CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

12b.2a Wijzigingstabel APV Openbare Orde en Veiligheid 2023

Gemeenteraad 19 december 2023, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van een 1ste wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).7.839 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Wijzigingstabel Algemene Plaatselijke Verordening Openbare Orde & Veiligheid Gemeente Horst aan de Maas De meeste wijzigingen behoeven geen afzonderlijke toelichting. Het gaat hierbij om grondslagen en formele verwijzingen die zijn geactualiseerd als gevolg van de Omgevingswet en aanpassing van foutieve verwijzingen. Bij een aantal onderdelen is onderaan deze tabel wel een toelichting opgenomen vanwege het bijzondere karakter.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; - beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

-

-

-

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, eerste lid van de Bouwverordening Gemeente Horst aan de Maas 2012; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en

kinderwagens en rolstoelen;

-

-

1

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet; bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;

-

weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

-

weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:12 Weigeringsgronden 1. De burgemeester weigert de vergunning: a. als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, omgevingsvergunning, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. b. als de vergunninghouder, exploitant of leidinggevende(n) in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren: a. als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. b. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

Artikel 2:12 Weigeringsgronden 1. De burgemeester weigert de vergunning: a. als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan of een omgevingsvergunning. b. als de vergunninghouder, exploitant of leidinggevende(n) in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

Artikel 2:16 Sluitingstijd 1. Voor een openbare inrichting gelden geen verplichte sluitingstijden, uitgezonderd voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:9, negende lid. Voor dergelijke openbare inrichtingen en bijbehorende terrassen gelden dezelfde sluitingstijden als voor de hoofdactiviteit waarvan zij deel uitmaken. 2. In afwijking van het eerste lid is het de houder van een jeugdhuis of verenigingsaccommodatie, niet zijnde een open jongeren centrum (OJC), verboden deze openbare inrichting van 01.00 tot 07.00 uur voor publiek geopend te hebben of bezoekers in de openbare inrichting toe te laten of te laten verblijven. In de nacht van 31 december op 1 januari gelden geen verplichte sluitingstijden. 3. In afwijking van het eerste lid is het de houder van een open jongeren centrum (OJC) verboden deze openbare inrichting in de nacht van zondag tot en met donderdag van 01.00 tot 7.00 uur en in de nacht van vrijdag en zaterdag van 03.00 tot 7.00 uur voor het publiek geopend te hebben. In de nacht van 31 december op 1 januari gelden geen verplichte sluitingstijden. 4. Het is verboden een terras in de nacht van zondag tot en met donderdag van 01.00 uur tot 08.00 uur en in de nacht van vrijdag, zaterdag en de dag voor een feestdag van 02.00 uur tot 08.00 uur geopend te hebben of bezoekers op het terras te laten verblijven. 5.

In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid kan de burgemeester door middel van een vergunningvoorschrift sluitingstijden

Artikel 2:16 Sluitingstijd 1. Voor een openbare inrichting gelden geen verplichte sluitingstijden, uitgezonderd voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:9, negende lid. Voor dergelijke openbare inrichtingen en bijbehorende terrassen gelden dezelfde sluitingstijden als voor de hoofdactiviteit waarvan zij deel uitmaken. 2. In afwijking van het eerste lid is het de houder van een jeugdhuis of verenigingsaccommodatie, niet zijnde een open jongeren centrum (OJC), verboden deze openbare inrichting van 01.00 tot 07.00 uur voor publiek geopend te hebben of bezoekers in de openbare inrichting toe te laten of te laten verblijven. In de nacht van 31 december op 1 januari gelden geen verplichte sluitingstijden. 3. In afwijking van het eerste lid is het de houder van een open jongeren centrum (OJC) verboden deze openbare inrichting in de nacht van zondag tot en met donderdag van 01.00 tot 7.00 uur en in de nacht van vrijdag en zaterdag van 03.00 tot 7.00 uur voor het publiek geopend te hebben. In de nacht van 31 december op 1 januari gelden geen verplichte sluitingstijden. 4. Het is verboden een terras in de nacht van zondag tot en met donderdag van 01.00 uur tot 08.00 uur en in de nacht van vrijdag, zaterdag en de dag voor een feestdag van 02.00 uur tot 08.00 uur geopend te hebben of bezoekers op het terras te laten verblijven. 5.

