22 Provincie Limburg 24-0025873
Tekst van het document
provincie limburg j
De Raad van de gemeente Horst aan de Maas Postbus 6005 5960 AA HORST
Cluster
RMT
Behandeld
R.J. Paulussen
Telefoon
+31 6 21 83 60 50
Ons kenmerk DOC-00618921
Uw kenmerk
Vpl nummer Bijlage(n)
1
Maastricht
21 februari 2024
Verzonden
21 februari 2024
Onderwerp Artikel 3.8, lid 1 Wro Ontwerp-bestemmingsplan Toverland en MER
Geachte raad, Het college van de gemeente Horst aan de Maas heeft met ingang van 1 december 2023 tot en met 11 januari 2024 het ontwerp-bestemmingsplan 'Toverland” en het MER "Een magische toekomst voor Toverland” (hierna: het plan) voor een ieder ter visie gelegd. Op 19 december 2023 hebben wij een pro forma zienswijze ingediend en u heeft ons op 19 januari 2024 laten weten dat de reactietermijn verlengd wordt tot en met 22 februari 2024. We hebben het plan beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen en zien aanleiding om een zienswijze in te dienen op de volgende onderdelen: Vrijetijdseconomie - In paragraaf 3.2.1 van de toelichting ontbreekt het provinciaal beleid over vrijetijdseconomie dat is opgenomen in hoofdstuk 8 van de Omgevingsvisie Limburg (vanaf hier: POVI). Dit beleid moet worden toegevoegd; - In paragraaf 3.2.2 van de toelichting wordt ingegaan op de Omgevingsverordening Limburg 2014. Deze is met ingang van 1 januari 2024 vervangen door de Omgevingsverordening Limburg. Er is in afdeling 17.1 van de nieuwe omgevingsverordening geen overgangsrecht opgenomen waarin staat dat dat de oude verordening nog van toepassing is. Het plan zal aan de nieuwe omgevingsverordening moeten worden getoetst; - In de analyse op pagina 46 wordt uitgegaan van het POL2014. Deze visie is inmiddels vervangen door de POVI.
De analyse dient daarop te worden aangepast; - In paragraaf 3.2.2 van de toelichting wordt op de pagina’s 46/47 verantwoording afgelegd over de regionale afstemming. Bij de regionale afstemming is aangegeven dat het belangrijk is dat de feítelijke toevoeging van de verblijfsrecreatie altijd in balans moet zijn met de ontwikkeling van de dagrecreatiecomponent. Ook dient de toevoeging van verblijfsrecreatie, de regionale balans tussen vraag en aanbod niet ingrijpend te verstoren. In de verantwoording ontbreekt dat in het regionale
Limburglaan 10 6229 GA Maastricht
Postbus 5700 6202 MA Maastricht
+31 43 389 99 99 www.limburg.nl
provincie limburg ŵ
-
-
-
advies is opgenomen dat bij toekomstige besluitvorming over concrete toevoegingen voor verblijfsrecreatie op dat moment bepaald dient te worden of aan de uitgangspunten wordt voldaan. Wat verder ook ontbreekt is dat in het regionale advies is opgenomen dat daartoe in het bestemmingsplan specifieke regels/voorwaarden dienen te worden opgenomen. Aan dit advies is gevolg gegeven door het opnemen van beoordelingsregels in artikel 3.7.1 onder b; In de toelichting is beschreven dat maximaal 800 hotelkamers en maximaal 710 overige verblijfsrecreatie-eenheden worden beoogd. In artikel 3.6.3 onder a van de regels ontbreekt dit maximum van 710 overige verblijfsrecreatie-eenheden. Dit moet worden toegevoegd; In de regels wordt in artikel 3.6.3 onder b gesproken over ‘bedden'. Om misverstanden te voorkomen verzoeken wij dit begrip te vervangen door ‘slaapplaatsen’. Een slaapplaats is voor één persoon; Artikel 3.7.1 onder a is niet eenduidig. Wij verzoeken u het opgenomen verbod duidelijker te formuleren. Wij zijn van oordeel dat het toevoegen van zowel hotelkamers als overige recreatieve verblijfseenheden altijd door middel van een omgevingsvergunning dient plaats te vinden. Er dient immers beoordeeld te worden of de toevoeging de regionale balans tussen vraag en aanbod wordt verstoord; De beoordelingsregel in artikel 3.7.1 onder b dient ook te gelden voor hotelkamers.
Verder wordt gesproken over een balans in het regionale aanbod van verblijfsrecreatie. Dit is onjuist. Het gaat om de balans tussen vraag en aanbod in de regio. Voorgesteld wordt de beoordelingsregel als volgt te formuleren: De omgevingsvergunning als bedoeld onder a. wordt verleend indien is aangetoond dat de toename van het aantal recreatieve verblijfseenheden niet leidt tot een aantasting van de balans tussen vraag en aanbod van verblijfsrecreatie in de regio Noord-Limburg. Daarbij gaat het zowel om de balans voor het geheel van de verblijfsrecreatie als om de balans voor een specifiek type verblijfsrecreatie.
Verkeer In paragraaf 3.1.1 van het rapport ‘Verkeerskundig onderzoek ten behoeve van MER en BPVR Toverland' d.d. 7 november 2023 worden de rijkswegen A73 en A67 als primaire aanrijroutes beschouwd. Verreweg de meeste bezoekers bereiken en verlaten Toverland via de route A67/N277. De N277 heeft daarnaast ook een gebiedsontsluitende functie voor diverse dorpskernen en verblijfsrecreatieve voorzieningen die nabij de N277 zijn gelegen waardoor de N277 ook een belangrijke functie heeft in het kader van de bereikbaarheid voor hulpdiensten. Naast het ontwerpbestemmingsplan Toverland is (nagenoeg) gelijktijdig het ontwerpbestemmingsplan Grandorse ter inzage gelegd. In beide plannen is de verkeersimpact afzonderlijk beschouwd waardoor ons inziens met de verkeerstoename in het ontwerpbestemmingsplan Grandorse niet afdoende rekening is gehouden bij het doorrekenen van de verkeersimpact in het verkeerskundig onderzoek voor Toverland. Hetgeen in het ontwerpbestemmingsplan Toverland aan ontwikkelingen mogelijk wordt gemaakt leidt tot een toename van verkeer waardoor er problemen met betrekking tot de doorstroming en bereikbaarheid te verwachten zijn. Hiermee komt ook de externe veiligheid mogelijk in het geding.
Aangetoond dient te worden dat er geen doorstromingsproblemen zullen optreden om hiermee ook de doorstroming op het onderliggend wegennet en de bereikbaarheid van de omgeving te kunnen garanderen. Daar in het verkeerskundig onderzoek voor Toverland onvoldoende rekening gehouden is met de verkeersimpact vanuit het ontwerpbestemmingsplan Grandorse verzoeken wij u de verkeersimpact opnieuw te laten doorrekenen en op basis van de hieruit volgende resultaten het verkeerskundig onderzoek aan te laten passen.
