11g.3 AAA - Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Dit betreft slechts gemiddeld 1,12 extra verkeersbewegingen per dag (gemiddeld ongeveer 1 vrachtwagen per 2 dagen extra). In onderhavig geval is sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie. Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.
Resultaten berekening NIBM-tool. Bron: InfoMil.
Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige bijdrage aan een verslechtering van de luchtkwaliteit dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit kan worden geborgd. 25
DLV ADVIES &RESULTAAT
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe gewoelige objecten op gebied van luchtkwaliteit. Daarmee is een verdere toetsing aan het woon- en leefklimaat ten aanzien luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen het aspect luchtkwaliteit.
ontwikkeling
sprake
geen
van
belemmeringen
ten
het van
aanzien
van
4.1.4
Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld va diercontact, lucht, va de mest en va voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong.
name
va de
Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen
kunnen echter in contact komen met de
contact
met de
risico's op de
dieren, de
mest
volksgezondheid
micro-organismen
of stof, of va inademing nader in beeld te worden
de locatie worden op dit moment varkens
Op aangevoerde co-producten.
gehouden
van
die dieren
bij zich dragen
de lucht. Daarom dienen
door direct
de effecten
en
gebracht. en
eigen
mest
co-vergist en
bewerkt
samen
met
De aanwaag betreft het aanvoeren van mest van derden op de locatie en het co-vergisten en bewerken hiervan in de bestaande installatie. In deze paragraaf is beoordeeld wat de indoed hiervan op de gezondheid van omwonenden kan zijn. Het betreft
aanvoer
van
gezondheidsstatus Het betreft de *
*
*
*
volgende
van
een
andere locatie van de initiatiefnemer in de omgeving. De en het betreft dezelfde genetische populatie.
bedrijven is gelijk
activiteiten die reeds
vergund zijn op
de locatie met
eigen
mest.
_ Lossen voeibare mest in gesloten silo; _ Transporteren van voeibare mest;
_ Vergisten van mest; Scheiden
van
mest;
__Hygiëniseren van mest;
*
*
op beide
_ Aanwoer voelbare mest;
e
*
mest
_ Laden van doeibare mest (digestaat of dunne fractie); _ Opslaan en laden van vaste mest na scheiden.
Mest
en
bio-aerosolen:
Bacteriën, russen,
parasieten en schimmels zijn microbiologische organismen. De meeste micro-organismen zijn onschadelijk voor de mens, of zelfs erg nuttig. Zo wordt bijvoorbeeld de menselijke darmflora verrijkt door enkele kilo's bacteriën die ondersteunend werken bij de vertering van voedsel. Er bestaan echter ook micro-organismen die schadelijk kunnen zijn voor de menselijke gezondheid, deze worden pathogenen genoemd. Deze pathogenen komen in zeer veel verschillende vormen voor. Virussen of (antibioticaresistente)bacteriën kunnen een pathogene werking hebben. Een andere groep pathogenen et al., 2015; Van zijn endotoxinen, onderdelen van dode bacteriën zoals celwandbestanddelen (geanonimiseerd) | Leuken J., Hoeksma P., 2016). Er bestaat een vermoeden dat dergelijke micro-organismen voorkomen in mest. Mestbewerking zou dan een risico kunnen vormen voor de volksgezondheid omdat het kan zorgen voor het verspreiden van pathogenen uit de mest naar de bevolking. Het kennisbericht
gezondheid
“Mest en mestbewerking" (14 feb 2018) van het Kennisplatform (VHG) concludeert over fijn stof en endotoxinen het volgende:
“Mest leidt tot fijn stof met een hoog dat bij het aanwenden, composteren
Veehouderij
en
Humane
gehalte aan micro-organismen en endotoxinen. Er zijn aanwijzingen en drogen/indikken van mest, emissies naar de buitenlucht kunnen
optreden." 26
DLV ADVIES &RESULTAAT
In het document “Technische onderbouwing beleidsregels voor risicobeperking gezondheidseffecten via de lucht van mestbewerkingsinstallaties" (19 april 2018 Kenmerk R001-1261467BWH-V01-lvi-NL auteurs
(geanonimiseerd) en (geanonimiseerd) worden de diverse onderdelen beschouwd op hun risico op emissie van bio-aerosolen. In bijlage 2 van deze onderbouwing zijn factsheets opgenomen vanuit deze publicatie waarin de beschouwde onderdelen nader zijn uitgewerkt. De *
*
*
*
*
*
De *
*
*
volgende stappen worden daarin onderscheiden: _ Op en overslag (zie bijlage 2 van deze onderbouwing): effect op emissie bio-aerosolen laag; _ Interne logistiek (zie bijlage 2 van deze onderbouwing): effect op emissie bio-aerosolen laag; _ Voorbehandeling vergisten van mest: effect op emissie bio-aerosolen laag; _ Voorbehandeling hygiëniseren: effect op emissie bio-aerosolen laag er vindt zelfs een sterke reductie plaats van aantal ziektekiemen indien aanwezig; Scheiden van mest (gesloten systeem): effect op emissie bio-aerosolen laag; _ vaste mest na scheiden: effect op emissie bio-aerosolen hoog, echter het betreft mest na _ Opslag scheiden van 30% ds dus niet echt droog en dus niet stof gevoelig. Daarnaast is zowel het transport als de vaste mestopslag in containers afgedekt. volgende technieken in de installatie worden gebruikt om het eventuele effect nog verder te verlagen: __Loogreiniging (natwasser) en biobed op lucht uit het vergistingsproces geven beide een reductie van mogelijke emissie van (fijn)stof en dus minder risico op emissie van earosolen terwijl, zoals blijkt uit het voorgaande, de kans al laag is. _ De verwerkingshal wordt op onderdruk gehouden en de lucht wordt afgevoerd via een zuur wasser (natwasser). Dit verlaagt beide de kans op de emissie van aerosolen die, zoals blijkt uit het voorgaande, al laag is.
