landelijk 2 klimaatakkoord
Tekst van het document
Klimaatakkoord
Den Haag 28 juni 2019
Klimaatakkoord
Den Haag 28 juni 2019
2
Inhoud A Inleiding ................................................................................................................ 4 B Een adaptief klimaatakkoord met 5 pijlers ................................................................... 7 B1 Eén doel: -49% in 2030 ...................................................................................... 7 B2 Verhoging van de Europese doelstelling naar -55% ................................................. 7 B3 Uitgangspunten monitoring .................................................................................. 8 B4 Governance ....................................................................................................... 9 C Afspraken in sectoren ............................................................................................. 15 C1 Gebouwde omgeving .......................................................................................... 15 C1.1 Visie 2050 .................................................................................................. 15 C1.2 Opgave en ambitie 2030 ............................................................................... 15 C1.3 Aanpak gebouwde omgeving .........................................................................
16 C1.4 Opschaling en kostenreductie mogelijk maken: arrangementen en standaarden....17 C1.5 Financiering van de verduurzaming van woningen en gebouwen ......................... 21 C1.6 Wegnemen onrendabele top: beprijzen en subsidiëren woningbouw .................... 23 C1.7 Een wijkgerichte aanpak ............................................................................... 23 C1.8 Een voortvarende start via de startmotor huursector ........................................ 31 C1.9 Nieuwbouw nu al aardgasvrij ......................................................................... 32 C1.10 Normering en opschaling verduurzaming Utiliteitsbouw ................................... 33 C1.11 Meer duurzame warmte .............................................................................. 37 Annex ............................................................................................................... 41 C2 Mobiliteit .......................................................................................................... 45 C2.1 Visie en ambitie 2050 ................................................................................... 45 C2.2 Opgave en ambitie 2030 ............................................................................... 48 C2.3 Afspraken Duurzame hernieuwbare energiedragers in mobiliteit .........................
48 C2.4 Afspraken Elektrisch vervoer ......................................................................... 52 C2.5 Verduurzaming in logistiek ............................................................................ 65 C2.6 Afspraken Verduurzaming personenmobiliteit ................................................... 70 C2.7 Zeevaart en luchtvaart ................................................................................. 80 C3 Industrie .......................................................................................................... 83 C3.1 Visie 2050 .................................................................................................. 83 C3.2 Opgave en ambitie 2030 ............................................................................... 83 C3.3 Instrumentarium ......................................................................................... 88 C3.4 Overige afspraken ..................................................................................... 109 C4 Landbouw en Landgebruik ................................................................................ 117 C4.1 Visie 2050 ................................................................................................ 117 C4.2 Opgave en ambitie 2030 .............................................................................
118 C4.3 Generieke voorwaarden .............................................................................. 121 C4.4 Emissiereductie Veehouderij ........................................................................ 127
3 C4.5 Landgebruik .............................................................................................. 136 C4.6 Glastuinbouw ............................................................................................ 146 C4.7 Voedselconsumptie en -keten ...................................................................... 151 C5 Elektriciteit ..................................................................................................... 157 C5.1 Visie 2050 ................................................................................................ 157 C5.2 Opgave en ambitie 2030 ............................................................................. 157 C5.3 Perspectief richting 2050 ............................................................................ 158 C5.4 Windenergie op zee ................................................................................... 159 C5.5 Productie uit hernieuwbare bronnen op land .................................................. 162 C5.6 Elektriciteitssysteem en infrastructuur .......................................................... 168 C5.7 Waterstof ................................................................................................. 171 C5.8 Instrumentarium .......................................................................................
175 C5.9 Ruimtelijke inpassing ................................................................................. 179 C5.10 Hogere ambities voor 2030 ....................................................................... 181 D Cross-sectorale samenhang ................................................................................... 185 D1 Systeemintegratie ........................................................................................... 185 D2 Biomassa ....................................................................................................... 188 D3 Integrale kennis- en innovatieagenda ................................................................. 191 D4 Arbeidsmarkt & Scholing .................................................................................. 201 D5 Bevordering draagvlak ..................................................................................... 216 D6 Ruimte .......................................................................................................... 220 D7 Regionale Energie Strategie (RES) ..................................................................... 222 D8 Financiering door de markt ............................................................................... 229 D9 Uitgangspunten uitwerking Verbreding SDE+ ......................................................
232 D10 Een voorbeeldrol voor de Rijksoverheid ............................................................. 236
4
A Inleiding
In het Klimaatakkoord van Parijs is in 2015 afgesproken dat de opwarming van de aarde wordt beperkt tot minder dan twee graden Celsius ten opzichte van het pre-industriële tijdperk. Het streven is om de opwarming beperkt te houden tot anderhalve graad. Het kabinet heeft met het nationale Klimaatakkoord een centraal doel: het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met 49 % ten opzichte van 1990. Het kabinet pleit in Europa voor een broeikasgasreductie van 55% in 2030. Mocht een aangescherpte doelstelling in de EU niet haalbaar blijken, dan zal Nederland ernaar streven om met gelijkgestemde Noordwest-Europese landen tot ambitieuzere afspraken te komen dan de door de EU toegewezen landenallocatie. Omdat de uitkomst van de internationale gesprekken nog niet vaststaat, kan de uiteindelijke doelstelling voor 2030 afwijken van de 49% waar het kabinet nu van uitgaat. Een betekenisvolle stap is gezet in de Europese Raad van 20 juni 2019, waarbij een grote meerderheid van de lidstaten klimaatneutraliteit voor 2050 heeft omarmd. Het centrale doel van het Klimaatakkoord, het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen, raakt aan het leven van alledag. De transitie is in de eerste plaats een maatschappelijke transitie.
Burgers en bedrijven staan voor een reeks beslissingen die van invloed zijn op hoe we wonen, ons verplaatsen, wat we eten, de producten die we kopen, hoe we ons geld verdienen. Het zijn niet altijd gemakkelijke keuzen, waarbij burgers en bedrijven bovendien op elkaar en op de overheid zijn aangewezen. Een bundeling van daadkracht, investeringen, kennis en kunde is nodig. Sinds februari 2018 hebben daarom meer dan 100 partijen gewerkt aan een samenhangend pakket aan voorstellen waarmee het CO2-reductiedoel in 2030 gerealiseerd kan worden. Het eindresultaat is het voorliggende Klimaatakkoord. Dit Klimaatakkoord zodoende een pakket aan maatregelen met een zo breed mogelijk maatschappelijk draagvlak, dat de actieve steun heeft van zoveel mogelijk bijdragende partijen en waarmee het politieke reductiedoel van 49% in 2030 wordt gerealiseerd. Leeswijzer Dit document is opgebouwd uit drie onderdelen. Deel B licht de doelstellingen van het Klimaatakkoord kort toe en beschrijft de uitgangspunten voor monitoring en governance. Deel C bevat de afspraken die aan vijf sectortafels zijn gemaakt: (C1) Gebouwde omgeving, (C2) Mobiliteit, (C3) Industrie, (C4) Landbouw en landgebruik, (C5) Elektriciteit. Deel D bevat de afspraken die zijn gemaakt voor de thema’s die meerdere sectoren raken.
De resultaten van de taakgroepen zijn samengevat in drie hoofdstukken: (D3) Integrale kennisen innovatieagenda, (D4) Arbeidsmarkt en scholing en (D8) Financiering door de markt. Rijkswerkgroepen hebben uitwerking gegeven aan de thema’s (D2) Biomassa en (D6) Ruimte. Hoofdstuk D7 geeft toelichting op de afspraken die zijn gemaakt over Regionale Energiestrategieën. Verder in deel D aandacht voor het overkoepelende thema Systeemintegratie (D1), afspraken gericht op bevordering van maatschappelijk draagvlak (D5), de invulling die de Rijksoverheid geeft aan haar voorbeeldrol (D10) en de uitgangspunten voor verbreding van de SDE+ regeling (D9).
