesprek gevoerd met de LLTB. In dit gesprek was een grote mate van overeenstemming over de gehanteerde cijfers en rekenkundige uitgangspunten. - De LLTB onderschrijft onze stelling dat pluimveemest buiten beschouwing moet worden gelaten omdat deze wordt verbrand of onverwerkt geëxporteerd. De LLTB stelt verder dat de slechts een deel (max 80%) van plaatsingsruimte kan worden benut (waardoor het mestoverschot groter is). Als reden hiervoor stelt de LLTB dat er bij fruit- en boomteelt geen of minder dierlijke mest kan worden aangewend. Wij houden vast aan de feitelijke plaatsingsruimte zoals weergegeven door CBS, en omdat in de Mestmonitor 2018 een hogere benutting van de plaatsingsruimte is aangenomen dan de LLTB stelt. De LLTB deelt de conclusie dat het aantal varkens als gevolg van de saneringsregeling met ongeveer 10% zal dalen. De LLTB is echter van mening dat het prematuur is om aan te nemen dat het aantal dieren als gevolg van de stikstofwet (verder) zal dalen.

De LLTB wijst op de toenemende behoefte aan mestverwerking als methode om stikstof en fosfaten te kunnen scheiden om zodoende preciezer te kunnen bemesten. De LLTB spreekt derhalve ook liever over ‘mestverwaarding’. De LLTB wijst op het aangekondigde nieuwe mestbeleid waarin meer mest van nietgrondgebonden bedrijven moet worden verwerkt (en minder van grondgebonden bedrijven). Wij nemen dit perspectief van de LLTB niet over, omdat 1) in het licht van de stikstofwet en de kabinetsvisie kringlooplandbouw juist een afname van het mestoverschot is te verwachten en 2) het oorspronkelijke doel van de mestverwerkingsplicht is gelegen in kunnen exporteren van het fosfaatoverschot (zie ook toelichting verderop). Wij nemen derhalve de huidige wettelijke kaders als uitgangspunt. De LLTB benadrukt dat het voor de feitelijke verwerkingscapaciteit niet uit maakt hoe veel er vergund is maar hoeveel er feitelijk operationeel is, waarbij draagvlak en vertrouwen essentiële voorwaarden zijn. Op basis van de aangeleverde cijfers en uitgangspunten van de LLTB (saneringsregeling varkenshouderij, verwerking van pluimveemest buiten Limburg, aannames tav plaatsingsruimte) is sprake van een fosfaatoverschot in Noord-Limburg van 3.217 ton fosfaat. Omgerekend naar mesthoeveelheden (3,7 kg fosfaat per ton) volgt hieruit dat de verwerkingsopgave voor Noord-Limburg ongeveer 870.000 ton varkensmest bedraagt.

Achtergronden en uitleg begrippen Mest Mest is in beginsel een waardevolle voedingstof voor de bodem die nutriënten levert waardoor gewassen (beter) kunnen groeien. Nederland en de regio Noord Limburg hebben niet voldoende grond om alle geproduceerde mest nuttig te kunnen gebruiken. Als deze mest toch op het land wordt gebracht is sprake van overbemesting waar de nutriënten uitspoelen naar het grond, -en oppervlakte water en leiden daar tot problemen. Daarom stelt het rijk regels in om het overschot van fosfaat en stikstof te beheersen.