_ Bij op- en overslag van de aangevoerde mest wordt de lucht afgevoerd via de vergistingsinstallatie en de daarop aangesloten luchtreinigingssysteem hierdoor is geen effect op de emissie van aerosolen te verwachten.
*
_ Bij opslag van vaste mest wordt de container afgedekt en wordt de mest getransporteerd in een gesloten vijzel.
Conclusie:
Op
basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de aanvoer van voeibare mest van derden geen effect heeft op de risico's van emissie van aerosolen ten opzichten van de bestaande vergunde situatie. De voorgenomen hebben.
ontwikkeling
zal daarmee geen
onevenredige
risico's
voor
de
volksgezondheid
tot
gevolg
4.1.5
Geluid De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgewelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van
wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgewoelige bestemmingen: _ Woningen. _ Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). _ Zekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc *
*
*
Daarnaast kent de *
*
Wgh
de
volgende geluidsgewoelige terreinen: _ Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. _ Woonwagenstandplaatsen. 27
Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gevoelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het het co-vergisten en bewerken van mest, waarbij eveneens sprake is van het co-vergisten en bewerken van mest van derden (niet afkomstig vanuit de eigen bedrijfslocatie). De installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest is reeds vergund en in gebruik. De vergunde capaciteit van de installatie zal niet wijzigen. De enige wijziging die zal plaatsvinden is dat in plaats van uitsluitend mest vanuit het eigen bedrijf eveneens mest van derden zal worden co-vergist en bewerkt. Deze mest zal worden aangevoerd. Voor de huidige installatie, inclusief de ter plaatse uitgevoerde veehouderij, is in mei 2018 een akoestisch onderzoek uitgevoerd.
Dit onderzoek is in november 2018, maart 2020, augustus 2022, september 2023 en februari 2024 aangevuld naar aanleiding van de gewijzigde aanvragen met betrekking tot de installatie. In het onderzoek en de aanvullingen daarop is uitgegaan van de maximale capaciteit en aanvoer van de installatie. Uit het betreffende onderzoek en de aanvullingen daarop, waarvoor wordt verwezen naar bijlage 3 van deze onderbouwing, blijkt dat de huidige installatie aan de normen voor geluid voldoet. Omdat aan de installatie geen wijzigingen zullen plaatsvinden en de maximale capaciteit van de installatie niet wijzigt zal deze ook in de gewenste situatie aan de normen voldoen. Voor het geluidvermogen van de motoren van de invoervijzels is uitgegaan van forfaitaire gegevens volgens het programma SourceDB+ (zie bijlage 3). Voor een vijzel van 7,5 kW met 60 t/min) wordt een geluidvermogen berekend van 55 dB(A). Uitgaande van een bronhoogte van 3 m en een bedrijfsduur van 4 uur in de dag is berekend dat de toetspunten overal een negatieve waarde hebben. De invloed van de vijzels is daarmee verwaarloosbaar. Uit het rekenmodel blijkt dat de totaalwaarde (LAr,LT) nergens toeneemt. In de prognoseformule zijn het motorvermogen en het toerental ingevoerd. Het motorvermogen (7,5 kW) komt overeen met de technische gegevens van de motoren.
Het ingevoerde toerental (60Hz) ligt iets hoger dan de technische gegevens (50 Hz). Dus per saldo zou de prognose hoger moeten liggen dan het daadwerkelijke geluidvermogen, en is dus worstcase gerekend. Zoals nader omschreven in de paragraaf " Verkeersbewegingen " (paragraaf 4. 4. 2) zal in de worst-case situatie sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen per jaar. Echter betreft dit slechts gemiddeld 0,5 verkeersbeweging per dag. Dit past nog binnen de maximaal vergunde aantal verkeersbewegingen per dag alsmede binnen de berekende verkeersbewegingen per dag zoals zijn opgenomen in het eerder uitgevoerde akoestisch onderzoek. Het geluid vanuit het verkeer zal daarmee niet toenemen ten aanzien van de vergunde en eerder berekende verkeersbewegingen.
Gezien het voorgaande zal geen sprake zijn van een onevenredige toename van de geluidsoverlast aan gevoelige objecten in de omgeving. Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere 28
geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.
Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geluid.
4. 1. 6
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. In de navolgende paragraaf worden beide begrippen verder uitgewerkt. In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze begrippen zijn als volgt nader te omschrijven: Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10 -6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10 -6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico: Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
29
Tabel wanneer verantwoording van het groepsrisico. Bron: Omgevingsdienst. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3. 1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz. .