B
Een adaptief klimaatakkoord met 5 pijlers
6
7
B Een adaptief klimaatakkoord met 5 pijlers B1 Eén doel: -49% in 2030 De opgave om de nationale broeikasgasuitstoot in 2030 met 49% terug te dringen ten opzichte van 1990 is het centrale doel van dit Klimaatakkoord. Het gesprek aan de tafels over invulling van deze opgave heeft plaatsgevonden aan 5 sectortafels. Om het gesprek over maatregelen en de concrete instrumenten mogelijk te maken en richting te geven is aan elke sectortafel een sectorale opgave toegekend: het aantal Mton dat per sector, ten opzichte van vastgesteld en reeds voorgenomen beleid, in 2030 moet zijn gereduceerd om samen in dat jaar te komen tot 49% reductie. De sectorale opgaven zijn indicatief. Ze zijn door het kabinet geformuleerd op basis van berekeningen van PBL over de nationale kosteneffectiviteit van verschillende CO2-reducerende maatregelen.
B2 Verhoging van de Europese doelstelling naar -55% Het kabinet heeft deelnemers aan het Klimaatakkoord gevraagd een op basis van kostenefficiëntie bepaalde reductiebijdrage te leveren waardoor de totale reductie in 2030 uitkomt op 49% ten opzichte van 1990. Het is echter denkbaar dat Nederland al in 2030 een verdere reductie moet bereiken dan de -49% op Nederlands grondgebied die in dit Klimaatakkoord centraal staat. Dat is afhankelijk van een Europees besluit over verhoging van de Europese CO2-reductiedoelstelling, dat in 2020 wordt verwacht. Het kabinet pleit in internationaal verband voor een verhoging van de Europese doelstelling naar 55% in 2030. Wat de doorvertaling van een dergelijke ambitie precies betekent is afhankelijk van doorvertaling in niet-ETS en ETS-doelen en (aanvullend) Europees bronbeleid. Zeker is dat door een ambitieuze verhoging van het Europees doel de (internationale) context al in 2020 zou kunnen veranderen. Het kabinet heeft de tafels van het Klimaatakkoord gevraagd na te denken over aanvullende maatregelen, als een verhoging van de Europese doelstelling naar 55% in 2030 – welkome internationale rugwind voor de inspanningen in dit akkoord – hiertoe (in 2020) zou nopen. Er is door het kabinet geen indicatieve vertaling gemaakt op basis van nationale kosteneffectiviteit in termen van de additioneel te reduceren tonnen per tafel.
De vraag naar de ‘aanvullende strategie’ is dan ook in de eerste plaats een vraag over tafels heen: wat als we méér zouden moeten doen dan -49% in 2030? Een antwoord op die vraag is niet alleen relevant in het geval in 2020 een besluit wordt genomen over een verhoging van de Europese doelstelling in 2030 naar -55%, maar onderdeel van de doorkijk naar 2050. Immers: verdergaande reductie is op z’n vroegst aan de orde voor 2030, maar anders met zekerheid in de jaren daarna. Vanwege lange doorlooptijden is het van belang dat de mogelijkheid van aanvullende maatregelen de komende jaren wordt meegewogen in de inzet op ontwikkeling van technologie; de investeringsplannen voor benodigde infrastructuur en de planning voor ruimtelijke inpassing. Meer doen dan wat in dit Klimaatakkoord is afgesproken impliceert een (verdere) stimulering van CO2-reducerende opties (productie en vraag) voorbij wat nodig is voor de -49% in 2030, via normering, beprijzing en subsidie. Dat is mogelijk, in de zin dat het technisch potentieel groter is dan het potentieel dat met de afspraken in dit Klimaatakkoord moet worden ontsloten. De sectoren hebben ten behoeve van het voorstel van Hoofdlijnen in de zomer van 2018 aanvullende opties geïnventariseerd voor verdergaande CO2-reductie. Veelal gaat het om intensivering van de technische maatregelen die onderdeel zijn van dit akkoord, waarbij
8 de kanttekening past dat over de technische haalbaarheid van nu nog duurdere opties grote onzekerheden bestaan. De afspraken in dit Klimaatakkoord zijn gericht op de realisatie van 49% reductie in 2030 binnen de financiële en niet-financiële kaders van het kabinet; en rekening houdend met andere voorwaardelijkheden die in de gesprekken aan de tafels naar voren zijn gekomen, ten aanzien van onder andere technische mogelijkheden, ruimtegebruik, en maatschappelijk draagvlak. Instrumentatie van eventuele aanvullende maatregelen is dus geen onderdeel van dit akkoord. Afspraken over (verdere) stimulering van CO2-verarming van productie en vraag, alsook een kosteneffectieve verdeling van in 2030 te reduceren ‘extra tonnen’, kunnen alleen dan worden gemaakt als de veranderde context na besluitvorming in 2020 (en marktverwachtingen) daadwerkelijk aan de orde is. Binnen de huidige internationale context – waarin bijvoorbeeld het ETS nog geijkt is op 40% reductie in Europa - stuiten afspraken over een hogere (nationale) ambitie dan -49% onvermijdelijk op de grenzen van de kaders die door het kabinet aan dit Klimaatakkoord zijn gesteld, in het bijzonder de wens om weglek van nationale inspanningen te vermijden.
Omdat een eventuele verhoging van het ambitieniveau naar verwachting gerealiseerd zal moeten worden door een zeer stevig deel elektrificatie, waaronder de conversie naar andere energiedragers in de sectoren industrie, mobiliteit, gebouwde omgeving en landbouw, zijn aan de elektriciteitstafel afspraken gemaakt over voorbereiding op dit opschalingsscenario en de randvoorwaarden die dan aan de orde zouden moeten zijn.
B3 Uitgangspunten monitoring In de Klimaat- en Energieverkenning (KEV), die vanaf 2019 jaarlijks in oktober verschijnt, zal gerapporteerd worden over de verwachte CO2-emissies in 2030, op basis van de stand van zaken rondom de klimaat- en energiehuishouding in Nederland en te verwachten toekomstige ontwikkelingen. Het referentiescenario in de KEV wordt jaarlijks geactualiseerd. De prognose van de verwachte emissies in 2030, en het doelbereik van 49% reductie in 2030, zal jaarlijks kunnen wijzigen als gevolg van zowel het op dat moment vastgesteld en voorgenomen beleid (al dan niet uit het Klimaatakkoord), als veranderingen in de (internationale) omgeving. Als achterblijvende inspanningen de oorzaak zijn van vertraging in de uitvoering van de afspraken, is het evident dat betrokken partijen elkaar hierop aanspreken. Het kunnen echter ook omstandigheden zijn in de (internationale) omgeving, waarop partijen geen invloed hebben, die maken dat het doelbereik in 2030 afwijkt (mee- of tegenvalt) ten opzichte van de indicatieve opgaven in dit Klimaatakkoord.
PBL zal in de KEV zo goed mogelijk inzichtelijk maken in welke mate mee- en tegenvallers in het doelbereik van het Klimaatakkoord (49% reductie in 2030) veroorzaakt worden door exogene factoren (bijvoorbeeld: een hoger of lager dan verwachte groei van de economie) of door internationaal en nationaal beleid, waaronder onvoldoende voortgang in de uitvoering van afspraken in dit Klimaatakkoord. Om stabiliteit te bieden aan alle partijen die uitvoering moeten geven aan het klimaatbeleid zal worden aangesloten bij de plan- en actualiseringscyclus die wordt vastgelegd in de Klimaatwet (en aansluit bij het Klimaatakkoord van Parijs, en de Lange Termijn Strategie en het Integraal Nationaal Energie en Klimaatplan die voortkomen uit EU-regelgeving). Dit houdt in dat herijking van de resterende opgave(n), en daarmee de heroverweging van benodigde inzet van (aanvullende) maatregelen en instrumenten, iedere vijf jaar plaatsvindt. Op dit vijfjaarlijkse moment van herijking wordt, vertrekkend vanuit het centrale CO2-reductiedoel, een integraal perspectief gehanteerd: over sectoren heen, met oog voor beleid in ons omringende landen en met een horizon van 10 jaar (inclusief doorkijk naar 2050). Dit betekent dat niet gestuurd wordt op de restemissies per sector.
