24.0004840 AAA - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
RUIMTELIJKE ONDERBOUWING AANVOER MEST VELD OOSTENRIJK 50 TE HORST omgevingsvergunning
D Í V
Oostwijk 5 5406 XT Uden
Postbus 511 5400 AM Uden
0413 33 68 00 info@dlvadvies.nl
www.dlvadvies.nl
ADVIES &RESULTAAT
Ruimtelijke onderbouwing Horst omgevingsvergunning
Directeur
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Adviseur
Ruimtelijke Ordening
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Datum: 9 april 2024
aanvoer
mest Veld
Oostenrijk
50 te
Inhoudsopgave Vaststellingsbesluit
3
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1 1. 1. 1. 2. 1. 3. 1. 4. Hoofdstuk 2 2. 1. 2. 2. Hoofdstuk 3 3. 1. 3. 2. 3. 3. 3. 4. Hoofdstuk 4 4. 1. 4. 2. 4. 3.
Inleiding Aanleiding voor het project Projectlocatie Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer Projectbeschrijving Huidige situatie Gewenste situatie Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid Ruimtelijke- en milieuaspecten Milieu Ecologie Archeologie en cultuurhistorie 4. 4. Verkeer en parkeren 4. 5. Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5. 1. Economische uitvoerbaarheid 5. 2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5. 3. Handhaving
Bijlagen Bijlage 1 Geuronderzoeken (inclusief aanvullingen) Bijlage 2 Factsheets aanwezige technieken publicatie " Technische onderbouwing beleidsregels voor risicobeperking gezondheidseffecten " Bijlage 3 Akoestische onderzoeken (inclusief aanvullingen) Bijlage 4 Bijlage milieu Bijlage 5 Resultaten berekening Aerius Calculator
6
11 14
22
48
50 51 236 245 363 401
2
Vaststellingsbesluit
3
Ruimtelijke onderbouwing
5
Hoofdstuk 1 1. 1.
Inleiding
Aanleiding voor het project
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing betreft een afwijking van de regels uit het bestemmingsplan " Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas " van gemeente Horst aan de Maas ten behoeve van het gebruiken van de huidige co-vergistingsinstallatie voor co-vergisting en bewerking van mest aan het Veld-Oostenrijk 50 te Horst voor het co-vergisten en bewerken van mest die niet binnen de eigen inrichting wordt geproduceerd. In het hoofdstuk " Projectbeschrijving " (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.
Op de locatie is momenteel een co-vergistingsinstallatie aanwezig voor het co-vergisten en bewerken van mest. Op locatie wordt stroom, gas en warmte opgewekt voor het eigen bedrijf en voor anderen. Momenteel wordt ter plaatse alleen mest afkomstig van de eigen bedrijfslocatie co-vergist en bewerkt. De productie van mest op de huidige locatie kan efficiënter en dus verlaagd worden. Derhalve wenst de initiatiefnemer ook mest die niet afkomstig is vanuit de eigen bedrijfslocatie (mest van derden) aan te voeren. Daarmee kan een hoger rendement worden behaald van de installatie en kan meer duurzaam opgewekte energie worden geproduceerd en meer mest van ander locaties vewerkt en geëxporteerd worden. Vanuit het geldende bestemmingsplan mag, op basis van artikel 3. 1 onder l, alleen mest van de eigen bedrijfslocatie worden verwerkt. Op basis van artikel 3. 1 onder j is tevens buurtmestbewerking en -verwerking mogelijk, maar dit mag uitsluitend plaatsvinden indien daarvoor de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - mestverwerking op regionaal niveau' is toegekend. Op de locatie is deze aanduiding niet toegekend, waarmee de gewenste co-vergisting en bewerking van mest van derden op de locatie niet mogelijk is. De gewenste ontwikkeling is daarmee niet in overeenstemming met de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan.
De gewenste ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt met een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen voor het aanvoeren van jaarlijks maximaal 19. 200 ton mest van de veehouderij uit Panningen behorende tot de overkoepelende organisatie van de initiatiefnemer, voor een periode van 15 jaar onder en de volgende aanvullende voorwaarden: Een actieve omgevingsdialoog te voeren en de resultaten hiervan, naast de inhoudelijke motiveringen, mee te nemen in de vergunningsprocedure; De ondernemer neemt op korte termijn maatregelen om de overlast door geurpieken die ontstaan tijdens het voeden van de vergister fors (circa 75%) te verminderen (beoordeling door gemeente); De ondernemer biedt aan de gemeente een toekomstplan voor de reductie van geur uit de vergistingsinstallatie én de varkenshouderij tot een niveau binnen de normen in de toekomstige geurverordening van de gemeente Horst aan de Maas (intentie gelijk aan dan wel kleiner dan 5 odeurunits per kubieke meter lucht). De periode van 15 jaar is gebaseerd op de subsidie vanuit de regeling " Stimulering Duurzame Energieproductie " (SDE) en de periode voor de voorbereiding van de ondernemer om het initiatief tot uitvoer te brengen.
Na 15 jaar kan de gemeente een heroverweging maken met betrekking tot de aanvoer van mest van derden. Bij het genomen positieve principestandpunt zijn door de gemeente de volgende overwegingen gemaakt: Het initiatief draagt bij aan de klimaatopgaven en voldoet aan de gemaakte regionale afspraken met betrekking tot energietransitie conform de regionale energie strategie (RES). Voor de energietransitie zijn alle vormen van duurzame energie noodzakelijk; naast zonneweides, windmolens, geothermie, etc. ook de productie van groen gas. In het klimaatakkoord is afgesproken om de productie ook de productie van groen gas te vergroten. Recentelijk heeft het kabinet besloten tot een bijmengverplichting van groen gas in het aardgasnet. Onderhavig project levert daar een bijdrage aan.