Overige wet- en regelgeving: Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3. 1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit Milieubeheer, effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'. Voldaan wordt aan de in de voornoemde wet- en regelgeving opgenomen veiligheidsafstanden. Toetsing aan de normen uit overige wet- en regelgeving geeft dan ook geen belemmering voor het plan.
4. 1. 6. 1 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico geldt voor bedrijven en inrichtingen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en waarvoor een risicocontour is vastgelegd. Voor dergelijke inrichtingen en bedrijven geldt een verantwoordingsplicht wanneer binnen de risicocontour van die inrichting of dat bedrijf een ruimtelijk besluit genomen wordt.
Op de locatie zelf is een installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest in werking. Dit is een mogelijk risicovolle inrichting. Derhalve dient in beeld te worden gebracht of sprake is van veiligheidsrisico's voor omliggende woningen of andere (beperkt) kwetsbare objecten.
30
Voor het beoordelen van de veiligheid van biogasinstallaties en biogasopslag kan aansluiting worden gezocht bij de Handreiking (co-)vergisting van mest. Het geproduceerde biogas is vanwege het methaan brandbaar en explosief, zodat ongecontroleerde emissies van het biogas voorkomen moet worden. Risicovolle onderdelen zijn die delen waar biogas ontstaat, leidingen waardoor transport plaats vindt en de opslag. Gemengd met lucht kan het biogas een brandbaar mengsel vormen. In de installatie wordt gas gevormd in een drietal hoofdvergisters en drie navergisters. Deze silo's zijn aan de bovenzijde voorzien van een gasdichte afdekking die tevens zijn uitgevoerd met een dubbelmembraan foliedak. Het biogas wordt onder het gasdak drukloos opgevangen om vervolgens afgevoerd te worden naar één van beide WKK's. Voor ingebruikname is de installatie door een deskundige gecontroleerd, deze controle wordt periodiek herhaald. Aangezien brand en/of explosies niet kunnen ontstaan zonder ontsteking, worden ontstekingsbronnen binnen bepaalde gevarenzones geweerd. Er zijn gasdetectievoorzieningen voor methaan en zwavelwaterstof aanwezig. In de besturingsruimte van de WKK's is gasdetectieapparatuur aanwezig welke continu het gehalte aan methaan, zuurstof en koolstofdioxide in het biogas meet. Het HS 2 gehalte wordt iedere 15 minuten gemeten.
Of een vergistingsinstallatie onder het BRZO valt, hangt af van de hoeveelheid en samenstelling van het (on)gereinigde biogas, welke aanwezig is in de verschillende installatieonderdelen. Het ongereinigde biogas bestaat voor ca. 60% uit methaan (CH)4 en voor ca. 35% uit koolstofdioxide (CO). 2 Verder zijn in het ruwe biogas zwavelwaterstof (HS), ammoniak (NH)3 en waterdamp aanwezig, waarvan elk minder dan 2 2%. Gevaarlijke stoffen die slechts in hoeveelheden van 2% of minder van de vermelde drempelwaarde in een inrichting aanwezig zijn, worden volgens de Seveso Richtlijn (bijlage 1, aantekening 3 van Seveso III) in de berekening van de totale aanwezige hoeveelheid gevaarlijke stoffen buiten beschouwing gelaten. Dit betekent dat de aanwezige stoffen zwavelwaterstof, ammoniak en waterdamp niet meegenomen hoeven te worden bij de sommatiebepaling van de hoeveelheid gevaarlijke stoffen. Op basis van de maximale hoeveelheden gevaarlijke stoffen die in de installatie worden gebruikt, zoals zijn opgenomen in de verleende revisievergunning van 6 april 2020 en de verleende vergunning voor de aanvraag van een groengasinstallatie van 1 mei 2023, is geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarden zoals zijn opgenomen in het Besluit risico's zware ongevallen (BRZO) 2015.
Indien geen van de lage drempelwaarden uit het BRZO wordt overschreden, moet ook de sommatiestap uitgevoerd worden. Echter is deze, zoals omschreven in het voorgaande, niet van toepassing omdat geen sprake is van hoeveelheden van meer dan 2%. Er zijn binnen het bedrijf geen andere opslagen aanwezig waarvoor de in bijlage 1 van het BRZO genoemde drempelwaarden worden overschreden. De eisen uit het BRZO zijn hierdoor niet van toepassing. Met betrekking tot brandveiligheid wordt het bouwbesluit 2012 nageleefd. Een inrichting valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) indien deze activiteit als categorie is aangewezen en/of als het een BRZO-inrichting betreft. Een inrichting voor de productie van biogas wordt in het Bevi niet specifiek aangewezen als vallend onder het Bevi. Zoals boven aangegeven is er binnen de inrichting geen sprake van een overschrijding van de drempelwaarde uit het BRZO en is de inrichting daardoor geen BRZO-inrichting. Hierdoor zijn de eisen uit het Bevi niet van toepassing. De Methanet Saturnus installatie vormt geen gevaar voor de veiligheid van personen buiten het bedrijfsterrein. De Methanet Saturnus valt ook niet binnen het toepassingsgebied van het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI).
