CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

12c.1 Quickscan flora en fauna

Gemeenteraad 10 mei 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Oude Holstraat, Hegelsom.7.471 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom

In opdracht van: Bureau Leefomgeving 3 juni 2020 ir. J.P.M. Hovens en ir. C. de Koning

Tegelseweg 3 5951 GK Belfeld Tel: 077-4642999 www.faunaconsult.nl

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom Opdrachtgever: Opstellers/controle: Veldwerk:

Bureau Leefomgeving ir. J.P.M. Hovens/ir. C. de Koning ir. J.P.M. Hovens

Faunaconsult bv werkt volgens de protocollen in de kennisdocumenten van BIJ12. Onze onderzoeken voldoen daarmee aan de landelijk geldende normen en opdrachtgevers hebben een basis om ons aan te spreken op de kwaliteit van de door ons aangeleverde producten. Onze ecologen voldoen aan de deskundigheidseisen zoals gesteld door RVO. We hechten groot belang aan maatschappelijk verantwoord ondernemen en geven concreet invulling aan de participatiewet.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom

1

Inhoud 1

Inleiding........................................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................... 3 1.2 Doel en status van dit document .............................................................................................. 3 1.3 Leeswijzer ............................................................................................................................... 3 2 Wet- en regelgeving ........................................................................................................................ 4 2.1 Inleiding................................................................................................................................... 4 2.2 Bescherming van Natura 2000-gebieden................................................................................. 4 2.3 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................... 4 2.4 Beschermde planten en dieren .................................................................................................

5 3 Werkwijze ....................................................................................................................................... 7 3.1 Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ............................................................... 7 3.2 Werkwijze ............................................................................................................................... 7 4 Aanwezige beschermde natuurwaarden .......................................................................................... 8 4.1 Beschrijving plangebied .......................................................................................................... 8 4.2 Natura 2000-gebieden ........................................................................................................... 11 4.3 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................... 11 4.4 Beschermde planten en dieren ............................................................................................... 12 5 Mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden ....................................................................... 18 5.1 Natura 2000 ...........................................................................................................................

18 5.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................... 18 5.3 Beschermde planten en dieren ............................................................................................... 18 6 Conclusies en aanbevelingen ......................................................................................................... 20 6.1 Natura 2000 ........................................................................................................................... 20 6.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................... 20 6.3 Beschermde planten en dieren ............................................................................................... 20 Literatuur ............................................................................................................................................... 22 Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime .................................................................................... 23

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom

2

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Bureau Leefomgeving begeleidt de herontwikkeling van het voormalig PTC+ terrein te Hegelsom. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze quickscan natuurwetgeving. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden.

1.2

Doel en status van dit document

Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) en beschermde gebieden. Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de beleids- en veldinventarisaties weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op Natura 2000gebieden, de in en nabij het plangebied aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wet natuurbescherming. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom

3

2

Wet- en regelgeving

2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Flora- en faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Bij kap van bomen moest worden bepaald of de Boswet van toepassing was (de Boswet regelde het behoud van bosopstanden of compensatie ervan). De basis van de nieuwe wetgeving blijft in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken.

2.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) en houden dus indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan Natura 2000gebieden. Verder verandert er voor Natura 2000-gebieden weinig. De bescherming van deze gebieden is namelijk gebaseerd op internationale verplichtingen en die zijn niet veranderd. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Wetlands worden beschermd door het internationale Ramsar-verdrag. Het zijn ook Natura 2000gebieden en daardoor beschermd door de Wnb. Toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft Natura 2000gebieden is opgenomen in hoofdstuk 5.

2.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom

4

• •

ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De provincies hebben – zoals ook al in paragraaf 2.2 aangegeven - de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan het provinciale beleid is opgenomen in hoofdstuk 5.

2.4

Beschermde planten en dieren

De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime): - Vogels alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken.