In afwijking van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid kan de burgemeester door middel van een vergunningvoorschrift sluitingstijden

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren: a. als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. b. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

2

vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras. 6. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. 7. Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de tijd dat de inrichting of het terras krachtens het eerste tot en met vijfde lid of een ingevolge artikel 2:17 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.

vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daartoe behorend terras. 6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. 7. Het is bezoekers van een openbare inrichting verboden gedurende de tijd dat de inrichting of het terras krachtens het eerste tot en met vijfde lid of een ingevolge artikel 2:17 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.

Artikel 2:30 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of afdeling 6 van deze Algemene Plaatselijke Verordening. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:30 Speelgelegenheden 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of afdeling 6 van deze Algemene Plaatselijke Verordening. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:36 Weigeringsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de vergunning indien: a. niet wordt voldaan aan de bepalingen bij of krachtens de Wet op de kansspelen; b. ten aanzien van de exploitant als natuurlijk persoon of de rechtspersoon faillissement is aangevraagd of een procedure van vereffening of surseance van betaling of akkoord aanhangig is gemaakt; c. vergunninghouder en/of exploitant en/of beheerder als bedoeld in artikel 2:32 in enig opzicht van slecht levensgedrag is. d. het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend; e. de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt;

Artikel 2:36 Weigeringsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 weigert de burgemeester de vergunning indien: a. niet wordt voldaan aan de bepalingen bij of krachtens de Wet op de kansspelen; b. ten aanzien van de exploitant als natuurlijk persoon of de rechtspersoon faillissement is aangevraagd of een procedure van vereffening of surseance van betaling of akkoord aanhangig is gemaakt; c. vergunninghouder en/of exploitant en/of beheerder als bedoeld in artikel 2:32 in enig opzicht van slecht levensgedrag is. d. het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend; e. de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt;

3

f.

door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat /winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; g. de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; h. De ondernemer onvoldoende heeft aangetoond te kunnen en zullen bijdragen aan preventie en bestrijding van gokverslaving en het beschermen van de openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat en het tegengaan van criminele activiteiten 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het leeftijdsvereiste, gesteld in het eerste lid, onder c. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning weigeren op grond op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

f.

door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat /winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; g. de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal in strijd is met het omgevingsplan; h. De ondernemer onvoldoende heeft aangetoond te kunnen en zullen bijdragen aan preventie en bestrijding van gokverslaving en het beschermen van de openbare orde, veiligheid en het woon- en leefklimaat en het tegengaan van criminele activiteiten 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het leeftijdsvereiste, gesteld in het eerste lid, onder c. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester de vergunning weigeren op grond op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

Artikel 2:52 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2:52 Definitie In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2:67 Weigeringsgronden 1. De vergunning als bedoeld in artikel 2:65 wordt geweigerd indien: a. De vergunninghouder, exploitant of beheerder(s) in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. De exploitant of beheerder(s) onder curatele staan; c. De exploitant of beheerder(s) niet de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt; d. De exploitant of beheerder(s) niet staan ingeschreven op een Nederlands adres in de Basisregistratie Personen; e. de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of omgevingsvergunning handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening; f. De inrichting niet voldoet aan de eisen van de Stichting Normering Flexwonen (SNF). 2. In afwijking van artikel 1:7 kan de vergunning als bedoeld in artikel 2:65 worden geweigerd: a. In het belang van de openbare orde b. In het belang van de openbare veiligheid;

Artikel 2:67 Weigeringsgronden 1. De vergunning als bedoeld in artikel 2:65 wordt geweigerd indien: a. De vergunninghouder, exploitant of beheerder(s) in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. De exploitant of beheerder(s) onder curatele staan; c. De exploitant of beheerder(s) niet de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt; d. De exploitant of beheerder(s) niet staan ingeschreven op een Nederlands adres in de Basisregistratie Personen; e. de vestiging of exploitatie van de inrichting in strijd is met het omgevingsplan of een omgevingsvergunning; f. De inrichting niet voldoet aan de eisen van de Stichting Normering Flexwonen (SNF). 2. In afwijking van artikel 1:7 kan de vergunning als bedoeld in artikel 2:65 worden geweigerd: a. In het belang van de openbare orde b. In het belang van de openbare veiligheid; 4

c. d. e. f. g.

In het belang van het voorkomen of beperken van overlast; In het belang van de veiligheid van personen of goederen; In het belang van de verkeersveiligheid; In het belang van de gezondheid of zedelijkheid; Als na vergunningverlening op meer dan één adres naast elkaar binnen een bebouwde kom sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 2:64 onder a h. Als na vergunningverlening binnen een straal van 50 meter binnen een bebouwde kom op meer dan één adres sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 2:64 onder a. i. Op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

c. d. e. f. g.