Het enige onderdeel van artikel 1 (toepassingsgebied) van de REVI (de regeling die het BEVI uitvoert) dat op de Methanet Saturnus installatie betrekking zou kunnen hebben is artikel 1b onderdeel g: " inrichtingen waar aardgasdruk gereduceerd wordt of aardgashoeveelheid gemeten wordt, voor zover de gastoevoerleiding een grotere diameter heeft dan 20 inch.." Het Bio2Net invoedstation is een inrichting waar aardgashoeveelheid gemeten wordt, en in sommige gevallen zit deze in de gasopwerking geïntegreerd. De diameter van de gastoevoerleiding van de Bio2Net 31
is echter slechts 3 inch.
De zonering van risico-onderdelen wordt opgenomen in het bedrijfsnoodplan. Aandachtspunten en eisen aan specifieke installatieonderdelen worden opgenomen in het bedieningshandboek. Monteurs die op de installatie onderhouds- of herstelwerkzaamheden komen verrichten worden geïnstrueerd door de beheerder.
Om een veilige werking van de installatie te garanderen voert een goed opgeleide werknemer/beheerder dagelijks een visuele controle van de gehele installatie uit. Deze let op eventuele lekkage van leidingen, flenzen en kleppen, de goede werking van de verschillende onderdelen, zoals de warmtekrachtkoppeling, de waterzuivering, luchtafzuiging, mechanische scheiding, pompen e. d. Voor de WKK's is een onderhoudscontract afgesloten met de leverancier. Gangbare onderhoudscontracten voorzien in diverse typen onderhoudsbeurten, afhankelijk van het aantal draaiuren. Uiteenlopend van een vervanging van olie en filters (ca. 1 maal per 6 weken), tot grotere onderhoudsbeurten met een gedeeltelijke of volledige revisie (ca. jaarlijks). De leverancier van de WKK's is daarnaast online verbonden met de installatie. Vanwege het feit dat er twee WKK's op het bedrijf aanwezig zijn, is de kans op calamiteiten nihil. Voor eventuele calamiteiten wordt een permanente fakkelinstallatie geplaats conform vergunning. Voor de luchtwasser is eveneens een onderhouds- en garantiecontract afgesloten. De installatie wordt volautomatisch bestuurd. Deze besturing registreert continu onder andere de biogasproductie, de temperatuur en de druk. Bij een afwijkende meting volgt een alarm. De controles worden weergegeven in een logboek dat door de beheerder van de installatie wordt bijgehouden.
Dit logboek ligt ter inzage voor de controlerende instanties. Tijdens de periode van inbedrijfstelling is tevens een bedrijfsnoodplan opgesteld waarin beschreven staat hoe dient te worden gehandeld bij ongewenste en milieubelastende emissies en ongevallen. Tevens zijn er handelswijzen opgesteld hoe te reageren bij bepaalde kleinere calamiteiten. De hoeveelheid en plaats van de brandblusmiddelen wordt in overleg met de brandweer vastgesteld. Voor de inrichting is een explosieveiligheidsdocument opgesteld. Dit document is in de inrichting aanwezig. De biogasopslagen in de (na)vergistingstanks zijn 1. 020 m³, respectievelijk 2. 000 m³. De plaatsgebonden risicocontour (PR) van 10-6 ligt daardoor bij respectievelijk 40 of 45 m vanaf het hart van de opslag (Biogas 50% methaan en 50% kooldioxide). Volgens NPR 7910-1 is de gevarenzone indeling te classificeren als zone 2. Het HS-gehalte van het 2 biogas ligt beneden de 0,1 vol%. De veiligheidszones rond deze tanks waarbinnen maatregelen tegen vonkvorming getroffen dienen te worden en een verbod op open vuur en roken van kracht is, bedraagt in dit geval 10 meter (conform de veiligheidszonetabel ''Vaste tanks boven de grond'' uit paragraaf 2. 5. 2. van het document “Veiligheidsregels en technische preventierichtlijnen bij bouw en het gebruik van agrarische biogasinstallaties'', FOV oktober 2005).
Explosieveiligheid: In overeenstemming met de NEN-EN-IEC-60079-10 is het verplicht om voor installaties waarin brandbare gassen voorkomen te toetsen of zonering van toepassing is. Uit de aanwijzingen van de NPR 7910-1, gebaseerd op de NEN-EN-IEC-60079-10, blijkt dat Ex-zonering van de gasopwerking noodzakelijk is. Praktisch betekent dit dat de gehele gasruimte in de behuizing van de gasopwerking een Zone 2 is in de zin van de ATEX-richtlijn 1999/92/EG (ATEX 153). Alle apparatuur die zich in deze ruimte bevindt voldoet aan de ATEX-richtlijn 2014/34/EU (ATEX 114). De gasruimte wordt op diverse manieren beveiligd:
Gedwongen ventilatie om het noodzakelijke ventilatievoud te allen tijde te garanderen. Deze ventilatie is uitgerust met flowbewaking conform de ATEX richtlijn. Gasdetector en brandmelder. Inblokafsluiters die de installatie automatisch inblokken bij gas- of brandalarm. 32
De tweede ruimte in de behuizing is een safe area in de zin van de ATEX richtlijn, en de hierin opgestelde apparatuur voldoet in het algemeen dan ook niet aan de ATEX-richtlijn. In deze ruimte staan de besturingspanelen en de niet-gasvoerende delen van de installatie opgesteld. Deze ruimte is van de gasruimte afgescheiden door middel van een gasdichte wand. De installatie als geheel is uitsluitend geschikt voor gebruik in een safe area in de zin van de ATEX-richtlijn
1999/92/EG (ATEX 153). Gezien het voorgaande zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot onevenredige risico's op het gebied van veiligheid aan de omgeving. Daarnaast dient in beeld te worden gebracht of op de locatie van de initiatiefnemer mogelijk sprake is van risico's vanuit de omgeving. De risicovolle inrichtingen en bedrijven zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de Risicokaart van het Interprovinciaal Overleg (IPO). In de volgende figuur is de risicokaart weergegeven, waarop mogelijke risicovolle inrichtingen weergegeven zijn.
Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe risicovolle inrichtingen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's naar de omgeving. Nabij de locatie zijn, zoals te zien in de voorgaande figuur, geen risicovolle inrichtingen gelegen. De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting gelegen. Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van risicovolle inrichtingen.
4. 1. 6. 2 Transportroutes (spoor-, vaar- en autowegen en buisleidingen) Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. 33
Het externe veiligheidsbeleid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het beleid voor externe veiligheid bij het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico. De locatie is niet binnen het invloedsgebied van een transportroute gelegen.
4. 1. 6. 3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is niet binnen een invloedsgebied van een risicobron en/of transportroute gelegen. Hiermee hoeft het groepsrisico niet verder te worden verantwoord.
4. 1. 7
Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee is de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging.
4. 1. 8
Spuitzones gewasbeschermingsmiddelen
In de bomenteelt en, in sommige gevallen, akkerbouw worden geteelde producten mogelijk bespoten met gewasbeschermingsmiddelen. Dergelijke middelen kunnen mogelijk effecten hebben op de gezondheid van omwonenden. Om die reden dient bij nieuwe ontwikkelingen rekening te worden gehouden met een spuitzone waarbinnen gevoelige objecten alleen onder voorwaarden kunnen worden toegestaan. Ten aanzien van de mogelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen op gevoelige objecten is door de Gezondheidsraad op 29 januari 2014 het rapport " Gewasbescherming en omwonenden " gepubliceerd. Dit rapport bevat de resultaten van het door de gezondheidsraad uitgevoerde onderzoek naar mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Uit dit rapport blijkt dat op dit moment nog geen toereikend onderzoek voorhanden is waaruit de effecten blijken van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. Ook blijkt uit het rapport geen noodzaak tot een vaste spuitzone (van bijvoorbeeld 50 meter). In het rapport wordt opgemerkt dat wetenschappelijk niet is aan te geven hoe groot de afstand zou moeten zijn tussen een perceel waarop gespoten wordt en gevoelige objecten. De precieze relatie tussen de afstand en de blootstelling en het hiermee mogelijk samenhangende risico is onbekend.
Wel dient een afweging te worden gemaakt of bij een perceel waarop (mogelijk) bomenteelt plaatsvindt een spuitzone nodig is. Daarbij zijn de volgende aspecten van belang: de aard van het bestrijdingsmiddel (biologische of juist giftige middelen); de toedieningswijze (handmatig of machinaal spuiten, in druppel- of dampvorm spuiten, of op- en zijwaarts of neerwaarts spuiten). Een voorbeeld hiervan is dat de rechter van oordeel was dat een spuitzone van 30 meter voor een bloembollenkwekerij onvoldoende was onderbouwd, omdat uit onderzoek was gebleken dat door de manier van spuiten van bloembollen (in neerwaartse richting) het aanhouden van een spuitzone niet noodzakelijk was vanuit het oogpunt van volksgezondheid; de frequentie van het spuiten; de weersomstandigheden (bijvoorbeeld aan de windrichting); 34
de inrichting van het landschap (zo is van belang of er een (winterharde) groenhaag aanwezig is (of zal worden aangebracht op grond van een verplichting in de planregels) tussen een perceel waarop gespoten wordt en een gevoelige object. In dat geval blijkt wegens de reductie van drift (afhankelijk van de dikte, hoogte en type groenhaag) een (veel) kortere afstand aanvaardbaar (dan 50 meter). Nabij de locatie is geen sprake van bomenteelt die wordt uitgevoerd en/of van akkerbouw met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Er is daarmee geen sprake van een verhoogd risico ten aanzien van spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen.
4. 1. 9
Hoogspanningsverbindingen De stroom door de draden van een hoogspanningslijn veroorzaakt een magneetveld. De sterkte van het magneetveld hangt onder meer af van de hoeveelheid stroom die door de draden gaat, van de onderlinge afstand tussen de draden en van de volgorde waarin de draden aan de mast hangen. Daarnaast speelt de afstand van personen tot aan de draden een belangrijke rol. Hierdoor kan de veldsterkte per hoogspanningslijn verschillen. De magneetvelden zijn het sterkst direct onder de draden, op het punt tussen twee masten waar de draden het laagst boven de grond hangen. Hoe groter de afstand tot de hoogspanningslijn, des te zwakker is het magneetveld. Nabij de locatie zijn geen hoogspanningsverbindingen gelegen. Hiermee zal ter plaatse geen sprake zijn van onevenredige risico's en/of belemmeringen ten aanzien van hoogspanningsverbindingen.
