CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

12c.4 Archeologie PVE

Gemeenteraad 10 mei 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Oude Holstraat, Hegelsom.20.146 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

PROGRAMMA VAN EISEN OUDE HOLSTRAAT TE HEGELSOM GEMEENTE HORST AAN DE MAAS

Programma van Eisen Oude Holstraat te Hegelsom In de gemeente Horst aan de Maas

Opdrachtgever

Peters Bouw en Onderhoud Expeditiestraat 5 5961 PX Horst

PvE nummer

15010.002

Versienummer

2

Status

Definitief

Datum

9 april 2021

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

De heer dr. A.C. Mientjes

Paraaf

Autorisatie

Dr. P.M.M.A. Bringmans

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Econsultancy Programma van Eisen

Programma van Eisen Locatie

Oude Holstraat

Projectnaam

Oude Holstraat Hegelsom

Plaats binnen archeologisch proces ● IVO – Proefsleuven (IVO-P), karterende en waarderende fase o IVO – Overig (IVO-O) o Opgraven o IVO-P - variant Archeologische Begeleiding o Opgraven - variant Archeologische Begeleiding Opsteller

Opdrachtgever

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

paraaf

De heer dr. A.C. Mientjes Senior KNA-archeoloog, Senior KNA-prospector (reg. nr. 91455703) Econsultancy b.v. Vestiging Limburg Rijksweg Noord 39, 6071 KS Swalmen T: 0475-504961 M: 06-40752031 E: mientjes@econsultancy.nl

09-04-2021

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

paraaf

datum

paraaf

datum

Paraaf

Peters Bouw en Onderhoud Expeditiestraat 5 5961 PX Horst Contactpersoon: De heer W. Zanders T: 077-3984096 E: wza@petersbno.nl Goedkeuring bevoegde overheid

Naam, adres, telefoon, e-mail

● Gemeente

Gemeente Horst aan de Maas Postbus 6005 5960 AA Horst T: 077-4779777 E: gemeente@horstaandemaas.nl

Adviseur namens de bevoegde overheid

Naam, adres, telefoon, e-mail Vestigia Spoorstraat 5 3811 MN Amersfoort Contactpersoon: De heer drs. C.W. Koot T: 033-2779200 E: c.koot@vestigia.nl

Econsultancy Programma van Eisen

Kennisgeving Depothouder /eigenaar

Naam, adres, telefoon, e-mail

datum

Paraaf

Provinciaal Archeologisch Depot voor Bodemvondsten Limburg Bezoek- en postadres: De Vondst - Provinciaal Archeologisch Depot Raadhuisplein 20, 6411 HK Heerlen Contactpersoon: De heer drs. S.J.J. Kusters T: 043-3897049 M: 06-52720731 E: sjj.kusters@prvlimburg.nl

Econsultancy Programma van Eisen

INHOUDSOPGAVE 1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED ...................................................... 1

2

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK........................................................ 2 2.1 2.2 2.3

Aanleiding ......................................................................................................................... 2 Motivering ......................................................................................................................... 2 Besluit ............................................................................................................................... 3

3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK .................................................................................... 3

4

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING ...................................................................................... 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

5

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING.................................................................................. 11 5.1 5.2 5.3 5.4

5.5 6

Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context ........................................ 4 Aard en ouderdom van de vindplaats(en) ........................................................................ 8 Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) ........................................................... 9 Structuren en sporen ........................................................................................................ 9 Anorganische artefacten ................................................................................................... 9 Organische artefacten ...................................................................................................... 9 Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten...................... 10 Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen .................................................. 10 Gaafheid en conservering .............................................................................................. 11

Doelstelling ..................................................................................................................... 11 Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders ................................................. 11 Vraagstelling ................................................................................................................... 12 Onderzoeksvragen ......................................................................................................... 12 5.4.1 Algemeen ......................................................................................................... 12 5.4.2 Periode en sites ................................................................................................ 13 5.4.3 Landschap en bodem ....................................................................................... 13 5.4.4 Vraagstelling specialistisch onderzoek ............................................................ 13 Aanbeveling .................................................................................................................... 13

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN ........................................................................ 14 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11 6.12 6.13 6.14 6.15

Strategie ......................................................................................................................... 14 Methoden en technieken ................................................................................................ 14 Omgang kwetsbare vondsten en monsters .................................................................... 16 Structuren en grondsporen ............................................................................................. 17 Lichten ............................................................................................................................ 19 Aardwetenschappelijk onderzoek ................................................................................... 19 Anorganische artefacten ................................................................................................. 19 Organische artefacten .................................................................................................... 20 Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en -botanische resten .................... 20 Overige resten ................................................................................................................ 21 Omgang met en berging van kwetsbaar vondstmateriaal ..............................................

21 Dateringstechnieken en overig wetenschappelijk onderzoek ........................................ 21 Bouwstenen .................................................................................................................... 22 Complexiteit .................................................................................................................... 22 Beperkingen.................................................................................................................... 22 15010.002

7

EVALUATIE, UITWERKING EN CONSERVERING ................................................................. 22 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7 7.8 7.9 7.10

8

RAPPORTAGE ......................................................................................................................... 27 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5

9

Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eindrapport ...................... 27 Procedure toetsing standaard-/conceptrapport door de bevoegde overheid ................. 27 Inhoud standaardrapport ................................................................................................ 27 Kwaliteit .......................................................................................................................... 28 Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport .................... 28

(DE)SELECTIE EN CONSERVERING ..................................................................................... 29 9.1 9.2 9.3

10

Evaluatiefase .................................................................................................................. 22 (De)selectie van vondstmateriaal en monsters .............................................................. 23 Technische uitwerking evaluatiefase .............................................................................. 24 Wetenschappelijke uitwerking - algemeen ..................................................................... 24 Structuren, grondsporen en vondstspreidingen ............................................................. 24 Analyse aardewetenschappelijke gegevens .................................................................. 25 Anorganische artefacten ................................................................................................. 25 Organische artefacten .................................................................................................... 26 Archeozoölogische en -botanische resten ..................................................................... 26 Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.) .............................................. 26

Selectie materiaal voor uitwerking .................................................................................. 29 Selectie materiaal voor deponering en verwijdering....................................................... 29 Selectie materiaal voor conservering ............................................................................. 30

DEPONERING .......................................................................................................................... 30 10.1 Eisen betreffende depot ................................................................................................. 30 10.2 Te leveren product .......................................................................................................... 31 10.3 E-depot ........................................................................................................................... 31

11

RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN ............................................................. 31 11.1 11.2 11.3 11.4

12

WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE ........................................ 33 12.1 12.2 12.3 12.4

