CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

M.Tacken Inspreken bp Parapluplan

Gemeenteraad 6 april 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Burgerpodium.3.912 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Geachte raadsleden, Dinsdag 6 april spreekt u over voorstellen met betrekking tot het beschikbaar stellen van een krediet van € 251.000 ter uitvoering van een programma sociale integratie arbeidsmigranten, het paraplubestemmingsplan arbeidsmigranten en de richtlijnen omgevingsgesprek Horst aan de Maas. En op 20 april neemt u over deze voorstellen een besluit. De Werkgroep Huisvesting Arbeidsmigranten heeft onder andere over de inhoud van deze voorstellen gesprekken gevoerd met wethouder Bouten. Die gesprekken waren plezierig en onzes inziens bovenal vruchtbaar. Dat neemt niet weg dat we op de voorstellen nog op- en aanmerkingen hebben, die de voorstellen onzes inziens kunnen verbeteren. De bedoeling is dat wij – vertegenwoordigd door Mathieu Tacken – gebruik maken van het burgerpodium, om aan te geven welke verbeteringen wij voorstaan. Maar de gegeven tijd – vijf minuten – is te kort om voldoende recht te doen aan onze op- en aanmerkingen. Vandaar dat wij u ook nog schriftelijk informeren over die op- en aanmerkingen. In onze bijdrage via het burgerpodium zullen we extra accenten geven met betrekking tot delen van deze brief. Bij voorbaat spreken wij onze hoop uit, dat u ontvankelijk bent voor de verbeteringen die wij u voorstellen.

Richtlijnen omgevingsgesprek Horst aan de Maas De leden van de Werkgroep Huisvesting Arbeidsmigranten hebben ervaring met omgevingsgesprekken die gevoerd zijn met initiatiefnemers op diverse plekken in de gemeente. Die ervaringen waren in het algemeen niet erg positief. Maar er is ook sprake van positieve ervaringen. Het lijkt ons zaak van zowel de negatieve als de positieve ervaringen te leren. In de gesprekken met wethouder Bouten en ondersteunende ambtenaren zijn al zaken naar voren gekomen, die we ook terugzien in de uiteindelijke versie van de richtlijnen die nu voorliggen. Daarvoor danken wij de wethouder en de ambtenaren. Desalniettemin nog enkele opmerkingen. Tijdens de omgevingsgesprekken die hebben plaatsgevonden valt op dat er – zeker als de complexiteit van het initiatief groter is (en juist daarvoor acht het college een omgevingsgesprek van belang) er een disbalans bestaat wat betreft kennis en vaardigheid tussen de initiatiefnemer(s) en de buurt. Initiatiefnemers worden vaak ondersteunt door terzake deskundigen (juridisch, planologisch, enzovoorts). Eén van de elementen die daarom opgenomen zijn in de richtlijnen is de mogelijkheid van buurten om ondersteuning te vragen bij onder andere Synthese en natuurlijk kan de Werkgroep Huisvesting Arbeidsmigranten – indien buurten dat wensen – haar ervaringen ten dienste stellen.

Dat neemt niet weg dat we enkele aanvullende voorstellen naar voren willen brengen die de positie van belanghebbenden meer in balans brengen en die vooralsnog niet zijn meegenomen in de richtlijnen. -

Voorafgaande aan de start van een omgevingsgesprek zou het goed zijn, als door de gemeente het initiatief genomen wordt om een bijeenkomst te organiseren voor belanghebbenden (in ieder geval de buurt en wellicht nog andere belanghebbenden). In deze bijeenkomst zou niet ingegaan moeten worden op de inhoud van het initiatief. Dat is aan de initiatiefnemer zelf, zoals ook in de richtlijnen wordt gesteld. In de door ons bedoelde bijeenkomst is het zaak dat de gemeente de buurt informeert over bijvoorbeeld de te volgen procedure, de positie (rol) van de gemeente, de mogelijkheden voor ondersteuning, relevante informatie met betrekking tot (bijvoorbeeld) bestemmingsplannen en wet- en regelgeving.