- Internationaal beschermde soorten alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb); - Overige beschermde soorten soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Floraen faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd). De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. De Provincie Limburg heeft de ‘Beleidsneutrale Wijzigingsverordening Hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014’ opgesteld (Provincie Limburg, 2016) en ‘Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg’ (Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017). Dit houdt in dat de meeste soorten die onder de Wet Natuurbescherming als beschermde soort zijn aangewezen, ook in de Provincie Limburg worden beschermd.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom

5

Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft flora en fauna is opgenomen in hoofdstuk 5.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom

6

3

Werkwijze

3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden

De bebouwing in het plangebied wordt geheel gesloopt en een groot deel van de vegetatie wordt verwijderd. Behoudenswaardige bomen zullen blijven behouden. Vervolgens worden er woningen en bedrijfsgebouwen gerealiseerd. Ook wordt er nieuw groen aangeplant. Een definitief ontwerp is nog niet voorhanden.

3.2

Werkwijze

De quickscan is uitgevoerd door middel van een veldbezoek en een bronnenonderzoek. Op 19 mei 2020 heeft Faunaconsult het plangebied en de directe omgeving tot 100 meter rond het plangebied bezocht voor een habitatgeschiktheidsonderzoek. Hierbij werd beoordeeld voor welke plant- en diersoorten het plangebied geschikte habitat biedt. Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd. Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Alle gebouwen in het plangebied zijn met behulp van een ladder, zaklamp en bo omcamera geïnspecteerd. Het bureauonderzoek is gebaseerd op vrij verkrijgbare verspreidingsbronnen en waarnemingen van soorten: - Synbiosys alterra (www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase). - RAVON (www.ravon.nl). Verspreidingsgegevens van amfibieën, reptielen en vissen. - FLORON (www.floron.nl) - SOVON (www.sovon.nl) - Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl) - NDFF Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl)

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom

7

4

Aanwezige beschermde natuurwaarden

4.1

Beschrijving plangebied

Het plangebied ligt in het noordoosten van de bebouwde kom van Hegelsom. Het bestaat uit diverse gebouwen, gazons en verspreid staande bomen en struiken (zie figuur 4.1.1). Aan alle zijden van het plangebied liggen woningen met achtertuinen. Ten oosten van het plangebied bevinden zich ook enkele bedrijfsgebouwen. Achter de bebouwing aan de noord-, oost- en zuidzijde liggen voornamelijk akkers en weilanden.

Figuur 4.1.1. Het plangebied. Bron: Kadastrale Kaart. A = het gebouw van Staatsbosbeheer (zie grote foto voorzijde); B = een gebouw met garageboxen (zie foto voorzijde rechtsonder); C, D, E, F en I = gebouwen met een golfplaten dak (zie figuren 4.1.2; 4.1.3; 4.1.4 en 4.1.6); G = een paardenstal (zie figuur 4.1.5); H = een trafohuisje dat wordt behouden. Dit valt daarom buiten het feitelijke plangebied. J en K = klaslokalen (zie figuur 4.1.7 en voorzijde foto linksboven).

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom

8

Figuur 4.1.2. Gebouw D wordt met een boomcamera geïnspecteerd.

Figuur 4.1.3. Gebouw E.

Figuur 4.1.4. Gebouw E en de er tegenaan gebouwde volières.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom

9

Figuur 4.1.5. Gebouw G is een paardenstal.

Figuur 4.1.6. Gebouw I.

Figuur 4.1.7. Gebouwen J en K zijn klaslokalen met een vergelijkbare constructie.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 10

4.2

Natura 2000-gebieden

Figuur 4.2 laat de ligging van het plangebied zien ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebied ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ is het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied, op 7,9 kilometer afstand ten westen van het plangebied. Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ ligt op circa 8,6 kilometer ten oosten van het plangebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand (figuur 4.2).

Figuur 4.2. Natura 2000-gebieden (groen weergegeven) ten opzichte van het plangebied (rode stip). Bron: www.natura2000.nl/gebieden.