In het belang van het voorkomen of beperken van overlast; In het belang van de veiligheid van personen of goederen; In het belang van de verkeersveiligheid; In het belang van de gezondheid of zedelijkheid; Als na vergunningverlening op meer dan één adres naast elkaar binnen een bebouwde kom sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 2:64 onder a h. Als na vergunningverlening binnen een straal van 50 meter binnen een bebouwde kom op meer dan één adres sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 2:64 onder a. i. Op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

Artikel 2:68 Intrekkingsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 trekt het college de vergunning in als: a. de vergunninghouder en/of exploitant en/of beheerder als bedoeld in artikel 2:64 in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden; b. De huisvesting niet (meer) is toegestaan op grond van een geldend bestemmingsplan of omgevingsvergunning handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester de vergunning intrekken: a. Als de inrichting niet meer voldoet aan de eisen van de Stichting Normering Flexwonen (SNF) b. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

Artikel 2:68 Intrekkingsgronden 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 trekt het college de vergunning in als: a. de vergunninghouder en/of exploitant en/of beheerder als bedoeld in artikel 2:64 in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden; b. De huisvesting niet (meer) is toegestaan op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning.

Artikel 2:73 Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:72, derde lid weigeren: 1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; 2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; 3. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; 4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; 5. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

Artikel 2:73 Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:72, derde lid weigeren: 1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; 2. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; 3. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; 4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; 5. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester de vergunning intrekken: a. Als de inrichting niet meer voldoet aan de eisen van de Stichting Normering Flexwonen (SNF) b. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

5

6. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of 7. indien de exploitant of een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 8. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

6. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan, de Wet milieubeheer of een omgevingsvergunning; 7. indien de exploitant of een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken en/of 8. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

Artikel 2:74 Wijzigings- en intrekkingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:72 intrekken of wijzigen: 1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; 2. indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; 3. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; 4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; 5. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; 6. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldende Leefmilieuverordening/beheersverordening of een geldende omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 7. indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; 8.

indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; 9. indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; 10. indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd; 11. indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd en/of 12. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

Artikel 2:74 Wijzigings- en intrekkingsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:72 intrekken of wijzigen: 1. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; 2. indien het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; 3. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; 4. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; 5. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; 6. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan, de Wet milieubeheer of een omgevingsvergunning; 7. indien de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; 8. indien er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; 9. indien door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; 10.

indien de voorschriften uit de vergunning niet worden nageleefd; 11. indien de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd en/of 12. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

6

Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. vergunninghouder en/of exploitant en/of beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h.

de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. i. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt; j. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter

Artikel 3:7 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd als: a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat; b. vergunninghouder en/of exploitant en/of beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h.

de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; 2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; 5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. i. een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt;

7

2.

3.

4.

5.

inzage is gelegd, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met e, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b.

als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:14, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:15 gestelde verplichtingen zal naleven; g. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

j.

de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.

2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt gelijkgesteld: a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; b. betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met e, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking; b.

als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen; c. als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend; d. als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd; e. als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:14, eerste en tweede lid; f. als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:15 gestelde verplichtingen zal naleven; g. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

8

Artikel 3:9 Intrekkingsgronden 1. Het bestuursorgaan trekt de vergunning in als: a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:12, aanhef en onder a, 3:13, 3:14 en 3:15, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°; d. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h; f. de vergunninghouder dat verzoekt; g. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. h. de vergunninghouder en/of exploitant en/of beheerder als bedoeld in artikel 3:2 in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden 2. Het bestuursorgaan kan de vergunning schorsen of intrekken als: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b.

in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; e. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; f. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woonen leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; g. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; h. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; i. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.

Artikel 3:9 Intrekkingsgronden 1. Het bestuursorgaan trekt de vergunning in als: a. de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest; b. de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; c. is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:12, aanhef en onder a, 3:13, 3:14 en 3:15, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°; d. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h; f. de vergunninghouder dat verzoekt; g. de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4. h. de vergunninghouder en/of exploitant en/of beheerder als bedoeld in artikel 3:2 in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden 2. Het bestuursorgaan kan de vergunning schorsen of intrekken als: a. is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; b.

in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; c. een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden; d. is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c; e. is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen; f. zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woonen leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; g. de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; h. er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; i. gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning. 9

j.

op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

j.

op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

Artikel 4:3 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning: a. wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. b. Als de persoon van de aanvrager in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan het college de vergunning weigeren: a. Als de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. Als een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. c. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 4:3 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning: a. wegens strijd met het omgevingsplan; b. Als de persoon van de aanvrager in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