13

Personele randvoorwaarden .......................................................................................... 31 Overlegmomenten .......................................................................................................... 32 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie ........................................................ 32 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen ........................................................... 32

Wijzigingen tijdens het veldwerk ..................................................................................... 33 Belangrijke wijzigingen ................................................................................................... 33 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk ..................................... 34 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering .......................................... 34

AANVULLENDE EISEN ............................................................................................................ 34 13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk ....................................................... 34 13.2 Uitvoeringscondities veldwerk ........................................................................................ 34 13.3 Ontplofbare oorlogsresten (OO) en veldgraven ............................................................. 35

LITERATUUR EN BIJLAGEN ............................................................................................................. 36

15010.002

1

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS ONDERZOEKSGEBIED

Projectnaam

15010.002

Provincie

Limburg

Gemeente

Horst aan de Maas

Plaats

Hegelsom

Toponiem

Oude Holstraat

Kaartbladnummer

52 G

Centrum x,y–coördinaat

X : 200.846 / Y: 383.314

Archeologische maatregelenkaart gemeente Horst aan de Maas1

Het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachting (categorie 3)

CMA/AMK-status

n.v.t.

Archis-monumentnummer

n.v.t.

Archis-waarnemingsnummer

n.v.t.

Oppervlakte plangebied2

Circa 47.700 m2

Oppervlakte onderzoeksgebied3

Circa 24.500 m2 (primaire zone conform beoordeling)4

Huidig grondgebruik

Deels bebouwd, deels verhard (toegangswegen en parkeerplaatsen) en deels in gebruik als grasland en plantsoenen

Voorgenomen bodemingrepen

Realisatie nieuwe woningen en detailhandel

NAP-hoogte maaiveld

Circa 25 meter tot circa 26,5 meter +NAP

Grondwatertrap

VI en VII

1 Van Heeringen en Schrijvers, 2014. 2 Het gebied waarbinnen de realisering van de planvorming het bodemarchief kan bedreigen. 3 Het gebied waarop dit onderzoek betrekking heeft. 4 Archeologisch adviseur gemeente Horst aan de Maas: Vestigia BV, adviesbrief, kenmerk: V21-36854/1285-337/CWK, d.d. 7

april 2021.

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 1 van 40

2 2.1

AANLEIDING EN MOTIVERING VAN HET ONDERZOEK Aanleiding

Ter plekke van het plangebied zal de bestaande bebouwing van Herberg Hegelsom en PETC + worden afgebroken en zal het gebied her bestemd worden voor wonen/detailhandel. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd.5 De oppervlakte waarbinnen de planontwikkeling uitgevoerd zal worden bedraagt circa 47.700 m 2. De omvang en de diepte van de te verwachten bodemverstoringen waren nog niet bekend op het moment van het opstellen van het hier nu voorliggende Programma van Eisen. Het onderzoek komt voort uit het besluit van de gemeente Horst aan de Maas om in te stemmen met de onderzoeksresultaten en advies zoals geformuleerd door Econsultancy b.v. op basis van het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), uit februari 2021.6 2.2

Motivering

Bij het archeologisch bureauonderzoek is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Volgens deze verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit de perioden van het (Laat-)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd hoog. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), blijkt dat over het algemeen de bodemopbouw bestaat uit een bouwvoor met een (sub)recent opgebracht pakket of plaggendek op de C-horizont van het dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Hier is sprake van een AC-profiel. In enkele boringen lag boven het dekzand een gebioturbeerde toplaag. De boringen met een plaggendek en/of gebioturbeerde toplaag lagen geconcentreerd in het westen van het plangebied. Deze bodemopbouw vertoont sterke gelijkenissen met de bodemopbouw zoals aangetroffen bij het verkennend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in respectievelijk 2015 en 2017 door SOB Research ter plekke van de ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’, grenzend aan de zuidwest zijde van het plangebied. 7 Binnen dit onderzoeksgebied zijn sporen (kuilen, paalkuilen en haardkuilen) en vondsten uit het Mesolithicum, de Midden-Bronstijd tot en met de Vroege-IJzertijd, en de Vroege-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd aangetroffen.

Als gevolg kan de bij het archeologisch bureauonderzoek opgestelde hoge archeologische verwachting op basis van het verkennend booronderzoek voor het westelijke deel van het plangebied gehandhaafd blijven. Deze verwachting is van toepassing op zowel jagers en verzamelaars uit het (Laat)Paleolithicum en het Mesolithicum als landbouwgemeenschappen vanaf het Neolithicum. Econsultancy heeft geadviseerd om, indien behoud in situ (dubbelbestemming archeologie) niet gerealiseerd kan worden in het kader van de ontwikkelingsplannen, een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase.

5 Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, gemeente Horst aan de Maas; deels onherroepelijk in werking (vastge-

steld 2017-12-19); enkelbestemming: agrarisch met waarden - agrarisch onderzoekscentrum. Bron: Portaal voor ruimtelijke plannen. 6 Mientjes, 2021. 7 Ras, 2017; Benerink, 2019.

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 2 van 40

2.3

Besluit

De bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas) heeft ingestemd met het advies van Econsultancy b.v. om een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, uit te laten voeren. Dit proefsleuvenonderzoek dient te worden uitgevoerd in het kader van de aanvraag voor een bestemmingsplanwijziging van agrarisch met waarden - agrarisch onderzoekscentrum naar wonen/detailhandel. De gemeente Horst aan de Maas heeft zich bij de besluitvorming laten leiden door de beoordeling van haar archeologisch adviseur, Vestigia BV (adviesbrief, kenmerk: V21-36854/1285-337/CWK, d.d. 7 april 2021), van het conceptrapport archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig)8, en van het concept Programma van Eisen. Bij de beoordeling is vastgesteld dat in aanvulling op de zone met een plaggendek en gebioturbeerde laag ook de overgang van het hoger naar het lager gedeelte van het plangebied aan de oostzijde archeologisch interessant is. Daarnaast heeft het plaggendek mogelijk het terrein geëgaliseerd, waardoor de kans op de aanwezigheid van archeologische waarden niet op voorhand uitgesloten kan worden.

Als gevolg is een onderverdeling voorgesteld in een primaire zone, waarbinnen initieel het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd dient te worden, en twee niet-primaire zones, die mogelijk (deels) archeologisch onderzocht dienen te worden in het geval dat een of meerdere behoudenswaardige archeologische vindplaatsen worden aangetroffen. De onderzoeksstrategie ten aanzien van de primaire en niet-primaire zones wordt in detail gepresenteerd in paragraaf 6.1 hieronder. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek zal de gemeente Horst aan de Maas een besluit nemen ten aanzien van het plangebied bestaande uit vrijgave, behoud in situ, en/of vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving.