DOC-00618921
2
provincie limburg
Inmiddels is ambtelijk het overleg gestart om de verkeersimpact vanuit het verkeerskundig onderzoek, het ontwerpbestemmingsplan Grandorse en overige bekende ontwikkelingen opnieuw te laten bepalen. Verwacht wordt dat de resultaten vanuit de berekening in het eerste kwartaal door Toverland kunnen worden aangeleverd. Bij dit overleg zijn de initiatiefnemers Toverland, Grandorse, de gemeente Horst aan de Maas, Rijkwaterstaat en de Provincie betrokken. Geluid Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Daarmee verandert ook de wijze waarop geluid van provinciale wegen moet worden beoordeeld. Vóór 1 januari 2026 moet de provincie geluidproductieplafonds (zogenaamde GPP’s) vaststellen voor alle provinciale wegen, dus ook voor de N277. Met de werkzaamheden daarvoor zijn we reeds gestart en het is de bedoeling deze rond 1 januari 2025 vast te laten stellen. Met de GPP's wordt de geluidbelasting als gevolg van de vervoerscijfers voor het jaar 2023 verankerd. Deze mogen daarna nog maar beperkt groeien (maximaal 1,5 dB). Als de geluidproductie van al het verkeer op een provinciale weg binnen een marge van 0,5 dB van het plafond verwijderd is (toetsing middels jaarlijkse monitoring) moet de provincie maatregelen onderzoeken en zo nodig nemen.
Dat kan door het toepassen van - in preferente volgorde - bronmaatregelen (denk aan stiller asfalt), overdrachtsmaatregelen (een geluidscherm) of maatregelen bij de ontvanger (woningen voorzien van extra geluidisolatie). De kosten van deze maatregelen zijn voor rekening van de provincie Limburg, als beheerder van de weg. De groei van het verkeer van en naar Toverland heeft consequenties voor de - nog door de provincie vast te stellen GPP’s. Het verkeer zal als gevolg van de ontwikkelingen van Toverland, maar ook als gevolg van alle overige (autonome) ontwikkelingen in de directe omgeving van Toverland, immers na 2023 fors toenemen. Een totaalbeeld van deze consequenties voor de N277 ontbreekt op dit moment. Meer verkeer zal ook consequenties hebben voor het verkeerslawaai dat omwonenden kunnen ervaren. Gezien de kosten waarvoor de provincie mogelijk wordt geplaatst is het nodig dat er meer inzicht komt over het geheel aan consequenties voor de toename van verkeer op de N277 in de toekomst. Wij zouden dan ook graag meer informatie en duidelijkheid willen ontvangen over de toekomstige cumulatieve effecten ten aanzien van de toename van verkeer. Dit is van belang voor het nader onderzoeken van eventueel te nemen van infrastructurele aanpassingen. Daarnaast dient dit ook bezien te worden vanuit de noodzaak om meer informatie te verwerven over de cumulatieve geluidsimpact.
Ons is bekend dat er nader constructief overleg is opgestart met Rijkswaterstaat, gemeente Horst aan de Maas, provincie Limburg en adviesbureaus inzake de (verkeers)ontwikkelingen van de N277. We zullen via het cluster Mobiliteit de ontwikkeling van GPP’s in deze overleggen betrekken en in een later stadium bespreken welke mogelijkheden er zijn om de mogelijke kosten die gepaard gaan met het nemen van maatregelen op een verantwoorde wijze te verdelen. In paragraaf 6.5.3 van het akoestisch onderzoek dat deel uitmaakt van het bestemmingsplan en het MER is beschreven dat volgens de verkeersmodellen een deel van het verkeer met bestemming Toverland door de woonkern Sevenum rijdt. In relatie tot het autonoom verkeer kan het planverkeer, onafhankelijk van de geluidbelasting ter plaatse van woningen, voor een toename van ten hoogste 0,5 dB zorgen. Hoe deze 0,5 dB verhoging tot stand is gekomen is niet te achterhalen uit de bijlagen en de verwijzingen in de tekst. Ondanks dat een dergelijke verhoging akoestisch niet waarneembaar is, is voor ons van belang of deze toename niet leidt tot het verlenen van Hogere waardes of het nemen van akoestische maatregelen. Uit het onderzoek kunnen wij dit niet afleiden. Wij verzoeken u ons hierover nadere informatie te verschaffen.
DOC-00618921
3
provincie limburg
m
VĨļff,
Stikstof Voorwaardelijke verplichting De toename van stikstofdepositie wordt gesaldeerd met het uit gebruik nemen van landbouwgronden en de beëindiging van een agrarisch bedrijf. Hiermee is in de Aerius-berekeningen rekening gehouden. Uit de regels blijkt echter niet dat dit is geborgd, bijvoorbeeld met een voorwaardelijke verplichting, dat het gebruik van de landbouwgronden en agrarisch bedrijf ook daadwerkelijk is beëindigd voordat gestart wordt met de werkzaamheden waarvoor stikstofruimte nodig is. Door te starten met de realisatie van de uitbreiding terwijl ook de landbouwgronden nog (deels) gebruikt mogen worden, kan toch een toename van stikstofdepositie ontstaan en dat is niet toegestaan. Uit de regels leiden wij af dat het zelfs de bedoeling is de landbouwgronden nog te gebruiken totdat ze nodig zijn voor de uitbreiding (zie artikel 3.1, letter f). Dat is niet toegestaan. Te allen tijde moet zijn geborgd dat er geen toename van depositie kan plaatsvinden, zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase. Wij hebben begrepen (uit de Nota van vooroverleg) dat de regeling in het bestemmingsplan zodanig kan worden aangepast dat het agrarisch gebruik komt te vervallen. Op dit moment is echter nog onvoldoende geborgd dat het agrarische gebruik stopt voordat de activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie starten.
Agrarisch bedrijf Er wordt gesaldeerd met een agrarisch bedrijf, dat inmiddels is gestopt. In beginsel is dat een probleem, omdat een vergelijking moet worden gemaakt tussen de maximale planologische effecten en de feítelijke planologische legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Nu die activiteit al is gestopt mag daar niet mee worden gesaldeerd, tenzij sprake is van een uitzondering. Intern salderen mag wel met een gestopte activiteit als onomstotelijk vaststaat dat de activiteit uitsluitend is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het nieuwe bestemmingsplan mogelijk maakt. Daarnaast moet uitgesloten zijn dat de activiteit sowieso zou zijn beëindigd voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Verder is vereist dat in de periode tussen de beëindiging van de activiteit en de vaststelling van het plan geen andere stikstof veroorzakende activiteiten zijn ontplooid op het desbetreffende perceel. Het is niet duidelijk of aan deze voorwaarden wordt voldaan. Zie hiervoor rechtsoverweging 24.2 van de uitspraak van de Raad van State van 1 september 2021 https:ZZuitspraken.rechtspraak.nlZ#!Zdetails?^ECLI:NL:RVS:2021:1960. Daarbij hebben wij begrepen (uit de Nota van vooroverleg) dat het gebouw aan de Schorfvenweg momenteel een deel van het jaar in gebruik is als ‘spookhuis’. Het spookhuis is tijdelijk vergund.