Groengas is onderdeel van de energiemix van de toekomst. Biogas (of groengas) is en wordt, in meer of mindere mate, onderdeel van de energiemix van de toekomst. 6
Enerzijds om minder gebruik te maken van fossiele brandstoffen en anderzijds om minder afhankelijk te zijn van andere landen (zoals Rusland). De productie van groengas is derhalve, in beginsel, een duurzame ontwikkeling waar de gemeente achter staat.
Ontwikkeling van groengas ligt in lijn met de Warmtevisie (d. d. 8 februari 2022). De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van de Warmtevisie (d. d. 8 februari 2022) expliciet geamendeerd in het besluit dat (onder meer) groengas als energiebron in de periode tot 2030 niet zal worden uitgesloten. Voornemen resulteert in beperkte CO 2 transportemissies. De hoeveelheid (fossiele) CO-uitstoot van de transportbewegingen per vracht varkensdrijfmest wegen niet 2 op tegen de fossiele CO-emissiereductie van biogas door vervanging van aardgas. In die zin levert de 2 beoogde ontwikkeling meer milieuwinst op. De totale uitstoot aan fossiele CO 2 per getransporteerde ton mest (met een retourafstand van 64 kilometer) bedraagt 1,6 kg CO 2 per ton varkensmest (57,6 kg CO 2 / 36 ton). Uitgaande van bruto 20 m³ biogas per ton varkensdrijfmest, komt de totale hoeveelheid geproduceerd biogas per vracht mest hiermee uit op 720 m³ (op basis van 36 ton). De emissiefactor van biogas is net als aardgas 1,89 kg CO 2 per m³. Bij een totale verbranding van ± 720 m³ biogas komt daarmee 1. 361 kg CO 2 vrij van (grotendeels)
niet-fossiele oorsprong.
De RUD Limburg-Zuid alsmede de Provincie verklaren dat er geen gegronde meldingen zijn gemaakt over geuroverlast die afkomstig is van de mestinstallatie (vergister). De RUD Limburg-Zuid is, namens de provincie verantwoordelijk voor de vergunningverlening, het toezicht en eventuele handhaving bij deze inrichting. Bij RUD Limburg-Zuid respectievelijk de provincie Limburg zijn in de afgelopen jaren meldingen/klachten van geuroverlast bekend. De Provincie heeft periodiek fysieke waarnemingen gedaan op de locatie en in de directe omgeving. De RUD constateert dat de geur met name geur afkomstig is van het varkensbedrijf en niet vanuit de vergister. Hiermee heeft de ondernemer voldaan aan de gemaakte afspraak. Tevens draagt de aanpassing van de invoer van co-producten bij aan het verder reduceren van (piek)geur op de locatie. Verkeersbewegingen nemen niet toe ten opzichte van de vergunde situatie. Het aantal transportbewegingen door de aanvoer van de mest uit Panningen neemt ten opzichte van de door de Provincie vergunde situatie niet toe. Het betreft 26 verkeersbewegingen per dag naar de locatie aan de Veld Oostenrijk 50 te Horst. Dit is conform het geluidsrapport (maximaal 26 per dag afgezien van de vergunde IBS (incidentele bedrijfssituatie) voor 12 dagen per jaar) en deze zijn reeds vergund in de huidige vergunning van de provincie.
Middels voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd waarom de voorgenomen ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en dat geen sprake zal zijn van onevenredige bezwaren op het ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1. 2.
Projectlocatie
De projectlocatie is gelegen ten noorden van Horst en wordt begrensd door Veld-Oostenrijk en de N553. De betreffende locatie is kadastraal bekend onder gemeente Horst aan de Maas, sectie O, nummers 1318 en 656. Het initiatief heeft alleen betrekking op het perceel sectie O, nummer 656. In de volgende figuur is de topografische ligging van de projectlocatie weergegeven.
7
DLV ADVIES &RESULTAAT
e.
Bron:
1.3.
www opentopo.nl. (geanonimiseerd) BN
Geldende
bestemmingsplannen
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas" van de gemeente Horst aan de Maas, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 19 december 2017, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de
volgende figuur is de projectlocatie aan het Veld-Oostenrijk 50 gelegen in een gebied bestemming ‘Agrarisch met waarden’, waarbij de locatie is voorzien van de aanduiding 'bouwdak' en ‘intensieve veehouderij. Tevens is ter plaatse de dubbelbestemmingen Waarde Archeologie 3' en (over een klein deel van de locatie) Waarde 6' Daarnaast de Archeologie toegekend. zijn aanduidingen ‘maximaal aantal wooneenheden 2', ‘milieuzone grondwaterbeschermingsgebied Venloschol'’, ‘milieuzone hydrologische beschermingszone!’ en ‘overige zone peelbossen'. met de
-
-
-
-
-
-
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www. ruimtelijkeplannen. nl. Daarnaast is het bepaalde in de herziening op het bestemmingsplan " Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas," het bestemmingsplan " Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020," zoals is vastgesteld door de gemeenteraad op 8 september 2020, voor zover relevant, van toepassing. De bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen op de locatie zijn in de herziening op het geldende bestemmingsplan niet gewijzigd. Ter plaatse is sprake van het co-vergisten en bewerken van mest die niet afkomstig is van de eigen bedrijfslocatie. De mest wordt wel aangevoerd vanuit een veehouderijbedrijf in Panningen dat behoort tot de overkoepelende organisatie van de initiatiefnemer. De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met het bepaalde in het geldende bestemmingsplan op de volgende punten: Vanuit artikel 3. 1, onder l is uitsluitend de co-vergisting en bewerking van mest die afkomstig is van de eigen bedrijfslocatie toegestaan. Vanuit artikel 3. 1 onder j is de co-vergisting en bewerking van mest die niet afkomstig is van de eigen bedrijfslocatie uitsluitend toegestaan indien hiervoor de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch mestverwerking op regionaal niveau' is opgenomen. Deze aanduiding is op de locatie niet opgenomen.
Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken zal op de hiervoor genoemde punten een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan worden aangevraagd conform artikel 2. 12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voorliggend document dient als ruimtelijke onderbouwing welke dient te worden overlegd bij de aanvraag omgevingsvergunning. 9
1. 4.
Leeswijzer
Deze ruimtelijke onderbouwing is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van het project. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin wordt het project getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het project aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het project. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving.
10
Hoofdstuk 2 2. 1.
Projectbeschrijving
Huidige situatie
De projectlocatie is gelegen aan Veld-Oostenrijk en is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Horst aan de Maas. De locatie grenst aan een bestaand bosperceel. Ten oosten grenst de projectlocatie aan een gebied waarvoor het bestemmingsplan " Werkgelegenheidsgebieden II " geldt, waarbinnen een diversiteit aan functies aanwezig is. Ten zuiden grenst het projectgebied aan de Diepe Leng en weidegronden die zijn gelegen in het beekdal. De westzijde bestaat uit bos- en weidegronden. De projectlocatie bestaat in de huidige situatie uit een varkenshouderij met een co-vergistingsinstallatie. De vigerende bouwkavel heeft een oppervlakte van circa 7,1 hectare. Ter plaatse zijn diverse varkensstallen, een tweetal bedrijfswoningen en een co-vergistingsinstallatie met bijbehorende bebouwing en installaties aanwezig. Het bedrijf beschikt in de huidige situatie over een co-vergistingsinstallatie voor de co-vergisting en bewerking van dierlijke mest met co-producten. De installatie bestaat uit vergistingstanks, digestaatopslagsilo's, een bijbehorende procesinstallatie, technische ruimten en opslag voorzieningen. Momenteel is sprake van een totale invoer van maximaal 61. 000 ton per jaar. Dit betreft zowel mest van de eigen inrichting (gemiddeld 31. 000 ton per jaar) als de aanvoer van co-substraten (gemiddeld 30. 000 ton per jaar).
De mest, afkomstig uit het eigen bedrijf, en de aangevoerde co-substraten worden co-vergist en bewerkt tot biogas en digestaat, dat vervolgens wordt gescheiden in dikke fractie en dunne fractie en wordt
gehygiëniseerd. Het huidige bouwvlak met hierop de bedrijfsbebouwing en installaties is ongeveer 7,1 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.
11
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www. ruimtelijkeplannen. nl.
2. 2.
Gewenste situatie
De initiatiefnemer is voornemens de huidige aanwezige installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest ook te gebruiken voor het co-vergisten en bewerken van mest die niet vanaf de eigen bedrijfslocatie afkomstig is. Daarmee zal het rendement van de installatie en de hoeveelheid duurzaam opgewekte energie die kan worden geproduceerd toenemen. Hoewel de aangevoerde mest wel afkomstig is van het veehouderijbedrijf in Panningen dat behoort tot de overkoepelende organisatie van de initiatiefnemer, wordt deze niet op de eigen inrichting op de locatie geproduceerd en wordt derhalve gezien als mest die niet afkomstig is van de eigen bedrijfslocatie. De installatie is hier reeds voor geschikt en biedt ruim voldoende capaciteit om de aan te voeren mest te verwerken. Aan de installatie hoeven daarmee geen wijzigingen plaats te vinden. Ook aan de ter plaatse gehouden aantallen dieren en de daarvoor aanwezige stallen zullen geen wijzigingen plaatsvinden. De enige wijziging 12
is dat in plaats van uitsluitend mest vanuit de eigen bedrijfslocatie wordt co-vergist en bewerkt eveneens mest van derden, afkomstig van andere locaties zal worden co-vergist en bewerkt. De huidige vergunde capaciteit van de installatie is 61. 000 ton per jaar. Daarbij is in de huidige situatie sprake van gemiddeld 31. 000 ton per jaar aan eigen mest die wordt co-vergist en bewerkt en gemiddeld 30. 000 ton per jaar aan co-substraten die worden aangevoerd. In de gewenste situatie zal gemiddeld 23. 500 ton per jaar aan mest afkomstig uit het eigen bedrijf worden co-vergist en bewerkt. De rest zal worden aangevoerd. Dit betreft minimaal 7. 500 ton en maximaal 19. 200 ton per jaar. De hoeveelheid aangevoerde co-substraten is afhankelijk van de hoeveelheid aan te voeren mest van derden. Dus wanneer sprake is van meer mest van derden dan zal de hoeveelheid boven de 7. 500 ton per jaar in mindering worden gebracht op de aangevoerde co-substraten. De maximale capaciteit blijft daarmee dus 61. 000 ton per jaar.