-

Belangrijk is de constatering – die de wethouder ook al eerder aan uw raad kenbaar heeft gemaakt – dat er naast de buurt ook belanghebbenden kunnen zijn, die niet in de directe

omgeving van de geplande locatie wonen of vanuit een organisatie belanghebbenden zijn. In de nu voorgestelde richtlijnen wordt het aan de initiatiefnemer gelaten om de belanghebbenden uit te nodigen voor een omgevingsgesprek. Op zich logisch. Maar een initiatiefnemer zal niet altijd in beeld hebben wie m.b.t. diens plannen allemaal belanghebbenden (kunnen) zijn. De gemeente verkeert onzes inziens in een betere positie om te overzien wie die belanghebbenden zijn. Daarom hebben wij er bij de wethouder voor gepleit – en nu dus ook in uw richting – dat de gemeente aan de initiatiefnemer doorgeeft, welke mensen, groepen en/of organisaties belanghebbenden zijn en dus uitgenodigd zouden dienen te worden. -

Wij hebben geconstateerd dat de publicatie van een vergunningaanvraag (zoals nu plaats vindt in de Hallo) te summier en beperkt is. In de Hallo wordt momenteel slechts aangegeven dat er m.b.t. een bepaalde locatie (straatnaam) iets aan de hand is. Maar wat er aan de hand is blijft onduidelijk. Daarvoor zou men verdere informatie moeten zoeken op internet. Wij hebben wethouder Bouten dan ook voorgesteld om in de publicatie in de Hallo aan te geven, waar concreet een initiatief genomen wordt, wat de inhoud is van dat initiatief (waar wordt bijvoorbeeld vergunning voor aangevraagd) en waar verdere informatie ingewonnen kan worden over dat initiatief. Burgers kunnen dan zelf beoordelen of zij belanghebbenden zijn en zich als zodanig aanmelden.

-

In de gesprekken met de wethouder is onder andere ingegaan op de positieve ervaringen van de buurt bij het omgevingsgesprek met betrekking tot het initiatief van Van Dijk in America. Het proces dat in dat omgevingsgesprek is gevolgd heeft volgens de deelnemers aan dat omgevingsgesprek een belangrijke bijdrage geleverd aan het succes van dat gesprek (naast een aantal andere factoren). Wij hebben dan ook bepleit om – in korte bewoordingen – het proces te beschrijven dat in voorkomende gevallen gevolgd zou kunnen worden. Het leek de wethouder en een van de betrokken ambtenaren een goed idee om die procesbeschrijving mee te nemen in de richtlijnen (niet als een gebod, maar als een advies). In de uiteindelijke versie die voor u ligt, zien we dat echter niet terug. Dat proces zoals we

dat in de besprekingen met wethouder Bouten in steekwoorden hebben geformuleerd: informeren van de buurt door de initiatiefnemer – vragen van de buurt en antwoorden van de initiatiefnemer– reactie van de buurt op het initiatief – inventariseren van alternatieven – aangepast plan óf plan van tafel – conclusies – vaststellen van het verslag en eventueel (bij grote verschillen) een parallel verslag opstellen en versturen bij aanvraag – gesprek met de gemeente (aanvrager én buurt) om het verslag toe te lichten. -

Meermaals heeft de Werkgroep Huisvesting Arbeidsmigranten gepleit voor het vastleggen van criteria waaraan een goed omgevingsgesprek zou moeten voldoen. Uiteindelijk heeft de wethouder dat niet meegenomen in de “richtlijnen”. Dat is jammer, want naast de procesbeschrijving, zoals hiervoor bepleit kan het formuleren van zulke criteria mee sturen in wat in het omgevingsgesprek minimaal aan de orde moet komen en tegelijkertijd weten initiatiefnemer en buurt waar ze aan toe zijn.