9 In de tussenliggende jaren staat de voortgang van de concrete afspraken in dit klimaatakkoord centraal zoals die (jaarlijks) wordt vastgesteld op basis van de KEV en de jaarlijkse monitoring van de voortgang van het Klimaatakkoord. Het kabinet in heeft in zijn reactie op de beleidsdoorlichting Klimaatbeleid aangekondigd in te zetten op een integrale evaluatie voor het (nationaal) klimaatbeleid, waarin aandacht zal zijn voor de samenhang tussen instrumenten en sectoren die bijdragen aan het behalen van de nationale doelstellingen. 1 De ontwikkeling van het evaluatieplan (voorzien in het voorjaar, en nadat het Klimaatakkoord is gesloten) zal worden afgestemd met de ontwikkeling van de voortgangsmonitor (zie B4). ‘Indirecte emissiereductie’: CO2-keteneffecten en CO2-voetafdruk Het doel van het Klimaatakkoord is een nationaal reductiedoel, zoals volgt uit de Klimaatwet. Voor het klimaatbeleid en doelbereik van het klimaatakkoord wordt uitgegaan van de in VNverband (IPCC) afgesproken systematiek voor monitoring en rapportage van broeikasgasemissies. Deze systematiek monitort de emissies daar waar ze daadwerkelijk plaatsvinden (‘schoorsteenbenadering’). Zowel maatregelen binnen sectoren als maatregelen die sectorgrenzen overstijgen dragen bij aan het nationale CO2-doel.
In die tweede categorie vallen bijvoorbeeld de levering van restwarmte vanuit de industrie aan de gebouwde omgeving en de installatie van zonnepanelen op huizen. Dergelijke maatregelen worden in de emissieboekhouding niet dubbel geteld, maar tellen mee in de sector waar de reductie plaatsvindt. Voor het doelbereik van het Klimaatakkoord is het niet relevant aan welke sector CO2-reductie in de boekhouding wordt toegerekend. Aan de tafels van het Klimaatakkoord is de wens uitgesproken beter zicht te krijgen op de interactie tussen sectoren in de vorm van keteneffecten, zodat de gezamenlijke bijdrage van sectoren aan CO2-reductie duidelijk(er) wordt. Tevens is aandacht gevraagd maatregelen die bedrijven in Nederland kunnen nemen, maar waarvan de emissiereductie plaatsvindt in de (internationale) ketens waarin bedrijven opereren. Deze reducties worden niet aan Nederland toegerekend, maar dragen in potentie wel bij aan de oplossing van het mondiale klimaatvraagstuk. Zicht op dergelijke effecten maakt het mogelijk ook de Nederlandse CO2-voetafdruk (beter) te kunnen bepalen. Het Rijk zal in overleg met CBS, RIVM en PBL onderzoeken hoe beter zicht kan worden verkregen op bijdragen van verschillende sectoren aan CO2-reductie via sectoroverstijgende maatregelen, zoals bij levering van restwarmte, waterstof en CO2.
Tevens zal worden verkend hoe bestaande systematieken gericht op het in kaart brengen van de CO2-voetafdruk kunnen worden verbeterd, zodat beter zicht ontstaat op (internationale) keteneffecten van maatregelen waarvoor bedrijven zich inspannen.
B4 Governance Het centrale doel van het Klimaatakkoord raakt aan het leven van alledag. Burgers, bedrijven en overheden zijn op elkaar aangewezen om hun bijdrage aan dit doel te kunnen leveren. Het Klimaatakkoord is daarom een maatschappelijk akkoord. Tegelijkertijd vormt het Klimaatakkoord (een groot deel van) de invulling van het eerste Klimaatplan onder de Klimaatwet, waarin het Rijk het klimaatbeleid voor de periode van tien jaar in hoofdlijnen zal vastleggen. Krachtens de Klimaatwet ligt het primaat voor het Klimaatplan bij de politiek. Het is, vanuit het perspectief van de Klimaatwet en op nationaal niveau, aan kabinet en Tweede Kamer om te besluiten over het te voeren beleid en de 1
Zie: Kamerstuk 30991, nr.34
10 daarmee verbonden lasten en lusten. Daarbij rekenschap gevend aan het democratische proces waaraan alle overheden in alle gevallen gebonden zijn. Een dubbele verankering, politiek én maatschappelijk, is noodzakelijk om de doelen niet alleen op papier, maar ook in de praktijk te realiseren. Organisatie van het uitvoeringsoverleg Uitvoering van de afspraken blijft zoveel mogelijk in handen van de deelnemende partijen, waaronder het Rijk. Partijen behouden zo zelf de primaire verantwoordelijkheid voor een effectieve uitvoering van de gemaakte afspraken en zijn samen verantwoordelijk voor de uitvoering van hun onderdeel van het akkoord. Maatschappelijke partijen kunnen hun verantwoordelijkheid alleen waarmaken als zij als volwaardig partner in het uitvoeringsproces worden betrokken. Hiertoe worden sectorale uitvoeringsoverleggen ingericht. Dit gebeurt onder regie van de betrokken vakministers, die vanuit hun sectorale verantwoordelijkheid, en met betrokken partijen, het uitvoeringsoverleg organiseren dat nodig is om afspraken tot uitvoer te brengen. Daarbij wordt zowel voortgebouwd op staande structuren als gewerkt in de nieuwe coalities die in de gesprekken over het Klimaatakkoord zijn ontstaan.
De minister van EZK draagt een coördinerende verantwoordelijkheid en bewaakt de algehele samenhang die met het Klimaatakkoord is beoogd, onder andere ten aanzien van de daarin benoemde dwarsdoorsnijdende thema’s. Nationaal Programma RES De uitvoering van de RES wordt ondersteund door het Nationaal Programma RES dat wordt aangestuurd door een Opdrachtgevend Beraad bestaande uit Rijk en de decentrale overheden. Het Nationaal Programma RES wordt bij de uitvoering geadviseerd door een programmaraad, waarin naast de overheid ook andere stakeholders vertegenwoordigd zijn (waaronder netbeheerders en de participatiecoalitie). Afstemming tussen overheden over de RES-doelen vindt plaats in het Bestuurlijk Overleg. Deze aanpak zal niet gaan dubbelen met al bestaande overleggen, zoals bijvoorbeeld het regionale MIRT-overleg bij mobiliteit. Het Nationaal Programma RES zorgt voor vertegenwoordiging in de uitvoeringsoverleggen van in ieder geval Gebouwde Omgeving en Elektriciteit. Arbeidsmarkt & Scholing Het thema Arbeidsmarkt en scholing is van vitaal belang voor de klimaattransitie, maar ook voor andere grote transities, zoals digitalisering en circulaire economie.