3

EERDER UITGEVOERD ONDERZOEK

Soort onderzoek

Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig)

Archeologisch uitvoerder

Econsultancy b.v.

Uitvoeringsperiode

Februari 2021

Rapportage

Mientjes, A.C., 2021: Archeologisch onderzoek Oude Holstraat te Hegelsom. (Econsultancy rapportnr. 15010.001) Econsultancy b.v., Swalmen.

Bewaarplaats vondsten/documentatie

Econsultancy b.v., Swalmen

8 Mientjes, 2021.

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 3 van 40

4 4.1

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context 9

Locatie, recente ingrepen en verstoringen Het plangebied (circa 47.700 m²) ligt aan de Pastoor Debijestraat 64 aan de oostzijde van de kern van Hegelsom in de gemeente Horst aan de Maas en is omgeven door de Pastoor Debijestraat, Stationsstraat, Bakhuuske en Dingstraat (zie figuur 1 en 2). Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie M, nummers 1991, 3223 en 3797. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 52 G, (schaal 1:25.000), zijn de centrumcoördinaten X = 200.846, Y = 383.314. Op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich van oost naar west op een hoogte van circa 25 meter tot circa 26,5 meter +NAP. In de huidige situatie zijn ter plekke van het plangebied meerdere gebouwen aanwezig van Herberg Hegelsom en PETC+, die in het kader van de ontwikkelingsplannen gesloopt zullen worden (zie figuur 3). Daarnaast is het plangebied deels verhard (toegangswegen en parkeerplaatsen) en zijn grasland en plantsoenen aanwezig. In dit hoofdstuk worden beknopt de resultaten van het vooronderzoek uitgevoerd door Econsultancy b.v. in februari 2021 besproken. Voor meer gedetailleerde informatie wordt verwezen naar het rapport.

Fysiek-landschappelijke, geologische, geomorfologische en bodemkundige kenmerken Het plangebied bevindt zich binnen een gebied waar voornamelijk afzettingen van de Formatie van Boxtel aan het oppervlak worden aangetroffen. De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 116.000 tot 11.700 jaar geleden). 10 Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet.11 Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. 12 Circa 350 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich het beekdal van de Groote Molenbeek. Tijdens het Holoceen nam de water afvoer sterk af, waardoor er meer sedimentatie plaats vond. De afzettingen komen meestal alleen in een zone langs de beek voor en bestaan uit vaak humusrijk grind, zand, klei en leem.

Tevens vond er langs de beek veenvorming plaats. 13 Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoort tot de Formatie van Boxtel. Op de geomorfologische kaart is het grootste deel van het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom van Hegelsom (zie figuur 4). Het zuidwestelijke deel van het plangebied valt binnen een zone van een dekzandrug of -kopje (code 4K14). Op basis van extrapolatie ligt het grootste deel van het plangebied waarschijnlijk op een dekzandrug. Het uiterst oostelijke deel van het plangebied ligt binnen een zone van een beekdalglooiing (code 4H11). Het betreft het beekdal van de

9 Schutte, 2020. 10

De Mulder et al., 2003. Berendsen, 2008. 12 De Mulder et al., 2003. 13 Berendsen 2008. 11

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 4 van 40

Groote Molenbeek. De overgang van de dekzandrug naar de beekdalglooiing aan de oostzijde is ook goed zichtbaar op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (zie figuur 5). Ter plekke van het plangebied varieert de NAP-hoogte van oost naar west tussen de circa 25 meter en circa 26,5 meter +NAP. Naar het oosten loopt het landschap af naar het beekdal van de Groote Molenbeek naar een NAP-hoogte van circa 23,5 meter +NAP. Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als hoge zwarte enkeerdgronden; lemig fijn zand (zEZ23) (zie figuur 6). Binnen het grootste deel is op basis van extrapolatie naar alle waarschijnlijkheid grondwatertrap VI aanwezig. Het zuidelijke deel van het plangebied heeft grondwatertrap VII. Bij grondwatertrap VI ligt de gemiddeld hoogste grondwatertrap (GHG) tussen de 40 en 80 centimeter beneden het maaiveld en de gemiddeld laagste grondwatertrap (GLG) beneden de 120 centimeter beneden het maaiveld.

Bij grondwatertrap VII ligt de gemiddeld hoogste grondwatertrap (GHG) beneden de 80 centimeter beneden het maaiveld en de gemiddeld laagste grondwatertrap (GLG) beneden de 120 centimeter beneden het maaiveld Regionale archeologische context Volgens de Archeologische maatregelenkaart Horst aan de Maas (Kaart 1) ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting (Categorie 3) (zie figuur 7).14 Het plangebied ligt niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. 15 Ook ligt het plangebied niet binnen een Archeologisch Monument. Wel is op circa 90 meter ten zuiden en van het plangebied een AMK-terrein aanwezig (zie figuur 8). Het betreft de oude dorpskern van Hegelsom (AMK nummer 16542). Binnen deze oude dorpskern kunnen bewonings- en andere archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig zijn. Uit het plangebied zijn tot op heden geen archeologische vindplaatsen bekend. In de omgeving van het plangebied zijn wel meerdere vindplaatsen bekend, namelijk een totaal van 15 vindplaatsen in een straal van circa 1 kilometer rondom het plangebied (zie figuur 8). Daarnaast zijn binnen dezelfde straal door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 33 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend) en proefsleufonderzoeken (zie figuur 8).

Op basis van de resultaten van eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken is duidelijk welke delen van de omgeving van het plangebied aantrekkelijk waren voor bewoning. De in de nabijheid van het plangebied bekende mesolithische vindplaatsen bevinden zich op een typische locatie op een rand van een beekdal of laagten (gradiënt zones) in het dekzandlandschap. Op de hoge dekzandrug zijn (bewonings)resten uit de Late-Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd, Vroege-Middeleeuwen, LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd aangetroffen. De locatie van de vindplaatsen komt overeen met de landschappelijke situatie van het plangebied, namelijk op een hoge dekzandrug met een plaggendek, en vaak met een gradiënt zone of een glooiing naar een lager gelegen beekdal. Twee onderzoeken dienen in het bijzonder uitgelicht te worden, aangezien ze direct aan de zuidwest grens van het onderhavige plangebied zijn uitgevoerd (zie figuur 8). Het betreft een verkennend booronderzoek, uitgevoerd in maart 2015 door SOB Research in het kader van de ontwikkeling ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’ (Archis3 onderzoeksmeldingsnummer 2475691000), en het daarop volgende proefsleuvenonderzoek, ook uitgevoerd door SOB Research in januari 2017 (Archis3 onderzoeksmeldingsnummer 4025816100).16 14