Artikel 4:4 Intrekken standplaatsvergunning 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 trekt het college de vergunning in, indien: a. door de vergunninghouder daarom is verzocht; b. de vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog of anderszins in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden; c. bij overlijden van de vergunninghouder; d. indien het college een besluit als bedoeld in artikel 4:5 heeft genomen om de standplaatslocatie op te heffen. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan het college de vergunning intrekken: a. indien de vergunninghouder niet of niet tijdig de (financiële) rechten voldoet; b. indien de vergunninghouder niet eenmaal in de 2 weken van de vergunning gebruik maakt, met uitzondering van een gebruikelijke vakantieperiode;

Artikel 4:4 Intrekken standplaatsvergunning 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 trekt het college de vergunning in, indien: a. door de vergunninghouder daarom is verzocht; b. de vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog of anderszins in enig opzicht van slecht levensgedrag is geworden; c. bij overlijden van de vergunninghouder; d. indien het college een besluit als bedoeld in artikel 4:5 heeft genomen om de standplaatslocatie op te heffen. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan het college de vergunning intrekken: a. indien de vergunninghouder niet of niet tijdig de (financiële) rechten voldoet; b. indien de vergunninghouder niet eenmaal in de 2 weken van de vergunning gebruik maakt, met uitzondering van een gebruikelijke vakantieperiode; c. indien niet wordt voldaan aan de vereisten gesteld in de Warenwet, de Wet Milieubeheer of bij of krachtens de Omgevingswet;

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:7 kan het college de vergunning weigeren: a. Als de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. Als een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. c. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

10

c.

indien niet wordt voldaan aan de vereisten gesteld in de Warenwet of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer op grond van de Wet Milieubeheer. d. Bij overlijden van de vergunninghouder en de vergunning niet binnen één maand na het overlijden kan worden overgeschreven op een familielid, werknemer of mede eigenaar van het bedrijf. e. Bij arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder en de vergunning niet binnen één maand na het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid kan worden overgeschreven op een familielid, werknemer of mede eigenaar van het bedrijf. f. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

d. Bij overlijden van de vergunninghouder en de vergunning niet binnen één maand na het overlijden kan worden overgeschreven op een familielid, werknemer of mede eigenaar van het bedrijf; e. Bij arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder en de vergunning niet binnen één maand na het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid kan worden overgeschreven op een familielid, werknemer of mede eigenaar van het bedrijf; f. op grond van artikel 7 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB), in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de wet BIBOB.

Artikel 4:7 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 4:3, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Omgevingsplan Limburg, de Omgevingsvisie Limburg of de Omgevingsverordening Limburg 2. De weigeringsgrond van artikel 4:3, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 4:7 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 4:3, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2. De weigeringsgrond van artikel 4:3, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 1:1 Definities In dit onderdeel wordt een definitie van beperkingengebiedactiviteit opgenomen in artikel 1:1, waarbij wordt verwezen naar de bijlage, onder A, bij de Ow. Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de APV. Volgens genoemde bijlage is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied. In diverse artikelen van de APV staat dat een verbod niet van toepassing is op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement. Dat wordt dan vervangen door de tekst dat het verbod niet van toepassing is op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Ow, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

11

Artikel 2:52 Definitie In dit onderdeel wordt de definitie van consumentenvuurwerk aangepast in artikel 2:52. In artikel 5.43 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet wordt het Vuurwerkbesluit gewijzigd. De definitie van consumentenvuurwerk vervalt. Overal waar consumentenvuurwerk staat wordt dit in het Vuurwerkbesluit vervangen door ‘vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik’. Voor de toepassing van de APV wordt het begrip consumentenvuurwerk gehandhaafd. Inwerkingtreding wijzigingen Het eerste lid voorziet erin dat de in dit besluit opgenomen technische wijzigingen eerst van toepassing zijn op het tijdstip dat de Ow in werking treedt. Het tweede lid wijkt hiervan af voor artikel 3:1 van de APV Fysieke Leefomgeving. Zie de toelichting op die onderdelen. Artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet biedt overgangsrecht voor de op het moment van inwerkingtreding van de Ow van kracht zijnde APV-bepalingen over geluidhinder en hinder door verlichting (de artikelen 3:1 tot en met 3:3 APV Fysieke Leefomgeving). Omdat artikel 3:1 wel technisch wijzigt, is voor de zekerheid bepaald dat deze wijziging in werking treedt op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Ow.

12

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13551121/1