CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

13c Toelichting

Gemeenteraad 10 mei 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan De Cocq van Haeftenstraat 23, Meerlo.11.808 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan “De Cocq van Haeftenstraat 23, Meerlo” NL.IMRO.1507.MRCOCQHAEFTENSTR23-BPO1

Document:

Bestemmingsplan “De Cocq van Haeftenstraat 23 Meerlo”

IDN:

NL.IMRO.1507.MRCOCQHAEFTENSTR23-BPO1

Status:

Ontwerp

Datum:

6 januari 2022

Aanvrager:

De heer P.A.A. Smits

Auteur:

Ing. P.W.M. van de Ligt Ing. N.A.H. van den Ekker

Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

4.

5.

6.

INLEIDING..............................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4

1.3

Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................5

1.4

Leeswijzer .....................................................................................................................................................5

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1

Algemeen ......................................................................................................................................................6

2.2

Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................6

2.3

Functionele structuur ...................................................................................................................................7

2.4

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................7

BELEID ...................................................................................................................................................................9 3.1

Inleiding .........................................................................................................................................................9

3.2

Rijksbeleid .....................................................................................................................................................9

3.3

Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 11

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 14

3.5

Conclusie.................................................................................................................................................... 16

PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................................... 18 4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 18

4.2

Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 18

4.3

Landschappelijke inpassing ..................................................................................................................... 19

SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 21 5.1

Inleiding ...................................................................................................................................................... 21

5.2

Milieuaspecten........................................................................................................................................... 21

5.3

Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 26

5.4

Kabels en leidingen................................................................................................................................... 28

5.5

Natuur ......................................................................................................................................................... 28

5.6

Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 28

5.7

Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 30

UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................................ 31 6.1

Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 31

6.2

Handhaving................................................................................................................................................ 31

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 33

Ontwerp

1

6.4 7.

Procedure................................................................................................................................................... 33

JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................................... 34 7.1

Planstukken ............................................................................................................................................... 34

7.2

Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 34

7.3

Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 35

BIJLAGE Separate bijlage: ▪ Verkennend bodemonderzoek (Econsultancy)

Ontwerp

2

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Op De Cocq van Haeftenstraat 23, in het buitengebied van Meerlo, staat de woning van de familie Smits. Zij zijn voornemens achter hun woning bijgebouwen te realiseren. Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” is dit echter niet mogelijk. Ten eerste is de vorm van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ dusdanig dat er juist aan de zijkanten van de woning mogelijkheden worden geboden voor de realisatie van bijgebouwen, niet erachter. Ten tweede is op basis van de bestemming ‘Wonen’ maximaal 150 m2 aan bijgebouwen per woning toegestaan. Deze oppervlakte aan bijgebouwen is in dit geval al grotendeels aanwezig.

Afbeelding 1.Ligging woning De Cocq van Haeftenstraat 23 (rood omcirkeld)

Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid de beoogde bijgebouwen bij de woning toch te kunnen realiseren door enerzijds het bestemmingsvlak ‘Wonen’ van vorm te veranderen en anderzijds door meer oppervlakte bijgebouwen bij de woning te kunnen realiseren. Om meer bijgebouwen te kunnen realiseren heeft ter compensatie sloop van bebouwing plaatsgevonden op de locatie zelf. Oorspronkelijk stond op de locatie een verouderde woonboerderij met allerlei opstallen. In het kader van de bouw van de huidige woning zijn deze in 2014 allemaal gesloopt. De gemeente Horst aan de Maas staat in principe positief tegenover de vormverandering van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ en tegenover het oprichten van meer bijgebouwen doordat sloop in het verleden heeft plaatsgevonden. Aan de hand van het positieve principestandpunt is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.

Ontwerp

3

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied De woning en aanpalende tuin (in het vervolg aangeduid als “het plangebied”) is gelegen in het buitengebied van Meerlo, aan De Cocq van Haeftenstraat 23. Het betreffende perceel staat kadastraal bekend als gemeente Meerlo, sectie H, nummer 283. De Cocq van Haeftenstraat vormt een van de uitvalswegen van de bebouwde kom van Meerlo naar het buitengebied. De weg betreft een zijweg van de Hoofdstraat. De Hoofdstraat vormt van oudsher de belangrijkste straat door het dorp en vormt de doorgaande verbinding tussen de kernen Wanssum en Tienray. De Cocq van Haeftenstraat begint in de kern van Meerlo met dorpse bebouwing en loopt in oostelijke richting naar het buitengebied. In het buitengebied is sprake van transparante bebouwing bestaande uit verspreid liggende woningen en agrarische bedrijven, waaronder ook enkele grootschalige agrarische bedrijven (intensieve veehouderij en glastuinbouw).