De hiervoor toegelichte verbetervoorstellen dragen onzes inziens bij aan – wat in de richtlijnen ook benadrukt wordt – het voorkomen van allerlei juridische procedures nadat een vergunning verleend

is, zonder dat daar een basis voor is gezocht en gevonden in de omgeving en andere belanghebbenden. In de “richtlijnen” wordt aangegeven dat onderzocht gaat worden of het voeren van een omgevingsgesprek en daar verslag van doen kan gelden als een indieningsvereiste. Aanvankelijk heeft het college aangegeven dat ze dat daadwerkelijk als indieningsvereiste wilde hanteren. Maar gaandeweg twijfelde het college aan de rechtsgeldigheid van zulk een indieningsvereiste. Dat betekent in ieder geval voor de huidige status van het omgevingsgesprek dat het college dit wel verplicht stelt – wat ons betreft een goede zaak – maar dat die verplichting geen juridische consequentie heeft als een initiatiefnemer die verplichting negeert. Dan staat de buurt alsnog buiten spel. En zélfs als er wel een omgevingsgesprek heeft plaats gevonden en er concrete afspraken zijn gemaakt, dan heeft de overheid (c.q. de gemeente) weinig middelen om het nakomen van die afspraken af te dwingen. Dat betekent onzes inziens dat er andere middelen gezocht dienen te worden op basis waarvan er tóch middelen zijn om bij de initiatiefnemer af te dwingen dat hij zich aan zijn afspraken houdt. Daartoe heeft de Werkgroep Huisvesting Arbeidsmigranten – in het kader van het paraplubestemmingsplan (zie hierna) – een concreet voorstel gedaan om als gemeente wél zo’n middel in handen te krijgen.

Het voornemen van het college is om bij vergunningverlening voor huisvesting van arbeidsmigranten een tijdelijke vergunning te verlenen voor tien jaar. Een belangrijk argument dat het college daarvoor hanteert (en dat ook is aangevoerd door een aantal belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend en die bepleiten zelfs voor langere tijd vergunning te verlenen) is het gegeven dat realiseren van adequate en – vanuit humanitair oogpunt – toereikende huisvesting van de initiatiefnemer een behoorlijke investering verlangt. Zoals u kunt lezen in de zienswijze van de Werkgroep Huisvesting Arbeidsmigranten hebben wij ervoor gepleit om een tijdelijke vergunning voor vijf jaar te verstrekken, met de mogelijkheid deze voor nog eens vijf jaar te verlengen. In onze optiek geldt voor de verlenging met nog eens vijf jaar slechts één criterium: heeft de initiatiefnemer zich gehouden aan de afspraken die hij in het omgevingsgesprek gemaakt heeft met de buurt. Is dat niet het geval dan wordt de vergunning niet verlengd. Daarmee heeft de gemeente een concreet middel in handen om het nakomen van afspraken af te dwingen. Voor een initiatiefnemer zal immers – uitgaande van het argument dat gehanteerd wordt voor het verlenen van een tijdelijke vergunning voor tien jaar – diens investering moeten renderen en dus is er – ons voorstel volgend - een extra belang zich te houden aan de afspraken.

De gemeente (en daarmee de buurt) heeft dan een stok achter de deur die - wat ons betreft - hopelijk niet vaak ingezet hoeft te worden. Reactie B&W op zienswijze Werkgroep Huisvesting Arbeidsmigranten Zoals hiervoor aangegeven hebben we als Werkgroep Huisvesting Arbeidsmigranten plezierige en vruchtbare gesprekken gevoerd met wethouder Bouten en een aantal ambtenaren. In één van die gesprekken (d.d. 20-1-’21) heeft wethouder Bouten toegezegd (en we citeren uit de afsprakenlijst die hij na het gesprek aan de werkgroep heeft toegestuurd): “We gaan met de Raad in gesprek over huisvesting van arbeidsmigranten, waarin de thema’s clustering en spreiding aan bod komen. Dit gesprek vindt plaats voordat het paraplubestemmingsplan wordt vastgesteld, zodat de uitkomsten hiervan meegenomen kunnen worden in de aanpassing en vaststelling van het paraplubestemmingsplan”. Tot onze spijt moeten we constateren dat deze afspraak niet is nagekomen. Gemeld wordt dat dit overleg vergt met de andere gemeenten in de regio, c.q. regionale afstemming verlangt. De Werkgroep Huisvesting Arbeidsmigranten hecht aan afspraken die gemaakt zijn en wethouder Bouten heeft in de gesprekken met de werkgroep meermaals benadrukt dat hij het vertrouwen – dat in een eerdere fase door de gemeente beschaamd was – terug wilde winnen