5

Pag. 6 van 8

De mestwetgeving is gericht op het voorkomen van de overbemesting van de bodem met fosfaten en stikstof. Mestproductie en mestoverschotten worden in de mestwetgeving geregistreerd in kilogrammen fosfaat in de mest. De mestwetgeving beoogt de kwaliteit van het grond, -en oppervlaktewater in Nederland te beschermen. Overbemesting van landbouwgronden is dus niet toegestaan. Het verschil tussen de geproduceerde mest en de plaatsingsruimte voor mest op het land, is het mestoverschot. Veehouders zijn verplicht een gedeelte van de mest die zij niet kunnen plaatsen op de eigen gronden (het bedrijfsoverschot) te verwerken. Om hieraan te kunnen voldoen zijn, gegeven de huidige hoeveelheid geproduceerde mest, mestverwerkingsinstallaties nodig. Hoe vindt mestverwerking plaats? De kern van mestverwerking is dat het volume/gewicht van het aanbod van mest op zodanige wijze wordt gereduceerd dat de fosfaathoudende residuen kunnen worden geëxporteerd naar gebieden, veelal buiten Nederland, waar nog plaatsingsruimte voor fosfaat over is op de landbouwgrond.3 Hoewel het voor de fosfaatproblematiek niet uitmaakt of de fosfaat afkomstig is uit kippen- varkens- of rundveemest, is het onderscheid tussen verschillende soorten mest wezenlijk van belang.

Pluimveemest is relatief droog van samenstelling (veel fosfaat per ton) en wordt voor een deel verbrand in Moerdijk waarna de fosfaathoudende assen worden geëxporteerd. Ook is droge kippenmest makkelijk te exporteren. Dit is ook een uitgangspunt in de mestmonitor 2018, mede opgesteld door de provincie en de constatering van de commissie van deskundigen meststoffenwet. Pluimveemest wordt vrijwel geheel verwerkt middels verbranding of export (70% tot 100%). Ook de LLTB geeft aan dat >95% van de pluimveemest wordt verbrand of onverwerkt geëxporteerd. Varkensmest kan worden gescheiden in een dik deel met de meeste fosfaat en een dun waterig deel met de meeste stikstof. Het dikke deel kan worden geëxporteerd of is eventueel verder te drogen tot fosfaathoudende korrels die geëxporteerd worden. Dit vindt plaats in kleinere of grote mestverwerkingsinstallaties in de regio.4 Rundveemest wordt nauwelijks verwerkt. Doordat rundveehouders over het algemeen vrij veel land hebben (“grondgebonden” zijn) kunnen zij alle mest of het grootste deel van de rundveemest terug op het land brengen. Rundveemest bevat (per ton) ook aanzienlijk minder fosfaat dan pluimveemest of varkensmest. Installaties zoals Willems Mestverwerking voor de verwerking van varkensmest zijn niet goed geschikt om ook rundveemest te verwerken.

Vergunde mestverwerkingscapaciteit In de regio is thans ongeveer 1.009.000 ton aan varkensmestverwerkingscapaciteit vergund. Dit cijfer is gebaseerd op mestmonitor 2018, aangevuld met de meest actuele en beschikbare cijfers per gemeente in de regio Noord Limburg en aangevuld met de vergunningverlening aan RMS in 2019 (450.000 ton). De aangevraagde uitbreiding van varkensmestverwerkingsbedrijf Willems zou leiden tot een (verdere) uitbreiding van de mestverwerkingscapaciteit met 370.000 ton, tot in totaal 1.378.000 ton. 3

Het exporteren is cruciaal onderdeel van de mestverwerking omdat hierdoor de fosfaten niet in Nederland op het land komen. De export van mest (zonder verbranding of droging) geldt om die reden in juridische zin ook als mestbewerking. Dit gebeurt echter slechts in beperkte mate met varkens- en rundveemest omdat de kosten voor transport (>90% water) zeer hoog zijn. 4 Terzijde: Bij dit proces kan enig biogas uit mest worden gewonnen. De totale energiebehoefte van een mestverwerkingsinstallatie is echter groter dan de opbrengst aan biogas. De suggestie dat biogasproductie uit mest een mooie duurzame energiebron is en helpt om de klimaatproblemen te voorkomen, is de waarheid op zijn kop omdat dit ook de CO2-footprint van de veehouderij (in zijn huidige schaal en vorm) miskent.