De coördinatie voor dit thema wordt belegd bij de Sociaal-Economische Raad, die een speciale SER-commissie instelt met als doel de kansen en bedreigingen voor werkgelegenheid van deze transities te signaleren en op een inclusieve manier te benutten. In dit kader zal de SER nationale, regionale en sectorale initiatieven bevorderen en verbinden en de ontwikkeling van sectorale scholings- en arbeidsmarktagenda’s faciliteren. Daartoe wordt geborgd dat de voorzitter van de SER commissie aangesloten is op de algemene en sectorale voortgang van de afspraken in het Klimaatakkoord. Tevens maakt de SER met relevante kennisorganisaties afspraken over verbetering van de informatievoorziening over arbeidsmarkt en scholing ter ondersteuning van het transitiebeleid. Binnen het kabinet is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid eerste aanspreekpunt voor dit thema. Financiële sector Voor de borging van het klimaatcommitment van deelnemende instellingen uit de financiële sector werkt de sector samen met het ministerie van Financiën de borgingsstructuur uit, zodat jaarlijks geïnventariseerd kan worden waar de partijen staan met de uitwerking van het
11 commitment. De ontwikkeling van projectfinanciering wordt vanuit de taakgroep Financiering overgedragen aan InvestNL, die ook sectorbreed de betreffende instellingen zal blijven aanhaken. Uitvoering Integrale Kennis & Innovatie Agenda Klimaatakkoord Voor de borging van de uitvoering van de Integrale Kennis- en Innovatieagenda en de daarin beschreven en nader uitgewerkte 13 Meerjarige Missiegedreven Innovatieprogramma’s wordt onder regie van het ministerie van EZK gewerkt aan een voorstel. Dit gebeurt in nauwe samenspraak met de vakdepartementen die sectorale verantwoordelijkheid hebben, de relevante topsectoren en de kennisinstellingen. Belangrijke uitgangspunten daarbij zijn onder meer sturing op de vijf missies uit het klimaatakkoord voor de vijf sectoren en de interactie met het uitvoeringsoverleg per sector, voortbouwend op het topsectorenbeleid en de samenwerking in de gouden driehoek. Voorzien is om dit voorstel voor de zomer gereed te hebben. Borging doelbereik: Klimaatwet Het initiatiefwetsvoorstel voor de stapsgewijze reductie van broeikasgassen ten behoeve van het tegengaan van klimaatverandering (Klimaatwet) verankert een reductiedoel van -49% CO2 in 2030 en -95% CO2 in 2050 in de wet. De Klimaatwet biedt tevens het wettelijk kader waarbinnen de borgingscyclus wordt vastgelegd.
Jaarlijkse rapportage in kader van borgingscyclus in de Klimaatwet De Klimaatwet schrijft een borgingscyclus voor die specifiek geënt is op het bewaken van het doelbereik, waarvoor de minister van Economische Zaken en Klimaat eindverantwoordelijk is (lijn 1). De wet beschrijft de volgende elementen: • Klimaatplan: Bevat de hoofdlijn van het te voeren kabinetsbeleid voor de eerstvolgende tien jaren. Het eerste Klimaatplan wordt op het Klimaatakkoord gebaseerd. Het Klimaatplan verschijnt voor het eerst in 2019, kan worden bijgesteld in 2021, en wordt tenminste eens in de vijf jaren opnieuw vastgesteld. • Klimaat- en Energieverkenning (KEV): De KEV, uitgebracht door PBL voorziet in een rapportage van de feitelijke en geprognotiseerde CO2-emissies in Nederland (en de bredere energiehuishouding) . De KEV verschijnt vanaf 2019 jaarlijks. • Klimaatnota: Bevat de kabinetsappreciatie ten aanzien van doelbereik, met eventueel aanvullende beleidsvoornemens om deze doelen te halen. Verschijnt in 2020 voor het eerst, en daarna jaarlijks. De Klimaatwetcyclus sluit aan op de Europese verantwoordingscyclus. Indiening van het Klimaatplan is gelijkgeschakeld met de indiening van het INEK. Europa vraagt een tweejaarlijkse rapportage over de voortgang. Deze rapportage wordt gestroomlijnd met de Klimaatnota.
Rol van de Raad van State De Afdeling advisering van de Raad van State heeft krachtens de Klimaatwet een formele rol bij het klimaatplan en de klimaatnota. De Afdeling advisering van de Raad van State wordt over beide stukken gehoord, geeft advies over het Klimaatplan, en daarna jaarlijks een beschouwing over de Klimaatnota. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft krachtens de Klimaatwet een formele rol bij het klimaatplan en de klimaatnota. De Afdeling advisering van de Raad van State wordt over beide stukken gehoord, geeft advies over het Klimaatplan, en daarna jaarlijks een beschouwing over de Klimaatnota. Bij haar advies over het Klimaatplan en de Klimaatnota beoordeelt de Raad van State het plan door te kijken naar bestuurlijke, juridische, financieel-economische afwegingen die de Regering heeft gemaakt.
12 Monitoring van de voortgang Voortgangsmonitor De Klimaatwet regelt met de KEV door PBL een jaarlijkse rapportage over de feitelijke en geprognotiseerde CO2-emissies. Hiermee is inzicht in het CO2-doelbereik, zoals hierboven beschreven, geborgd. Om tussentijds te kunnen bijsturen is monitoring van de voortgang op maatregelniveau en rapportage van de geboekte tussenresultaten van belang. Daarom neemt het Rijk het voortouw in de ontwikkeling van een voortgangsmonitor Klimaatbeleid, die naast de KEV als basis dient voor de Klimaatnota en de eventuele tweejaarlijkse bijstelling van het Klimaatplan. De voortgangsmonitor zal informatie verschaffen over de voortgang van de afspraken in het Klimaatakkoord en eventueel aanvullend kabinetsbeleid zoals opgenomen in het Klimaatplan. De voortgangsmonitor rapporteert over het gevoerde klimaatbeleid en dient een gedragen en geloofwaardige feitenbasis te scheppen voor bijsturing op punten waar in de uitvoering van het beleid knelpunten ontstaan. Voortgangsoverleg De 5 sectoren in het Klimaatakkoord hangen sterk samen. Die verwevenheid zal alleen maar toenemen. Dit maakt het van belang om, ook over de sectoren heen, gezamenlijk regulier over de voortgang te spreken. Hiervoor wordt een Voortgangsoverleg ingericht, dat voeling houdt met de uitvoeringsoverleggen. Dit Voortgangsoverleg dient als platform waar partijen bijeenkomen en reflecteren.
Adequate kennisinfrastructuur als randvoorwaarde voor een adaptieve aanpak Voor het succes van het klimaatakkoord en daarmee het welslagen van de energietransitie is een goede, consistente informatievoorziening van belang: voor politieke besluitvorming, innovatie in techniek en beleid en draagvlak bij burgers en bedrijven. Binnen de uitvoering van het Klimaatakkoord zal kennisontwikkeling en -ontsluiting goed verankerd moeten zijn. Partijen aan de tafels zijn het erover eens dat de kennisinfrastructuur die hierin moet voorzien kan worden verbeterd. Het Rijk neemt hiertoe, in samenwerking met maatschappelijke stakeholders en kennisorganisaties, het initiatief. In dit akkoord zijn afspraken gemaakt over de (kennis)ondersteuning van het Expertise Centrum Warmte en een expertisecentrum hernieuwbare opwek voor decentrale overheden, die inbreng kan leveren voor de Leidraad en informatieproducten voor de Regionale Energiestrategieën. Hiermee wordt de basis gelegd voor een brede informatievoorziening die de komende jaren verder kan worden uitgebouwd. In 2019 wordt gestart met een traject waarin nationale databeheerders hun data met betrekking tot de energietransitie zullen afstemmen, deze data op een gebruiksvriendelijke wijze zullen ontsluiten, en gezamenlijk gaan werken aan tekortkomingen in de datavoorziening.
C Afspraken in sectoren C1 Gebouwde omgeving
14
15
C Afspraken in sectoren C1 Gebouwde omgeving C1.1 Visie 2050 We staan aan de vooravond van een duurzame transformatie van de gebouwde omgeving, een aanpassing van onze ruim 7 miljoen huizen en 1 miljoen gebouwen, veelal matig geïsoleerd en vrijwel allemaal verwarmd door aardgas, tot goed geïsoleerde woningen en gebouwen, die we met duurzame warmte verwarmen en waarin we schone elektriciteit gebruiken of zelfs zelf opwekken. Dat gaan we tot 2050 stapsgewijs en samen met bewoners en eigenaren van deze gebouwen doen. Klimaatverandering is een belangrijke reden om dit te doen. Maar er is meer. We willen immers zo snel mogelijk kunnen stoppen met de aardgaswinning in Groningen. En we hebben allemaal wel behoefte aan een minder hoge energierekening en een comfortabeler woning. Dit kunnen we goed uitvoeren, als we het gestructureerd aanpakken en alle randvoorwaarden verbeteren. Als we de verduurzamingsopgave breder zien dan alleen een energieopgave en ook circulariteit een voorwaarde laten zijn. Maar vooral als we ons realiseren dat de grootste uitdaging van deze transformatie geen technische, financiële of bestuurlijke opgave is, maar een sociale opgave. Dit gaat over mensen. Daarom geven we hier samen vorm aan, met bewoners, huurders, eigenaren, corporaties, bouwers, installateurs, etc. Dit doen we onder andere met een wijkgerichte aanpak.