Gezien de bovenstaande voorwaarden kan dat een probleem zijn aangezien het spookhuis wel een andere stikstof veroorzakende activiteit is (immers dit genereert bezoekers/verkeersbewegingen). We verzoeken u aan te geven hoe zich dit verhoudt tot bovenstaande jurisprudentie. Daarnaast zijn de Wnb-vergunning en milieuvergunning van het desbetreffende bedrijf weliswaar overgedragen, maar nog steeds vigerend. Op welke wijze is dan verzekerd dat op deze plek geen toename meer kan plaatsvinden? Immers als de stikstofveroorzakende activiteiten starten moet uitgesloten zijn dat daar nog andere stikstofveroorzakende activiteiten plaatsvinden. Onduidelijk is hoe dat kan als bovengenoemde vergunningen nog aanwezig zijn.
DOC-00618921
4
provincie limburg
Stikstof aanleqfase In de voortoets (paragraaf 5.2) staat dat alleen is gekeken naar de gebruiksfase en dat de effecten van de aanlegfase nader getoetst moeten worden in het kader van de realisatie van de specifieke ontwikkelingen. Dat is niet toegestaan. Zowel de aanlegfase als de gebruiksfase dienen beoordeeld te worden op effecten. Dat geldt voor alle mogelijke effecten. Uit het stikstofdepositie-onderzoek valt af te leiden dat voor stikstofdepositie wel is gerekend met de aanlegfase, maar dat moet dus ook voor de andere effecten gebeuren. Ook in de toelichting staat in paragraaf 4.4.1 dat alleen naar gebruiksfase is gekeken. Onduidelijk is hoe zich dit verhoudt tot het stikstofonderzoek. Wij hebben inmiddels begrepen dat voor wat betreft de overige effecten in de voortoets zal worden onderbouwd dat er op voorhand geen sprake is van significante negatieve effecten in de aanlegfase. Daarnaast zal voor grondwateronttrekking een voorwaarde worden opgenomen in het bestemmingsplan dat middels een berekening moet worden aangetoond dat er geen hydrologische effecten optreden. Daarmee vindt het oordeel/ onderzoek naar de gevolgen van grondwateronttrekking niet plaats voorafgaand aan de vaststelling van het plan, maar pas op een later moment. Dat is niet toegestaan (Raad van State 13 juli 2022, zaaknummer ECLI:NL:RVS:2022:1991, rechtsoverweging 6.5).
Invulling maximale planologische effecten werkzaamheden Uit het stikstofdepositie-onderzoek (paragraaf 4.2.4.) blijkt dat vanaf 2023 tot en met 2033 ieder jaar ontwikkelingen en dus daaraan gekoppelde werkzaamheden zullen plaatsvinden. Als maatgevend jaar voor de maximale planologische effecten wordt 2032 aangehouden. In de toelichting staat dat de emissie behorende bij 2032 modelmatig berekend is als maximale situatie van het plan. Als maximale invulling van het plan behoort toch gekeken te worden naar de gehele aanlegfase en niet alleen 1 jaar. Anders is sprake van een onderschatting. Verder kunnen we dit ook niet uit de berekening afleiden. Liinbron Uit het stikstofdepositie onderzoek blijkt dat voor wat betreft het in beeld brengen van verkeer alleen gerekend is met een lijnbron van de N277 naar de A67. Onduidelijk is waarom er geen rekening is gehouden met verkeer afkomstig van bijvoorbeeld Venray. Externe veiligheid Ten aanzien van het aspect externe veiligheid zijn wij van mening dat het voorliggende plan onvoldoende basis biedt om in de uitwerking van het bestemmingsplan een goede afweging te maken ten aanzien van de externe veiligheidsrisico’s van met name de Delta Corridor en de drie hogedruk aardgasleidingen. Daarmee wordt geen recht gedaan aan het waarborgen van de veiligheid van de bezoekers van Toverland.
Daarnaast zijn voor wat betreft de Delta Corridor de voorwaarden uit het Barro en Rarro niet correct doorgevoerd in het nu voorliggende plan. De toelichting ten aanzien van externe veiligheid is onvolledig en ontoereikend. Er is, in vergelijking met het bestemmingsplan Grandorse, ten behoeve van de beoordeling van de relevantie van het type transport en bijbehorende relevantie voor het plangebied vanwege de A67 en de N277 verschillend geoordeeld, met gevolgen voor de beoordeling van het groepsrisico en de geformuleerde planregels. Daarnaast zijn de planregels niet eenduidig en onvoldoende helder, omdat de gebruikte terminologie in toelichting en planregels niet overeenkomt en niet voldoende is gedefinieerd in de planregels. Bovendien zijn bevindingen uit het MER die volgens de toelichting noodzaken tot het nemen van maatregelen/afwegingskaders niet allemaal vertaald in de planregels. Dit alles in ogenschouw nemend willen wij u dringend verzoeken om deze omissies te herstellen in het definitieve plan met bijbehorende regels. Ten aanzien van het verantwoorden van het
DOC-00618921
5
provincie limburg
groepsrisico en dus het aanvaarden van het resterende restrisico vragen wij u om compleet te zijn in uw verantwoording en zo nodig de consequenties te reguleren middels planregels. In het EV-rapport staan onjuistheden die vervolgens betrokken zijn bij de MER en die hierdoor uiteindelijk hebben geleid tot onjuiste, onvolledige en ontbrekende inzichten voor de totstandkoming van de planregels behorende bij dit plan. Er is naar onze mening nagelaten om een groepsrisicobeoordeling uit te voeren en evenmin is er voldaan aan de verantwoordingplicht. Naar de toekomst toe is niet met behulp van regels geborgd dat deze verantwoording voor de totale ontwikkeling nog plaats gaat vinden. Slechts voor onderdelen van het plan (bij afwijking) is een verplichting tot een risicobeoordeling voorgeschreven en dan nog niet eens voor alle ontwikkelingen binnen de 10Zo letaliteitscontouren. Voorafgaand hieraan zijn er onvoldoende conclusies verbonden aan het EV-rapport bij het MER, waardoor geen aanscherping via regels bij dit bestemmingsplan is toegevoegd. Wij vragen u als bevoegd gezag dan ook om hier meer aandacht te hebben met het oog op de maximaal 30.000 bezoekers per dag en het toevoegen van verblijfsrecreatie binnen het plangebied.
Dit klemt te meer omdat de letaliteitsgrens van '\0Zo van de dominante gasleiding 585 meter bedraagt en dat er voor de toekomstige leidingstrook van buisleidingen rekening gehouden dient te worden met de transportleiding met vloeibaar of gasvormig ammoniak. Voor een toelichting op het onderdeel externe veiligheid verwijzen we naar de bijlage. Delta Rhine Corridor Het Rijk is het verantwoordelijk voor het voorkeurstracé buisleidingen zoals vastgelegd in het Rarro (Wro) en Besluit kwaliteit leefomgeving (Ow). Tevens is het Rijk het bevoegd gezag voor de projectbesluitprocedure voor Delta Rhine Corridor. Derhalve is er primair sprake van een Rijksbelang. Het belang voor Limburg van deze nieuwe buisleidingen is echter ook groot. Bijvoorbeeld de aansluiting van Chemelot met deze nieuwe buisleidingen en elektra-verbindingen is cruciaal voor de verduurzaming van Chemelot. Wel vinden we dat er sprake dient te zijn van een veilige en zorgvuldige inpassing. In onze inspraakreactie (d.d. 5 juli 2023, met kenmerk DOC-00503429) op de Kennisgeving voornemen en participatie Delta Rhine Corridor, hebben we expliciet de situatie van Toverland als provinciaal inpassingsaandachtspunt benoemd. Dit is herhaald in onze zienswijze (d.d. 16 oktober 2023, met kenmerk DOC-00550516) op het ontwerp Programma energiehoofdstructuur.