Van Heeringen en Schrijvers, 2014. Provinciaal Omgevingsplan Limburg. 16 Ras, 2017; Benerink, 2019. 15

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 5 van 40

Het verkennend booronderzoek heeft aangetoond dat de bodemopbouw ter plekke van het plangebied ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’ bestaat uit een plaggendek op dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Het plaggendek bestond uit een Aan1-horizont (donkerbruin, matig fijn zand) op een Aan2-horizont (bruingrijs, matig fijn zand, licht gevlekt). Het plaggendek had een dikte van circa 65 à 90 centimeter. Beneden het plaggendek is het dekzand aangetroffen, bestaande uit een lichtbruine B-horizont op een (licht)gele C-horizont met roestvlekken. De top van de B-horizont lijkt in alle boringen te zijn verploegd (mogelijk oude ploegsporen), terwijl aan de onderzijde gleyverschijnselen aanwezig waren tot in de C-horizont. Bij het daarop volgende proefsleuvenonderzoek is een bodemopbouw aangetroffen van een bouwvoor, op een plaggendek uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd, op een oudere akkerlaag uit de Vroege-/Late-Middeleeuwen, op dekzandafzettingen. Boven het dekzand was een sterk gebioturbeerde toplaag aanwezig op een diepte van tussen de circa 95 centimeter en 1,35 meter beneden het maaiveld. Plaatselijk was in de top van het dekzand nog een (deel van de) B-horizont van een podzolbodem bewaard gebleven.

Een tweede vaststelling ten aanzien van de bodemopbouw betreft het verloop van de top van de natuurlijke ondergrond, die duidelijk in oostelijke, zuidoostelijke en zuidelijke richting in hoogte toeneemt. In mindere mate is dit ook het geval in westelijke richting. Hierdoor lijkt het plangebied ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’ binnen een zeer flauwe kom in het landschap te liggen. Tevens was sprake van een ander bodemtype ter plaatse van het laagst gelegen, centrale deel, bestaande uit een wat verkitte B-horizont en ijzerconcreties in het moedermateriaal. Vermoedelijk waren ter plaatse van deze iets lager gelegen kom ten tijde van de ontginning veldpodzolgronden aanwezig, terwijl naar de randen van het plangebied (met name de oostzijde, richting het onderhavige plangebied), in de oorspronkelijke situatie eerder sprake was van moderpodzolgronden. In het onderste deel van het plaggendek werden enkele aardewerkfragmenten uit de LateMiddeleeuwen en Vroege-Nieuwe tijd (15e-17e eeuw) aangetroffen. In een plaatselijk sterk uitgeloogde oudere akkerlaag, beneden het plaggendek, werden meer aardewerkfragmenten aangetroffen, bestaande uit handgevormd aardewerk uit de Late-Bronstijd en IJzertijd en de 8e tot en met 13e eeuw na Chr.

Op basis hiervan is geconcludeerd dat het terrein al in de Prehistorie voor diverse (agrarische?) activiteiten werd gebruikt en dat het terrein vanaf de Karolingische periode (doorlopend?) als landbouwgrond in gebruik is geweest. Binnen de proefsleuven zijn meerdere sporen, kuilen en paalkuilen, aangetroffen die in de Prehistorie en Middeleeuwen gedateerd kunnen worden. Op een enkele sporenconcentratie na, gaat het voornamelijk om verspreid liggende sporen en is er geen sprake van een hoge sporendichtheid. Op basis 14C-dateringen van houtskoolmonsters uit kuilen lijkt het terrein met name gedurende het Mesolithicum herhaaldelijk en gedurende een lange periode bezocht te zijn door middel van tijdelijke of eenmalige kampementen. De betreffende kuilen zijn haardkuilen met een vulling vermengd met houtskool, waarvan drie 14C-dateringen wijzen op het Vroeg-Mesolithicum, de overgang Vroeg- naar Midden-Mesolithicum, en het Laat-Mesolithicum. Vervolgens lijken met name gedurende een deel van de periode van de Midden-Bronstijd tot en met de Vroege-IJzertijd activiteiten binnen het onderzoeksgebied te hebben plaatsgevonden in de nabijheid van of als onderdeel van een nederzetting uit deze periode. Een 14C-datering van houtskool uit een haardkuil wijst op het midden van de MiddenBronstijd.

Tot slot lijkt er vanaf de Vroege-Middeleeuwen sprake te zijn van min of meer continu agrarisch gebruik van het gebied als bouwland. Cultuurlandschappelijke en historisch-geografische kenmerken Hegelsom werd aan het eind van de 19e eeuw gesticht als heide-ontginningsdorp. Aan het begin van de 20e eeuw ontstond de dorpskern. Meer precies is het dorp Hegelsom ontstaan in de periode 1929 tot 1933 uit de buurtschappen Voor-America (‘De Hei’) en Hegelsom (omgeving Stationsstraat en ‘D’n Diek’). Een lagere school werd in 1930 en de kerk in 1933 gebouwd. Het dorp kende hoofdzakelijk

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 6 van 40

een agrarische economie met veel kippenbedrijven en bonenteelt (staakbonen). Omstreeks 1965 werd aan de Stationsstraat een pluimveevakschool gesticht. Dit is de voorloper van het voormalige agrarisch opleidingscentrum dat zal worden her bestemd voor wonen/detailhandel. Het agrarisch opleidingscentrum is circa drie jaar geleden gesloten. Specifiek ten aanzien van het plangebied is de volgende informatie beschikbaar op basis van het kaartmateriaal uit circa de laatste 200 jaar. De Tranchot und v. Müffling kaart uit 1801-1828 geeft aan dat het plangebied aan het eind van de 18e en het begin van de 19e eeuw uit heide bestond (zie figuur 9). Wel liep de Oude Holstraat door het plangebied, die een verbinding vormde tussen Sevenum en Horst. In het noordelijke deel van het plangebied vormde deze weg een kruising met een oostwest lopende straat, op de locatie van de huidige Pastoor Debijestraat. Op het Kadastrale Minuutplan uit 1821 is een identiek wegenpatroon zichtbaar (kaarten niet afgebeeld in deze rapportage).17 Wel is het plangebied ingedeeld in meerdere percelen. Op de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafel (OAT) worden deze als bouwland aangegeven.18 Tevens worden aan de zuidoost zijde van het plangebied, direct grenzend aan de westkant van de Oude Holstraat twee gebouwen weergegeven. Mogelijk dat één van de gebouwen een langgevelboerderij was.