Op het erf zelf vinden geen wijzigingen plaats. Er is geen sprake van sloop en/of nieuwbouw. Ook aan het huidige bouwvlak vinden geen wijzigingen plaats.
13
Hoofdstuk 3 3. 1.
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie 3. 1. 1 Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.
De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 14
aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.
Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen. Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI.
Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet.
Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten. De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf " Besluit algemene regels ruimtelijke ordening " (paragraaf 3. 1. 2).
De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3. 1. 2 Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: " Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 15
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit. " Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en " vermindering van de bestuurlijke drukte." Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de projectlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
3. 1. 3
Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3. 1. 6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: " ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. "
Op 20 april 2016 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan (uitspraak ECLI:NL:RVS:2016:1075) waarin zij stellen dat een bestemmingsplan dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, in beginsel niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3. 1. 6, tweede lid, van het Bro, tenzij die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er is bij de voorgenomen ontwikkeling sprake van een functiewijziging en geen sprake van uitbreiding van de huidige bouwmogelijkheden. Daarmee is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
3. 2.
Provinciaal beleid
3. 2. 1
Provinciale Omgevingsvisie Limburg De provincie Limburg heeft op 1 oktober 2021 de provinciale omgevingsvisie vastgesteld, waarin de beleidsuitgangspunten voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn opgenomen. De visie bevat de ruimtelijke beleidsvisie voor het gehele grondgebied van de provincie Limburg en vertaalt deze in richtlijnen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het gebruiken van een installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest, welke momenteel alleen mag worden gebruikt voor het co-vergisten en bewerken van 16
mest afkomstig van de eigen bedrijfslocatie, voor het het co-vergisten en bewerken van mest die niet afkomstig is van de eigen bedrijfslocatie. In de visie is met betrekking tot het co-vergisten en bewerken van mest het volgende opgenomen: " De geleidelijke uitbreiding van activiteiten binnen de keten en korte ketens is niet meer weg te denken als ontwikkeling binnen de agrarische sector. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om verwerking, verpakking en opslag van eigen producten en die van derden of het verwaarden van reststromen, zoals mestbewerking en mestverwerking. Voor het behoud van de economische betekenis van de agrarische bedrijven is doorgroei van agglomeratielandbouw in het buitengebied mogelijk indien sprake is van een 'toekomstbestendige locatie' mede in verband met de mogelijke kansen voor het versnellen van verduurzaming, verwaarding en het uitwisselen van stofstromen. Kwaliteitsverbetering van het leef- en vestigingsklimaat, aanwezigheid van logistieke knooppunten, aanwezigheid van aanvoer en afzetmarkt en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik vormen aandachtspunten bij het bepalen of een locatie voor dit soort functies toekomstbestendig is.
Voor wat betreft nieuwe initiatieven van agglomeratielandbouw heeft vestiging op een bedrijventerrein of bij een bestaand, grootschalig en toekomstbestendig cluster van agrarische bedrijven de voorkeur, zeker indien er sprake is van verwerking van producten van derden. De verordening biedt hier mogelijkheden toe. Deze beleidslijn is ook van toepassing op grootschalige mestbewerkings- en mestverwerkingsinstallaties. " In principe worden vanuit de visie mogelijkheden geboden voor het co-vergisten en bewerken van mest, ook wanneer die afkomstig is van andere locaties dan de eigen bedrijfslocatie. Voor grootschalige inrichtingen wordt gestuurd op de vestiging daarvan op bedrijventerreinen of op een toekomstbestendige locatie. De locatie is aansluitend aan een bedrijventerrein (of een gebied met veel niet-agrarische bedrijven) gelegen. Daarnaast is de ligging nabij het agrarisch gebied van belang voor de bereikbaarheid van de installatie voor agrarische ondernemers zonder dat de bedrijven op het bedrijventerrein of omwonenden daar last van hebben. De locatie biedt, gezien de ligging en de aard van de bedrijvigheid, een passende overgang van het agrarische buitengebied naar het nabijgelegen bedrijventerrein. Het buitengebied is daarnaast typerend voor agrarische en agrarisch verwante bedrijven.
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden werkzaamheden mogelijk gemaakt die ten dienste staan voor agrarische ondernemers in de omgeving. Er is daarmee sprake van agrarisch verwante activiteiten die passen binnen het gebiedstype buitengebied. Er is daarmee sprake van een toekomstbestendige locatie. De gewenste activiteiten zijn daarmee passend in het gebied waarin de locatie is gelegen.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de provinciale omgevingsvisie van de provincie Limburg.
3. 2. 2 Omgevingsverordening Limburg Op 12 december 2014 heeft de provincie Limburg de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Deze omgevingsverordening is meerdere keren gewijzigd en geactualiseerd. De meest recente versie is op 16 december 2022 geconsolideerd en in werking getreden. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de provinciale omgevingsvisie naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het gebruiken van een installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest, welke momenteel alleen mag worden gebruikt voor het co-vergisten en bewerken van mest afkomstig van de eigen bedrijfslocatie, voor het het co-vergisten en bewerken van mest die niet afkomstig is van de eigen bedrijfslocatie. Voor het co-vergisten en bewerken van mest zijn in de omgevingsverordening van de provincie geen rechtstreeks geldende regels opgenomen. Voor grootschalige agrarische samenwerkingsinitiatieven zijn in de verordening mogelijkheden opgenomen voor zogenaamde agglomeratielandbouw. Hierbij wordt met name ingezet op de ontwikkeling van dergelijke initiatieven op bedrijventerreinen en/of in de ontwikkelingsgebieden voor glastuinbouw. Bij de 17
voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een concreet initiatief voor agglomeratielandbouw. Echter kan, omdat sprake is van het co-vergisten en bewerken van mest van meerdere agrarische bedrijven, daar mogelijk wel van worden gesproken.