4.3

Natuurnetwerk Nederland

Het plangebied ligt op circa 293 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van de Goudgroene Natuurzone, het Limburgse deel van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zie figuur 4.3 en het hierna volgend kader. Goudgroene natuurzone De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het NNN. Binnen de goudgroene zone streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur, en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Zilvergroene natuurzone Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal. De zilvergroene natuurzone maakt echter geen onderdeel uit van het NNN, maar ondersteunt wel de functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone. De provincie stimuleert de ontwikkeling van natuur en landschap binnen de zilvergroene zones met subsidies en natuurcompensaties. Bronsgroene landschapszone De bronsgroene landschapszone omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen e.d. Een kwart van de bronsgroene landschapszone wordt gevormd door het winterbed van de Maas. In Zuid-Limburg omvatten deze zones ook de steilere hellingen, droogdalen en de belangrijkste landschappelijke verbindingen naar het Maasdal.

Het beleid binnen de bronsgroene landschapszone is er op gericht om de landschappelijke kernkwaliteiten te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Deze zone bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgronden. Binnen deze zone komen op bestemmingsplanniveau andere bestemmingen en functies voor zoals infrastructuur, woningen en toeristische voorzieningen e.d.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 11

Figuur 4.3. Globale ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het NNN (Goudgroene natuurzone). Bron: https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default.

4.4

Beschermde planten en dieren

Vogels en zoogdieren In het plangebied zijn geen holle bomen aanwezig. De letters van de gebouwen in de nu volgende beschrijving verwijzen naar figuur 4.1.1. Gebouw A is het gebouw van Staatsbosbeheer. Dit gebouw heeft een plat bitumen dak, waaronder een dakbetimmering is aangebracht. Tussen deze dakbetimmering en de achterliggende buitengevel is een ruimte van enkele centimeters breed. Doordat deze dakbetimmering op een groot aantal plaatsen kiert, is het mogelijk dat hier vleermuisverblijven aanwezig zijn. Vogelnesten zijn echter zeker afwezig. Gebouw B is een gebouw met garageboxen. Omdat de gevels en dak van dit gebouw enkelwandig zijn, is het uitgesloten dat er vleermuisverblijven en/of vogelnesten in het gebouw aanwezig zijn. Gebouw C heeft een golfplaten dak. Open stootvoegen zijn afwezig en de openingen onder alle ‘golven’ en nok van het golfplaten dak zijn dichtgemaakt. Vogelnesten en/of vleermuisverblijven zijn in dit gebouw afwezig. Gebouw D heeft een golfplaten dak. Open stootvoegen zijn afwezig en de openingen onder vrijwel alle ‘golven’ en nok van het golfplaten dak zijn dichtgemaakt. Alleen onder de golven op de kopgevels is dit niet het geval; hier is telkens een kleine, volledig met de boomcamera te inspecteren holte aanwezig. In geen van deze holten bleek een vogelnest aanwezig te zijn. Vleermuisverblijven zijn in dit gebouw eveneens afwezig.

Gebouwen E en F hebben een soortgelijke constructie (behalve dat er tegen gebouw E volières zijn aangebouwd). Beide gebouwen hebben een golfplaten dak. Open stootvoegen zijn afwezig en de openingen onder de ‘golven’ en nok van het golfplaten dak zijn dichtgemaakt. Doordat de gebouwen aan de kopkanten een kierende dakbetimmering hebben, is het mogelijk dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn. Vogels hebben echter geen toegang tot gebouwen E en F.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 12

Gebouw G is een paardenstal met wanden van dakpansgewijs getimmerde planken. Deze planken sluiten overal nauw aan. De openingen onder de ‘golven’ en nok van het golfplaten dak zijn dichtgemaakt. Tegen dit gebouw hangt een nestkastje, waarin tijdens het veldbezoek een koolmees broedde (ouders vliegen af en aan met voer voor jongen). Overige vogelnesten zijn in dit gebouw afwezig, evenals vleermuisverblijven. Gebouw I heeft een dak van eternieten golfplaten, waarvan de nok en de ruimte onder de ‘golven’ zijn dichtgemaakt (zie figuur 4.4.1). De buitengevels hebben geen open stootvoegen op meer dan 15 cm hoogte. Vleermuisverblijven en nesten van jaarrond beschermde vogels zijn afwezig. In een beschadiging in het dak is wel een koolmezennest aanwezig (deze werden tijdens het veldbezoek gevoerd door de ouders).