Ten noorden van het plangebied en de huidige Pastoor Debijestraat zijn ook enkele gebouwen zichtbaar. Op de Militaire Topografische kaart uit 18231829 lijkt het plangebied uit heidegebied te bestaan, en wordt de voorloper van de Stationsstraat, die waarschijnlijk ter hoogte van het plangebied de Oude Holstraat volgde weergegeven (zie figuur 10). Deze kaart is echter relatief onnauwkeurig. Op de Militaire Topografische kaart uit 1850 worden de Oude Holstraat en de kruising op de locatie van de huidige Pastoor Debijestraat weergeven (zie figuur 11). In het zuidoostelijke en centrale deel van het plangebied is bebouwing zichtbaar, en tevens direct ten noorden van het plangebied. De kaart is te onnauwkeurig om uitspraken te doen over typen landgebruik binnen het plangebied. Op de Militaire Topografische kaart uit 1899 is een gebouw weergegeven in het zuidoostelijke deel van plangebied, langs de Oude Holstraat (zie figuur 12). Tevens staan meerdere gebouwen weergegeven direct ten noorden van plangebied en de Pastoor Debijestraat. Het centraal gelegen gebouw is in 1899 verdwenen. De loop van de huidige Stationsstraat, direct te oosten van de Oude Holstraat, is dan ook gerealiseerd. Mogelijk dat het plangebied voor akkerbouw in gebruik was.

Op de Topografische kaart uit 1955 kan een onderscheid gemaakt worden tussen akkerland en weidegrond in het noordwestelijke deel van het plangebied (zie figuur 13). De Oude Holstraat is nog aanwezig en twee gebouwen worden weergegeven in het zuidoostelijke deel van het plangebied langs de Oude Holstraat. Vanaf 1970 verschijnen meerdere gebouwen binnen het plangebied (zie figuur 14). Deze gebouwen behoren tot de pluimveevakschool, de voorloper van het voormalige agrarisch opleidingscentrum. In 1980 zijn er weer meerdere gebouwen binnen het plangebied bijgekomen en is een nieuw stratenpatroon aangelegd tussen de gebouwen (zie figuur 15). De Oude Holstraat is dan verdwenen, waarschijnlijk als gevolg van het nieuwe stratenpatroon dat toegang geeft tot de verschillende gebouwen. Deze situatie blijft min of meer hetzelfde tot op de dag van vandaag, met dien verstande dat sommige nieuwe gebouwen van de pluimveevakschool/het agrarisch opleidingscentrum worden gerealiseerd en andere worden gesloopt (zie figuur 16). Hoewel historisch gezien Hegelsom een heide-ontginningsdorp is uit het eind van de 19e eeuw, laat het historisch kaartmateriaal zien dat reeds vanaf het begin van de 19e eeuw het plangebied (deels) voor landbouwdoeleinden werd gebruikt.

Tevens waren gebouwen aanwezig met name in het zuidoostelijke deel van het plangebied, direct langs de Oude Holstraat, die mogelijk een agrarische functie hadden. Deze situatie bleef in hoofdlijnen ongewijzigd tot circa 1970 toen de pluimveevakschool en 17 Oostelijk deel plangebied = minuutplan Horst, Limburg, sectie C, blad 04 (MIN11043C04); westelijk deel plangebied = mi-

nuutplan Horst, Limburg, sectie D, blad 02 (MIN11043D02). 18 Kadastrale Minuutplan: oorspronkelijke aanwijzende tafel (OAT) Horst, Limburg, sectie D, blad 029 (OAT11043D029).

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 7 van 40

het latere, nu voormalige agrarisch opleidingscentrum, werd opgericht. Tegen 1980 was het terrein grotendeels volgebouwd en was de Oude Holstraat verdwenen. Bouwhistorische gegevens Op basis van de beschikbare bouwhistorische gegevens (bron: archief van de Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Horst aan de Maas) kan gesteld worden dat de gebouwen die sinds 1963 zijn gerealiseerd in het plangebied een funderingsdiepte hadden van circa 70 centimeter tot circa 3,10 meter beneden het maaiveld. 4.2

Aard en ouderdom van de vindplaats(en)

Aard en ouderdom van de vindplaatsen zijn onbekend. Volgens de bij het archeologisch bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting is de kans op het voorkomen van archeologische resten hoog voor alle archeologische perioden, lopende vanaf het (Laat)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Meer specifiek zijn de archeologische verwachtingen bij het bureauonderzoek als volgt onderbouwd. Uit de landschappelijke ligging op een dekzandrug aan de rand van een beekdalglooiing, blijkt dat het plangebied vanaf het (Laat-)Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waargenomen uit het (Laat-)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels.

Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.19 Zoals aangegeven ligt het plangebied op een dekzandrug bij een gradiënt zone, namelijk de beekdalglooiing die naar het oosten afloopt naar de Groote Molenbeek. Als gevolg heeft het plangebied een hoge verwachting voor de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.20 Gezien de mogelijke ligging van het plangebied op hoger gelegen gronden bij een beekdal heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting.

Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 21 Op basis van het historische kaartmateriaal zijn er aanwijzingen dat al aan het eind van de 18 e eeuw een weg door het plangebied liep, namelijk de Oude Holstraat. Hoewel algemeen historisch gezien Hegel19

Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005. 21 Renes, 1999. 20

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 8 van 40

som als een heide-ontginningsdorp uit het eind van de 19e eeuw wordt beschouwd, zijn er aanwijzingen dat het plangebied aan het begin van de 19e eeuw reeds voor landbouwdoeleinden in gebruik was. Vanaf het begin van de 19e eeuw lijkt ook bebouwing aanwezig geweest te zijn langs de Oude Holstraat. Het plangebied heeft daarom een hoge archeologische verwachting voor de periode LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd. 4.3

Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)

Begrenzing en oppervlakte van de totale vindplaats (dus ook buiten het plangebied) De gemiddelde omvang van bewoningssporen is enkele honderden vierkante meters. Landbouwarealen kunnen enkele duizenden vierkante meters omvatten met daarin sporen van greppels van enkele tientallen tot honderden meters lang. Infrastructuur bestaat uit lijnelementen van onbepaalde lengte en breedte. De omvang van resten van rituele handelingen, begravingen en resten van strijd zijn doorgaans beperkt tot puntvondsten. Begrenzing en oppervlakte van (het deel van) de vindplaats binnen het plangebied Idem, met een maximum van circa 47.700 m2 (totale oppervlakte van plangebied). 4.4