De locatie is aansluitend aan een bedrijventerrein (of een gebied met veel niet-agrarische bedrijven) gelegen. Daarnaast is de ligging nabij het agrarisch gebied van belang voor de bereikbaarheid van de installatie voor agrarische ondernemers zonder dat de bedrijven op het bedrijventerrein of omwonenden daar last van hebben. De locatie biedt, gezien de ligging en de aard van de bedrijvigheid, een passende overgang van het agrarische buitengebied naar het nabijgelegen bedrijventerrein. Het buitengebied is daarnaast typerend voor agrarische en agrarisch verwante bedrijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden werkzaamheden mogelijk gemaakt die ten dienste staan voor agrarische ondernemers in de omgeving. Er is daarmee sprake van agrarisch verwante activiteiten die passen binnen het gebiedstype buitengebied. Er is daarmee sprake van een toekomstbestendige locatie. De gewenste activiteiten zijn daarmee passend in het gebied waarin de locatie is gelegen. De locatie biedt daarmee mogelijkheden voor initiatieven voor agglomeratielandbouw, waarmee de activiteiten op grond van het voorgaande niet in strijd zijn met het beleid zoals is opgenomen in de omgevingsverordening. Verder wordt vanuit artikel 2. 4 van de verordening ingegaan op de bestuursafspraken die per regio zijn gemaakt. De locatie is gelegen in een gebied dat valt onder de regio Noord-Limburg.
Voor deze regio zijn de bestuursafspraken opgenomen in de " Bestuursafspraken POL-uitwerkingen Noord-Limburg," welke als bijlage 1 bij de verordening is opgenomen. In deze bestuursafspraken is onder hoofdstuk 8 van het document opgenomen welke afspraken er zijn gemaakt omtrent energie. Het doel dat ten aanzien van energie is geformuleerd is om een meer energie onafhankelijke regio te creëren met een economisch gezonde woon-, werk- en leefomgeving die geschikt is voor toekomstige generaties. In de bestuursafspraken met betrekking tot energie is daarnaast opgenomen dat binnen de regio wordt gezocht naar (creatieve) oplossingen die nodig zijn om de energietransitie na 2020 te realiseren. Onderdeel daarvan is dat bedrijven zich inzetten op besparingen en duurzame energieopwekking op eigen terrein en dat in het landelijk gebied wordt ingezet op duurzame energieopwekking, rekening houdend met het ruimtelijk kwaliteitskader. Het co-vergisten en bewerken van mest is daarbij opgenomen als toepasbare manier van opwekken van duurzame energie. Voorwaarde daarbij is dat de mest uit de eigen regio moet komen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een initiatief voor het opwekken van duurzame energie bij een bedrijf op het eigen terrein, bedoeld om het rendement van de installatie te vergroten en dus meer duurzaam opgewekte energie te leveren.
Daarnaast is dit bedrijf gelegen in het landelijk gebied, waarmee eveneens sprake is van een initiatief voor duurzame energieopwekking in het landelijk gebied. Ter plaatse is reeds sprake van een goede inpassing van de locatie en er vinden ruimtelijk gezien geen ingrepen plaats op het erf, waarmee sprake is van een initiatief passend binnen het ruimtelijk kwaliteitskader. De aangevoerde mest komt in hoofdzaak van het eigen bedrijf. De aangevoerde mest welke niet van de eigen bedrijfslocatie afkomstig is wordt aangevoerd vanuit een veehouderijbedrijf in Panningen dat onderdeel uitmaakt van de overkoepelende organisatie van de initiatiefnemer en komt daarmee uit de regio die is aangemerkt als Noord-Limburg. Eventueel verder aangevoerde mest zal eveneens uit de eigen regio afkomstig zijn. Het voorgenomen initiatief sluit daarmee goed aan bij de bestuursafspraken die zijn gemaakt voor de regio Noord-Limburg.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg van de provincie Limburg.
18
3. 3.
Regionaal beleid
Regionale Energie Strategie Noord- en Midden-Limburg 3. 3. 1 Gemeente Horst aan de Maas is deel van de Regionale Energie Strategie (RES)-regio Noord- en Midden-Limburg. Daarbij horen ook de 14 andere gemeenten in Noord- en Midden Limburg, de provincie Limburg, het Waterschap Limburg en netbeheerder Enexis. Samen met inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties is de Regionale Energie Strategie (RES) tot stand gekomen. In de RES is beschreven hoe in de regio: Energie kan worden bespaard, zodat er minder opgewekt hoeft te worden. Duurzame elektriciteit kan worden opgewekt met zon en wind. Gebouwen duurzaam kunnen worden verwarmd, zodat er stap voor stap van het aardgas af kan worden gestapt. Energie kan worden opgeslagen en getransporteerd. De RES komt niet in plaats van het lokaal gemeentelijk beleid. De afspraken die in de gemeente gemaakt zijn worden meegenomen in de RES. Met de RES kan men in een groter verband kijken naar grensoverschrijdende en complexe vraagstukken. Hierdoor kan kennis met elkaar worden gedeeld en ontstaan er waardevolle samenwerkingen. Naast ambities en doelstellingen voor duurzame energieopwekking, met name gericht op zonne-energie en windenergie, zijn in de RES ook doelstellingen opgenomen voor warmte en het gebruik van (aard)gas. Nederland wil in 2050 geen gebruik meer maken van aardgas in de gebouwde omgeving.