Warmtenetten of verbouwingen worden op wijkniveau georganiseerd. Praktijkvoorbeelden tot nu toe tonen aan dat dat succesvoller verloopt, naarmate buren daarin meer met elkaar en met de (lokale) overheid optrekken. Gezamenlijk de juiste afwegingen maken, gezamenlijk de mogelijke ingrepen in de wijk en in de huizen organiseren - voor het gemak en de kosten - en misschien zelfs gezamenlijk de nieuwe (aard)warmtebron of zonnepanelencentrale bezitten. De duurzame transformatie van de gebouwde omgeving is ingrijpend maar biedt ook nieuwe kansen. Deze transformatie slaagt dus alleen als iedereen mee kan doen. Daarvoor moet ze ook voor iedereen betaalbaar zijn. Woonlastenneutraliteit is het uitgangspunt. Dat kan, als we de kosten door opschaling via aanbod- en vraagbundeling, digitalisering en innovatie laten dalen en met betere financiering ervoor zorgen dat voor het overgrote deel van de bewoners de maandlasten van de lening die je aangaat voor de verbouwing niet hoger zijn dan het voordeel dat je op de energierekening boekt. Waar dat niet lukt, zullen we met gerichte ondersteuning moeten komen. Dit is geen project van enkelen, maar van ons allemaal.
C1.2 Opgave en ambitie 2030
Om de klimaatdoelen voor 2030 te halen, moeten we gestaag het tempo van de verduurzaming opvoeren tot meer dan 50.000 bestaande woningen per jaar in 2021. En vóór 2030 moeten we al in een ritme van 200.000 per jaar zitten. Het doel is om in 2030 in de gebouwde omgeving 3,4 Mton minder CO2 uit te stoten dan in het referentiescenario. We kiezen daarvoor een gestructureerde aanpak. Door wijk voor wijk aan de slag te gaan. Gemeenten spelen daarbij een cruciale rol. Samen met bewoners en gebouweigenaren zal in een zorgvuldig proces een afweging moeten worden gemaakt wat per wijk de beste oplossing is, als huizen niet langer met de traditionele cv-ketel worden verwarmd. Per wijk kan de oplossing verschillen. Dichte bebouwing, veel hoogbouw, woningen van voor 1995? Dan is
16 vaak een warmtenet de oplossing. Nieuwe huizen in een ruim opgezette wijk? Dan kan all electric beter voldoen. En voor veel wijken geldt dat het aardgasnet tot na 2030 gewoon nog blijft liggen en mogelijk benut kan worden voor groen gas of waterstof. Isoleren en met een hybride ketel (veel) minder (duurzaam) gas verstoken, is dan een mogelijke verstandige (tussen)oplossing. Maar de staat van de woningen is niet de enige factor; de wensen van bewoners en andere uitdagingen in de wijk dan de energievoorziening, bepalen net zo goed het tempo en de uitkomst. Omdat we graag snel meters willen maken, kiezen we voor een voortvarende start. Op veel plekken kunnen woningbouwcorporaties de komende jaren al tienduizenden woningen verduurzamen en aansluiten op een andere warmtevoorziening dan aardgas, onder de voorwaarde dat de maandlasten van huur en energierekening samen niet stijgen, ook niet voor de first movers. Zo krijgen huurders een betere woning tegen gelijke of lagere maandlasten. Ook in de nieuwbouw is een versneld afscheid van aardgas mogelijk. Om dit allemaal mogelijk te maken, zijn vele afspraken nodig. Over de manier waarop gemeenten samen met bewoners en gebouweigenaren besluiten over de toekomst van de wijk. Over hoe flinke kostenreducties bij de aanleg van warmtenetten, het aanbrengen van isolatie of de installatie van warmtepompen bereikt kunnen worden.
Over een aanpassing van de energiebelasting, waarbij we datgene wat we méér nodig gaan hebben - elektriciteit - lager belasten en datgene wat we minder willen gebruiken - aardgas - hoger. Over meer duurzame warmte uit de bodem, of uit het vele oppervlaktewater in Nederland. Over een aanbod dat iedere huizenkoper krijgt om zijn huis, als er toch verbouwd wordt, te isoleren met aantrekkelijke leningsvoorwaarden. Deze en meer afspraken zijn in dit Klimaatakkoord vastgelegd. Ze vormen een integraal geheel waarmee de opgave voor 2030 kan worden gerealiseerd en de visie voor 2050 kan worden waargemaakt.
C1.3 Aanpak gebouwde omgeving Om de doelstelling van 3,4 Mton CO2-reductie in 2030 in de gebouwde omgeving te halen, moeten er ongeveer 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd worden en moet de CO2-uitstoot in de bestaande utiliteitsbouw in 2030 met 1 Mton extra worden teruggebracht. Om de opgave behapbaar te maken, stelt de sectortafel een gefaseerde en programmatische aanpak voor, waarbij enerzijds gewerkt wordt aan een voortvarende start en anderzijds aan de voorwaarden voor latere opschaling en uitrol. Belangrijk is dat aanbiedende partijen snel, via o.a. de startmotor-projecten, leren omgaan met het efficiënt(er) verduurzamen van grote aantallen woningen. De lessen uit deze eerste grotere gebundelde vraag bieden kansen voor technische en organisatorische innovaties. Hierdoor kunnen aanbieders een efficiënter en goedkoper aanbod ontwikkelen. Opdrachtgevers doen hiermee ervaring op met het tenderen van grotere aantallen renovaties. Dit zijn noodzakelijke condities voor daadwerkelijke opschaling. Er zal breed ervaring opgedaan moeten worden met wat kosteneffectief is en in verschillende situaties praktisch haalbaar, voordat aanpakken opgeschaald en grootschalig uitgerold kunnen worden. Dat geeft ook de tijd om de voorwaarden voor latere opschaling en uitrol zorgvuldig uit te werken.
Voor woningen kiezen we voor een aanpak van verleiding en regie via de wijkgerichte aanpak en de startmotor. Ook op individueel niveau kunnen gebouweigenaren worden verleid om te verduurzamen. Die aanpak slaagt als de verduurzaming via de (gedaalde) energierekening kan worden terugverdiend. Om deze investeringen via energiebesparing en lagere energielasten te kunnen financieren en betaalbaar te maken, is nog veel innovatie en kostenreductie nodig. Daarom starten we met Proeftuinen Aardgasvrije Wijken en met een
17 innovatieprogramma om systematisch te kunnen leren en experimenteren, zodat na deze kabinetsperiode een kosteneffectieve opschaling en uitrol kan gaan plaatsvinden. Zonder dat perspectief kan een gemeente geen warmtenetten (laten) aanleggen of verhuurders en woningeigenaren in een wijk aanzetten tot investeren in verduurzaming. Het streven is immers woonlastenneutraliteit voor huiseigenaren. Ook corporaties kunnen zonder dat perspectief geen woonlastenneutrale verduurzaming voor huurders realiseren. Dat perspectief bieden we door de voorwaarden voor opschaling, innovatie, grotere efficiëntie en kostenreductie te scheppen, financiering beschikbaar te maken en voorstellen te doen om via beprijzing en subsidiëren de resterende onrendabele top van gebouwgebonden maatregelen, infrastructuur en duurzame bronnen weg te nemen. Het gaat dan om een schuif in de energiebelasting waardoor investeringen in verduurzaming worden gestimuleerd en om aantrekkelijke financieringsvormen waardoor de investeringen ook kunnen worden betaald. Verdere stimulans en handelingsperspectief worden geboden door via normering kenbaar te maken naar welke (eind)situatie gebouwen gebracht moeten worden om in de toekomst zonder aardgas verwarmd te kunnen worden.