Figuur 4.4.1. De nok op gebouw I is dichtgemaakt, zodat er geen vogels in kunnen.

Gebouwen J en K (klaslokalen) hebben beide een plat bitumen dak, waaronder een dakbetimmering is aangebracht, die op meerdere plaatsen kiert. Hier kunnen vleermuizen de spouwen bereiken, maar vogelnesten zijn afwezig. Tijdens het veldbezoek werd de, nabij het plangebied gelegen, boerderij ‘Fleurshof’ (Pastoor Debijestraat 91) bezocht. Daarbij werden het terrein en de boerderijzolder geïnspecteerd en de bewoners geïnterviewd over het voorkomen van uilen en uilennesten; deze bleken afwezig. Ook werd het terrein van de zorgboerderij ‘Wienes’ geïnspecteerd. Medewerker Robert Claessens gaf daarbij aan dat er regelmatig een steenuil werd waargenomen en dat deze mogelijk in het dak van een kippenhok (zie figuur 4.4.2) op het terrein zou broeden. Tijdens het veldbezoek werd dit kippenhok geïnspecteerd, waarbij er een steenuilenbraakbal werd aangetroffen (zie figuur 4.4.3). Het dak van het kippenhok is echter zeer bouwvallig en een uilennest werd met de boomcamera niet gevonden. Ondanks dat het dak niet volledig kon worden geïnspecteerd, lijkt een steenuilennest daarin afwezig te zijn; het kippengaas met riet onder de dakpannen op het kippenhok lijken te ‘lek’ om eieren van een steenuil te kunnen bevatten. Ook tijdens een door SAB in 2017 uitgevoerde quickscan op het terrein van Wienes werd verondersteld dat daar geen steenuilennest aanwezig kon zijn (Meriën, 2017).

Elders op het terrein van de zorgboerderij zijn geen steenuilennestkasten o.i.d. aanwezig. Figuur 4.4.4 toont de ligging van het plangebied ten opzichte van het kippenhok op het terrein van zorgboerderij Wienes.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 13

Figuur 4.4.2. Het circa 2,5 meter hoge kippenhok op het terrein van zorgboerderij Wienes.

Figuur 4.4.3. Steenuilenbraakbal, gevonden in het kippenhok van zorgboerderij Wienes.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 14

Figuur 4.4.4. Ligging van het plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het kippenhok (geel omlijnd) met de steenuilenbraakbal op het terrein van zorgboerderij Wienes.

Jaarrond beschermde vogelnesten zijn in het plangebied afwezig. Het is echter wel te verwachten dat in het opgaand groen van het plangebied en in de hierboven beschreven nestkast tegen gebouw G en in het dak van gebouw I algemeen voorkomende vogels als koolmees (gaan) broeden. Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl) kwam er in 2014 in het kilometerhok van het plangebied een broedterritorium voor van de steenuil. Uit het veldbezoek blijkt dat nesten van deze soort zeker niet in het plangebied, of binnen een straal van 100 meter daaromheen, voorkomen. Het plangebied zelf is volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg onvolledig onderzocht. Verder is het mogelijk dat opgaande vegetaties in het plangebied een functie vervullen als vaste vliegroute van vleermuizen. Vaste vliegroutes en belangrijke foerageergebieden van vleermuizen worden onder de Wet natuurbescherming als een voortplantingsplaats en rustplaats gezien (Ministerie van Economische zaken, 2016). Een aantal vleermuissoorten is daarom in tabel 4.4 opgenomen. Tijdens het veldbezoek werden geen uitwerpselen van steenmarters gevonden. Dassenburchten, dassenlatrines, -wissels en snuitputjes van dassen zijn in en rond het plangebied afwezig. Van overige strenger beschermde zoogdiersoorten zijn er geen nestlocaties aanwezig.