door afspraken na te komen. Wij constateren dat de wethouder dat op een groot aantal punten de afspraken ook is nagekomen en daarmee heeft hij het vertrouwen van de werkgroep herwonnen. Dat hebben we in ons laatste gesprek met hem ook bevestigd. In dat perspectief weegt het niet nakomen van de hiervoor geciteerde afspraak extra zwaar, te meer omdat “clustering en spreiding” in de gesprekken tussen de werkgroep en de wethouder steeds een belangrijk item zijn geweest. Volgens de werkgroep is het van essentieel belang dat er meer duidelijkheid moet komen (om niet te spreken van “garanties”) dat clustering voorkomen en spreiding gerealiseerd wordt. Tegen deze achtergrond verzoeken wij het college – en indien het college dat verzoek afwijst – de gemeenteraad om te besluiten het paraplubestemmingsplan vooralsnog niet vast te stellen en eerst de resultaten van regionaal overleg/regionale afstemming af te wachten. Indien het college of de raad daarvoor zou kiezen biedt dat extra ruimte om het paraplubestemmingsplan te optimaliseren. In onze zienswijze hebben wij betoogd dat de door het college beoogde actualisering niet volledig is doorgevoerd. Dat betekent dat een aantal misstanden zoals die door het Aanjaagteam o.l.v. Roemer verder aan het licht zijn gebracht, nog jaren kunnen blijven bestaan. Met betrekking tot een aantal aspecten hebben we concrete voorbeelden gegeven.

Het college beaamt in haar reactie op onze zienswijze ook dat die actualisatie niet geheel tot stand is gekomen. Door het paraplubestemmingsplan vooralsnog niet vast te stellen, maar te wachten op de regionale afstemming kan ondertussen gewerkt worden aan een verdere actualisering (op basis van nieuwe bevindingen, de aanbevelingen van het Aanjaagteam o.l.v. Roemer en ontwikkelingen op andere niveaus) van het voorliggende paraplubestemmingsplan, dat – uitgaande van de “levensduur” van het huidige paraplubestemmingsplan – een groot aantal jaren de feitelijke basis legt onder het beleid van de gemeente met betrekking tot huisvesting van arbeidsmigranten in de gemeente Horst aan de Maas. Een derde reden om de regionale afstemming af te wachten alvorens het paraplubestemmingsplan daadwerkelijk vastgesteld wordt is gelegen in het voorstel van de werkgroep om meer gestalte te geven aan de wens van de gemeente om de regie te voeren bij de huisvesting van arbeidsmigranten. Dat voorstel betreft de mogelijkheid van de gemeente om – in samenwerking met partijen als ondernemersorganisaties, vakbonden, vertegenwoordigers van arbeidsmigranten, woningcorporaties en – eventueel - uitzendbureaus te komen tot “gemeentelijke huisvesting” zoals we in ons zienswijze nader hebben toegelicht.

Wellicht kan de realisatie van zulk een gemeentelijke huisvesting (ook) op regionaal niveau gerealiseerd worden. En – indien de gemeenteraad dat wenst – kan zij zich in een themaraadsvergadering nader laten informeren over de opzet en mogelijkheden van zulk een gemeentelijke huisvesting, waarbij de participanten van een vergelijkbaar initiatief in Westfriesland (zie notitie “Please in my Back Yard – duurzame huisvesting voor flexibele arbeidskrachten”) uitgenodigd kunnen worden. In aansluiting op voorgaande kan vervolgens beoordeeld worden of er nog een noodzaak is om gebruik te maken van de ruimte die beleidsmatig is geschapen voor twee locaties met grootschalige huisvesting, als in huisvestingsmogelijkheden voorzien is door de gemeentelijke huisvesting. Zou alsdan blijken dat er nog steeds behoefte is aan locaties voor grootschalige huisvesting, dan kan de periode dat het voorstel voor het paraplubestemmingsplan aangehouden wordt benut worden om de ruimtelijke regels voor deze grootschalige huisvesting te integreren in het paraplubestemmingsplan. Wat de concrete reactie van het college van B&W op onze zienswijze betreft willen wij nog het een en ander op- en aanmerken.