Dit belang maakt ook dat we volwaardig zijn aangesloten bij de overleggen tussen uw gemeente, Toverland, het initiërend consortium en het Rijk. Tot slot kunnen we melden dat wij op 8 februari jl. het Ruimtelijk Voorstel hebben aangeboden aan het Rijk. Wij hebben in dit Ruimtelijk Voorstel voor wat betreft de Delta Rhine Corridor het Rijk gevraagd voor de benodigde omlegging van Delta Rhine Corridor inclusief de bestaande buisleidingen ter hoogte van Toverland. Stand van zaken is dat alle betrokken partijen in gesprek zijn en blijven om te verkennen of de nieuwe buisleidingen anders gesitueerd kunnen worden, de bestaande aardgasleidingen verlegd kunnen worden en daaropvolgend het voorkeurstracé buisleidingen aangepast kan worden. Doel hiervan is te komen tot een veiligere en voor alle partijen toekomstbestendige inpassing. In de Reactienota Delta Rhine Corridor (publicatie 26 januari 2024) wordt door het ministerie van EZK bevestigd (pagina 251) dat de aangedragen alternatieven in de volgende fasen van het project, te beginnen met de concept-NRD, nader onderzocht zullen worden. De projectorganisatie zal hierover in de komende periode met de indiener en de genoemde partijen verder in gesprek blijven. Wel hechten we er belang aan te herhalen dat de provincie Limburg geen financiële bijdrage aan de fysieke aanpassingen gaat leveren.
DOC-00618921
6
provincie limburg
f' wm
V
In paragraaf 3.1.3 van de toelichting gaat u in op de Delta Rhine Corridor. We constateren dat deze paragraaf niet volledig is, gedateerd is en niet ingaat op de gevoerde gesprekken en daaruit volgende intenties. Daarbij wordt melding gemaakt van een afspraak met ons die wij niet kennen. We verzoeken u deze paragraaf uit te breiden, te actualiseren en integraal te verbeteren. Daarbij verzoeken we u ook de relatie te leggen met de externe veiligheidsbeoordeling.
Gedeputeerde Staten van Limburg
DOC-00618921
7
provincie limburg
Bijlage Toelichting onderdeel externe veiligheid Algemeen Het provinciaal belang bij de ontwikkeling van Toverland BV ligt naast de bescherming van de buisleidingentracé voor buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen dat binnen de begrenzing van Toverland ligt, in het waarborgen van de veiligheid van de grote aantallen bezoekers van Toverland. In zijn kamerbrief over de ontwikkelingen van de Delta Rhine Corridor (DRC) van 5 oktober 2023 heeft de minister toegelicht dat is besloten dat de buisleidingen voor waterstof, CO2, ammoniak en kabels voor 6 GW gelijkstroom worden meegenomen in een gemeenschappelijke ruimtelijke procedure (de Rijkscoördinatieregeling). De DRC is een bundel van ondergrondse buisleidingen en kabels die wordt ontwikkeld in de buisleidingenstrook die loopt van Rotterdam via Moerdijk naar Zuid-Limburg en verder door naar Duitsland. De DRC is een strategisch project met de potentie om de noodzakelijke schaalsprong te creëren voor de realisatie van klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen, de energie- en grondstoffentransitie en verduurzaming van de industriële clusters langs het tracé. Het kabinet heeft het project dan ook opgenomen in het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK).
Tegelijkertijd kan het de concurrentiepositie van de bestaande industrie op de route Rotterdam Chemelot en de Rotterdamse haven versterken en daarmee bijdragen aan het vestigingsklimaat voor nieuwe spelers die op zoek zijn naar een toekomstgerichte infrastructuur. Een tijdige aanleg biedt ons land een ‘first mover’-voordeel. Tot slot biedt dit project kansen om de samenwerking voor met de buurlanden te versterken, passend bij EU-ambities. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. In onderhavig bestemmingsplan is sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object. Het plan voorziet onder meer in realisatie van meerdere vormen van verblijfsrecreatie voor meer dan 50 personen. Het voornemen leidt daarmee tot een toename van de personendichtheid.
Het beleid inzake externe veiligheid is derhalve van toepassing. Om die reden moet het bevoegd gezag een afweging maken of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. Er moet beoordeeld worden of de toekomstige ontwikkelingen niet in strijd zijn met de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico én het bevoegd gezag legt verantwoording af over het groepsrisico en de maatregelen die getroffen zijn om dat risico zoveel mogelijk te beperken. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is vastgelegd wanneer, en op welke wijze, de hoogte van het groepsrisico moet worden verantwoord. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour).
DOC-00618921
8
provincie limburg
Het Rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10'6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen jaar). Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10"6. Het plaatsgebonden risico 10'6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 106 per jaar. Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10'6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst - maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een bepaald aantal mensen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De hoogte van het groepsrisico hangt af van: * de kans op een ongeval; » het effect van het ongeval; » het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; * de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Plantoelichting Binnen de plangrenzen liggen enkele bestaande buisleidingen voor het transport van aardgas. Tevens ligt het plan binnen de invloedssfeer van (toekomstige) transportassen van gevaarlijke stoffen. De plantoelichting is voor wat betreft externe veiligheid gebaseerd op het onderzoek Externe VeiligheidKragten BV voor de inrichting van Toverland BV gelegen aan de Toverlaan 2 te Sevenum, (d.d. 27 september 2023, kenmerk TOV.Sev.22.EV Mer-02, opgesteld door M-tech). Dit onderzoek is slechts minimaal aangepast ten opzichte van de eerder beoordeelde versie in het kader van het vooroverleg.
Het gros van de opmerkingen die destijds geplaatst zijn, zijn dan ook onverkort van toepassing op het nu voorliggende rapport. Logischerwijs zijn dan ook opmerkingen van dezelfde strekking van toepassing op de vertaling van dit onderzoek in de plantoelichting. Een plantoelichting is vormvrij en dient met het oog op het onderdeel externe veiligheid in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten: a. een beschrijving van de aanwezige situatie dan wel de beoogde ontwikkeling; b. beschrijving toetsingskader; c. het onderzoek naar het plaatsgebonden risico en het rekenkundige groepsrisico; d. het eventueel door de veiligheidsregio uitgebrachte advies; e. de visie van het bevoegd gezag op de veiligheid; f. een beschouwing van de noodzaak tot het verantwoorden van het groepsrisico; g. indien de noodzaak tot verantwoorden aanwezig is: een beschouwing van de verschillende verantwoordingselementen zoals zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid, de mogelijke (veiligheids)alternatieven; h. conclusie aanvaardbaarheid ontwikkeling, vertaling plankaart en planregels.