Wanneer aan die voorwaarden wordt voldaan, kan met een geregisseerde aanpak middels startmotor, de wijkgerichte aanpak en ook door generieke stimulering van woningeigenaren op alle mogelijke manieren (zoals bij het aankoopmoment van de woning) het benodigd aantal woningen van 1,5 miljoen tot 2030 worden behaald. Een forse opschaling die in zichzelf ook weer nodig is als voorwaarde voor kostenreductie. Dit alles bijeen is een uiterst ingrijpende, complexe en omvangrijke opgave die iedereen raakt en waarvoor de betrokkenheid, investeringsbereidheid en draagvlak van burgers bedrijven en instellingen onmisbaar is. Financierbaarheid en haalbaarheid van maatregelen alsmede leveringszekerheid zijn daarbij cruciale randvoorwaarden. Voor utiliteitsbouw wordt gekozen voor een zorgvuldig vormgegeven normering richting 2030 en 2050 die leidt tot een extra CO2-reductie van 1 Mton in 2030. Tot slot moet er voldoende duurzame warmte beschikbaar worden gemaakt om te voldoen aan de doelstelling van 3,4 Mton CO2-reductie in de gebouwde omgeving. De Sectortafel Gebouwde Omgeving presenteert daartoe een samenhangend pakket van afspraken.
C1.4 Opschaling en kostenreductie mogelijk maken: arrangementen en standaarden2 Voor het bereiken van de benodigde kostenreductie is een flinke opschaling van de verduurzaming nodig. Ter bevordering van die opschaling maken partijen afspraken over de ontwikkeling van arrangementen en standaarden. De arrangementen dienen ter ondersteuning van verregaande industrialisatie en innovatie in de aanbodketen alsmede van bundeling aan de vraagzijde. Die bundeling stimuleert, gecombineerd met digitalisering en innovatieve aanbestedingsvormen (o.a. de renovatieversneller in de startmotor) de ontwikkeling van innovatieve oplossingen (zie ook innovatieprogramma) en leidt tot noodzakelijke volumegroei waardoor product- en procesefficiëntie en reductie van systeemkosten ontstaan. 2 Voor alle data/deadlines geldt dat ervoor is gekozen deze niet te veranderen ten opzichte van de versie van 21 december 2018. In het uitvoeringsoverleg komt dit nader aan de orde en worden de data in samenhang bezien, aangezien er afhankelijkheden tussen de data bestaan.
18
Een standaard (in kWh/m2/jaar) voor de jaarlijkse netto warmtevraag van woningen draagt bij aan het doel van een CO2-arme gebouwde omgeving in 2050. De standaard wordt gebaseerd op de bouwkundige/technische mogelijkheden in combinatie met de financiële haalbaarheid. Bijvoorbeeld: woningen zonder spouwmuur vergaand isoleren vraagt hogere investeringen. De standaard zal daarom voor vooroorlogse woningen minder strikt zijn dan voor woningen uit de jaren ’90 van de vorige eeuw. Woningen die verregaand kunnen worden geïsoleerd tegen acceptabele kosten, kunnen volstaan met een lage(re) temperatuur warmtebron. Voor andere woningen is een midden of hoge temperatuur warmtebron nodig. De standaard kan daarom gelden als één van de inputs voor de leidraad en daarmee voor het kiezen van de voor die wijk meest geschikte warmtebron. De standaard kan gebruikt worden bij de financiering en subsidiëring van verduurzamingsmaatregelen. Een verbouwing tot aan de standaard kan de grondslag zijn voor aanspraak op subsidie. De differentiatie (korting) van de overdrachtsbelasting zal worden verkend. Hierbij wordt expliciet gekeken naar de effectiviteit, uitvoerbaarheid en effecten van een dergelijke maatregel op de toegankelijkheid van de woningmarkt. Het geeft banken en toezichthouders een standaard voor een woonlastenbenadering bij de financiering van een verbouwing.
Een standaard kan bovendien handelingsperspectief geven aan woningeigenaren die nu al maatregelen willen nemen, vooruitlopend op het alternatief voor aardgas dat wordt gekozen in de wijkgerichte aanpak. Een ‘op weg naar aardgasvrij’-standaard voor woningen voorkomt dat gebouweigenaren en bewoners spijtmaatregelen treffen, zoals isolatie die later onvoldoende blijkt te zijn. Afspraken Partijen spreken het volgende af: Arrangementen a. Marktpartijen zetten zich, in afstemming met (woon) consumentenorganisaties, in om voor de meest kenmerkende woning- en gebouwtypen zoveel mogelijk arrangementen (gestandaardiseerde of industrieel vervaardigbare pakketten voor energiebesparing (isolatie) en duurzame energie- en warmteoplossingen) te ontwikkelen. Met deze arrangementen en opschaling, programmatische aansturing en innovatie kan een efficiencyverbetering worden bereikt, die in 2030 leidt tot een reductie van de beoogde 20% tot mogelijk 40% van de systeemkosten afhankelijk van het soort pakket. b. De verschillende arrangementen worden gekoppeld aan de startmotor, proeftuinen en wijkgerichte aanpak. Ook worden nieuwe initiatieven (zoals de renovatieversneller) ontwikkeld die leiden tot een structurele opschaling. c.
Organisaties in de sector en betrokken overheden, tezamen met belangenorganisaties vanuit de consumenten en eigenaren, gaan samenwerken om de afspraken verder uit te werken en de uitvoering daarvan te monitoren en de onderlinge afspraken te borgen en waar mogelijk te verbeteren. Dit zal ook worden besproken in het sectorale Borgingsoverleg. d. Voor 1 juli 2019 zal door de Rijksoverheid, in samenwerking met Aedes en marktpartijen een monitoring protocol worden ontwikkeld om in het sectorale Borgingsoverleg de ontwikkeling te volgen in de richting van het gewenste doel. Daarbij zal informatie uit de wijkgerichte aanpak, de renovatieversneller en de startmotor inzicht moeten bieden in behaalde efficiëntieverbetering en algemene trends in de kostprijsontwikkeling. e. Om bewoners en gebouweigenaren te ontzorgen bij het advies, uitvoering en financiering van de verduurzaming van hun woning/gebouw wordt per 1 januari 2020 een digitaal platform gelanceerd zodat vraag en aanbod ten aanzien van verduurzaming van woningen
19 beter bij elkaar komen. Bestaande initiatieven worden daarbij zoveel mogelijk gestroomlijnd zodat de informatie eenduidig is. Naast proposities voor individuele woningverbeteringen, kan het platform ook een rol krijgen bij het zodanig bundelen van vraag die de markt in de gelegenheid stellen een aantrekkelijk aanbod te formuleren. Voor aanbieders zullen kwalitatieve eisen worden geformuleerd. Het digitale platform levert hiermee een bijdrage aan het bij elkaar brengen van vraag en aanbod binnen de wijkgerichte aanpak. Belangrijk is dat in 2019 hier snel duidelijkheid over komt. Het bij elkaar brengen van vraag en aanbod is een harde voorwaarde voor opschaling. f. Kennisinstituten en het bedrijfsleven intensiveren hun samenwerking op het gebied van innovatie aan de hand van de Integrale Kennis en Innovatieagenda (IKIA) van het Klimaatakkoord gericht op de gebouwde omgeving. De Rijksoverheid draagt jaarlijks bij aan de financiering van de IKIA voor de gebouwde omgeving met voldoende middelen, minimaal rond het niveau van 2019. TKI Urban Energy en het Bouw en Techniek Innovatie Centrum (BTIC) hebben een belangrijke rol bij de uitvoering van het innovatieprogramma. Brancheorganisaties zoals NVDE, Energie Nederland, Bouwend Nederland, Techniek Nederland en onderwijsorganisaties zoals de hogescholen zorgen voor verdere verspreiding van de ontwikkelde kennis. g.