Afbeelding 2. Luchtfoto van het plangebied (rood omcirkeld) en de omgeving

Het plangebied is gelegen tussen twee woningen. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan een akker. Verder in oostelijke richting, op een afstand van circa 270 meter, bevindt zich de bebouwde kom van Meerlo. In westelijke richting bevinden zich nog enkele woningen afgewisseld met agrarische bedrijven. Ten noorden van het plangebied bevinden zich eveneens akkers, maar ook een intensieve veehouderij en een glastuinbouwbedrijf.

Ontwerp

4

1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” (vastgesteld d.d. 19 december 2017) en is hierin bestemd als ‘Wonen’ ter plaatste van de woning en ‘Agrarisch met waarden’ ter plaatse van de omliggende gronden. Het bestemmingsvlak ‘Wonen’ heeft een oppervlakte van circa 3.750 m2 en heeft een onlogische vorm (de vorm is nog gebaseerd op de erfgrens van de vroegere woonboerderij). Daarnaast geldt voor de locatie gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – kampen’.

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan

Binnen de bestemming ‘Wonen’ mag worden gewoond in een woning. Op deze gronden mag een woning worden gebouwd met een inhoud van 1.000 m3. Per woning mag 150 m2 aan bijgebouwen worden opgericht. Het bestemmingsvlak ‘Wonen’ heeft momenteel een onlogische vorm, dit heeft te maken met de voormalige bebouwing. Door de onlogische vorm van het bestemmingsvlak is het niet mogelijk om achter de woning bijgebouwen op te richten. Met het wijzigen van de vorm van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ wordt het wel mogelijk gemaakt om achter de woning, binnen het gewijzigde bestemmingsvlak ‘Wonen’, bijgebouwen te positioneren. In totaal is op de locatie al 150 m2 aan bijgebouwen aanwezig. Echter is in 2014 alle voormalige bebouwing gesloopt en daarvoor in de plaats is op de locatie de huidige woning gebouwd. De sloop van de bebouwing kan (voor een deel) worden gebruikt voor het oprichten van extra m2’s aan bijgebouwen. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook de mogelijkheid gegeven om extra bijgebouwen op te kunnen richten op de locatie.

1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader. De planbeschrijving komt terug in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5 geeft de toetsing aan de diverse sectorale aspecten weer. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.

Ontwerp

5

2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Algemeen In dit hoofdstuk is een beschrijving van het plangebied gegeven. Hierbij komen de aanwezige ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de omgeving aan bod. Daarnaast komt kort de historische ontwikkeling aan bod. Het plangebied is gelegen ten westen van de kern van Meerlo. Meerlo maakt onderdeel uit van de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. De kern Meerlo telt ongeveer 1.500 inwoners. Meerlo ligt dan ook aan de rand van het dal van de Groote Molenbeek.

2.2 Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen aan De Cocq van Haeftenstraat 23, in het buitengebied van Meerlo. Het buitengebied van Meerlo kenmerkt zich als een oud, kleinschalig agrarisch landschap, met een dicht net van slingerende wegen en veel historische bebouwing.

Afbeelding 4. en 5. Impressie woning Cocq van Haeftenstraat 23

Meerlo is ontstaan als lint langs de Hoofdstraat, welke evenwijdig is gelegen aan de Groote Molenbeek. De oudste bebouwing van Meerlo heeft zich dan ook hoofdzakelijk geconcentreerd aan deze straat. Vanaf de Hoofdstraat is Meerlo planmatig verder ontwikkeld in westelijke richting, langs onder andere De Cocq van Haeftenstraat. De woning ligt aan de rand van een open agrarisch complex, welke wordt begrensd door de bebouwing van De Cocq van Haeftenstraat. Aan de overige zijden van dit open complex bevindt zich beplanting in de vorm van houtwallen, die een duidelijke ruimtelijke grens vormen.

Ontwerp

6

2.3 Functionele structuur Het plangebied is gelegen op circa 270 meter van de kern van Meerlo. In de kern van Meerlo overheerst voornamelijk de woonfunctie. De meeste voorzieningen zijn geconcentreerd aan de Hoofdstraat, doordat deze straat van oudsher de belangrijkste dorpsstraat betreft.

Afbeelding 6. en 7. Impressie de Cocq van Haeftenstraat

De Cocq van Haeftenstraat begint in de kern van Meerlo, waar de woonfunctie de boventoon voert. De weg loopt in westelijke richting naar het buitengebied waar de woonfunctie wordt afgewisseld met de agrarische functie. Rondom het plangebied bevinden zich dan ook woningen, maar ook landbouwpercelen en agrarische bedrijven. De agrarische bedrijven rondom het plangebied betreffen voornamelijk (intensieve) veehouderijen. Daarnaast ligt aan de overzijde van de weg een glastuinbouwbedrijf.