DOC-00618921
9
provincie limburg
Wij zijn de mening toegedaan dat de toelichting een duidelijke uitspraak moet bevatten over de wijze waarop de verantwoordingsplicht is ingevuld. Indien een onderzoeksrapport adviezen bevat om de veiligheid te optimaliseren, moet in de toelichting duidelijk zijn aangeven hoe met die adviezen is omgegaan en waarvoor het bevoegd gezag de verantwoording neemt. Belangrijk Is dat de juridische verankering van eventuele veiligheidsmaatregelen duidelijk geadresseerd wordt. In het voorliggend bestemmingsplan is sprake van een combinatie van risicobronnen. Het is belangrijk om deze combinatie bij de invulling van de verantwoordingsplicht op een coherente wijze te beschouwen. Naar onze mening is dat in het voorliggende ontwerp onvoldoende gebeurd. Dit dient in het vast te stellen plan hersteld te worden. Vanuit het belang dat in de toekomst veilig vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen noodzakelijk is en blijft, zijn in de Structuurvisie Buisleidingen 2012-2035 en het Barro leidingstroken vastgelegd. Bij het bestemmen van de gronden zijn niet alleen de locatiespecifieke uitwerking van de ligging van de leidingstrook en het op een locatiespecifieke manier vrijwaren van die leidingstrook relevant, maar ook het gebruik van de gronden in de omgeving van de “lege” leidingstrook.
In het onderhavige bestemmingsplan is niet alleen sprake van de ligging van hoge druk aardgasleidingen met bijbehorende leidingstrook, maar is er ook een “lege” leidingstrook gereserveerd voor het toekomstige veilige vervoer van gevaarlijke stoffen. Bestemmingen nabij een leidingstrook die de mogelijkheid bieden voor het verblijf van veel personen, zijn bestemmingen die een hoog groepsrisico met zich meebrengen. Het weloverwogen toedelen van deze bestemmingen in de omgeving van een buisleiding is daarmee even relevant bij een lege zone als bij een zone die al ten volle benut is. De omgang met lege zones is moeilijk, maar niet onmogelijk, omdat het risico bij de start van de bestemmingplanprocedure voor Toverland nog niet (exact) bekend was. In het stadium van het vooroverleg is van provinciale zijde op diverse momenten aangegeven hoe naar onze mening niet alleen de ínhoud van de uitgevoerde externe veiligheidsonderzoeken verbeterd konden worden om de volledige omvang van de risico’s (zoals ook wettelijk voorgeschreven) in beeld gebracht moeten worden ten behoeve van een ruimtelijk plan (in dit geval het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte Toverland).
Ook is aangegeven dat naar onze mening voldoende informatie beschikbaar was om reeds indicatief en met het oog op de komst van de Omgevingswet en de daarin gewijzigde aanpak ten aanzien van de omgang met groepsrisico’s (aandachtsgebieden) relevante inzichten opgedaan konden worden voor het invullen van de verantwoordingsplicht. Uit het voorliggende ontwerpbestemmingsplan blijkt dat initiatiefnemer en bevoegd gezag in gesprek is met leidingbeheerders/initiatiefnemers Gasunie/DRC om te bezien of er mogelijkheden zijn om gereserveerde en/of bestaande leidingstroken te verleggen. Dit is ons ook bekend. Wij kunnen ons zeer goed voorstellen (gezien de ernstige beperkingen die de ligging van deze leidingstroken met zich meebrengt voor de ontwikkelingsruimte van initiatiefnemer) dat het bevoegd gezag en initiatiefnemer graag de uitkomsten van deze gesprekken willen betrekken bij de totstandkoming van het voorliggende bestemmingsplan. Wij gaan ervan uit dat indien er concreet zicht was (naar het oordeel van het bevoegd gezag) op een toekomstige andere ligging van één of meerdere leidingstroken, dit ook onderbouwd aanleiding zou zijn geweest om de verantwoordingsplicht in de ontwerpfase van dit bestemmingsplan anders in te vullen dan van het bevoegd gezag verwacht mag worden gezien haar wettelijke plicht.
Het bevoegd gezag heeft in de toelichting bij dit ontwerp geen blijk gegeven van concrete wijzigingen die op stapel staan. Om die reden zijn wij dan ook van mening dat de nu voorliggende toelichting ten aanzien van volledigheid en juistheid én de verantwoordingsplicht onvoldoende is. Ten aanzien van de onderdelen, die bovengenoemd zijn opgesomd zijn naar onze mening de hierboven genoemde onderdelen b, c, e, f, g en h niet compleet. Daarnaast is ons opgevallen dat ten behoeve van de onderzoeken en toelichting inclusief verantwoording groepsrisico die in dezelfde tijdspanne (deels door hetzelfde adviesbureau) voor van het
DOC-00618921
10
provincie limburg
*v
ontwerpbestemmingsplan Grandorse zijn opgesteld gebruik hebben gemaakt van - uiteraard - dezelfde risicobronnen als voor het plangebied Toverland, maar wel met een verschillende uitgangspunt en dus effect voor de planregels, toelichting en groepsrisicoverantwoording. In het ontwerpbestemmingsplan Grandorse wordt aangegeven dat een invloedsgebied geldt van 45 meter vanwege het transport van LF1en LF2-stoffen over de N277. Ten aanzien van de A67 geldt vanwege het tansport van toxische gassen over de weg een invloedsgebied van 4 km. Vanwege deze afstanden tot het plangebied is een groepsrisico afweging noodzakelijk. In het voorliggende ontwerpbestemmingsplan van Toverland wordt voor dezelfde A67 uitgegaan van een invloedsgebied van 1,8 km en wordt het groepsrisico niet relevant geacht. Voor de N277 wordt zowel het plaatsgebonden risico, het groepsrisico als het plasbrandaandachtsgebied van 20m vanaf de perceelgrens tot in het plangebied langs de N277 relevant geacht. Op de verbeelding is voor de N277 een ľy0 letaliteitscontour opgenomen (invloedsgebied) met een breedte van 355 meter. Voor ons is het onduidelijk waarom voor eenzelfde A67 en N277 diverse uitgangpunten worden gebruikt, welke uitgangspunten verstrekkende gevolgen hebben voor de planregels en het gebruik van het plangebied van Toverland.
Wij vinden dit onzorgvuldig en vragen u om de eenduidigheid te bewaken en uit te zoeken welke uitgangspunten voor beide plannen de juiste zijn. Ten aanzien van het maken van geen keuze voor een voorkeursalternatief wordt in de toelichting uitgelegd dat rekening houdend met een aantal randvoorwaarden waaronder Toverland organisch kan doorgroeien in een nader te bepalen vorm, omvang, fasering en tempo. Wij onderschrijven deze wens van initiatiefnemer van harte, maar moeten wij in deze fase van het ontwerpbestemmingplan concluderen dat een aantal randvoorwaarden nog niet compleet of op een juiste wijze tot stand is gekomen. Wij zien volop mogelijkheden om deze onvolkomenheden te herstellen. Ten aanzien van het onderliggende milieueffect rapport MER worden in de toelichting bij het plan conclusies getrokken. In het MER zijn verschillende alternatieve inrichtingsvoorstellen in beeld gebracht waarmee de “uitersten van het speelveld” in beeld zijn gebracht en waarmee de lange termijn ambitie van de initiatiefnemer voor de komende twintig jaar concreet invulling kan krijgen. In het MER worden de effecten van de inrichtingsvoorstellen in beeld gebracht. Naar aanleiding van deze “maximale” effecten zijn zo nodig kaders/randvoorwaarden geabstraheerd en in het bestemmingsplan verankerd middels planregels. Toekomstige initiatieven van Toverland worden getoetst aan deze planregels.