In het plangebied leven mogelijk wel enkele algemene zoogdieren zoals de veldmuis (zie tabel 4.4). Planten In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen. Volgens de natuurgegevens van de Provincie Limburg (www.natuurgegevensprovincielimburg.nl) groeiden er in 2002 in het kilometerhok waarin het plangebied zich bevindt, geen planten die onder de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het plangebied is hierbij onvolledig onderzocht. Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 15

Amfibieën en andere soorten In het plangebied zijn geen natuurlijke wateren aanwezig (er is wel een folievijver zonder waterplanten en zonder oeverbegroeiing; zie figuur 4.4.5). Deze is ongeschikt om als voortplantingswater voor bijzondere amfibieën te dienen. Het is wel mogelijk dat enkele algemene amfibieënsoorten het plangebied als landhabitat zullen gebruiken. Reptielen en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4.4 geeft de beschermde soorten weer die mogelijk in of direct naast het plangebied voorkomen.

Figuur 4.4.5. De in het plangebied aanwezige folievijver is ongeschikt om als voortplantingswater voor bijzondere amfibieënsoorten te fungeren.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 16

Tabel 4.4. (Potentieel) in het gebied voorkomende beschermde soorten. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.

Vogels Internationaal waarvan het beschermde Nederlandse naam en wetenschappelijke naam nest jaarrond is soorten beschermd Aardmuis (Microtus agrestis) Bosmuis (Apodemus sylvaticus) Huisspitsmuis (Crocidura russula) Veldmuis (Microtus arvalis) Bruine kikker (Rana temporaria) Gewone pad (Bufo bufo) Grootoorvleermuis (Plecotus auritus) X Laatvlieger (Eptesicus serotinus) X Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) X Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) X X Steenuil (Athene noctua)*

Overige beschermde soorten X X X X X X

* broedt niet in het plangebied.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 17

5

Mogelijke effecten op beschermde natuurwaarden

5.1

Natura 2000

Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien liggen de twee meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en ‘Maasduinen’ op een afstand van respectievelijk 7,9 en 8,6 kilometer van het plangebied. De afstand van het plangebied tot deze Natura 2000-gebieden is enkele kilometers en bovendien ligt tussen het gebied ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en het plangebied in de provinciale weg N277, een gedeelte van de bebouwde kommen van Hegelsom en America, diverse agrarische bedrijven en een spoorlijn. Tussen het plangebied en Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ ligt de snelweg A73, de provinciale weg N271, een gedeelte van de dorpskern van Hegelsom, een spoorlijn, de rivier Maas en meerdere agrarische bedrijven. Hierdoor verwachten wij van de voorgenomen werkzaamheden geen effect op bovengenoemde Natura 2000-gebieden. De twee hierboven genoemde Natura 2000-gebieden bevatten beide tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De bouw en het gebruik van de woningen en bedrijfsgebouwen zal leiden tot wat stikstofuitstoot. Vanwege de afstand tussen de Natura 2000-gebieden en het plangebied verwachten wij echter geen significant effect op bovengenoemde (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000-gebieden.

5.2

Natuurnetwerk Nederland

Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt op circa 293 meter afstand van het plangebied (zie figuur 4.3). Hier is geen beheertype aangeduid. Omdat het hier een onbekend vegetatietype betreft, is onbekend of dit vegetatietype gevoelig is voor N-depositie. De voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden en de ingebruikname van de nieuwe bebouwing hebben vanwege de afstand geen negatief effect op de natuurwaarden in het NNN.

5.3

Beschermde planten en dieren

- Bij de werkzaamheden kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood. - Als de vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang worden achtergelaten en eieren kunnen te lang niet worden bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels. - In een nestkast tegen gebouw G en in het dak van gebouw G broeden koolmezen. Als deze gebouwen tijdens het broedseizoen worden gesloopt, kunnen vogels/eieren worden vernietigd. Ook leidt het tot vernietiging van nesten en tot sterfte van eieren en jonge vogels. - In het plangebied zijn geen steenuilennesten aanwezig. De met kort gras en verspreid staande bomen begroeide delen van het plangebied ogen echter geschikt als steenuilenhabitat. In het kippenhok op het terrein van zorgboerderij Wienes wordt af en toe een steenuil waargenomen. Het kippenhok vormt echter geen erg geschikte nestlocatie voor steenuilen en geschiktere nestlocaties lijken op het terrein van Wienes afwezig te zijn, evenals in 2017 (Meriën, 2017). Het plangebied bevindt zich op zo’n 130 meter afstand van het kippenhok. De voorgenomen inrichtingsmaatregelen zullen daardoor een klein negatief effect hebben op de steenuil.