4. 1. 10
Directe ammoniakschade Bij een intensief varkens- of pluimveebedrijf kan sprake zijn van directe ammoniakschade. Dit is de schade die ammoniak uit de stallen van dergelijke bedrijven kan veroorzaken aan gewassen die verbouwd worden nabij de stal. In het Activiteitenbesluit Milieubeheer is ammoniakschade echter niet opgenomen omdat dit wordt gezien als bedrijfsschade in plaats van als milieuschade. Het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek heeft in 1981 het rapport “Stallucht en Planten” opgesteld. Hierin worden de gevolgen van ammoniak uit dergelijke bedrijven op verschillende gevoelige planten en/of bomen uiteengezet. In dit rapport zijn richtafstanden opgenomen tussen de stallen en gevoelige planten en/of bomen. Indien gewenst kan in het bestemmingsplan rekening gehouden worden met de in het rapport genoemde afstanden tussen bedrijfsmatige boomkwekerijen en de stallen. In 1996 is het rapport aangevuld met het rapport " Effecten van ammoniak op planten in de directe omgeving van stallen, update van een risicoschatting " van het Instituut AB-DLO van het voormalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij (LNV). In november 1998 is door middel van een mailing aan de Nederlandse gemeenten algemene bekendheid aan dit rapport gegeven.
Tevens is de bijbehorende notitie " Risico van gewasschade in de directe omgeving van ammoniakbronnen” van AB-DLO van 23 juli 1997 bekend gemaakt. De vraag is in hoeverre ook dit rapport en deze notitie bij de beoordeling van directe ammoniakschade afkomstig van een vergunningplichtige inrichting betrokken dient te worden. Hierover heeft de Raad van State een uitspraak gedaan waaruit blijkt dat deze notitie bij beoordeling van plannen of projecten ten behoeve van een varkens- en/of pluimveebedrijf niet gehanteerd hoeft te worden. De richtafstanden uit het rapport “Stallucht en Planten” kunnen echter toegepast worden bij ontwikkeling van een dergelijk intensief veehouderijbedrijf. Het rapport 'Stallucht en Planten” geeft richtafstanden van 50 meter tussen stallen en gevoelige planten en bomen (zoals coniferen) en 25 meter tussen stallen en minder gevoelige planten en bomen. Nabij de locatie zijn geen bedrijfsmatige boomkwekerijen gelegen welke directe ammoniakschade zouden kunnen ondervinden van het bedrijf van de initiatiefnemer. Hiermee zal geen sprake zijn van directe ammoniakschade.
35
4. 1. 11 Voortoets MER-beoordeling Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m. e. r. -beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m. e. r. -(beoordelings)plichtig.
In het kader van de wijziging van het Besluit m. e. r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m. e. r. -beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:
1.
Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten;
of 2.
Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten.
In het eerste geval is de activiteit niet m. e. r. (-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m. e. r. -beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m. e. r. -beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten. In de onderhavige aanvraag is geen sprake van het uitbreiden van een installatie, zoals bedoeld in het Besluit m. e. r. In de aangevraagde situatie worden de, in de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit m. e. r. genoemde dieraantallen niet overschreden. Ook is geen sprake van een activiteit die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Ook de vergisting van mest en bijbehorende opwekking van energie zijn niet MER-plichtig. Een toetsing aan het Besluit m. e. r. is niet nodig. ,
Het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie voor andere handelingen met gevaarlijke of niet-gevaarlijke afvalstoffen dan storten, in de diepe ondergrond brengen, verbranden of chemisch behandelen valt onder categorie D18. 1 van het Besluit m. e. r. Bij deze categorie is een drempelwaarde opgenomen van 50 ton per dag of meer. Als de oprichting, wijziging of uitbreiding deze drempelwaarde overschrijdt is er voor plannen sprake van een m. e. r. -plicht en voor besluiten van een m. e. r. -beoordelingsplicht waarbij de procedure op grond van art. 7. 16 t/m 7. 20 Wet milieubeheer moet worden gevolgd. Als de drempelwaarde niet wordt overschreden is er sprake van een vormvrije m. e. r. -beoordeling op grond van art. 2, lid 5 Besluit m. e. r. De gebruikte co-producten in de inrichting zijn uitsluitend van buiten de inrichting afkomstige producten van bijlage Aa, onderdeel IV van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet. Een deel van deze producten worden als afvalstof aangemerkt en een deel niet. Er worden wel meer dan 50 ton per dag aan afvalstoffen verwerkt. Overigens betreft het allemaal " veilige " afvalstoffen omdat deze als meststof verhandeld mogen worden.
Aangezien er meer dan 50 ton afvalstoffen per dag in de vergister verwerkt worden wordt de grens van de milieueffectrapportage beoordelingsplicht overschreden, en dient het college een besluit te nemen of voor dit plan het opstellen van een volwaardig milieueffectrapportage noodzakelijk is.
