Beantwoording technische vragen 'Vur iederien' 2
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen ‘Vur iederien’ ten behoeven van themaraadssessie volkshuisvestingsprogramma op 28 oktober 2025 1. Waarom maken we een verschil tussen nultredenwoningen (50% van nieuwbouw) en starterswoningen? Is het niet mogelijk één type te bouwen dat makkelijk aanpasbaar is? Het programma maakt niet per definitie onderscheid tussen nultredenwoningen en starterswoningen, dit kunnen dezelfde woningen zijn. Omdat het aantal één- en tweepersoonshuishoudens en het aantal ouderen in onze gemeente sterk toeneemt, richten we ons specifiek op het realiseren van nultredenwoningen. Deze woningen zijn geschikt voor deze doelgroepen. Starterswoningen zijn in het programma niet expliciet gedefinieerd, maar het ligt voor de hand dat dit gaat om woningen binnen de betaalbaarheidscategorieën: 30% sociale huur en 37% betaalbare koop. Dit kunnen ook nultredenwoningen zijn. 2. Waarom is Grubbenvorst geen groeikern meer? Het volkshuisvestingsprogramma is een programma onder de omgevingsvisie. We volgen hiermee de lijn die wordt voorgesteld in de Omgevingsvisie. 3. Welke invloed hebben het Rijk en de provincie op het gemeentelijke volkshuisvestingsplan? Het Rijk en de provincie stellen de kaders waarbinnen de gemeente haar volkshuisvestingsprogramma opstelt.
Het Rijk bepaalt via de Nationale Woon- en Bouwagenda en de Woondeals de landelijke doelen, zoals de realisatie van 100.000 woningen per jaar, waarvan 67% in het betaalbare segment. Dit borgt het rijk via de Wet versterking regie op de volkshuisvestiging. De provincie vertaalt deze doelen naar regionale afspraken en bewaakt een evenwichtige spreiding en ruimtelijke inpassing. De gemeente voert beleid binnen deze kaders, maar behoudt beleidsvrijheid om lokale keuzes te maken. Indien nodig kunnen Rijk en provincie bijsturen via instructieregels. Het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma moet bovendien aansluiten bij de provinciale en landelijke programma’s. De groei van 250 woningen per jaar sluit aan bij de uitkomsten van het Provinciale Woononderzoek. Provincie Limburg moet nog een Volkshuisvestingprogramma gaan opstellen. Wij hebben ervoor gekozen om hier niet op te wachten. 4. Klopt het dat er vooral in de groeikernen Horst/Hegelsom en Sevenum wordt gebouwd? Wat betekent dit voor de kleinere kernen? Nee, dit klopt niet. In de woningbouwprogrammering is het uitgangspunt dat er wordt gebouwd naar behoefte. Dat betekent dat zowel in de grote als in de kleine kernen woningbouw plaatsvindt, afhankelijk van de lokale woningbehoefte.
In bijlage 6 is per kern inzichtelijk gemaakt wat de woningbehoefte is, welk deel daarvan al wordt ingevuld met bestaande projecten (harde en zachte plancapaciteit) en welke resterende behoefte nog ingevuld moet worden via nieuwe projecten waarvoor locatieonderzoek nodig is. Zoals in de bijlage te zien is, wordt er in elke kern gebouwd naar de lokale behoefte. In de kernen Tienray, Swolgen, Melderslo en Horst wordt bovendien gezocht naar locaties waar projecten gerealiseerd kunnen worden, omdat de huidige plannen daar nog niet voldoende voorzien in de vraag.