- Sommige bomen in het plangebied maken mogelijk deel uit van een vaste vliegroute van vleermuizen. Doordat een groot aantal bomen wordt behouden/teruggeplant (zie figuur 3.1), zal de kap van een aantal bomen geen noemenswaardige aantasting betekenen van eventueel aanwezige vaste

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 18

vliegroutes. Indien er in het plangebied buitenverlichting op deze bomen wordt gericht, kan dit wel een verstoring van vliegroutes opleveren. - Gebouwen A, E, F, J en K bevatten mogelijk zomerverblijven, winterverblijven (maar geen massawinterverblijven), kraamverblijven en/of paarverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Door deze gebouwen te slopen, verdwijnen mogelijk vaste voortplantings- of rustplaatsen. Eventueel aanwezige vleermuizen kunnen bij de sloop worden gestoord, verwond en/of gedood. In de volgende tabel zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Tabel 5.3. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.

Soort

Beschermingsregime Wnb

Algemene in het plangebied broedende vogels Steenuil

Vogels

Vleermuizen Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren

Vogels (waarvan het nest jaarrond is beschermd) Internationaal beschermde soorten Overige soorten

Art. Art. Art. Art. Art. Art. Art. 3.1 3.1 3.5 3.5 3.5 3.5 3.10 lid 1 lid 2 lid 1 lid 2 lid 3 lid 4 lid 1 X X

X

X X

Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van soorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van soorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van soorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van soorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 19

6

Conclusies en aanbevelingen

6.1

Natura 2000

De plannen zullen naar onze mening waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb.

6.2

Natuurnetwerk Nederland

De sloop van de bebouwing, de nieuwbouw van de woningen en bedrijfsgebouwen, de aanleg van groen in de buitenruimte en de wijzigingen in de verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNN. Omdat er geen negatieve effecten op het NNN zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.

6.3

Beschermde planten en dieren

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst. Algemene vogels Vernietiging en verstoring van vogelnesten is te vermijden, door de te verwijderen vegetaties buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te rooien. Buiten het broedseizoen dient de nestkast tegen gebouw G te worden verhangen (naar een te behouden locatie) en het dak van gebouw I voor vogels ontoegankelijk te worden gemaakt. Vervolgens kunnen gebouwen G en I jaarrond worden gesloopt. Steenuil Het plangebied vervult mogelijk een marginale functie voor de steenuil. Nesten van deze soort zijn in of binnen 130 meter van het plangebied echter afwezig.

Steenuilennesten zijn in Limburg jaarrond beschermd, marginale delen van de foerageerhabitat echter niet. Wel geldt de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, heeft de initiatiefnemer aangegeven 3 steenuilennestkasten op te zullen hangen; - één in een voor steenuilen aan te leggen geschikte foerageerhabitat in het plangebied tegen de Pastoor Debijestraat; - twee op het terrein van zorgboerderij Wienes. Omdat er nu geen geschikte nestlocaties voor deze soort aanwezig zijn, leiden deze maatregelen tot een beter functioneren van de bestande steenuilenhabitat in/rond het plangebied. Een ontheffing Wnb voor de steenuil is niet nodig. Het ophangen van de nestkasten dient onder begeleiding van een deskundige te worden uitgevoerd. De steenuilennestkasten kunnen besteld worden bij www.vogelbeschermingshop.nl; Vivarapro of Waveka. Vleermuizen Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van de te behouden bomen alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen af Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 20

omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf De te slopen gebouwen A, E, F, J en K bevatten mogelijk zomerverblijven, winterverblijven (maar geen massa-winterverblijven), kraamverblijven en/of paarverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Het slopen van deze gebouwen kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2017) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 4 onderzoeksronden nodig: - 2 ronden (2 avonden) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (periode 15 mei – 15 juli, waarbij er minimaal 30 dagen zit tussen de twee bezoeken); - 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient de functionaliteit daarvan te worden gewaarborgd.

Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten verspreid over de te herontwikkelen locatie op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 40 vleermuiskasten van types als VK WS 02, VK MP 02 of VK WS 07 Vleermuizenkast (te bestellen bij vivarapro.nl) of VMT1 (te bestellen bij faunaprojecten.nl) op te hangen en 3 kraamkasten (type VMT3 kraamkast van faunaprojecten of VK SK 01 Vleermuizenkast van Vivarapro). Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017) en onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de werkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen.

De voorgenoemde type vleermuiskasten zijn uitwendige modellen, die in principe niet geschikt zijn als permanente vervanging. Indien blijkt dat er in de te slopen gebouwen vleermuisverblijven aanwezig zijn, dan dient er een veelvoud van het aantal gevonden vleermuisverblijven in de nieuwbouw te worden gerealiseerd. Vleermuiskasten die geschikt zijn om te dienen als permanente vervanging, dienen zich inwendig in het gebouw te bevinden. Het gaat om typen als Vivara IB VL 01 Inbouwsteen, die wordt gekoppeld aan een extra compartiment (Vivara IB VL 02). Een goedkoper en beter alternatief bestaat uit het maken van een open stootvoeg van minstens 2 cm breed, waarbij er in de achterliggende spouw een stuk geplastificeerd volièregaas van 2 bij 1 meter wordt geplaatst waaraan de vleermuizen kunnen hangen.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 21

Literatuur • • • • • •

•

BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus Versie 1.0. BIJ12, Utrecht. Gedeputeerde Staten van Limburg, 2017. Beleidsregels ten behoeve van de passieve soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming in Limburg. Provinciaal blad nr. 5634. Meriën, D. 2017. Quick scan natuur Hegelsom, Hagelkruisweg 16. In opdracht van: Familie Claessens. SAB, Arnhem. Ministerie van Economische Zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Provinciale Staten van Limburg, 2016. Beleidsneutrale Wijzigingsverordening hoofdstuk 3 Natuur van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Provinciaal blad nr. 6983. Provincie Limburg. Spoelstra, K, R.H.A. van Grunsven, J.J.C. Ramakers, K.B. Ferguson, T. Raap, M. Donners, E.M. Veenendaal en M. E. Visser. 2017. Responce of bats to light with different spectra: lightshy and agile bat-presenceis affected by white and green, but not by red light. The Royal Society Publishing. www.rspb.royalsocietypublishing.org Zoogdiervereniging, 2011. Een vleermuisvriendelijke kleur voor verlichting. www.zoogdiervereniging.nl/een-vleermuisvriendelijke-kleur-voor-verlichting.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 22

Bijlage 1: Toelichting per beschermingsregime Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden: • het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb) • het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb) • het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb) • het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb) • het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb) • het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig

de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb). Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling. Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan.

Dit betekent dat er: • geen andere bevredigende oplossing mag bestaan, • de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en • de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: - het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 23

Internationaal beschermde soorten Internationaal beschermde soorten zijn strikt beschermd Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis. Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn: • het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb) • het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb) • het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb) • het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb) • het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb) • het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb). Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb).

Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich

te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 24

Overige beschermde soorten Algemeen Overige beschermde soorten zijn niet beschermd vanwege de Europese wet- en regelgeving. Het gaat hier om de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen. Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden. Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten.

Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien: • er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets); • er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan; • de ontheffing of vrijstelling nodig is: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; - in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling

vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 25

-

-

-

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of ten behoeve van het algemeen belang.

Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016)

Quickscan natuurwetgeving voormalig PTC+ terrein te Hegelsom 26

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11391758/1