Structuren en sporen

Op grond van het archeologische vooronderzoek blijkt dat resten van bewoning en andere activiteiten in het plangebied kunnen dateren uit het (Laat-)Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. De verwachte resten kunnen onder meer bestaan uit vuursteenstrooiingen, akkerlagen, nederzettingssporen, infrastructuur (wegen, voorden en bruggen), grafvelden, rituele plaatsen en depots. De verwachtte grondsporen kunnen bestaan uit paalsporen, muurresten, uitbraaksleuven, beer- en/of waterputten, afvalkuilen en perceelscheidingen. 4.5

Anorganische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast aardewerk en natuursteen ook allerhande gebruiksvoorwerpen van ander materiaal (metaal, glas, keramisch bouwmateriaal, leem, etc.) verwacht worden. Wel dient rekening gehouden te worden dat de conserveringsomstandigheden voor metaal relatief slecht kunnen zijn door droge en zure bodemomstandigheden, kenmerkend voor plaggendekken en dekzand. 4.6

Organische artefacten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen ook vergankelijke objecten van organisch materiaal verwacht worden, zoals hout, textiel en leer. Als algemene vuistregel kan worden gesteld dat in die gebiedsdelen waar in een gedeelte van het jaar de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper is dan 120 centimeter beneden het maaiveld en de bodem sterk ontkalkt is, weinig of geen goed geconserveerde organische artefacten in onverkoolde toestand worden verwacht. In deze gebiedsdelen zijn die enkel bewaard in verkoolde toestand, maar de mate van conservering zal wisselend zijn. In die gebiedsdelen waar de gemiddeld laagste grondwaterstand hoger is dan 120 centimeter beneden het maaiveld, kunnen organische artefacten daarentegen goed geconserveerd zijn - al dan niet in verkoolde toestand. Verder is de conservering van organisch materiaal in het algemeen beter in diep ingegraven grondsporen, al dan niet in gebiedsdelen met een ontkalkte bodem. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied en grondwater-

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 9 van 40

trap VI en VII, is het niet waarschijnlijk dat onverkoold organisch materiaal buiten diep ingegraven grondsporen goed is geconserveerd. 4.7

Archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten

Op archeologische vindplaatsen kunnen in relatie tot de archeologische sporen en lagen naast anorganische en organische vondsten ook resten van zaden, pollen of organisch afval worden aangetroffen. Waar het grondwater permanent aanwezig is, zijn archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten in het algemeen redelijk tot goed geconserveerd. Gezien de archeologische context worden in het algemeen veel van dergelijke resten verwacht, maar of dit daadwerkelijk het geval is, is afhankelijk van factoren als geomorfologie, textuur van de bodem, ontwatering, aanwezigheid van waterkerende lagen en datering. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied en grondwatertrap VI en VII is het niet waarschijnlijk dat archeozoölogische resten, menselijk botmateriaal en botanische resten buiten diep ingegraven grondsporen goed zijn geconserveerd. 4.8

Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen

Op basis van het uitgevoerde inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-Overig), wordt de volgende bodemopbouw en stratigrafie verwacht ter plekke van het plangebied.22 Van de in totaal 24 uitgevoerde boringen bestonden de bovenste lagen in 15 boringen uit een bouwvoor met een (sub)recent opgebracht pakket en in 9 boringen uit een bouwvoor met plaggendek (zie figuur 17). De (sub)recent opgebrachte pakketten kunnen mogelijk in verband gebracht worden met de stichting en bouw van de pluimveevakschool in 1965 en vervolgens het agrarisch opleidingscentrum. De natuurlijke bodem bestond uit de C-horizont van het dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). De top van het dekzand is aangetroffen op een sterk variabele diepte van tussen de 45 en 135 centimeter beneden het maaiveld. In de top van het dekzand is geen (restant van een) podzolprofiel aangetroffen. In 7 boringen was een gebioturbeerde toplaag aanwezig boven de Chorizont van het dekzand. Deze laag kan mogelijk als een cultuur- of akkerlaag geïnterpreteerd worden. Ook de top van deze laag lag op een variabele diepte van tussen de 45 en 135 centimeter beneden het maaiveld. De dikte van de gebioturbeerde toplaag lag tussen de 10 en 30 centimeter.

Opvallend was verder dat de boringen met een plaggendek en gebioturbeerde toplaag geconcentreerd zijn in het westen van het plangebied (zie figuur 18, 19 en 20). Een grote overeenkomst bestaat tussen de bodemopbouw in deze laatste 7 boringen met de aangetroffen bodem tijdens het verkennend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in respectievelijk 2015 en 2017 door SOB Research ter plekke van de ‘Uitbreiding Hegelsom Fase 1’ (zie § 4.1).23 Ook hier is een bodemopbouw aangetroffen van een bouwvoor, op een plaggendek, op een oudere akkerlaag, op dekzandafzettingen. Boven het dekzand was een sterk gebioturbeerde toplaag aanwezig op een diepte van tussen de circa 95 en 135 centimeter beneden het maaiveld. Plaatselijk was in de top van het dekzand nog een (deel van de) B-horizont van een podzolbodem bewaard gebleven. Tijdens het hier gerapporteerde verkennende booronderzoek is in de boringen geen Bhorizont van een podzolprofiel in de top van het dekzand waargenomen. Op basis van de boorresultaten kan geconcludeerd worden dat archeologische resten nog in situ aanwezig kunnen zijn in het plangebied. Volgens de beoordeling van de archeologisch adviseur van de gemeente Horst aan de Maas, Vestigia BV (adviesbrief, kenmerk: V21-36854/1285-337/CWK, d.d. 22 Mientjes, 2021. 23 Ras, 2017; Benerink, 2019.

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 10 van 40

7 april 2021), kan een onderscheid gemaakt worden in een primaire zone hoofdzakelijk gelegen ter plekke van het westelijke en centrale deel van het plangebied en twee niet-primaire zones (zie figuur 21). Binnen de primaire zone bestaat de grootste kans op de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten. Het proefsleuvenonderzoek zal daarom in eerste instantie binnen deze zone worden uitgevoerd. Afhankelijk van de resultaten zal de bevoegde overheid besluiten of het proefsleuvenonderzoek (deels) uitgebreid dient te worden naar de niet-primaire zones. De archeologische resten uit de perioden lopende van het (Laat-)Paleolithicum tot en met de VroegeMiddeleeuwen worden verwacht beneden het plaggendek en in de top van de dekzandafzettingen (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) op een diepte van tussen de circa 45 à 135 centimeter beneden het maaiveld. Aan en direct beneden het maaiveld, en binnen het plaggendek, kunnen mogelijk ook archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig zijn. 4.9

Gaafheid en conservering

Structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten. Door de lage grondwaterstand (grondwatertrap VI en VII) en zandige bodem (plaggendek en dekzand) zal eventueel aanwezig organisch (vondst)materiaal niet tot slecht geconserveerd zijn en deze resten zullen waarschijnlijk alleen worden aangetroffen in diepe en vochtige sporen. Over de precieze gaafheid en conservering van de mogelijk aanwezige structuren, sporen, vondsten, archeozoölogische en botanische resten kan niet veel worden gezegd. Dit zal het archeologische onderzoek moeten uitwijzen. Het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVOOverig), heeft aangetoond dat in het westelijke deel van het plangebied een plaggendek, op een bioturbatielaag, op dekzandafzettingen aanwezig is. Deze resultaten geven aan dat archeologische waarden relatief intact in de ondergrond aanwezig kunnen zijn ter plekke van dit deel van het plangebied.