-

In onze zienswijze hebben we een aantal zaken vragenderwijs of in de vorm van een voorstel gepresenteerd. De zienswijze is – op een aantal zaken na – niet bedoeld als een bezwaarschrift, maar – zoals het woord het zegt – een “zienswijze”. Het bevreemd dan ook dat een vraag, een suggestie of een voorstel afgedaan wordt met het woord “ongegrond”.

-

In de gesprekken met de wethouder is vaker gesproken over de manier waarop de instroom van arbeidsmigranten in Horst aan de Maas beperkt kan worden. En ook in de gemeenteraad is vaker door verschillende fracties een (voorlopige) stop op die instroom bepleit. Eén van de middelen daartoe zou de bepaling kunnen zijn dat alleen arbeidsmigranten gehuisvest mogen worden die werkzaam zijn in de gemeente Horst aan de Maas. Wethouder Bouten gaf te kennen dat dit vanwege internationale bepalingen niet mogelijk zou zijn. Wat schetst onze verbazing als we onlangs in Dagblad De Limburger lezen dat een gemeente als Peel en Maas wél deze restrictie heeft opgenomen in haar beleid. Nu blijkt dat het in Peel en Maas wél mogelijk blijkt een bepaling op te nemen die huisvesting beperkt tot arbeidsmigranten die werkzaam zijn in de gemeente Peel en Maas willen wij er op deze plek nog eens voor pleiten ook in Horst aan de Maas huisvesting te beperken tot arbeidsmigranten die in Horst aan de Maas werkzaam zijn.

-

Een verdere beperking van de instroom van arbeidsmigranten kan bewerkstelligd worden door huisvesting van arbeidsmigranten bij agrarische bedrijven alleen toe te staan in de gevallen dat die arbeidsmigrant werkzaam is bij het agrarische bedrijf dat de huisvesting realiseert. Het “uitlenen” van arbeidsmigranten die gehuisvest zijn bij een agrarisch bedrijf (onder het mom dat die arbeidsmigranten “noodzakelijk” zijn voor de bedrijfsvoering van dat agrarisch bedrijf) naar andere bedrijven, waaronder ook de logistiek – zoals nu in het paraplubestemmingsplan feitelijk wordt toegestaan en nog eens benadrukt wordt in de reactie van het college van B&W op onze zienswijze – wordt daarmee gestopt! Een verdienmodel, gebaseerd op met name huisvesting in plaats van ondersteuning van de eigen bedrijfsactiviteiten, wordt daarmee uitdrukkelijk voorkomen.

-

De stelling van het college dat arbeidsmigranten die hier slechts tijdelijk verblijven (“shortstay”) niet gehuisvest worden in de dorpen, is onjuist. De restrictie die het college op dit punt aanbrengt (“slechts vier personen in een woning en indien men geregistreerd staat in het BRP”) houdt huisvesting van tijdelijke arbeidsmigranten in de dorpen niet tegen. En dat geldt zeker indien de aanbeveling van het aanjaagteam o.l.v. Roemer overgenomen wordt dat een arbeidsmigrant vanaf dag één dat hij in Nederland aankomt geregistreerd dient te staan.