2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie Meerlo was tot 1969 een zelfstandige gemeente en maakte tot 2010 onderdeel uit van de gemeente MeerloWanssum. Het dorp bezit nog een aantal historische panden waaronder de voormalige kasteelboerderij van het Kasteel van Meerlo, tegenwoordig ook ‘Het Kasteelke’ genoemd, de voormalige burgemeesterswoning Huize Meerlo en de uit 1662 stammende Sint Goarkapel. Ook ligt er een grafheuvel van omstreeks 700 voor Chr. (Late Bronstijd). Vanaf omstreeks 1896 was het plangebied in agrarisch gebruik (weide) met reeds kleinschalige bebouwing. Sindsdien is het plangebied bebouwd met een langgevelboerderij en een viertal schuren. In de schuren werd vee gehouden en aardappelen opgeslagen. Rondom de gebouwen lagen landbouwpercelen, behorende bij het inmiddels gevestigde agrarische bedrijf.

Afbeelding 8. Uitsnede plangebied 1896

Afbeelding 9. Uitsnede plangebied 1987

Het agrarisch gebruik van de locatie en de manier waarop de gebouwen zijn gesitueerd is nog steeds herkenbaar in de vorm van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ uit het vigerende bestemmingsplan welke is

Ontwerp

7

gebaseerd op de toenmalige erfgrens en al in voorgaande bestemmingsplannen is overgenomen als bestemmingsvlak c.q. bouwvlak. Al vanaf eind jaren ‘90 is de locatie bestemd als ‘Wonen’. In 2014 is de verouderde langgevelboerderij en alle bijbehorende bebouwing gesloopt. In plaats daarvan is in 2015 de huidige woning gebouwd.

Afbeelding 10. Uitsnede plankaart 31 augustus 1999 gemeente Meerlo-Wanssum

Ontwerp

Afbeelding 11.Voormalige bebouwing De Cocq van Haeftenstraat 23

8

3. BELEID 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De volgende paragraaf gaat in op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daaropvolgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) door de Rijksoverheid vastgesteld ter vervanging van de Nota Ruimte (2004). In de SVIR staan de nationale plannen voor ruimte en mobiliteit. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: ▪ De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; ▪ De bereikbaarheid verbeteren; ▪ Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De provincies en gemeenten krijgen in het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het Rijk beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebiedsof projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan. Slechts één nationaal belang heeft betrekking op onderhavig initiatief. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten.

Ontwerp

9

Het Rijk beschermt en verbetert de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en door handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere Rijksbelangen. Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen de milieueffecten worden afgewogen. Gevolgen en effecten op de kwaliteit van bodem, water en lucht zijn afgewogen (zie hoofdstuk 5). Uit de beoordeling blijkt dat het initiatief geen nadelige effecten heeft op of ondervindt van bodem, water en lucht. Het initiatief heeft geen invloed op de gestelde doelen van het Rijk. Bovendien voorziet de SVIR niet in onderwerpen die op het plangebied van toepassing zijn. Dit houdt in dat voor het initiatief geen beperkingen vanuit de SVIR gelden. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De SVIR (zie hiervoor) bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Met het Barro geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen. Doel van dit besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken. Door middel van het Barro worden voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gesteld ten behoeve van de verwerking in bestemmingsplannen. In het SVIR is aangegeven wat het nationale belang is van het stellen van regels voor deze onderwerpen. Het Barro stelt in eerste instantie regels voor het project Mainportontwikkeling Rotterdam, het kustfundament, grote rivieren, de Waddenzee en het Waddengebied, defensie en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Op een later moment zal het besluit worden aangevuld met andere onderwerpen uit de SVIR. De algemene regels in het Barro hebben vooral een conserverend / beschermend karakter waardoor geformuleerde nationale belangen niet belemmerd worden door ontwikkelingen die middels bestemmingsplannen mogelijk worden gemaakt.

Voor een aantal onderwerpen geeft het Barro de opdracht dan wel de mogelijkheid aan provincies om bij provinciale verordening regels te stellen. Met het veranderen van de vorm van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ en met het oprichten van meer dan 150 m2 aan bijgebouwen worden geen van de genoemde belangen geschaad. In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, het initiatief is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.

