CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB.21.046 Beantw.vragen RIBs Stoppers-IPPC

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven.1.997 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raad 23-03-2021 RIB.21.046

raadsinformatiebrief van

: Burgemeester en wethouders

portefeuillehouder

: E. Beurskens

aan

: De leden van de gemeenteraad

datum

: 23-02-2021

steller

:

status

: Schriftelijke raadsvragen

openbaar

: Ja

Onderwerp RIB Stoppers, Warme Saneringen en IPPC-actualisatie Aanleiding Door de fractie D66-Groen Links zijn aanvullende vragen gesteld over de stoppersregeling, warme saneringen en IPPC-actualisatie. De antwoorden op de vragen uit de RIB 122 en 123 zijn reeds eerder schriftelijk gegeven. Ook in de voorbereidende raadsvergadering van 09-02-2021 is, middels een presentatie, een toelichting gegeven over de Stoppersregeling, de warme sanering en de IPPC-actualisatie. Echter, een aantal vragen zijn onbeantwoord gebleken. Onderstaand treft u de antwoorden aan op deze nog openstaande vragen

RIB 122 Stoppersregeling Vragen en antwoorden Vraag 3: Konden bedrijven, die enkele jaren geleden al gestopt waren, en toen een andere bestemming kregen, nu alsnog meedoen aan de Stoppersregeling of was die regeling er destijds ook al? Antwoord: Het "Actieplan Ammoniak Veehouderij" (stoppersregeling) was voor middelgrote veehouderijbedrijven die eigenlijk per 1 januari 2010 moesten voldoen aan het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (Besluit huisvesting, thans Besluit emissiearme huisvesting (Beh)). Deze bedrijven konden – onder voorwaarden – uitstel krijgen van de verplichting voor het emissiearm maken van de stallen (tot uiterlijk 1 januari 2013). Door het bedrijf moest vóór 1 juli 2012 een Bedrijfsontwikkelingsplan (BOP) worden ingediend. In dit plan werd door het bedrijf aangegeven hoe zij per 1 januari 2013, middels maatregelen een even grote emissiereductie zouden realiseren als wanneer emissiearme stalsystemen zouden worden toegepast. Het betrof hier snel inzetbare maatregelen, zoals minder dieren, minder rondes, voermaatregelen, ed.). Een aantal bedrijven die zich hebben gemeld voor de regeling hebben tussentijds (voor 2020) hun bedrijfsvoering aangepast (bijv. van intensief naar extensief, bijv. naar aanleiding van verkoop). Deze bedrijven hebben de vergunningprocedures (bestemmingsplanwijziging en milieu) doorlopen. Vraag 4.

Bezoekadres: Wilhelminaplein 6, Horst

Postbus 6005 / 5960 AA Horst

T: 077 - 477 97 77

F: 077 - 477 97 50

Pag. 2 van 4

O.a. bedrijf 17 heeft aangegeven dat deze wil doorgaan. Betekent dit dat bedrijven, die doorgaan, nu werken met voldoende stalsystemen? Is bij deze bedrijven direct begin dit jaar gecontroleerd en, indien nodig, gehandhaafd? En diezelfde vraag voor het aantal dieren? Antwoord: Een aantal bedrijven die hebben aangegeven door te starten, hebben daarvoor een vergunningprocedure doorlopen. Deze bedrijven hebben een milieuvergunning die voldoet aan het Beh. Zij mochten, vanaf het moment dat de vergunning was verleend en de stallen waren aangepast (emissiearm waren gemaakt) weer dieren houden. Bij een aantal bedrijven loopt op dit moment de milieuvergunningprocedure. Bij deze bedrijven liggen de stallen leeg totdat de vergunningprocedure is doorlopen en de stallen zijn voorzien van bijvoorbeeld een luchtwasser. Alle stoppers zijn eind 2019 / begin 2020 gecontroleerd. Daarbij is geconstateerd dat bij merendeel van de bedrijven de stallen leeg stonden / de mestkelders leeg waren. Bij 5 bedrijven is uitstel verleend voor het ledigen van de mestkelder tot 1 mei 2020. Bij 1 bedrijf werden wel dieren aangetroffen. Daar is een handhavingsactie gestart. De dieren bij dit bedrijf zijn inmiddels weg.