-

In haar reactie op onze zienswijze stelt het college dat het paraplubestemmingsplan geen mogelijkheden biedt voor huisvesting van arbeidsmigranten op recreatieterreinen. In de bespreking van het paraplubestemmingsplan in de raad heeft wethouder Bouten op vragen van raadslid Douven over het toestaan van “woonunits” aangegeven dat daartegen geen bezwaar zou zijn, mits de voorziening maar voldoet aan de SNF-normen. De mogelijkheid om woonunits te gebruiken voor huisvesting van arbeidsmigranten lijkt wel erg op het bieden van de mogelijkheid van huisvesting op recreatieterreinen, waar vergelijkbare voorziening geboden worden. Mogen we niet stellen dat een terrein dat eruitziet als een recreatieterrein, functioneert als een recreatieterrein en de voorzieningen biedt als een recreatieterrein, niet gewoon een recreatieterrein is, dan wel een recreatieterrein

genoemd mag worden? Met ander woorden: waarom staat u woonunits wél toe en verblijf op recreatieterrein niet? En even om misverstanden te voorkomen: de werkgroep acht in zijn algemeenheid beide mogelijkheden niet gewenst. -

Een aantal punten in onze zienswijze worden in de reactie van het college van B&W in samenvatting genoteerd. En vervolgens wordt op die “samenvatting” gereageerd. Met als gevolg dat onrecht wordt aangedaan aan het voorstel dat we als werkgroep opperen. Het meest concrete voorbeeld betreft het volgende: “Reclamant vraagt om de opgenomen 10 jaar in het kader van de vergunningsduur in te korten naar 5 jaar”. Vervolgens stelt het college dat “vijf jaar te kort is”. Daarmee wordt de reactie misleidend. Feitelijk stelt de werkgroep ook voor om een tijdelijke vergunning voor tien jaar te verstrekken, maar dan opgesplitst in twee keer vijf jaar, waarbij het tweede blok van vijf jaar een “verlenging” impliceert die doorgaat indien de huisvester de afspraken die tijdens het omgevingsgesprek gemaakt zijn met de buurt, nagekomen is. In onze reactie op de “richtlijnen omgevingsgesprek Horst aan de Maas” hebben wij die stellingname al nader toegelicht en onderbouwd. Wij roepen de gemeenteraad op om alsnog het voorstel van de werkgroep op dit punt over te nemen, zodat de gemeente daadwerkelijk instrumenten ter beschikking krijgt om – zoals het college eerder zelf voorgenomen heeft – meer regie te krijgen over de (manier van) huisvesten van arbeidsmigranten in Horst aan de Maas.

-

Hetzelfde geldt voor de reactie van het college op ons bezwaar tegen het toestaan van de huisvesting van 80 arbeidsmigranten. Dit bezwaar dient gezien te worden in het perspectief van de opmerking die meteen volgt, namelijk “te meer, omdat artikel 5.1.f het mogelijk maakt – op basis van bedrijfseconomische overwegingen – nog grotere aantallen arbeidsmigranten te huisvesten (waar verder geen maximum aan is gesteld). Feitelijk wordt door deze bepaling de deur wagenwijd opengezet om – naast de twee nog te realiseren locaties voor grootschalige huisvesting - een ongelimiteerd aantal locaties met grootschalige huisvesting te realiseren in het buitengebied, bij agrarische bedrijven. Dat wordt nog eens versterkt door nadrukkelijk in de reactie van het college op te merken dat het tevens toegestaan wordt arbeidsmigranten te huisvesten bij een agrarisch bedrijf die ook voor derden en in andere sectoren (bijvoorbeeld de logistiek) werkzaam zijn. Daarmee biedt het college ondernemers in het buitengebied de mogelijkheid om onder het mom van “agrarische bedrijvigheid” een nieuw verdienmodel te ontwikkelen! Dit betreft onzes inziens dan ook een bepaling in het paraplubestemmingsplan die op z’n minst misleidend is en derhalve niet opgenomen zou moeten worden als het college haar intenties die ze eerder heeft uitgesproken, waar wil maken!

-

Tenslotte is onze opmerking waarbij wij aangeven dat het huisvesten van vier arbeidsmigranten in een woning in een van de kernen niet volledig als niet ook onze aanvullende opmerking meegenomen wordt dat de huisvesting van vier personen in de voorheen als “seniorenwoning” gelabelde huizen niet geschikt zijn voor huisvesting van vier personen. Terwijl die woningen nu al vaak toegewezen worden aan arbeidsmigranten!