Ontwerp

10

Met de vormverandering van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ en met het oprichten van meer dan 150 m2 aan bijgebouwen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het plangebied is namelijk al bestemd als ‘Wonen’ en deze bestemming wijzigt niet. Daarnaast worden er geen nieuwe woningen binnen het plangebied opgericht; het aantal woningen binnen het plangebied blijft één. De extra m2 aan bijgebouwen worden opgericht ter compensatie van sloop die in het verleden heeft plaatsgevonden. De ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg

Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). In de Omgevingsvisie wordt de lange termijn visie (2030-2050) beschreven. Er wordt continue gezocht naar de goede balans tussen beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsvisie komen vraagstukken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen. Daarnaast komen er ook autonome vraagstukken aan bod die van groot provinciaal belang zijn. Het Rijnlands model, dat staat voor overleg en samenwerking, solidariteit en vakmanschap en dat zich richt op de lange termijn, op waarden als kwaliteit en geluk, is hierbij het uitgangspunt. Het document is dynamisch en flexibel, dit biedt mogelijkheden om het document te actualiseren met het oog op (eventuele) toekomstige veranderingen. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.

In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg.

De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan.

Ontwerp

11

3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen.

Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen.

Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Onderhavige ontwikkeling niet in het toevoegen van een woning. Het plangebied is reeds bestemd als ‘Wonen’ en deze bestemming blijft met het initiatief gehandhaafd. Het betreft enkel een vormverandering van het bestemmingsvlak.

Daarbij wordt eveneens het oppervlakte van bijgebouwen uitgebreid omdat de sloop van bijgebouwen in het verleden reeds heeft plaatsgevonden. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg. Ontwerp

12

3.3.2

Ontwerp Omgevingsverordening 2021

In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Op dit moment geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014. Met de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 juli 2022) is een nieuwe omgevingsverordening nodig die de huidige gaat vervangen. De volgende regels uit de Ontwerp Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Omgevingswaarden wateroverlast; ▪ Wonen, werken en recreëren. De Omgevingsverordening 2021 is 17 december 2021 vastgesteld maar op dit moment nog niet in werking getreden. De inwerkingtreding van de Omgevingsverordening 2021 is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 juli 2022). Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. Hieronder is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. 3.3.3

Omgevingsverordening Limburg 2014

Tot het moment dat de Omgevingsverordening Limburg in werking treedt (verwachte inwerkingtreding: 1 juli 2022) geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014 nog. In de Omgevingsverordening bevat de juridische doorwerking van het omgevingsbeleid. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Regionale wateroverlast – normering 1:25; Regionale wateroverlast In de Omgevingsverordening is voor verschillende te onderscheiden gebieden een norm opgenomen waarin is aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht. Het plangebied ligt in het buitengebied van Meerlo. Voor het buitengebied is de referentienorm voor wateroverlast vastgesteld op 1:25.

Binnen het plangebied is de maximale kans op wateroverlast 25% per jaar. Dit wil zeggen dat in totaal 89 – 91,5 dagen per jaar wateroverlast kan optreden binnen het plangebied. Echter de kans op daadwerkelijke wateroverlast is kleiner dan de norm. Gesteld kan worden dat de kans op wateroverlast kleiner is dan 25% per jaar, zodoende kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.

Ontwerp

13

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1

Bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas”

Op 19 december 2017 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” vastgesteld. De woning is bestemd tot ‘Wonen’ en de omliggende gronden zijn bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’. Het bestemmingsvlak ‘Wonen’ is voorzien van een bestemmingsvlak met een oppervlakte van circa 3.750 m2. Voor de locatie geldt ook gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – kampen’. Binnen de bestemming ‘Wonen’ mag worden gewoond in een woning. Op deze gronden mag een woning worden gebouwd met een inhoud van 1.000 m3. Per woning mag 150 m2 aan bijgebouwen worden opgericht. Voor het bouwen van een grotere oppervlakte aan bijgebouwen is in artikel 49.4 een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Voor het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid gelden de volgende voorwaarden: a. er overtollige gebouwen binnen de gemeente Horst aan de Maas worden gesloopt; b. de woning met niet meer dan 1/3 van de oppervlakte of inhoud van de gesloopte oppervlakte/inhoud aan gebouwen worden uitgebreid; c. het bouwperceel een omvang van tenminste 1.500 m moet hebben; d. de aanvraag gaat vergezeld van een goedgekeurd inrichtingsplan voor het erf; e. de inhoud van de woning maximaal 1.300 m³ mag bedragen; f. in het wijzigingsplan wordt vastgelegd dat op de plek waar de bebouwing gesloopt wordt geen nieuwe gebouwen mogen worden gebouwd; g.

er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij het waterschap en de Keur van het waterschap in acht genomen dient te worden. 2