6

Pag. 7 van 8

De balans tussen mestoverschot en vergunde mestverwerkingscapaciteit is zoek Op grond van voorgaande informatie is helder dat op dit moment een behoefte is aan 615.000 ton varkensmestverwerkingscapaciteit terwijl reeds 1.009.000 ton is vergund (64% teveel). Ook indien zou worden aangesloten bij de cijfers en uitgangspunten van de LLTB, blijft de conclusie overeind dat nu reeds meer capaciteit is vergund dan (wettelijk) nodig. De behoefte aan varkensmestverwerkingscapaciteit zal de komende jaren aanzienlijk dalen terwijl uitbreiding van mestverwerkingsbedrijf Willems de vergunde verwerkingscapaciteit juist laat stijgen tot 1.378.000 ton. Hierdoor raakt de verhouding nog verder uit balans. De vergunde mestverwerkingscapaciteit kan alleen draaien indien mest van buiten de regio wordt geïmporteerd naar Noord-Limburg. In de regionale bestuursafspraken over mestverwerking is hierover vastgelegd dat in Noord Limburg alleen mestverwerkingsinstallaties voor mest uit Noord Limburg vergund kunnen worden. Vergunningverlening aan Willems is derhalve strijdig met deze bestuursafspraken. Antwoord op vraag 3: Duiding van verschillen tussen en met eerdere berekeningen Verklaring van verschillen met berekening gemeente zoals opgenomen in RIB.21.031 De mestberekening zoals opgenomen in RIB 21.031 ging enkel en alleen over varkensmest.

Alle andere mest en mestverwerkingscapaciteit is buiten beschouwing gelaten. Dit komt omdat de raadsvraag zoals gesteld en waarop RIB 21.031 een antwoord geeft enkel en alleen focuste op varkensmest: Hoeveel capaciteit voor de verwerking van varkensmest is in de regio, respectievelijk de gemeente, vergund? En hoeveel varkensmest die in de regio, respectievelijk de gemeente wordt geproduceerd, moet volgens de wet worden verwerkt? En hoe verhoudt zich dat tot elkaar? Toch komen de conclusies vrijwel overeen. Er is een forse overmaat aan verwerkingscapaciteit voor mest vergund in onze regio ten opzichte van de behoefte. Deze overmaat wordt door krimp van het aantal dieren en de uitbreiding van Willems nog veel groter. Verklaring van verschillen met berekening van de provincie Limburg dd 8 februari 2021 De provincie hanteert in de berekening van 2 februari 2021 fundamenteel andere uitgangspunten dan in de mestmonitor 2018. Met name is opvallend dat de provincie nu heeft gekozen om buiten beschouwing te laten dat de pluimveemest vrijwel geheel wordt verwerkt middels export en verbranding in Moerdijk. Hierdoor lijkt de behoefte aan verwerkingscapaciteit in Limburg kunstmatig hoog. Dit geeft een onjuist beeld van de behoefte. Ook de LLTB onderschrijft deze conclusie. De provinciale conclusie “Dat betekent dat in Limburg behoefte is aan ca. 2,5 mln.

ton/jaar mestverwerkingscapaciteit (verwerkingsplicht).” is dan ook onvolledig en onjuist. Verder wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende regio’s in Limburg. Hierdoor kan niet worden aangesloten op de mestmonitor 2018. De berekening die wij nu zelf maken gaat in op de regio Noord-Limburg en daarmee de bestuursafspraken voor Noord Limburg. Mestverwerkingscapaciteit in Nederland Niet alle vergunde mestverwerkingscapaciteit is al feitelijk gerealiseerd en operationeel. Toch is er ook op de schaal van Nederland helemaal geen tekort aan operationele mestverwerkingscapaciteit.

7

Pag. 8 van 8

-

-

De Commissie van Deskundigen Meststoffenwet concludeert (op p.9 en 10 van hun rapport) dat - op basis van hoeveelheid dieren in 2016 in Nederland - de totale verwerkingsopgave 41,9 mln kilo fosfaat bedraagt, terwijl de totale mestverwerking (inclusief de export van bewerkte en niet-bewerkte mest) 52,5 miljoen kg fosfaat bedroeg in 2016. Kortom in 2016 was in Nederland al voldoende capaciteit voor mestverwerking. Ook LTO bevestigt in haar ledenblad 2021 dat de huidige operationele verwerkers niet vol zitten.

8

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10227108/1