Partijen zullen de aansluiting van onderwijs op de behoefte uit de sector aanzienlijk versterken door het onderwijs in te bedden c.q. te betrekken bij de wijkgerichte aanpak. Daar is de nationale 'Intentieverklaring arbeidsmarkt en scholing in de wijkgerichte aanpak' op gericht, net als het zogeheten convenant MBO-aanbod klimaattechniek (een specifieke uitwerking van de Intentieverklaring voor het MBO-onderwijs) alsmede de Green Deal Ontwikkeling Decentrale Duurzame Warmte- en Koudetechnieken. Partijen zetten zich onverminderd in, mede via sectorale opleidingsfondsen, voor het verder opbouwen van de uitvoeringscapaciteit. De afspraken van de nationale 'Intentieverklaring arbeidsmarkt en scholing binnen de wijkgerichte aanpak' worden onder andere geïmplementeerd middels regionale PPS-en. Standaard 3 a. Van dominante, dan wel kenmerkende typen woningen in Nederland kan worden bepaald wat, op basis van kosten-baten en gewenste reductie van de warmtevraag, een ‘verstandige’ verduurzaming is. Een zogenaamde ‘spijtvrije’ verbouwing waarmee de gebouweigenaar ervan verzekerd is dat niet meermaals binnen de technische levensduur een ingrijpende aanpassing aan dezelfde bouwdelen noodzakelijk is, vooruitlopend op het alternatief voor aardgas dat wordt gekozen in de wijkgerichte aanpak.
Het is dus nuttig als de overheid in overleg met partijen betrokken bij dit akkoord in ieder geval voor de dominante woningcategorieën en bouwtypologieën zo’n standaard bepaalt. Die standaard wordt geformuleerd op het niveau van de gehele woning (netto warmtevraag in kWh/m2/jaar, aansluitend op de NTA8800-bepalingsmethodiek). Bij bepaling van de standaard wordt verkend wat de gevoeligheid is van de standaard voor de (latere) definitieve keuze van het warmte-alternatief. Dit aspect wordt meegenomen bij de evaluatie. b. In het eerste kwartaal van 2019 gaan VNG, Rijk en NVDE onderzoeken hoe de standaard en de wijkgerichte aanpak goed op elkaar aansluiten. c. Niet iedereen verbouwt de hele woning bij verduurzaming. Voor verbouwingen, waarbij maar één of enkele bouwdelen worden aangepakt (zoals dak, gevel, vloer), worden er streefwaarden gegeven voor isolatie (in Rc, dan wel U waarden) en benodigde ventilatie(voud). De standaard voor de gehele woning is leidend, de streefwaarden voor bouwdelen dragen hieraan bij. De standaard en de streefwaarden worden uiterlijk 1 juli 2019 vastgesteld. De standaard kan gelden als één van de inputs voor de leidraad en daarmee voor het kiezen van de voor die wijk meest geschikte warmtebron. De ‘spijtvrije’ standaard is daarbij een middel om het beoogde doel van een CO2-arme gebouwde omgeving te bereiken. 3
Zie ook de notitie ‘Verduurzaming bestaande woningen‘.
20 d. De beoogde standaard voor de bestaande bouw wordt voor eigenaar-bewoners vooralsnog niet verplichtend voorgeschreven, maar geeft duiding over de gewenste energieprestaties van bestaande woningen vooruitlopend op de wijkgerichte aanpak. In 2025 wordt de standaard geëvalueerd op basis van nader vast te stellen criteria, in samenhang met andere instrumenten en de wijkgerichte aanpak. Daarna kan de standaard zo nodig worden aangescherpt, beter worden ondersteund of hij kan een meer verplichtend karakter krijgen. Dit zal worden besproken in het sectorale Borgingsoverleg. e. Anders dan eigenaar-bewoners hebben huurders niet de vrijheid om zelf te bepalen hoe de woningen worden aangepast om te voldoen aan de minimumeisen die er vanuit de alternatieve warmtebron aan de woning worden gesteld. Om de verhuurders een handelingsperspectief te geven en huurders te beschermen tegen hoge energielasten wordt de standaard in 2050 daarom verplicht voor woningen bestemd voor verhuur. De verplichting voor verhuurders leidt er niet toe dat zij onevenredig delen in collectieve kosten (vollooprisico). f. Verhuurders zijn verantwoordelijk voor het aanpassen van een woning, zodat deze voldoet aan de standaard op het moment dat via de wijkgerichte aanpak de woningen op de nieuwe infrastructuur worden aangesloten. g. Renovaties van woningen zijn ingrijpende momenten.
De positie van huurders is gewaarborgd doordat zij over de redelijkheid van een voorstel een uitspraak kunnen doen. Verhuurders moeten in staat zijn om aanpassingen door te kunnen voeren. Hierbij is medewerking van huurders van belang om te voorkomen dat zij of opvolgende huurders hoge energielasten krijgen. Daarom wordt bezien of er aanpassing nodig is van de wederzijdse rechten en plichten van huurders en verhuurders (waaronder instemmingsrecht). Tevens wordt bezien hoe moet worden omgegaan met dit instemmingsvereiste indien het aanpassingen aan woningen betreft die nodig zijn voor de wijkgerichte aanpak en de voorgestelde huurverhoging gecompenseerd wordt door de verlaging van de energielasten. Rijk, huurders en verhuurders gaan hierover in het voorjaar van 2019 nader in gesprek. h. De Rijksoverheid en Aedes maken afspraken zoals genoemd in de annex. i. In 2019 gaan de Rijksoverheid en de grotere verhuurders met elkaar in gesprek over het maken van tussendoelen voor grotere verhuurders, niet zijnde corporaties, in 2030, en zullen de resultaten afstemmen met de Woonbond. De Rijksoverheid monitort en evalueert in 2025 de voortgang richting het tussendoel voor 2030. Als uit deze evaluatie blijkt dat de resultaten voor de verhuurders achterblijven, wordt in dialoog met de sector een passend pakket aan aanvullende maatregelen afgesproken. j.
De Rijksoverheid zal de standaard (en streefwaardes) integreren in bestaande methodieken, namelijk in: • Het Bouwbesluit / Besluit bouwwerken leefomgeving; • Het Energielabel. De standaard wordt uitgedrukt in kWh/m2/jaar en toegevoegd aan het vernieuwde energielabel, dat gebaseerd wordt op de nieuwe bepalingsmethode NTA8800; • Huurprijsregelgeving, waaronder het woningwaarderingsstelsel. De regelgeving zal zodanig worden aangepast dat deze de juiste prikkels geeft om woningen te renoveren naar de standaard. Daarnaast zal de regelgeving uitgaan van een gestandaardiseerde woonlastenbenadering, waardoor verhuurders kosten in rekening kunnen brengen die gelijk zijn aan de verlaging van de energielasten van de huurder; • Zorgvuldig uitbreiden van het bestaande initiatiefrecht voor huurders gericht op energetische verbeteringen, zoals in situaties waarin verhuurders niet kunnen of willen verduurzamen. k. Bestaande en toekomstige subsidieregelingen gericht op woningen, zoals de ISDEregeling, zullen, rekening houdend met de uitvoerbaarheid, zoveel mogelijk worden afgestemd op maatregelen die nodig zijn om aan de standaard te voldoen. l. De Rijksoverheid, energieloketten, consumentenorganisaties, financiële instellingen, adviseurs, makelaars, en aanbieders zullen, gebruikmakend van zoveel mogelijk bestaande informatiekanalen, woningeigenaren en huurders breed informeren over de
21 standaard, de streefwaarden en de benodigde maatregelen die nodig zijn om aan de standaard te voldoen. Daarbij wordt extra aandacht gegeven aan het handelingsperspectief voor eigenaren en bewoners en de kwaliteitsaspecten van het aanbod. Om woningeigenaren optimaal te informeren en te ontzorgen bij de verduurzaming van de eigen woning wordt per 1 januari 2020 op energiebesparendoejenu.nl voor alle bewoners en investeringsprofielen gevalideerde informatie verschaft over verduurzamingsmaatregelen en de bijbehorende indicatieve energiebesparing. Dit wordt gekoppeld aan financierings- en subsidiemogelijkheden. Op energiebesparendoejenu.nl worden ook professionele partijen in staat gesteld (in hoge mate gestandaardiseerde) verduurzamingspakketten gevalideerde besparingsinformatie en indicatieve investeringsbedragen aan te bieden. m. De ontwikkeling van verwarmingsapparaten die niet of veel minder gas verbruiken (bijvoorbeeld (hybride) warmtepompen) is in volle gang. Partijen werken samen in een daarvoor opgezet innovatieprogramma om deze alternatieven efficiënter, competitiever en comfortabeler (qua geluid en omvang) te maken. Daardoor zullen steeds meer consumenten hierop overgaan bij vervangen van hun cv-ketel. Ter versnelling van deze ontwikkeling kunnen na 2025 verdere prestatie-eisen aan technische verwarmingsinstallaties worden overwogen, passend binnen EU-regelgeving.