Er wordt voldaan aan deze voorwaarden waardoor door middel van dit bestemmingsplan de oppervlakte aan bijgebouwen kan worden vergroot. Hierna zal een toetsing en nadere motivatie plaatsvinden: Ad. a. In 2014 zijn alle gebouwen op de locatie De Cocq van Haeftenstraat 23 gesloopt. De Cocq van Haeftenstraat 23 ligt in het buitengebied van Meerlo en maakt onderdeel uit van de gemeente Horst aan de Maas. Ad. b. In totaal is 493 m2 aan gebouwen gesloopt, niet zijnde de langgevelboerderij (betrof het hoofdgebouw). Bij een woning mag standaard 150 m2 aan bijgebouwen worden opgericht, dit houdt in dat 493-150=343 m2 (zie paragraaf 3.4.3) van de gesloopte gebouwen kan worden benut. Hiervan mag 1/3 worden gebruikt voor het uitbreiden van de bijgebouwen. Dit komt erop neer dat in totaal 114 m2 extra aan bijgebouwen kan worden opgericht. In dit bestemmingplan is daarom opgenomen dat maximaal 150+114=264 m2 aan bijgebouwen op deze locatie mag worden opgericht. Ad. c. Het bestemmingsvlak ‘Wonen’ heeft een omvang van 3.688 m2, aan de minimale oppervlakte van 1.500 m2 wordt voldaan. Ad. d. Zie paragraaf 4.3, er is gezekerd dat het initiatief gepaard gaat met een gedegen landschappelijke inpassing. Ad. e. Onderhavig bestemmingsplan heeft betrekking op het oprichten van meer bijgebouwen. Het hoofdgebouw blijft ongewijzigd in stand, daarmee blijft de maximale inhoud 1000 m2 in stand. Ad. f.

Door middel van de aanduiding ‘oppervlakte: 264 m2’ is vastgelegd dat niet meer m2 aan bijgebouwen kunnen worden opgericht dan aangegeven en dus dat het gesloopte niet teruggebouwd kan worden. Ad. g. PM 3.4.2

Structuurvisie Horst aan de Maas

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een Ontwerp

14

structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uit spraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijke grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 5A ‘Agrarisch gebied rond Meerlo’. Binnen gebiedstype 5A geldt een positieve grondhouding (ja) voor het beleid groter bouwen. Een positieve grondhouding betekent dat de gemeente in principe het initiatief wenst en stimuleert.

Afbeelding 12. Gebiedsindeling gemeentelijke structuurvisie met het plangebied rood omlijnd

Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie heeft zijn uitwerking naar gemeentelijk niveau gekregen in de structuurvisie. Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Binnen het gebied 5A gelden de volgende doelstellingen voor wat betreft landschappelijke inpassingen: ▪ Goed omgaan met de beperkte opnamecapaciteit voor nieuwe functies (met name verstedelijking), dreigende ecologische verarming en het verdwijnen van solitaire bomen en struiken; ▪ Aansluiten bij bestaande landschapsstructuur, waarborgen cultuurhistorisch waardevolle gebieden en specifieke natuurwaarden, stimuleren van recreatief medegebruik en ontwikkelen duurzaam landbouwkundig gebruik; ▪ Nieuwe functies zijn mogelijk, mits ze een landschappelijke meerwaarde opleveren. Het initiatief vindt plaats in deelgebied 5A. De initiatiefnemer heeft de wens om het bestemmingsvlak ‘Wonen’ van vorm te veranderen zodat deze niet langer een onlogische vorm heeft maar een strakke vorm zodat achter de woning bijgebouwen kunnen worden opgericht. In de structuurvisie is niets opgenomen over de vormverandering van een bestemmingsvlak.

De vormverandering van het bestemmingsvlak wordt in dit geval passend geacht op deze locatie omdat er sprake is van een landschappelijke inpassing (zie paragraaf 4.3). Onderhavig bestemmingsplan voorziet daarnaast in de mogelijkheid om meer dan 150 m2 aan bijgebouwen te realiseren, door de sloop van de voormalige bebouwing. Binnen deelgebied 5A staat de gemeente positief tegenover het beleid groter bouwen, waar het beleid omtrent het bouwen van meer bijgebouwen is vastgelegd. Het initiatief voldoet aan de structuurvisie Horst aan de Maas.