Uit het feit dat geen voorkeursalternatief is vastgesteld maken wij op dat alle mogelijke varianten leiden tot het doelbereik. De uitkomst van het MER is dat er voor vele aspecten een beoordeling van de effecten heeft plaatsgevonden en dat er voor slechts enkele “de belangrijkste effecten” aanleiding is voor het bevoegd gezag om regels vast te leggen waarmee bij toekomstige ontwikkelingen rekening moet worden gehouden. Ten aanzien van de effecten voor het woon- en leefmilieu is onder paragraaf 4.15 onder 11 beschreven dat er planregels zijn opgenomen. Deze hebben betrekking op: - Geluid: de geluidbelasting ter plaatse van geluidsgevoelige objecten en geluidsgevoelige terreinen als gevolg van industrielawaai worden middels een planregel beperkt en gereguleerd. Er is niet beschreven of er ook met betrekking tot verkeerslawaai een planregel is opgenomen; - Licht: voor licht is beschreven dat indien er hogere attracties dan de bestaande feitelijke situatie worden gerealiseerd er aanvullende lichtberekeningen moeten plaatsvinden. Dit is echter niet vervat in een planregel; - Externe veiligheid: ten aanzien van externe veiligheid valt daarbij op dat er maatregelen worden voorgesteld om de risico’s en gevolgen te beperken, die niet middels een planregel voorgeschreven worden en waarover onduidelijkheid kan ontstaan door het gebruik van de niet nader toegelichte terminologie.
- Een aarden wal of keermuur tussen het plangebied en de N277;
DOC-00618921
11
provincie limburg «
-
-
Binnen het invloedsgebied (term is anders dan in planregel, daar is sprake van een veiligheidszone) geen camping, camperplaatsen realiseren, enkel bedrijfsgebouwen met aanvullende brandveilige maatregelen; Verblijfslocaties ( en andere bebouwing) op minimaal 80 meter van de N277 en op minimaal 80 meter buiten de reserveringsstrook (deze terminologie wordt ook niet gebruikt in de planregels); Camping/camperplaatsen/tenten in het noordelijk deel van het plangebied projecteren (dit heeft niet geleid tot het aanwijzen van voorkeursalternatieven dan wel nadere planregels).
In paragraaf 5.2.2 van de toelichting wordt de juridisch planologische regeling van het plangebied toegelicht. Wat opvalt is dat de tekst die in de toelichting is gebruikt afwijkt van de ínhoud van de planregel. Dit geldt voor planregel 11.5.2. In deze regel voor de gasleidingen is geen sprake van een schríftelijke instemming van leidingbeheerder, terwijl dit wel nodig is blijkens de toelichting op pagina 106. Tevens zijn voor de planregels in de artikelen 11.6.1 en 11.6.2 (de veiligheidszone- leidingstrook) afwijkende formuleringen gehanteerd. Volgens de toelichting op pagina 106 zijn er geen gebouwen anders dan ten dienste van de bestemming toegestaan. Onder 11.6.1 is een verbod op kwetsbare objecten gereguleerd. Onder voorwaarde (11.6.2) kan het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.6.1 mits, al dan niet in combinatie met het nemen van mitigerende maatregelen ter beperking van het groepsrisico, een verantwoording plaatsvindt van het groepsrisico. Het bevoegd gezag wint hierover advies in bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord en de leidingbeheerder(s). Maar uit de toelichting op pagina 106 is op te maken dat er slechts op het verbod kan worden afgeweken als geen sprake is van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object.
Beide zijn niet met elkaar in overeenstemming, maar de onduidelijkheid wordt groter als er ook nog de bouwregels in de leidingstrook gas worden beschouwd, want hierin is gereguleerd dat er kan worden afgeweken indien er geen onevenredige aantasting plaatsvindt en de leidingbeheerder schríftelijk heeft ingestemd. De gebruikte terminologieën zijn niet gedefinieerd in het plan. Er wordt gebruikt gemaakt van diverse termen in toelichting en planregels, veiligheidszone, invloedsgebied, belemmeringenstrook. Wij vragen u om in deze planregels meer duidelijkheid te scheppen.
Voor een verantwoorde bestemmingstoedeling in de nabijheid van buisleidingen geldt een aantal uitgangspunten: 1. Bij de realisatie van de toekomstige buisleidingen wordt de veiligheid aan de bron geoptimaliseerd. Dit staat niet ter discussie. 2. Afstand houden tot de leidingstrook is het beste planologische instrument om veiligheid te bieden. Hierbij is niet de kortst mogelijke afstand leidend, maar de vraag hoe een gebied verantwoord valt in te richten. Bij het verantwoord inrichten van het gebied moet het aanhouden van de maximaal mogelijke afstand van de buisleiding tot de bestemming centraal staan. 3. Het afstand houden kan niet los worden gezien van de mate van kwetsbaarheid van de te realiseren objecten. Hoe kwetsbaarder een object, hoe noodzakelijker het is om dat object op afstand van de buisleiding te realiseren. Als het bestemmingsplan voor de omgeving van de leidingstroken tijdens de looptijd nog nader moet worden uitgewerkt, zoals bij Toverland het geval is, dan biedt de systematiek van een schillenbenadering een handvat. Hieraan is getracht invulling te geven in de planregels. Echter ten aanzien van deze planregels merken wij op dat de huidige planregels onvoldoende garanties bieden voor de omgeving en dat het bevoegd gezag onvoldoende heeft geborgd middels de regels dat zij zicht heeft op een veilige inrichting.
Wij zijn deze mening mede toegedaan omdat er onduidelijkheid bestaat over de gehanteerde terminologie, zoals reeds eerder aangegeven. Daarnaast is er waarschijnlijk in het licht van het bestemmingsplan verbrede reikwijdte voor gekozen om af te zien van een vergunningplicht (ten behoeve van de borging van externe veiligheid). Deze is alleen toegevoegd in het geval van afwijken, maar ook normen voor een vergunningsvrije activiteit moeten in
DOC-00618921
12
provincie limburg
•A.
beginsel helder en concreet worden geformuleerd zodat het voor iedereen duidelijk is welke activiteiten dit betreft. U bent uiteraard vrij om te bepalen hoe u een en ander wenst te reguleren. Er is geen gebruik gemaakt van regels voor het doen van een melding voordat een activiteit wordt uitgevoerd, waardoor zo nodig nog getoetst kan worden of de activiteit in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Een melding kan mogelijke problemen achteraf voorkomen. Naar aanleiding van een melding kunnen ook maatwerkvoorschriften worden gesteld. Het kan ook voorkomen dat het vooraf melden van een activiteit niet noodzakelijk is, maar dat het bevoegd gezag toch graag informatie wil ontvangen over de activiteit. In dit geval kan een regel worden opgenomen waarin wordt aangegeven dat voor of na een activiteit informatie moet worden overhandigd aan het bevoegd gezag. Wij verzoeken u om ten aanzien van de belangen die spelen rondom het aspect externe veiligheid nogmaals kritisch te beschouwen of de nu voorgestelde planregels afdoende zijn. 4. Wanneer de toe te delen bestemmingen zijn afgestemd op de kwetsbaarheid van de functies, moet de personendichtheid waarin de bestemming voorziet, beoordeeld worden. Het uitgangspunt is hierbij: bestemmingen die hogere personendichtheden toestaan moeten op zo'n groot mogelijke afstand van de leidingstrook worden gerealiseerd.