Op 9 oktober 2014 is een besluit genomen (zaaknummer 2014-0813) op de aanmeldingsnotitie MER in verband met de destijds voorgenomen opschaling van de mestverwerkingscapaciteit. De aanmeldingsnotitie had betrekking op een uitbreiding van de verwerkingscapaciteit naar 120. 000 ton, bestaande uit 60. 000 ton mest, en 60. 000 ton co-substraten. In de schriftelijke mededeling en het besluit is ook ingegaan op de toevoer van co-substraten die worden beschouwd als afvalstoffen en aanvoer mest van derden. In onderhavige aanvraag is sprake van een installatie voor het verwerken van 61. 000 ton, bestaande uit minimaal 31. 000 ton mest (waarvan 23. 500 ton eigen) mest en maximaal 30. 000 ton co-substraten 36
(waaronder afvalstoffen). Voor een eerder beoogde uitbreiding naar 120. 000 ton (inclusief verwerking afvalstoffen) is reeds een m. e. r. beoordelingsprocedure doorlopen. Op basis van een destijds overlegde schriftelijke mededeling is door Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg op 9 oktober 2014 een besluit genomen dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. De huidige installatie past ruim binnen de reeds beoordeelde milieueffecten van de reeds ingediende aanmeldingsnotitie, daarom zijn er voor deze installatie geen nadelige gevolgen van de aanvoer van afvalstoffen en mest van derden te verwachten. Tevens zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een wijziging aan de installatie en/of aan de maximale capaciteit van de installatie. De gewenste situatie past daarmee binnen de reeds eerder beoordeelde omvang.
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat het voorgenomen project daarmee geen belangrijke milieueffecten zal hebben. De hoeveelheid te verwerken mest en co-substraten is immers kleiner dan oorspronkelijk in de aanmeldingsnotitie is onderzocht. De gemeente dient echter een nieuw besluit te nemen of op basis van de wijzigingen al dan niet een volledige milieueffectrapportage nodig is. Derhalve is een nieuwe aanmeldingsnotitie nodig. Omdat er ten aanzien van de reeds vergunde situatie geen sprake is van een overschrijding van de drempelwaarden uit het Besluit milieueffectrapportage kan hierbij worden volstaan met een vormvrije aanmeldingsnotitie. Uit de vormvrije aanmeldingsnotitie blijkt dat het initiatief niet zal leiden tot onevenredige effecten op het milieu. De gemeente neemt aan de hand van deze vormvrije aanmeldingsnotitie een besluit of wel of geen aanvullende milieueffectrapportage nodig is. Naast de vormvrije aanmeldnotitie heeft de initiatiefnemer een aanvraag omgevingsvergunning milieu ingediend. In de aanvraag blijkt eveneens dat het initiatief niet zal leiden tot onevenredige effecten op het milieu. Hiervoor wordt verwijzen naar bijlage 4 van dit rapport.
4. 2.
Ecologie
Wet natuurbescherming 4. 2. 1 Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.
4. 2. 1. 1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Boschhuizerbergen) is gelegen op een afstand van ongeveer 7 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.
37
Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator.
Op 7 september 2012 is voor de referentiesituatie een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming verkregen voor het destijds aanwezige varkenshouderijbedrijf. Bij de eerdere aanvraag voor een uitbreiding van de capaciteit van de installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest zijn in de stallen extra emissiebeperkende maatregelen getroffen (het aanpassen van de chemische luchtwasser met een reductie van 70% naar een chemische luchtwasser met een reductie van 90%). De totale emissie van het bedrijf is daarmee afgenomen. De huidige bedrijfssituatie past binnen de vergunde rechten van de in 2012 verleende vergunning op grond van de Wet natuurbescherming. Gezien de werking en de capaciteit van de installatie niet wijzigen zal ook de gewenste situatie passen binnen de reeds vergunde rechten. Er zal daarmee geen sprake zijn van een toename van de depositie op de betreffende gebieden in vergelijking
met de vergunde situatie.
Om aan te tonen of de gewenste ontwikkeling nadelige gevolgen zal hebben op de betreffende gebieden is met het rekenprogramma Aerius Calculator berekend of sprake is van een projecteffect dat mogelijk leidt tot significante effecten. Daarin zijn ook de aanvullende transportbewegingen voor de aanvoer van mest meegenomen. Uit de berekeningen, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 5 van deze toelichting, blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot significante effecten op de betreffende gebieden (het projecteffect is niet groter dan 0,00 mol per hectare per jaar).
Naast de depositie van stikstof kunnen activiteiten die leiden tot een uitstraling van licht, geluid en/of trillingen eveneens nadelige effecten hebben op de betreffende gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen activiteiten plaats die structureel een grote uitstraling van licht, geluid en/of trillingen tot gevolg hebben. Mogelijk is tijdens de werkzaamheden in de aanlegfase sprake van de uitstraling van licht, geluid en/of trillingen. Echter zullen deze effecten, gezien de grote afstand tot de betreffende gebieden, in de betreffende gebieden niet merkbaar zijn. 38
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.