Ontwerp

15

3.4.3 Maatwerknotitie bijgebouwen buitengebied Voor het groter bouwen van woningen en bijgebouwen in het buitengebied is de beleidslijn “Groter bouwen in het buitengebied” van toepassing. De gemeenteraad heeft dit beleid op 7 februari 2012 vastgesteld. Op dit moment geldt voor woonbestemmingen in het buitengebied dat woningen niet groter mogen zijn dan 1.000 m³ (hoofdgebouw) met bijgebouwen tot een oppervlakte van in totaal 150 m². Op grond van dit beleid mag er meer dan 150 m² aan bijgebouwen worden gebouwd als er in de verhouding 1:3 op dezelfde locatie bijgebouwen worden gesloopt (de te slopen bijgebouwen dienen wel legaal te zijn). De volgende regels zijn puntsgewijs van toepassing: ▪ Het is altijd toegestaan om bijgebouwen op te richten tot 150 m2; ▪ Bijgebouwen mogen in het buitengebied behouden blijven (of teruggebouwd worden) tot een maximaal oppervlak van 600 m2; ▪ Sloop uit het verleden (tot maximaal 5 jaar geleden) mag meetellen voor het mogen terugbouwen van bijgebouwen tot een maximum van 600 m2; ▪ De hoofdregel is dat 2/3 gesloopt moet worden.

Indien een aanvrager toch meer wil terugbouwen, tot maximaal wat er stond, geldt er een afdracht van € 45,- per m2 over het aantal vierkante meters dat boven de sloopverhouding en boven de 150 m2 wordt teruggebouwd; ▪ Gemeente rekent met € 45,- per m2 en niet met € 15,- per m3; ▪ Sloop elders telt niet mee voor het bouwen van extra bijgebouwen. Initiatiefnemer heeft in het najaar van 2014 alle voormalige bebouwing, die aanwezig was op de locatie, gesloopt. Het principebesluit tot het bouwen van meer bijgebouwen is genomen binnen de termijn van 5 jaar na sloop. Op de locatie stonden voorheen de volgende gebouwen (zie afbeelding 14): ▪ Woonhuis met schuur (langgevelboerderij): 267 m2 ▪ Kasje: 122 m2 ▪ Schuur 1: 102 m2 ▪ Schuur 2: 208 m2 ▪ Schuur 3: 142 m2 ▪ Kennel: 16 m2 ▪ Stal: 41 m2 + Totaal

898 m2

Alle voormalige bebouwing is volledig gesloopt, dit komt neer op een gesloopt oppervlakte van 898 m2. Het beleid ‘Groter bouwen’ richt zich alleen op de totale oppervlakte van de bijgebouwen. Het woonhuis met schuur betreft het hoofdgebouw en de kennel en het kasje betreffen ondergeschikte gebouwtjes welke niet zijn aan te merken als bijgebouwen. In totaal is derhalve 493 m2 aan bijgebouwen gesloopt. Op de locatie is, conform het vigerende bestemmingsplan, maximaal 150 m2 aan bijgebouwen toegestaan. Voor meer m2’s bijgebouwen dat 1/3 deel van het gesloopte teruggebouwd mag worden. In totaal mag volgens het beleid 114 m2 (493-150= 343 m2; 343/3=114,33 m2) aan bijgebouwen extra worden gerealiseerd. Door middel van onderhavig bestemmingsplan wordt daarom de maatvoering ‘oppervlakte: 264 m2’ (150+114) toegekend aan het bestemmingsvlak ‘Wonen’.

3.5 Conclusie Beleidsmatig zijn er, met uitzondering van het vigerende bestemmingsplan, geen belemmeringen voor de vormverandering van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ en het oprichten van extra bijgebouwen.

Ontwerp

16

Afbeelding 13. Plangebied met de voormalige bebouwing

Ontwerp

17

4. PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsvlak ‘Wonen’ wijzigt van onlogische vorm tot een strakkee vorm (afbeelding 15), hiermee wordt het mogelijk om achter de woning bijgebouwen op te richten. De oppervlakte van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ blijft met de vormverandering gelijk. ▪ Binnen de woonbestemming wordt de mogelijkheid geboden 114 m2 extra aan bijgebouwen bij de woning op te richten, dus in totaal 114+150=264 m2. Binnen het bestemmingsvlak ‘Wonen’ wordt dan ook de maatvoering ‘oppervlakte: 264 m2’ opgenomen; ▪ Het bestemmingsplan dient de aanwezige hoge archeologische verwachtingswaarde te borgen zodat bij bepaalde bodemverstoringen eerst archeologisch onderzoek dient plaats te vinden; ▪ De overige gronden worden bestemd als ‘Agrarisch met waarden’; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst sluit het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan bij het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas”, zoals dat thans voor het buitengebied van Horst geldt. De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op a) het planologisch mogelijk maken van de verandering van het bestemmingsvlak ‘Wonen’ en b) meer bijgebouwen op de locatie op te richten.