We willen dit onderdeel van onze brief aan uw gemeenteraad afsluiten met de opmerking dat wij het nog steeds een gemis vinden dat “een goed woon- en leefklimaat” niet concreter genormeerd is. In de reactie van het college op onze zienswijze wordt weliswaar uitvoeriger ingegaan op dat woon- en leefklimaat en daarbij wordt ook aangegeven dat het woon- en leefklimaat van omwonenden aandacht moet krijgen, waarbij de draagkracht van de omgeving een aspect dient te zijn. Die

toevoeging waarderen wij, maar dat laat onverlet dat een nadere concretisering (aan de hand van toetsbare criteria) normering onzes inziens noodzakelijk blijft. Wij hopen dat de gemeenteraad het college kan overhalen op dit punt explicieter stelling te nemen. Beschikbaar stellen krediet van € 251.000 ter uitvoering van programma sociale integratie In de gesprekken met wethouder Bouten en ambtenaren heeft de Werkgroep Huisvesting Arbeidsmigranten herhaaldelijk gepleit voor sociale integratie van arbeidsmigranten in de samenleving van Horst aan de Maas in het algemeen en in de buurten waarin de arbeidsmigranten gehuisvest worden in het bijzonder. Daarbij hebben we vooral het belang van het leren van de Nederlandse taal benadrukt, omdat de beheersing van die taal door arbeidsmigranten in de communicatie met burgers uit de omgeving in veel gevallen problemen kan voorkomen. Goede communicatie is hét smeermiddel voor een harmonische samenleving. Maar beheersing van de Nederlandse taal heeft ook direct te maken met de veiligheid op de werkvloer en ook daar met de samenwerking tussen werknemers onderling. Bedrijven die gebruik maken van arbeidsmigranten hebben er dus belang bij dat die werknemers de taal beheersen. Uit het voorstel van het college aan de gemeenteraad blijkt – in afgeleide vorm – de impact van de komst van arbeidsmigranten naar Horst aan de Maas.

Die arbeidsmigranten worden actief geworven om naar Horst aan de Maas te komen, primair om bij te dragen aan de doelen van bedrijven, waarvan het maken een van winsten een van de belangrijkste is. In het algemeen zijn het dan ook de bedrijven die het meest profiteren van de goedkope arbeidskrachten van elders uit de EU. Zij hebben de lusten. Ondertussen worden de lasten die dat met zich meebrengt, afgewenteld op de samenleving. Zoals uit het voorstel van B&W blijkt. De samenleving – via de gemeentekas – trekt nu nog eens extra € 251.000 uit voor de integratie. Al een hele tijd wordt door het college gesteld dat ze hard bezig zijn met werkgevers en huisvesters over hun bijdrage aan taalonderwijs en integratie van hun werknemers. Maar kennelijk hebben die werkgevers en huisvesters nog steeds geen zin om een substantiële bijdrage te leveren en komen ze niet met geld over de brug. Dat is een kwalijke zaak. Te meer omdat duidelijk wordt dat het structurele budget van de gemeente niet toereikend is. Op 10 november 2020 heeft de gemeenteraad een motie van de SP aangenomen, waarin de raad het college opdracht heeft gegeven instrumenten te ontwikkelen om werkgevers mee te laten betalen aan de maatschappelijke kosten (huisvesting, veiligheid, toezicht/handhaving) en taalonderwijs en integratie in de wijk en in onze gemeenschap te stimuleren.

Op die manier zouden de maatschappelijke kosten verrekend kunnen worden met degenen die profiteren van de inschakeling van arbeidsmigranten. Wij doen een dringend beroep op de gemeenteraad van Horst aan de Maas het college van B&W te herinneren aan deze opdracht en te vragen hoever ze zijn met deze opdracht én belangrijker nog op welke termijn zij daadwerkelijk tot resultaten komen. Wij wensen u als raadsleden veel wijsheid en daadkracht toe in de raadsvergaderingen van 6 en 20 april omtrent de zaken die we in dit stuk aan de orde hebben gesteld. Met vriendelijke groet, Paul Geurts (namens de Werkgroep Huisvesting Arbeidsmigranten)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9971391/1