De RES-regio Noord- en Midden-Limburg onderschrijft deze ambitie: in 2050 wordt alle warmte voor de gebouwde omgeving in de regio Noord- en Midden-Limburg opgewekt uit duurzame energiebronnen. Een van de mogelijkheden voor het winnen van gas uit duurzame energiebronnen is de winning van groen gas. Groen gas kan worden opgewekt door middel van vergisting, verbranding, compostering en vergassing. De RES richt zich enkel op vergisten. De werking van een biomassa-vergister, waarmee biogas wordt geproduceerd, is immers een techniek die zich reeds heeft bewezen. Het vergisten van mest heeft veruit het grootste aandeel in de totale potentie, waarbij de regio wel wil waken voor een zogeheten lock-in, waarbij de warmtevoorziening te afhankelijk wordt van mest. Met het voorgenomen initiatief wordt een installatie voor het duurzaam opwekken van groen gas verder ontwikkeld, waarbij eveneens mest die niet afkomstig is van de eigen bedrijfslocatie wordt aangevoerd. Wel is de aangevoerde mest afkomstig van een veehouderij die deel uitmaakt van de overkoepelende organisatie van het bedrijf van de initiatiefnemer. Het voorgenomen initiatief past goed binnen de doelstellingen en uitgangspunten uit de RES, waarin mogelijkheden worden geboden aan initiatieven voor het duurzaam opwekken van groen gas.
Het voorgenomen initiatief draagt daarmee bij aan de realisatie van de ambities en doelstellingen zoals zijn verwoord in de RES.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Regionale Energie Strategie Noord- en Midden-Limburg van de regio Noord- en Midden-Limburg.
3. 4.
Gemeentelijk beleid
3. 4. 1
Structuurvisie Horst aan de Maas De gemeente Horst aan de Maas heeft op 26 november 2019 de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar de langere termijn. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. De doelstelling die de gemeente heeft met de structuurvisie is drieledig. Enerzijds dient de structuurvisie een integraal beeld te vormen van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen staat voor de langere termijn. Daarnaast verschaft de gemeente inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke 19
randvoorwaarden hier eventueel bij gelden. Tenslotte biedt de structuurvisie kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. Een uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu in de gemeentelijke structuurvisie vormt de basis voor het vragen van een kwaliteitsbijdrage voor ontwikkelingen in het buitengebied en in de dorpen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het gebruiken van een installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest, welke momenteel alleen mag worden gebruikt voor het co-vergisten en bewerken van mest afkomstig van de eigen bedrijfslocatie, voor het co-vergisten en bewerken van mest die niet afkomstig is van de eigen bedrijfslocatie. Voor het co-vergisten en bewerken van mest zijn in de visie geen beleidsuitgangspunten opgenomen. De ontwikkeling van agrarische bedrijven in het agrarisch gebied past binnen de visie voor zover het agrarische bedrijven in het agrarisch gebied betreft. Vanuit de visie is de locatie gelegen in het agrarisch gebied tussen Horst en Park De Peelbergen (3A), aansluitend aan een bedrijventerrein (7A). De locatie is aansluitend aan een bedrijventerrein (of een gebied met veel niet-agrarische bedrijven) gelegen.
Daarnaast is de ligging nabij het agrarisch gebied van belang voor de bereikbaarheid van de installatie voor agrarische ondernemers zonder dat de bedrijven op het bedrijventerrein of omwonenden daar last van hebben. De locatie biedt, gezien de ligging en de aard van de bedrijvigheid, een passende overgang van het agrarische buitengebied naar het nabijgelegen bedrijventerrein. Het buitengebied is daarnaast typerend voor agrarische en agrarisch verwante bedrijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden werkzaamheden mogelijk gemaakt die ten dienste staan voor agrarische ondernemers in de omgeving. Er is daarmee sprake van agrarisch verwante activiteiten die passen binnen het gebiedstype buitengebied. Er is daarmee sprake van een toekomstbestendige locatie. De gewenste activiteiten zijn daarmee passend in het gebied waarin de locatie is gelegen. De ontwikkeling past daarmee binnen de doelstellingen uit de visie voor wat betreft (agrarische) bedrijvigheid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners.
Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bouwperceel ter plaatse van een bestaand bedrijf. Het bebouwde oppervlak ter plaatse zal in vergelijking met de huidige (vergunde) situatie niet niet toenemen. Er is immers uitsluitend sprake van een gebruikswijziging. De impact op het landschap is daarmee nihil. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan een het op duurzame wijze opwekken van energie en daarmee aan de klimaat- en energiedoelstellingen van de overheid, waaronder aan die van de gemeente. Een van de speerpunten voor het opwekken van duurzame energie van de gemeente is het winnen van energie uit het co-vergisten en bewerken van mest (groen gas productie). De voorgenomen ontwikkeling sluit daar goed op aan. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee goed binnen de doelstellingen uit de visie. Naast de algemene bepalingen ten aanzien van de ontwikkeling van agrarische bedrijven en de bijdrage aan de omgevingskwaliteit heeft de gemeente een gemeentelijk Kwaliteitsmenu opgenomen in de visie. Dit betreft een nadere uitwerking van het provinciale Limburgs Kwaliteitsmenu aan de gemeentelijke normen en kwaliteiten.