5. Hoe krijgen we ontwikkelaars mee bij het bouwen van kleinere, nultreden-, goedkope koop- en huurwoningen? Een nauwe samenwerking met ontwikkelaars is hierbij essentieel. Zij zijn meerdere keren geconsulteerd tijdens het opstellen van dit programma om de mogelijkheden te verkennen voor de bouw van kleinere, nultreden- en betaalbare koop- en huurwoningen. Ze herkennen de opgave, maar geven gelijktijdig aan dat ze in de praktijk merken dat ouderen nog moeilijk tot huur of koop van een andere woning over gaan. Ontwikkelaars geven bovendien aan dat het belangrijk is dat we consequent blijven gedurende ontwikkeling van een project, dus dat het niet wenselijk is om aanvullende eisen op te leggen als er al reeds besluiten zijn genomen over bepaalde projecten. Wederkerigheid is daarbij belangrijk: de gemeente stelt duidelijke eisen aan bijvoorbeeld het aandeel nultredenwoningen en de betaalbaarheid, maar gaat ook in gesprek met marktpartijen zodat projecten financieel haalbaar blijven. Door in gesprek te blijven over belemmeringen voorkomen we dat ontwikkelaars uitwijken naar andere gemeenten met gunstigere voorwaarden. 6. Eén CPO-project per keer faciliteren is het uitgangspunt. Wat als er twee projecten tegelijk gestart worden? Het uitgangspunt is niet dat er slechts één CPO-project tegelijk wordt gefaciliteerd.
Er kunnen ook meerdere CPO-projecten tegelijk begeleid worden door de kwartiermaker. Uiteraard is er wel een grens aan het aantal projecten dat binnen de beschikbare capaciteit kan worden ondersteund. Dit is o.a. ook afhankelijk van het budget en het aantal uren dat we per project ter beschikking gaan stellen. Dit wordt nog nader uitgewerkt. 7. Het is ons niet duidelijk hoe het realisatiefonds gevuld wordt. Kan dit worden toegelicht? De manier waarop het woonfonds (realisatiefonds) wordt gevuld, wordt nog nader uitgewerkt bij de verdere invulling van dit instrument. Daarbij verkennen we verschillende mogelijkheden. In ieder geval zal het fonds worden gevuld met de realisatiestimulans die we vanuit het Rijk ontvangen. Deze regeling kent een bijdrage van €7.000 per betaalbare woning waarvan de bouw is gestart. 8. Werkt een starterslening prijsopdrijvend, zoals recent in de media werd gesteld? Zo ja, hoe gaan we daarmee om? Zo nee, waarom verhogen we de lening niet meteen? De starterslening helpt koopstarters bij het financieren van hun eerste woning. De lening overbrugt het verschil tussen de aankoopprijs en het maximale hypotheekbedrag. Dit kan in beperkte mate een prijsopdrijvend effect hebben, maar door de beperkte omvang van de regeling en de duidelijke doelgroep wordt verwacht dat dit effect gering blijft.
Om de maximale koopsom voor de starterslening in Horst aan de Maas aan te passen, is een wijziging van de Verordening Startersleningen nodig. Hiervoor is zowel een besluit van Gedeputeerde Staten als een raadsbesluit vereist. Omdat er momenteel een vergelijkbaar voorstel in behandeling is bij de Provinciale Staten, is de verwachting dat dit eerder in werking treedt dan een afzonderlijke gemeentelijke wijziging. Mocht de provincie anders besluiten, dan kan de gemeente dit proces zelf in gang zetten.
9. Hoe gaat de Omgevingswet helpen om processen verder te versnellen? De Omgevingswet heeft als doel om ruimtelijke procedures beter op elkaar af te stemmen en de samenwerking tussen disciplines te verbeteren. Als dat lukt, leidt dit tot kortere doorlooptijden en een meer integrale benadering van plannen. Daarnaast kunnen provincie en Rijk met behulp van de Omgevingswet instructieregels gebruiken om gemeenten aan te sporen tot uitvoering van bijvoorbeeld woningbouwprojecten. 10. Begrijpen we goed dat er geen verschil in regels meer zal zijn tussen mantelzorg- en premantelzorgwoningen? Dat klopt niet helemaal. Ruimtelijk gezien gelden voor mantelzorgwoningen en premantelzorgwoningen dezelfde regels, maar de doelgroep verschilt. Mantelzorgwoningen zijn bedoeld voor mensen met een bestaande en actuele mantelzorgrelatie. Bij pre-mantelzorgwoningen is er nog geen sprake van een mantelzorgsituatie, maar wordt die in de nabije toekomst wel verwacht. Dit geldt voor mensen van 60 jaar of ouder of mensen met een voortschrijdende aandoening. Voor premantelzorgwoningen is dus nog geen actieve zorgrelatie vereist. Een mantelzorgwoning is van rechtswege vergunningsvrij, terwijl een pre-mantelzorgwoning vergunningplicht is.