Dit zal worden besproken in het sectorale Borgingsoverleg.
C1.5 Financiering van de verduurzaming van woningen en gebouwen 4 Om het perspectief te bieden dat de financiering van verduurzamingsmaatregelen zich via de besparing op de energierekening kan terugbetalen, dient er in ieder geval een breed palet aan aantrekkelijke, toegankelijke én verantwoorde financieringsmogelijkheden beschikbaar te zijn voor alle doelgroepen. Daarnaast kan verbeterde en geïntensiveerde communicatie over de mogelijkheden van aantrekkelijke financiering van verduurzamingsinvesteringen, met name bij aankoop van een woning, meer woningeigenaren aanzetten tot verduurzaming. Afspraken Partijen spreken het volgende af: a. De Rijksoverheid stelt een bepaling op voor het Burgerlijk Wetboek zodat overdraagbaarheid van financiering mogelijk wordt via gebouwgebonden financiering (GGF). Deze vormgeving (BW) moet het mogelijk maken om financierings- en ontzorgingsproducten via verschillende aanbieders beschikbaar te stellen aan de klant. Intentie is dat de aanpassing gereed is voor 2022. b. De financiële sector ontwikkelt parallel aan het wetstraject, voor 2022, een voorstel hoe GGF-producten kunnen worden aangeboden die ook zonder fiscale facilitering voldoende aantrekkelijk zijn voor woningeigenaren. c.
Er wordt in opdracht van de Rijksoverheid onderzoek gedaan onder welke voorwaarden en met in achtneming van zorgplichtaspecten vrijwillige erfpacht aangeboden kan worden als extra variant van GGF. Deze conclusies worden in het najaar van 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden. d. Partijen bezien voor 1 juli 2019 of en in hoeverre de krediettoets, bij het afsluiten van een aanvullende hypotheek voor verduurzaming, kan worden vereenvoudigd ten behoeve van laagdrempeligheid, zonder dat dit tot overkreditering leidt. e. De Rijksoverheid verkent in 2019 in samenwerking met Nederlandse Vereniging van Banken, Nibud, DNB en AFM de ontwikkeling van een methodiek van woonlastenneutraliteit die leidend kan zijn bij het verstrekken van krediet ten behoeve van verduurzaming. 4
Zie ook de notitie ‘Financiering particuliere woningeigenaren‘.
22 f.
NIA/ Invest NL in oprichting, SVn, VvE Belang, NEF en Rijk verkennen verder wat, in aanvulling op uitbreiding van het Nationaal Energiebesparingsfonds (NEF) en het beschikbaar komen van 30 jaar financiering, nodig is om marktpartijen in de toekomst aantrekkelijke leningen te laten aanbieden voor energiebesparing door Verenigingen van Eigenaren (VvE’s). Het NEF is onder bepaalde condities bereid om te bezien of VvE’s met 6-10 appartementen ook voor NEF-financiering in aanmerking komen. Als dit niet mogelijk blijkt, zet SVn pilots op. Voor VvE’s kleiner dan 6 wordt onderzocht hoe zij een passend financieringsaanbod kunnen krijgen. g. Ontzorgingsconcepten voor (particuliere) gebouweigenaren zullen op basis van de ervaringen en experimenten met lokale en regionale initiatieven, gecombineerd met verschillende vormen van (gebouwgebonden) financiering, verder worden uitgewerkt. Daarbij zal ook worden bezien welke vormen van samenwerking tussen overheden, netbeheerders, investeerders/financiers en energiebedrijven mogelijk zijn en vervolgens op welke wijze aanbestedingen kunnen worden vormgegeven om te komen tot een bundeling van vraag en aanbod, zodat expertise van marktpartijen (bouwbedrijven, installatiebedrijven, energiebedrijven) ingezet kan worden t.b.v. een voor (particuliere) gebouweigenaren vertrouwenwekkend ontzorgingsaanbod en kostenreductie. h.
De Rijksoverheid verkent voor 1 juli 2019 samen met SVn, NHG en andere partijen welke woningeigenaren geen toegang hebben tot bestaande en nog te ontwikkelen financieringsvormen en of en op welke wijze deze woningeigenaren hierin kunnen worden ondersteund. i. De partijen in de keten stimuleren kopers en woningeigenaren in een zo vroeg mogelijk stadium om tot verduurzaming over te gaan. Partijen streven ernaar dat woningtaxaties standaard worden voorzien van een beschrijving van de mogelijk te nemen energiebesparende maatregelen, bijbehorende investeringen, de meerwaarde van een onderpand na realisatie en een indicatie van de energielastenbesparing, daardoor gebruik makend van de te ontwikkelen standaarden. NHG zal hiervoor de samenwerking zoeken met de brancheorganisaties van makelaars en taxateurs, het NRVT en geldverstrekkers, en afstemmen met andere betrokkenen. Hierbij in acht nemend dat het niet tot onacceptabele prijsstijgingen voor taxaties leidt. Hypotheekadviseurs wijzen in hypotheekadviezen op de mogelijkheden voor financiering van verduurzamingsmaatregelen. j. Het Rijk gaat particuliere woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaren ondersteunen met financiering en ontzorging in de verduurzaming. Er wordt hiertoe een breed warmtefonds ingericht voor alle particuliere woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaren.
Het fonds is er mede op gericht om financieringsopties te geven aan mensen die nu op grond van de leennormen moeilijk of geen financiering kunnen krijgen. Het fonds wordt gevuld met publieke en private middelen. Het kabinet stelt hiervoor tot en met 2030 jaarlijks 50-80 miljoen euro aan (niet revolverende) middelen beschikbaar en dat bedrag wordt op termijn verminderd. Dit fonds kan, afhankelijk van hoe het wordt uitwerkt, aangevuld met private middelen groeien naar een financieringsportefeuille van meer dan een miljard euro. Om tot een verantwoorde inzet van publieke middelen te komen, zal de hoogte van de voorfinanciering via het fonds worden gemaximeerd op 25.000 euro per woningeigenaar en de looptijd van de financiering op (maximaal) 20 jaar. Hierbij wordt overkreditering voorkomen en zal rekening worden gehouden met de technische levensduur van installatie- en isolatiemaatregelen. Het is de bedoeling dat het fonds op termijn toegroeit naar marktconforme producten. De komende tijd zal nader worden uitgewerkt hoe deze middelen zo efficiënt mogelijk kunnen worden ingezet in een publiek-private constructie en hoe ontzorging het beste kan worden georganiseerd, zodat voor alle groepen financiering en ontzorging beschikbaar komt.