Het kwaliteitsmenu is van toepassing indien het geldende bestemmingsplan niet direct voorziet in de betreffende ontwikkeling en deze middels bijvoorbeeld een bestemmingsplanherziening of omgevingsvergunning mogelijk gemaakt moet worden. Wijzigingsbevoegdheden in de vigerende bestemmingsplannen worden gerespecteerd. De verschillende ontwikkelingsmogelijkheden zijn, grotendeels op basis van het provinciale Kwaliteitsmenu, onderverdeeld in zogenaamde 'modules'. Een module staat daarbij voor een ontwikkeling waarvoor een tegenprestatie nodig is op basis van het kwaliteitsmenu. Bij het gebruik van de modules 20
geldt dat in eerste instantie de specifieke voorwaarden, zoals deze voor de betreffende module(s) gelden, gehanteerd worden. Wanneer deze geen uitkomst/mogelijkheden bieden van de initiatiefnemer, wordt gebruik gemaakt van de financiële tegenprestatie. De modules zijn als volgt: 1. Nieuwe landgoederen; 2. Gebiedseigen recreatie en toerisme (verblijfsrecreatie en overig); 3. Niet-gebiedseigen recreatie en toerisme; 4. Agrarische nieuwvestiging (IV en grondgebonden bedrijven); 5. Agrarische uitbreiding (IV en grondgebonden bedrijven); 6. Nieuwvestiging en uitbreiding glastuinbouw; 7. Uitbreiding bedrijventerreinen; 8. Uitbreiding solitaire bedrijven; 9. Nieuwe (solitaire) woningen; 10. Projectmatige woningbouw in uitleggebieden; 11. Vrijkomende agrarische bebouwing (VAB); > 12. Groter bouwen (1.000 m³ per woning);
13. Overige (gebouwde) functies. De voorgenomen ontwikkeling betreft een wijziging van het gebruik van een installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest, waarbij eveneens mest van derden co-vergist en bewerkt zal worden. Er is daarbij geen sprake van een uitbreiding van het bedrijf, geen sprake van nieuwbouw en geen sprake van sloop. Voor wat betreft agrarische bedrijven gelden alleen eisen vanuit het kwaliteitsmenu als sprake is van nieuwvestiging of van een uitbreiding (vergroting bouwvlak). Hiervan is geen sprake bij de voorgenomen ontwikkeling, waarmee de aanvullende eisen uit het gemeentelijk Kwaliteitsmenu niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling en geen aanvullende tegenprestatie hoeft te worden geleverd.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Horst aan de Maas van gemeente Horst aan de Maas.
21
Hoofdstuk 4 4. 1.
Ruimtelijke-
en
milieuaspecten
Milieu
4. 1. 1
Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De richtafstanden van de VNG handreiking gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'.
In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is een gebied waar meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden.
Gezien de aard van het gebied waarin het plangebied is gelegen, de menging van functies in het gebied (agrarische bedrijven, niet-agrarische bedrijven/bedrijventerrein en burgerwoningen) en de ligging aan drukke ontsluitingswegen (de Venrayseweg en Veld-Oostenrijk), kan het gebied waarin het plangebied is gelegen worden beschouwd als een 'gemengd gebied'. Dit houdt in dat voor wat betreft de richtafstanden uit de VNG handreiking één stap terug gedaan mag worden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het co-vergisten en bewerken van mest, waarbij ook mest van derden wordt co-vergist en bewerkt. Ten aanzien van installaties voor het co-vergisten en bewerken van mest zijn in de handreiking de volgende
richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 50 meter. Geluid: 100 meter. Gevaar: 30 meter. Het dichtstbijzijnd gevoelig object (de agrarische bedrijfswoning aan de Venrayseweg 145) bevindt zich op ongeveer 110 meter van de projectlocatie (gemeten vanaf de grens van het agrarisch bouwvlak van de initiatiefnemer tot aan de gevel van de betreffende woning). Herbouw van de betreffende woning kan uitsluitend plaatsvinden op dezelfde locatie omdat de huidige locatie van de woning specifiek is aangeduid binnen het bouwvlak. Dit geldt ook voor omliggende burgerwoningen (de dichtstbijzijnde gevel van een burgerwoning ligt op ongeveer 150 meter van het agrarisch bouwvlak van de initiatiefnemer). Deze moeten bij herbouw in dezelfde voorgevelrooilijn teruggebouwd worden. De afstand ten opzichte van het projectgebied kan dus slechts minimaal worden verkleind. Hiermee is het dichtstbijzijnd gevoelig object ver genoeg van de projectlocatie gelegen en wordt aan de richtafstanden voldaan.
Gezien het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving.
Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de 22
omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
Gezien het voorgaande zullen geen van de omliggende bedrijven en/of functies onevenredig in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
4. 1. 2
Geur
De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het co-vergisten en bewerken van mest, waarbij eveneens sprake is van het co-vergisten en bewerken van mest van derden (niet afkomstig vanuit de eigen bedrijfslocatie). De installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest is reeds vergund en in gebruik. De vergunde capaciteit van de installatie zal niet wijzigen. De enige wijziging die zal plaatsvinden is dat in plaats van uitsluitend mest vanuit het eigen bedrijf eveneens mest van derden zal worden co-vergist en bewerkt. Deze mest zal worden aangevoerd. Voor de huidige installatie is, op basis van de vergunde capaciteit van de installatie, in mei 2018 een uitgebreid geuronderzoek uitgevoerd. Het uitgevoerde geuronderzoek is in juli 2019 en februari 2020 aangevuld voor de destijds doorgevoerde wijzigingen in de installatie. Uit het onderzoek en de aanvullingen daarop, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 1 van deze onderbouwing, blijkt dat aan de normen voor geur kan worden voldaan en dat de kans op geurhinder beperkt is. Omdat de geuremissie van de totale vergunde capaciteit van de inrichting is berekend in het geuronderzoek en deze niet wijzigt zal ook in de gewenste situatie sprake worden voldaan aan de normen en blijft de kans op geurhinder beperkt. Aanvoer mest van derden Aanvoer van mest vindt plaats door de vloeibare mest in de silo’s te pompen.
Deze silo’s zijn gesloten en de verdringingslucht wordt behandeld in het luchtbehandelingssysteem. Omdat de doorzet te verwerken mest niet wijzigt, zal de geuremissie ook niet wijzigen. Er wordt nu immers ook al mest aangeleverd, zij het van de eigen stallen. Met het aanvoeren van mest in vrachtwagens, wordt er wel meer mest in één keer aangevoerd, waardoor de emissie tijdelijk verhoogd zou kunnen zijn. Zoals in de notitie van 2020 voor afvoer wordt de emissie berekend, uitgaande van de in de hydolysering gemeten concentratie van 363. 000 ouE/m3. Per keer wordt 38 m3 gelost in 15 minuten. Wanneer de vrachten achter elkaar zouden worden geladen, komt er zo in een uur 152 m3 verdringingslucht vrij met een momentane geuremissie van (152 * 363. 000) = 55,2 *106 ouE/h, zonder nog rekening te houden met emissiereductie door het luchtbehandelingssysteem. Er zal in een uur maar één vracht worden gelost, waardoor dit kan worden gezien als een fluctuerende bron. De geuremissie kan dan worden berekend op
(55,2 * v15/60 ) = 27,6 *106 ouE/h. 23
Het geurverwijderingsrendement van het luchtbehandelingssysteem is gemeten en bedroeg 96%, uitgaande van het debiet op basis van het lagere ingaande debiet zou dit 60% zijn. Uitgaande van dit rendement van 60% zal de uiteindelijke emissie als gevolg van het lossen van mest (27,6 * 40%) = 11 *106 ouE/h bedragen. Er is sprake van minimaal (7. 500 / 36) = 208 en maximaal (19. 200 / 36) = 533 vrachten op jaarbasis, ofwel een emissieduur van tussen 210 en 540 uur per jaar (afgerond). De jaaremissie bedraagt dan minimaal 2,2 *109 ouE/jr en maximaal 5,6 *109 ouE/jr.
Effect vijzelbak bij meng- en hydrolysering De meng- en hydrolysering is op dit moment voorzien van een klep, die geopend wordt om deze te vullen met vaste co-producten. De geurconcentratie in de meng- en hydrolysering is aanzienlijk en werd gemeten op 363. 000 ouE/m3. Bij het openen van deze ring zal lucht met deze concentratie vrijkomen. De geuremissie werd in het rapport berekend op 21 *106 ouE/h gedurende 1. 092 uur per jaar (3 uur per dag). Met de realisatie van de vijzelbak wordt het meeste materiaal via deze vijzelbak de meng- en hydrolysering in gebracht. Dit betekent dat er geen of nauwelijks nog geuremissie zal optreden als gevolg van de mengen hydrolysering. Niet alle materiaal kan via de vijzelbak de meng- en hydrolysering in worden gebracht, gemiddeld zal de meng- en hydrolysering nog in een periode van 45 minuten per dag geopend zijn. Dat betekent dat er ten hoogste 1 uur per dag sprake is van emissie, terwijl dit in de huidige situatie 3 uur per dag is. Netto betekent dit een vermindering van de emissie van 21 *106 ouE/h gedurende tweemaal per dag, totaal 728 uur per jaar. Dit betekent op jaarbasis een vermindering van 15,3 *109 ouE/jr.
Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten op het gebied van geur. Daarmee is een verdere toetsing aan het woon- en leefklimaat ten aanzien van geur niet noodzakelijk.
Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geur.
4. 1. 3
Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5. 2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5. 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5. 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur
(wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof (PM) 10 en
stikstofoxiden (NO). x
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan 24
maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het co-vergisten en bewerken van mest, waarbij eveneens sprake is van het het co-vergisten en bewerken van mest van derden (niet afkomstig vanuit de eigen bedrijfslocatie). De installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest is reeds vergund en in gebruik. De vergunde capaciteit van de installatie zal niet wijzigen. De enige wijziging die zal plaatsvinden is dat in plaats van uitsluitend mest vanuit het eigen bedrijf eveneens mest van derden zal worden co-vergist en bewerkt. Deze mest zal worden aangevoerd. Naast de bijdrage van een inrichting aan de luchtkwaliteit dient ook een eventuele bijdrage aan de luchtkwaliteit vanuit het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals beschreven in de paragraaf ''Verkeersbewegingen'' (paragraaf 4. 4. 2) zal de worst-case situatie sprake zijn van 210 mogelijke extra vrachtwagens per jaar (dus 420 extra verkeersbewegingen met vrachtverkeer per jaar).