Het bestemmingsplan biedt het planologisch-juridisch kader waar zowel initiatiefnemer als de gemeente zich aan dienen te conformeren ten tijde van vergunningverlening en later gebruik. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het bestemmingsvlak ‘Wonen’ niet langer meer een onlogische vorm heeft maar een rechthoekige vorm en tevens is voorzien van de maatvoeringsaanduiding ‘oppervlakte: 264 m2’. Het plangebied is daarnaast voorzien van de gebiedsaanduiding ‘overige zone – kampen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’, zoals dat in het vigerende bestemmingsplan reeds het geval is.

4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten Het bestemmingsvlak ‘Wonen’ heeft momenteel een onlogische vorm (afbeelding 15, rood). Dit heeft te maken met de erfgrens van de voormalige bebouwing. In 2014 is alle bebouwing binnen het plangebied gesloopt en in 2015 is op de locatie een nieuwe woning gebouwd. Door de onlogische vorm van het bestemmingsvlak is het niet mogelijk om achter de woning bijgebouwen op te richten. Door het bestemmingsvlak ‘Wonen’ een strakke, meer rechthoekige vorm te geven (afbeelding 15, groen) wordt het wel mogelijk om achter de woning bijgebouwen op te richten. Het bestemmingsvlak wordt aan beide zijden smaller en aan de achterzijde iets langer, waarbij de bestaande bebouwing volledig binnen het bestemmingsvlak blijft gesitueerd. De oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak blijft gelijk aan de oppervlakte van het huidige bestemmingsvlak. In het verleden heeft sloop van bijgebouwen op de locatie plaats gevonden. Hiervoor in de plaats kunnen thans meer bijgebouwen op de locatie worden opgericht. Er is nog steeds sprake van een afname van bebouwing (doordat er meer is gesloopt dan wordt terug gebouwd) en dus van ontstening van het landschap. Er is uit ruimtelijk oogpunt dan ook sprake van een positieve ontwikkeling.

Ontwerp

18

Afbeelding 14. Gewenste vorm van het bestemmingsvlak (groen) en huidige vorm van het bestemmingsvlak (rood)

4.3 Landschappelijke inpassing De vormverandering van het bestemmingsvlak en het realiseren van meer bijgebouwen gaat gepaard met een landschappelijke inpassing van het totale perceel van initiatiefnemer. In het kader van onderhavig bestemmingsplan is de landschappelijke inpassing achter de woning nader toegelicht (zie afbeelding 16). De randen van het nieuwe bestemmingsvlak worden geaccentueerd door het aanplanten van hagen. Het terrein achter de woning wordt ingericht als gazon. Verspreid in het gazon worden de gewenste bijgebouwen gerealiseerd, alsook een zwembad. Enkele strakke borders en erfverhardingen completeren het geheel. Verspreid worden grillige, meerstammige bomen aangeplant die gebiedseigen en klimaatbestendig zijn. Dichterbij het zwembad zullen wat meer gestilleerde bomen worden aangeplant.

Ontwerp

19

Afbeelding 16. Landschappelijke inpassing achterzijde woning

Ontwerp

20

5. SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding Bij de realisering van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied is in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.2 Milieuaspecten 5.2.1

Bodem- en grondwaterkwaliteit

Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. Het plangebied al jaren bestemd als ‘Wonen’. Binnen de bestemming mag dan ook al worden gewoond in een woning. De vormverandering van het bestemmingsvlak heeft voor het grootste gedeelte betrekking op de gronden die reeds al bestemd zijn als ‘Wonen’ en voor een klein deel betrekking op de gronden bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. In 2013 is een verkennend bodemonderzoek voor het plangebied uitgevoerd1. Binnen het plangebied hebben sindsdien geen bodembedreigende activiteiten meer plaats gevonden. Hierom zijn de conclusies uit 2013 nog steeds van toepassing en worden deze hieronder vermeld. De bovengrond is plaatselijk zwak baksteen- en sintelhoudend. In het opgeboorde materiaal ter plaatse van de voormalige ondergrondse HBO-tank zijn over het gehele traject zintuigelijk géén oliewaterreactie waargenomen. Ter plaatse van de voormalige ondergrondse HBO-tank is over een lengte van circa 3 meter met behulp van een prikstok een ondoordringbaar object in de bodem waargenomen. Dit object bevindt zich op circa 0,6 m mv.