5 5.1

DOELSTELLING EN VRAAGSTELLING Doelstelling

Het doel van het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het vooronderzoek. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Het proefsleuvenonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. 5.2

Relatie met NOaA 2.0 en/of andere onderzoekskaders

Het in dit Programma van Eisen omschreven onderzoek is inventariserend van karakter en heeft niet als primair doel voort te bouwen op de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie. Het onderzoek valt binnen de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie onder het Brabants zandgebied.24 Op dit onderzoek zijn de volgende bovenregionale onderzoeksvragen van de NOaA 2.0 van toepassing: 24 Nationale Onderzoeksagenda Archeologie.

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 11 van 40

2. De dynamiek van het Nederlandse landschap 3. Gebruik van het water 4. Occupatie en adaptatie in het rivierengebied en langs de kust 5. Sociale en economische differentiatie 7. De archeologie van het rituele 9. Dodenbestel en grafmonumenten 10. De vroegste bewoning van Nederland 11. Overgang Laat-Paleolithicum - Vroeg-Mesolithicum 12. Neolithisatie proces (‘Neolithisering’) 13. De verankering van het boerenbestaan 16. Overgang Romeinse tijd naar Vroege-Middeleeuwen 18. Dorpsvorming 20. De relatie stad - platteland 21. De dynamiek van het landgebruik 22. Mens - materiële cultuurrelaties 23. Netwerken en infrastructuur 5.3

Vraagstelling

De belangrijkste vraagstelling betreft het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting en het vaststellen van de aanwezigheid van behoudenswaardige archeologische resten ter plekke van het plangebied. Bij het proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase, dienen de onderstaande onderzoeksvragen een rol te spelen. 5.4

Onderzoeksvragen

5.4.1 1. 2.

Algemeen Zijn er archeologische resten in de bodem aanwezig? Zo ja, wat is de aard, omvang (mogelijk ook buiten de primaire zone), ouderdom, herkomst, kwaliteit en locatie van de archeologische resten (horizontaal en verticaal)? Zijn meerdere archeologische niveaus aanwezig? Op welke diepte ligt/liggen het/de archeologische niveau(s)? Hebben de archeologische waarden een relatie met uit de omgeving bekende archeologische of historische locaties en welke is dat? Welke gegevens over de aangetroffen vindplaatsen kunnen de archeologische kennis van de regio en Hegelsom aanscherpen? Is sprake van (een) behoudenswaardige vindplaats, conform waardering volgens bijlage IV van de KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018)? Wat is het belang van de vindplaats voor de lokale, regionale en nationale geschiedschrijving? Wat kunnen de uitkomsten van het onderzoek zeggen over vergelijkbare terreinen in de omgeving? Welke methoden zouden hierbij kunnen worden ingezet? Kunnen eventueel dieper liggende archeologische niveaus in situ bewaard blijven, of worden deze verstoord door de geplande civieltechnische graafwerkzaamheden? Indien er geen archeologische resten worden aangetroffen, wat is de reden voor de afwezigheid van archeologisch resten?

3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12.

13.

In welke mate zijn de bodemopbouw en archeologisch relevante niveau(s) verstoord?

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 12 van 40

De mogelijke aanwezige vindplaatsen worden aan de hand van de gestelde vragen gewaardeerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018), bijlage IV Waarderen van vindplaatsen. Aanbevolen wordt ook om de methodiek uit de SIKB leidraad Standaard Archeologische Monitoring te volgen voor het bepalen van de fysieke kwaliteit. 5.4.2 14. 15. 16. 17.

Periode en sites Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site patronen) in de zin van wegen, perceelindeling, akkers, grondstofwinning, etc.? Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat en welke kenmerken zijn hieraan naar analogie van vraag 9 te geven? Kunnen meerdere bewoningsfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden? Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt?

5.4.3 Landschap en bodem Dit aspect van het onderzoek omvat de bestudering van de landschappelijke context van de vindplaats in historisch perspectief. Dit leidt tot de volgende vragen: 18. Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied? 19. Waar bevindt zich binnen het plangebied een plaggendek? Als een plaggendek afwezig is, komt dat doordat het er waarschijnlijk niet ontwikkeld is of omdat het in een later stadium weer verwijderd is? 20. Indien een plaggendek wordt aangetroffen. Wat is de dikte en wanneer is dit plaggendek mogelijk aangelegd? 21. Is in de top van het dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) nog een (gedeeltelijk intact) podzolprofiel aanwezig? En zo ja, welke specifieke horizonten kunnen worden herkend en hoe verhouden deze zich tot het mogelijk aanwezige en leesbare archeologische sporen- en vondstenvlak? 22. Hoe kan de bioturbatielaag geduid en verklaard worden? En hoe verhoudt de bioturbatielaag zich tot het mogelijk nog (gedeeltelijk intact) aanwezige podzolprofiel en het mogelijk aanwezige en leesbare sporen- en vondstenvlak? 23. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaats (geologie, bodemkunde en geomorfologie)? Zijn er aanwijzingen voor stratigrafische hiaten, d.w.z. erosie of non-depositie, in de geologische profielopbouw ter plekke van de vindplaatsen? 24.