RIB 123 IPPC-bedrijven Vragen en antwoorden Vraag 1: U geeft in de beantwoording aan dat de raad voor het einde van dit jaar met een Plan van Aanpak te komen. Naar verwachting voldoet de gemeente daarmee op 1-1-2021 niet aan zijn wettelijke verplichtingen. Hoe kan het dat er nu nog geen Plan ligt gezien de fatale datum? Met het vaststellen van de BBT was toch jaren geleden al bekend dat deze februari 2021 ingevoerd moesten zijn. Waarom is er geen plan opgesteld om deze zaken tijdig te regelen? En, wat zijn de gevolgen voor de gemeente, burgers en bedrijven? Antwoord: De afgelopen jaren is het niet mogelijk gebleken om, door de beperkte personele capaciteit, aan de slag te gaan met de actualisatie. Het bezoeken, aanschrijven en doorlopen van een procedure kost veel tijd, die er door de beperkte capaciteit niet is. Met de huidige personele bezetting wordt verwacht 4 tot 5 jaar nodig te hebben voor de actualisatie. Eventueel kan het traject worden bespoedigd, maar dat is afhankelijk van extra personele bezetting en middelen. Er is wel een (concept) plan van aanpak door een extern bureau opgesteld. Dat plan ziet toe op het in gesprek gaan met het bedrijf, het beoordelen van de feitelijke situatie en het doorlopen van een vergunningprocedure of het doorlopen van een procedure voor het actualiseren van de vergunning.

In dit plan is uitgegaan van een tijdsbesteding van 45 uur per bedrijf (e.e.a. zoals ook beschreven in de presentatie in de voorbereidende raadvergadering van 9 februari 2021). Voor wat de vraag over de gevolgen is het navolgende van belang. Als IPPC veehouderijen niet beschikken over een actuele omgevingsvergunning kunnen derden (bv. buren) een verzoek bij de gemeente indienen om deze vergunning alsnog te actualiseren. Als het bedrijf niet in werking is volgens de BBT kunnen derden een verzoek tot handhaving bij de gemeente indienen om het bedrijf op die manier te dwingen om te handelen volgens de opgelegde milieuregels. Verder kan in het kader van het zogenaamd Interbestuurlijk Toezicht de provincie Limburg de gemeente aanspreken op het niet-naleven van wettelijke plichten. De provincie gaat hiertoe niet over alvorens met de gemeente in overleg te treden. Vraag 2.

2

Pag. 3 van 4

U maakt in uw beantwoording een koppeling met de visie IV en Stoppersregeling, terwijl er sprake is van gewone wetgeving. Wat is de reden hiervan? En voor welke delen dan? Antwoord: Voor de visie veehouderij is het van belang om te werken met een actueel inrichtingenbestand. Het inrichtingenbestand is dat op dit moment niet. Veel bedrijven zijn niet meer recent bezocht. Deze bedrijven hebben daardoor ook vaak geen actuele vergunning meer. Om uit te kunnen gaan van een goede uitgangssituatie voor de visie, is het van belang dat we weten welke bedrijvigheid met welke emissies op welke locatie zit. Daarom zal een inhaalslag gemaakt moeten worden in het bezoeken van de veehouderijbedrijven en het actualiseren van de milieuvergunning. De actualisatie van de IPPC-bedrijven zou hierin meegenomen kunnen worden. Daarnaast zijn het ook dezelfde medewerkers die zowel de afwikkeling van de stoppers- en saneringsregeling en IPPC-actualisatie moeten doen. Gezien de eerder aangegeven capaciteitsvraag moeten we ook slimme combinaties maken. Daarnaast leidt de sanerings- en stoppersregeling tot een afname van het aantal IPPC bedrijven. Hierdoor ligt deze koppeling ook voor de hand. Vraag 3. Blijkbaar worden er op het ogenblik nog vergunningen ontworpen/verleend die niet aan alle BBT voldoen, zoals de Dijkerheideweg.

Hoe kan dat? Antwoord: In de definitieve vergunning (betreft een veranderingsvergunning) van de Dijkerheideweg 3-9 (d.d. 20-10-2020, WABO-2019-0709) is de BBT-toetsing meegenomen. Met de afhandeling van de aanvraag is ook de eerdere vergunning van 2014 geactualiseerd. Hiermee zijn dus de BBT-conclusies in de vergunning verwerkt. In de vigerende vergunning van 2014 is sprake van een geuroverbelaste situatie. Als bekend is op welke manier het bedrijf alsnog aan de Wgv-normen kan voldoen, is mogelijk alsnog een procedure nodig om dit vast te leggen in/op te leggen via een actualisatie van de vergunning. Het bedrijf heeft namelijk via een voorschrift opgelegd gekregen dat binnen 3 maanden na het van kracht worden van de vergunning een geurbeheersplan moet worden overlegd. Begin maart 2021 zal dit moeten binnen komen. Vervolgens zal dit plan worden beoordeeld en zal een veranderingsvergunningaanvraag moet worden ingediend of moet de gemeente de vigerende vergunningen van 2014 (revisievergunning) en 2020 (veranderingsvergunning) actualiseren. Vraag 4. Bij het antwoord op vraag 3 geeft u aan dat de route via de RUD te lang duurt. Wilt u concreet aangeven wat u hiermee bedoelt? Antwoord: Uit overleggen in RUD-verband blijkt dat alle gemeenten in Noord Limburg achter lopen met de actualisatie van de IPPC-bedrijven. Daarom is nagedacht over een gezamenlijke aanpak in RUD-verband.