Voor leidingstroken waarbij de aard van de buisleidingen bekend is, is het gangbaar om groepsrisicoberekeningen te maken. Uit deze berekeningen valt dan de hoogte van het groepsrisico af te leiden en meerdere berekeningen maken het vergelijken van inrichtingsvarianten mogelijk. Bij lege leidingstroken zijn dergelijke berekeningen niet mogelijk zonder aannames omtrent de aard van de buisleidingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen te doen. Wij zijn van mening dat het raadzaam was geweest de uitgangspunten voor deze aannames voor te leggen en overeen te komen met bijvoorbeeld RWS en initiatiefnemer van de Delta Rhine Corridor/ het bevoegd gezag voor de Delta Rhine Corridor en vervolgens (virtuele) representatieve leidingen ‘aan te leggen’. In de looptijd van de totstandkoming van dit nu voorliggende ontwerpbestemmingsplan is de kennis over hetgeen in de toekomst planologisch gereguleerd gaat worden steeds duidelijker geworden en is er ook bij brief van de minister van 5 oktober 2023 duidelijkheid over het totaalpakket wat planologisch gereguleerd gaat worden in de DRC. Als bevoegd gezag heeft er voor gekozen om als uitgangspunt te nemen dat er nog geen kennis beschikbaar is die gebruikt had kunnen worden voor het verantwoorden van het groepsrisico.
Wij verschillen op dit punt met u van mening en wij verzoeken u dan ook om in het definitieve plan of een ‘volledige’ verantwoordingsplicht voor het bestemmingsplan toe te lichten, of uit te leggen en te onderbouwen hoe afspraken met leidingbeheerders ertoe hebben geleid dat er gewijzigde uitgangpunten zijn (ten aanzien van de toekomstige ligging van leidingstroken), waardoor ligging en gebruik in de toekomst er anders uit komt te zien met dito andere verantwoordingsplicht. In het licht van alle voorgaande opmerkingen en bezwaren verzoeken wij u de huidige planregels zodanig aan te vullen dat er een verantwoording van het groepsrisico moet hebben plaatsgevonden, inclusief raadplegen van leidingbeheerders en adviesorgaan Veiligheidsregio middels een omgevingsvergunning voor elke toekomstige activiteit binnen de 1 Vo letaliteitscontouren van de leidingen. Wij achten dit noodzakelijk omdat er geen complete groepsrisicoverantwoording heeft plaatsgevonden. Daarnaast is in het kader van het onderliggend MER en de vergelijking van de inrichtingsvarianten ook geen rekening gehouden met mogelijke groepsrisicoverschillen.
Naar onze mening is hiermee ook onduidelijk of dit had kunnen leiden tot andere uitkomsten van het MER en de vraag of deze uitkomsten wellicht hadden moeten leiden tot het stellen van een ander afwegingskader voor de planregels die zijn opgesteld bij dit bestemmingsplan. In het kader van de onderliggende MER is het niet noodzakelijk om te komen tot één voorkeursvariant, maar hadden, afhankelijk van de uitkomsten van groepsrisicoberekeningen of op basis van expert judgement uitspraken gedaan kunnen worden over de wenselijkheid van enkele inrichtingsvarianten die
DOC-00618921
13
provincie limburg
al dan niet hadden kunnen leiden tot ofwel strenge(re) planregels dan wel tot minder inrichtingsvarianten dan die nu mogelijk worden geacht in voorliggend ontwerp Naar onze menig is het toekennen van bestemmingen van (beperkt) kwetsbare objecten nabij (lege) leidingstroken een uiterst zorgvuldig uitgevoerd vooronderzoek vereist. Naar onze mening is hier niet aan voldaan. Verbeelding en regels Samen met het voorkeurstracé voor de buisleidingenstrook is in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) ook een zoekgebied vastgesteld van 250 meter aan weerszijden van een tracé. Op grond van titel 2.9 van het Barro kunnen gemeenten binnen dit zoekgebied een voorkeurstracé nader uitwerken en zo de ligging van het tracé voor de buisleidingenstrook optimaliseren. Nu echter uitsluitend het voorkeurstracé van 70 meter is vastgelegd in de planverbeelding, vervalt de mogelijkheid om binnen het aangewezen zoekgebied de loop van het tracé aan te passen. Dit strookt echter niet met artikel 11.6.3 van de planregels en de laatste twee alinea’s op pagina 66 van toelichting waarin gesproken wordt over een mogelijke toekomstige verplaatsing van de leidingstrook: Ter plaatse van de aanduiding ‘veiligheidszone-leidingstrook’ zijn (beperkt)kwetsbare objecten in principe niet toegestaan.
Het verbod is niet van toepassing indien de leidingstrook is komen te vervallen of is verplaatst en dit schríftelijk is bevestigd door het bevoegd gezag. Deze laatste bepaling is opgenomen met het feit dat een toekomstige verplaatsing van de leidingstrook tot buiten het plangebied niet kan worden uitgesloten, hetgeen in dat geval zou betekenen dat de beperkingen kunnen komen te vervallen. Er wordt verondersteld dat het laten vervallen van de leidingstrook een gemeentelijke bevoegdheid is, naar zover ons bekend is dat geen bevoegdheid van de gemeente en vragen wij u bezien of de wijze waarop een en ander nu gereguleerd wordt in overeenstemming is met de wettelijke regelingen. Ten aanzien van de mogelijke verplaatsing van de leidingstrook voor buisleidingen tot buiten het plangebied, merken wij op dat het wettelijk zoekgebied voor het bevoegd gezag van de gemeente reikt tot 250 meter aan weerzijde van het tracé en ligt daarmee grotendeels binnen de plangrens. Wij verzoeken u in het definitieve plan te verduidelijken welke mogelijkheden er onderzocht worden en te verduidelijken wat dit impliceert voor de bevoegdheden van uw gemeente. Op de verbeelding is voor de N277 een V/o letaliteitscontour opgenomen met een breedte van 355 meter. Artikel 11.4 van de planregels bevat de beperkingen c.q.
voorwaarden ten aanzien van de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten binnen deze zone (ja, mits-principe). Hierbij dient het bevoegd gezag het groepsrisico te verantwoorden waarbij advies moet worden ingewonnen bij de Veiligheidsregio LimburgNoord. Onduidelijk is welk toetsings- en afwegingskader hierbij wordt gehanteerd. Het artikel geeft daarmee onvoldoende basis om in de uitwerking van het bestemmingsplan een goede afweging te maken ten aanzien van externe veiligheid. Conform paragraaf 4.5.4 van de plantoelichting is door de Veiligheidsregio Limburg-Noord een advies uitgebracht in relatie tot voorliggend bestemmingsplan. De veiligheidsregio adviseert om bij een concrete uitwerking van een plan in een vroegtijdig stadium met de veiligheidsregio in overleg te gaan zodat ze een advies op maat kan uitbrengen. Hierop is door de gemeente gereageerd dat In geval van concrete ontwikkelingen wordt hierover afgestemd met de veiligheidsregio. Onduidelijk is of dit is/wordt bepaald middels een vergunningvoorschrift. De ingetekende gebiedsaanduiding Veiligheidszone-gasleiding is gelijk aan de dubbelbestemming Leiding-Gas. Daarmee is géén rekening gehouden met de veiligheidscontouren die gelden, te weten de plaatsgebonden risicocontour PR 10-6.