Wat is de paleo-ecologische context van het onderzoeksgebied? Liggen in het plangebied locaties die voor pollenanalyse bemonsterd kunnen worden (licht dit toe)? 25. In hoeverre zijn de aangetroffen bodemlagen geschikt voor een palynologische reconstructie van de vegetatie- en gebruiksgeschiedenis van het terrein? 5.4.4 Vraagstelling specialistisch onderzoek Het specialistisch onderzoek dient zich te richten op het vaststellen van de geschiktheid van de vindplaats voor archeobotanisch, archeozoölogisch, fysisch-antropologisch, fysisch-geografisch, geofysisch en dateringsonderzoek. De monsters dienen hiervoor gewaardeerd te worden tijdens de evaluatiefase, na uitvoering van het archeologisch veldonderzoek. 5.5

Aanbeveling

Op basis van de resultaten van het archeologisch proefsleuvenonderzoek dient een aanbeveling te worden gedaan betreffende een archeologisch verantwoorde omgang met het plangebied. Met betrekking tot die omgang zijn er drie opties: - behoud in situ; - definitieve opgraving;

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 13 van 40

- vrijgeven. Op basis van de onderzoeksresultaten dient de gemeente Horst aan de Maas als bevoegde overheid een selectiebesluit te kunnen maken.

6 6.1

STRATEGIE, METHODEN EN TECHNIEKEN Strategie

In aanvulling op de richtlijnen in de vigerende versie van de KNA: De onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord door middel van een proefsleuvenonderzoek (IVOP), karterende en waarderende fase. Het uitgangspunt is een vindplaatsgerichte benadering. Door middel van het proefsleuvenonderzoek moet zicht worden verkregen in onder andere de aan- of afwezigheid en gaafheid van grondsporen en vondstconcentraties en de aan- of afwezigheid en conservering van paleo-ecologische resten. Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert staat onder leiding van een Senior KNA-archeoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Brabants zandgebied. In het veld worden de werkzaamheden continu uitgevoerd door deze Senior KNA-archeoloog, bijgestaan door minimaal een (KNA)archeoloog/veldtechnicus. In navolging van het advies van de archeologisch adviseur van de gemeente Horst aan de Maas, Vestigia BV (adviesbrief, kenmerk: V21-36854/1285-337/CWK, d.d. 7 april 2021), zal het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd worden binnen het westelijke en centrale deel van het plangebied dat is aangeduid als primaire zone. Deze primaire zone heeft een oppervlakte van circa 24.500 m 2, terwijl de twee niet-primaire zones een gezamenlijke oppervlakte hebben van circa 23.200 m 2.

De primaire zone dient onderzocht te worden met een dekkingsgraad van 5 %, hetgeen correspondeert met een totale oppervlakte van circa 1.225 m 2 aan proefsleuven. Als gevolg zullen 13 proefsleuven van 25 bij 4 meter worden aangelegd ter plekke van de primaire zone (zie figuur 22 en 23). Indien noodzakelijk kunnen extra proefsleuven worden aangelegd met een dekkingsgraad van circa 2,5 % indien van belang voor een goede waardestelling. Deze extra proefsleuven dienen om sporenen vondstconcentraties te begrenzen en te waarderen. De extra proefsleuven zijn vrij inzetbaar, waarbij de uitvoerder de omvang en breedte bepaalt. Indien vindplaatsen grenzen tegen de nietprimair te onderzoeken zones, met name in het oostelijke deel van het plangebied, dan dienen deze niet-primair te onderzoeken zones ook onderzocht te worden om de begrenzing en waardering van een vindplaats of vindplaatsen vast te stellen. Met name de gaafheid en conservering van de vindplaats(en) binnen de niet-primaire zones dient onderzocht te worden. Ook binnen de niet-primair te onderzoeken zones wordt een dekkingsgraad van circa 2,5 % gehanteerd. De extra proefsleuven worden in overleg en na goedkeuring van de bevoegde overheid uitgevoerd. 6.2

Methoden en technieken

Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA, versie 4.1 (d.d. 24 mei 2018). Voorwerk • Het schrijven van een Plan van Aanpak (PvA) (KNA-specificatie OS01); dit is een handleiding voor het onderzoek. Het Plan van Aanpak dient ruim vóór aanvang (minimaal 1 week) van het veldonderzoek ter goedkeuring aan de bevoegde overheid te worden voorgelegd. • Het doen van de onderzoeksmelding bij het centrale systeem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) door het aanvragen van een OM-nr. (Archis3 onderzoeksmeldingsnummer).

PvE 15010.002 versie 2

Pagina 14 van 40

• Het definitieve Programma van Eisen wordt door de archeologisch uitvoerder per email en vóór aanvang van het onderzoek, ter kennisgeving naar de depothouder gestuurd. Veldwerk • Er wordt uitgegaan van een onderzoek met een standaard complexiteit. Alle werkzaamheden zullen worden uitgevoerd conform KNA-specificaties OS02 t/m OS 09. • Aan te leggen proefsleuven in primair te onderzoeken zones: zie paragraaf 6.1 hierboven. • Extra proefsleuven in zowel primair als niet primair te onderzoeken zones: zie paragraaf 6.1 hierboven. • Het graafwerk wordt uitgevoerd door een machinist die aantoonbare ervaring heeft met archeologisch werk. • Het aanleggen van het vlak zal onder toezicht van een Senior KNA-archeoloog worden uitgevoerd. • Er wordt gewerkt met een machine met voldoende capaciteit die is voorzien van een zogenaamde gladde bak. • De proefsleuven wordt laagsgewijs verdiept totdat het niveau is bereikt waarop de verwachte grondsporen zichtbaar worden. • Zodra archeologische sporen worden aangetroffen, zal een leesbaar vlak moeten worden aangelegd. • Er wordt in principe uitgegaan van de aanleg van één vlak in de top van de natuurlijke afzettingen (dekzand).

Wel dient bij het laagsgewijs verdiepen vanaf het maaiveld zorgvuldig rekening gehouden te worden dat archeologische resten, met name uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd, ook op een hoger niveau aanwezig kunnen zijn, aan en direct beneden het maaiveld, en binnen het plaggendek . • Voordat er verder verdiept wordt, dienen de sporen in het bovenliggende vlak volledig gedocumenteerd en afgewerkt te zijn. • De bouwvoor wordt gescheiden gehouden van de overige grond en als laatste teruggestort. • In verband met de mogelijkheid dat de mogelijke vindplaats behouden blijft, ex situ, mag het graafwerk niet destructiever zijn dan strikt noodzakelijk. • Om tot een goede waardering van de vindplaats te komen, dienen tijdens het proefsleuvenonderzoek sporen te worden gecoupeerd en afgewerkt om de kwaliteit en conservering van de sporen te kunnen inschatten. Een uitzondering vormen duidelijke structuren of een overvloed aan sporen. Indien onduidelijkheid bestaat over het wel of niet couperen dient contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid. In het geval van off-site fenomenen worden alle sporen gecoupeerd. • Archeologisch relevante structuren mogen niet worden verwijderd. Deze zullen pas volledig worden onderzocht in het geval van een vervolgonderzoek in de vorm van een opgraving, of indien mogelijk in situ behouden blijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11391765/1