Hiermee zouden bewerkstelligen dat we in de regio op soortgelijke wijze deze bedrijven benaderen en de actualisatie oppakken. Daarnaast zouden we gezamenlijk mogelijk de zeer beperkte capaciteit efficiënter kunnen inzetten. Dit onderzoek in RUD-verband loopt nog. Overigens lopen ook andere gemeenten binnen de RUD tegen dezelfde personele schaarste aan. Vraag 5. Kunt en wilt u het plan van aanpak voorrang geven aan die bedrijven waarbij er sprake is van een overbelaste situatie en daar waar sprake is van een hoge en onnodige stikstofbelasting die juist voor ons zo belangrijk is. Antwoord: De belasting van stikstof op Natura-2000 gebieden wordt niet meegenomen/beoordeeld door de gemeente in de milieuvergunningprocedure, maar in de procedure voor het verkrijgen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegd gezag hiervoor is de provincie. Een ondernemer wordt altijd geadviseerd om de vergunning voor de Wnb en de milieuvergunning overeen te laten komen. In de basis zijn we het eens met een aanpak waarbij de meest knellende situaties het eerst aan bod komen.

3

Pag. 4 van 4

Vraag 6. Kunt en wilt u 59 plus 5 IPPC bedrijven informeren over de Actualisatieplicht en hun verzoeken zich hier alvast op voor te bereiden. Dit bespaart de gemeente daar mee tijd en kosten. Antwoord: Er zal beoordeeld/gecontroleerd moeten worden, voorafgaand aan een dergelijk schrijven, of een bedrijf wel of niet voldoet aan de BBT-conclusies. Een bedrijf aanschrijven en vragen om voor het eigen bedrijf te beoordelen of voldaan wordt aan BBT is niet logisch. Vraag 7. Hebt u de vergunning voor de Venrayseweg 145 ook meegenomen in overzicht van de IPPC bedrijven? U hebt al een ontwerp intrekking van de vergunning ter inzage gelegd begin dit jaar. Is die al ingetrokken en staat hij daarom wel/niet op de lijst? Antwoord: Zolang de intrekkingsprocedure voor dit bedrijf niet geheel doorlopen is, blijft het bedrijf op de lijst staan met IPPC-bedrijven. Het klopt dat er een ontwerp intrekkingsbesluit is genomen, echter tot op heden is er geen definitief intrekkingsbesluit genomen. Nadat de definitieve intrekking is genomen, zal het bedrijf weggehaald worden van de IPPC-lijst. Vraag 8.

Is aan de codes van de stalsystemen niet te zien of deze aan BBT voldoen van dit moment, wat snel zou kunnen, om daarna middels een snel bezoek in ieder geval te zien of men aan de vergunning voldoet op dit vlak? Of zijn de tekortkomingen hieruit niet direct te constateren? Antwoord: Aan de Rav-codes is te zien welk stal- of huisvestingssysteem op het bedrijf vergund is. Uit controlerapporten (indien aanwezig) blijkt of het toegepaste stal- of huisvestingssysteem voldoet aan de eisen van het betreffende systeem. Controlerapporten zijn echter vaak niet aanwezig. Bij het actualiseren van de vergunningen is het daarom dus van belang, als er geen actuele controlerapporten zijn, dat het bedrijf voorafgaand aan de actualisatie wordt bezocht. Als vervolgens blijkt dat het toegepaste stalsysteem niet voldoet dan voldoet het bedrijf niet aan BBT. Dit zal worden voorgelegd aan vergunninghouder. Als die niet bereid is veranderingen door te voeren, dan zal de vergunning alsnog, omdat deze niet voldoet aan BBT gedeeltelijk ingetrokken moeten worden. Als vergunninghouder wel veranderingen ten opzichte van de vergunde situatie zoals die op papier staat wil doorvoeren, is hiervoor een procedure nodig. Hij zal dan een aanvraag moeten indienen voor een (nieuwe) milieuvergunning. Vraag 9.

Uit het overzicht blijkt dat bedrijf 27, 55 en 57 met geen overdreven aantallen varkens, bijna 39.000 kg/jr ammoniak uitstoot. Dit zijn extreme hoeveelheden die om directe actie vragen. Welke actie gaat u ondernemen? Dit mede omdat wij als gemeente zo een wezenlijke bijdrage aan de vermindering van ammoniak uitstoot kunnen leveren, waardoor bouwactiviteiten weer opgestart kunnen worden. Antwoord: Nummer 27: betreft een pluimveehouderij met een ammoniaktotaal van 15.704,8 kg NH3/jaar; Nummer 55; betreft een pluimveehouderij met een of/of vergunning voor het houden van kalkoenen of vleeskuikens. In de worst case situatie is sprake van een ammoniaktotaal van 10.755,6 kg NH3/jaar; Nummer 57; betreft een varkenshouderij met een ammoniaktotaal van 4.247,9 kg NH3/jaar. De verkeerde totalen zijn in de eerdere beantwoording aangegeven. Bovenstaande ammoniaktotalen zijn correct.

4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9822692/1