Op pagina 65, 5e alinea van de toelichting wordt vermeld dat de PR 10-6 contour is gelegen op een perceel van derden (aangeduid met de witte percelen, welke zijn gelegen buiten het plangebied). Uit onderstaande weergave in figuur 3.1 blijkt echter dat de huidig
DOC-00618921
14
provincie limburg
berekende PR10'6-contour (bron: Signaleringskaart EV) deels buiten de witte percelen ligt en daarmee wel degelijk binnen de bestemmingsplangrens ligt. Zie navolgend figuur:
Projectie PR1Ũ6 contour aardgasleidingen op verbeelding Bestemmingsplan ‘Toverland’
Navolgende voorwaarden die binnen de PR 10-6 contour gelden zijn niet gewaarborgd in het voorliggende ontwerpbestemmingsplan: Artikel 11 Bevb: » Bij de vaststelling van een bestemmingplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten, wordt een grenswaarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten. * Bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een beperkt kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten, wordt rekening gehouden met een richtwaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten. Met het oog op de verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag binnen het invloedsgebied van de buisleidingen, wordt op pagina 65, 5e alinea van de toelichting vermeld dat het (maatgevende) invloedsgebied van de buisleidingen (voor gas) 585 meter bedraagt. Dit is echter niet vertaald in een veiligheidszone op de kaart. Evenmin zijn er in de planregels regels gesteld ten aanzien van verplicht verantwoorden van het groepsrisico indien activiteiten worden ontwikkeld binnen het invloedsgebied van de gasleidingen.
De ingetekende veiligheidszone bedraagt nu de breedte van de gasleidingstraat en de aan weerszijde te respecteren belemmeringenstrook. Omdat er niet is gekozen om het invloedsgebied onderdeel uit te laten maken van de veiligheidscontour en/of er geen regels zijn opgenomen over het verantwoorden van het groepsrisico voor activiteiten binnen het invloedsgebied is er naar de stellige mening van de provincie Limburg onvoldoende basis om in de uitwerking van het bestemmingsplan een goede afweging te maken ten aanzien van externe veiligheid. De planregels zoals verwoord in artikel 11.5 hebben zo geen waarde. Daarnaast blijkt uit artikel 11.5.2 niet welk toetsings- en afwegingskader wordt gehanteerd bij de groepsrisicoverantwoording.
DOC-00618921
15
provincie limburg «
De ingetekende gebiedsaanduiding Veiligheidszone-leidingenstrook is gelijk aan de dubbelbestemming Leiding-Leidingstrook. Voor wat betreft het te verwachten plaatsgebonden risico (PR 10 6) van de Delta Rhine Corridor is deze weergave correct immers artikel 6, lid 2 Bevb waarborgt dat de PR 10-6 binnen de gereserveerde 70 meter van het voorkeurstracé zal blijven: De exploitant voert de aanleg of vervanging van een buisleiding zodanig uit dat het plaatsgebonden risico van de buisleiding op een afstand van vijf meter gemeten vanuit het hart van de buisleiding niet hoger is dan 10~6 per jaar. Ten aanzien van het invloedsgebied (in de Omgevingswet wordt gewerkt met aandachtsgebieden) als gevolg van de Delta Rhine Corridor ontbreekt op de verbeelding een afgebakend gebied waarbinnen rekening gehouden dient te worden met de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het ondergronds transport van duurzame energiedragers en (circulaire) grondstoffen.
Het niet vertalen van het invloedsgebied van de buisleidingen in de Veiligheidszone-leidingstrook en/of het ontbreken van planregels die als doel hebben om het groepsrisico te verantwoorden op het moment dat toekomstige activiteiten binnen het invloedsgebied van de buisleidingen concreet worden ontwikkeld is naar de stellige mening van de provincie Limburg niet correct en geeft onvoldoende basis om in de uitwerking van het bestemmingsplan een goede afweging te maken ten aanzien van externe veiligheid. De planregels zoals verwoord in artikel 11.6 hebben geen waarde. Daarnaast blijkt uit artikel 11.6.2 niet welk toetsings- en afwegingskader wordt gehanteerd bij een groepsrisicoverantwoording. In de onderliggende Rapportage externe veiligheid ten behoeve van het MER en het bestemmingsplan wordt onderkend dat een invloedsgebied aanwezig zal zijn dat zich tot ver buiten de leidingstrook uit zal strekken (pagina 10 5e alinea). De omvang van dit invloedsgebied is hierbij niet bepaald met als motivatie dat nog niet duidelijk is welke initiatieven binnen de reserveringstrook doorgang zullen vinden. Het is naar de stellige mening van de provincie Limburg onacceptabel,om in de nu voorliggende planvorming de aanwezigheid van een toekomstig omvangrijk invloedsgebied volledig te negeren.
Om recht te doen aan het waarborgen van de veiligheid van de bezoekers van Toverland wordt geadviseerd om voor de vaststelling van het definitieve plan op basis van de Handreiking aandachtsgebieden in het omgevingsplan-Module C-reserveringen en reserveringsstroken (d.d. 24 maart 2023, opgesteld door Royal Haskoning DHV, referentie BI3055I&BRP005F02) een representatief invloedsgebied vast te stellen voor de leidingstrook en bijbehorende regels aan te passen die betrekking hebben op de groepsrisicoverantwoording. De voor dit bestemmingsplan geldende wetgeving met het oog op omgevingsveiligheid en de Omgevingswet bieden een benadering waarmee de veiligheid voor mensen in gebouwen (mensen binnen) bij grote incidenten met gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk wordt gewaarborgd. Voor mensen op buitenlocaties zoals op veel locaties binnen het plangebied van Toverland (mensen buiten) ontbreekt een expliciet afwegingskader. Om inzichtelijk te maken in welk gebied zich bij een incident met gevaarlijke stoffen nog levensbedreigende gevolgen voor mensen op buitenlocaties kunnen voordoen is wel al het begrip attentiegebieden geïntroduceerd. Om de veiligheid voor mensen op buitenlocaties te verhogen kunnen extra maatregelen binnen attentiegebieden overwogen worden.
In het licht van het bestemmingsplan verbrede reikwijdte Toverland, was het aanwijzen en opnemen in de planregels van een dergelijk attentiegebied een mogelijkheid geweest waarmee het bevoegd gezag had kunnen vastleggen dat er zowel aandacht is voor de risico’s van mensen in gebouwen als voor mensen op buitenlocaties.
DOC-00618921
16