Volgens de voormalige eigenaar van de onderzoekslocatie betreft dit hoogstwaarschijnlijk de bodem van een voormalige voersilo. De huidige eigenaar van de locatie heeft met de sloop van de voormalige bebouwing de bodem van de voersilo verantwoordt afgevoerd. Er zijn op basis van het vooronderzoek, tijdens de terrreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. 5.2.2

Geluid

Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven

1

Econsultancy.nl, Verkennend bodemonderzoek De Cocq van Haeftenstraat 23 Meerlo, 16 augustus 2013, rapportnummer 13071546

Ontwerp

21

hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. Het huidige bestemmingsvlak waarop de woning staat is al bestemd als ‘Wonen’. De woning betreft reeds een geluidsgevoelig object. Doordat alleen het bestemmingsvlak van vorm veranderd en de woning zoals aanwezig in stand blijft, hoeft derhalve niet opnieuw getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai is daarom niet benodigd. 5.2.3

Luchtkwaliteit

Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd (oftewel meer dan 1,20 µg/m³ bijdraagt) draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Onderhavig bestemmingsplan voorziet enkel in de vormverandering van het bestemmingsvlak ‘Wonen’, het aantal woningen blijft gelijk. De vormverandering draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer).

Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 12,63 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 24,65 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 16,6 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende om een goed woon- en leefklimaat te garanderen. 5.2.4

Geur

Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Geurhinder kan leiden tot lichamelijke klachten, zoals hoofdpijn, misselijkheid, verstoorde ademhaling en verstoorde hartslag. Ook kan geur psychische klachten veroorzaken, bijvoorbeeld spanningen, structurele onvrede over het woon- en leefklimaat en vermindering van activiteiten buitenshuis.

Ontwerp

22

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen daarom te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten in relatie tot geur afkomstig van veehouderijen. In dit geval is er geen sprake van de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten. Door de vormverandering van het bestemmingsvlak en door het vergroten van de bouwmogelijkheden van bijgebouwen zullen bij de bestaande woning meer bijgebouwen gerealiseerd kunnen worden. De woning blijft echter zoals in de huidige staat behouden. De woning betreft een geurgevoelig object. In de woning verblijven immers permanent personen. In de op te richten bijgebouwen achter de woning zullen geen personen permanent verblijven. De bijgebouwen betreffen derhalve geen geurgevoelige objecten. De bouw van de bijgebouwen wordt niet belemmerd door geur afkomstig van omliggende veehouderijen. Daarnaast worden omliggende veehouderijen niet belemmerd in hun bedrijfsvoering omdat de bijgebouwen geen geurgevoelige objecten betreffen. 5.2.5

Bedrijven en milieuzoneringen

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar milieugevoelige objecten zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Deze indicatieve bedrijvenlijst geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied (zijnde o.a. het buitengebied). Bij het bepalen van de richtafstanden is voor deze situatie dan ook uitgegaan van het gebiedstype ‘gemengd gebied’.

Bij de ligging in een gemengd gebied kunnen de richtafstanden met een afstandsstap worden verkleind. Woningen zijn niet opgenomen in de indicatieve bedrijvenlijst en hebben derhalve geen negatieve effecten op de omgevingskwaliteit. In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: Tabel 1. Bedrijven in de omgeving van het plangebied

Bedrijf

Adres

Glastuinbouwbedrijf

De Cocq van Haeftenstraat 42 De Cocq van Haeftenstraat 46

Intensieve veehouderij (pluimvee)

Ontwerp

Aan te houden afstanden Geur Stof Geluid Gevaar 0 0 10 0

Afstand tot plangebied

100

87 meter

10

30

0

40 meter

23

Intensieve veehouderij (Varkens) Agrarisch hulpbedrijf Galerij Grondgebonden Veehouderij

Heideweg 3

100

10

30

0

280 meter

Pilmus 10 Stendert 3 De Cocq van Haeftenstraat 33a

10 0 50

0 0 10

30 0 10

0 0 0

350 meter 360 meter 450 meter

Aan deze richtafstanden wordt, behoudens de richtafstand voor geur van het bedrijf De Cocq van Haeftenstraat 46, voldaan. Voor het aspect geur is echter het bijzondere toetsingskader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) van toepassing. Conform de Wgv dienen alleen geurgevoelige objecten beschermd te worden tegen de gevolgen van geurhinder. Een woning betreft een geurgevoelig object, deze is al aanwezig en blijft ongewijzigd in stand. Doel van onderhavig bestemmingsplan is om achter de woning bijgebouwen te kunnen realiseren. Bijgebouwen betreffen in dit geval geen geurgevoelige objecten aangezien niet permanent personen in de bijgebouwen zullen verblijven. Geur, afkomstig van de veehouderij De Cocq van Haeftenstraat 46, vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief. Daarnaast wordt de veehouderij niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. 5.2.6

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico

Ontwerp

24

zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 2. Wanneer verantwoorden?

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11391783/1