4. 2. 1. 2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
4. 2. 1. 3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
Voor soorten beschermd vanuit de Vogelrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten opzettelijk te doden of te vangen, nesten of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te vernielen of te beschadigen en/of weg te nemen, eieren van deze soorten te rapen en/of bij te hebben en/of deze soorten opzettelijk te storen (tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de instandhouding van de betreffende soort). Habitarichtlijn: Dit zijn alle soorten van bijlage IV onderdeel a van de Habitatrichtlijn inclusief het verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Voor de soorten beschermd vanuit de Habitatrichtlijn geldt dat het verboden is in het wild levende soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, eieren van deze soorten te rapen, vernielen en/of bij te hebben, voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten te beschadigen of te vernielen en/of beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de 39
bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Voor de Nationaal beschermde soorten geldt dat het verboden is om de in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en/of beschermde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen en/of te vernielen. Zorplicht: Naast beschermde dier- en plantensoorten, moet iedereen voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorgplicht geldt voor alle, dus ook voor niet beschermde, soorten planten en dieren. Als een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn.
Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats. Alleen het gebruik van de huidige installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest zal wijzigen in die zin dat, naast mest afkomstig uit het eigen bedrijf, ook mest van derden wordt co-vergist en bewerkt. Er vindt geen sloop of nieuwbouw plaats en er vinden geen wijzigingen op het erf plaats.
Op basis hiervan zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een mogelijke aantasting van (leefgebieden van) beschermde soorten flora en fauna. 4. 2. 2
Natuurnetwerk Nederland Een vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Planten en dieren kunnen zich zo van het ene naar het andere gebied verplaatsen. Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, leggen de provincies nieuwe natuur aan. De provincies zijn verantwoordelijk voor begrenzing en ontwikkeling van het NNN en stellen hier zelf beleid voor op.
Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor flora en fauna zijn nodig om het uitsterven van soorten te voorkomen. Het netwerk is er daarnaast ook voor rust en recreatie, voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting of beperking van de natuurdoelen. De status als NNN is niet verankerd in de natuurwetgeving, maar het belang dient in de planologische afweging een rol te spelen. Het beheer van het NNN wordt in handen gegeven van de provincies. Provincies stellen daarbij zelf regels op ter bescherming van het NNN. De provincie Limburg heeft hiertoe specifieke regels vastgelegd in de provinciale ruimtelijke verordening. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in het NNN gelegen. Wel is de locatie aansluitend aan een NNN gebied gelegen.
40
Uitsnede kaart NNN. Bron: Provincie Limburg. De NNN gebeiden hebben, mits geen sprake is van een Natura 2000 gebied, geen externe werking. Compensatie is uitsluitend vereist indien activiteiten in deze gebieden plaatsvinden. Het betreffende gebied is niet als Natura 2000 gebied aangewezen en heeft daarmee dus geen externe werking. De activiteiten zullen niet in het betreffende gebied plaatsvinden, maar vinden plaats op een bestaand bouwperceel. Er is daarmee geen sprake van verlies aan areaal van het betreffende gebied, waarmee compensatie niet noodzakelijk is. Daarnaast is er geen sprake van een uitbreiding van het bebouwde oppervlak en is geen sprake van een uitbreiding van de vergunde capaciteit van de installatie. Tevens is geen sprake van wijzigingen in het aantal gehouden dieren en/of de stalsystemen. Er is uitsluitend sprake van een geringe gebruikswijziging, waarmee geen sprake zal zijn van onevenredige aantasting van de NNN gebieden. Wet ammoniak en veehouderij 4. 2. 3 Op 8 mei 2002 is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) in werking getreden. De Wav vormt een onderdeel van de ammoniakregelgeving voor dierenverblijven van veehouderijen en kent een emissiegerichte benadering voor heel Nederland met daarnaast aanvullend beleid ter bescherming van de (zeer) kwetsbare gebieden.
Deze (zeer) kwetsbare gebieden ingevolge de Wav (Wav-gebieden) zijn gebieden die nadelige invloed kunnen ondervinden als de uitstoot van ammoniak op deze gebieden toeneemt. Ter bescherming van deze gebieden is een zone van 250 meter rondom deze gebieden aangewezen als buffer om ontwikkelingen die schadelijk zijn voor deze gebieden te beperken. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie niet in een Wav-gebied gelegen. De locatie is wel binnen een zone van 250 meter rondom een Wav-gebied gelegen.
41
Uitsnede kaart Wav-gebieden. Bron: Provincie Limburg. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van de emissie van ammoniak. Er vinden eveneens geen wijzigingen aan het aantal gehouden dieren, de stalsystemen en/of de vergunde capaciteit van de installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest plaats. Omdat de emissie van ammoniak niet toeneemt zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige invloed hebben op de betreffende Wav-gebieden.
4. 3.
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie 4. 3. 1 Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Erfgoedwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
Gemeenten stellen, ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden, een eigen beleid op, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem is weergegeven in een archeologische verwachtingskaart en/of dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan. Afhankelijk van de verwachtingswaarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek. 42
Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie vanuit de archeologische verwachtingskaart grotendeels gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Categorie 3' en voor een klein deel in een gebied dat is aangemerkt als 'Categorie 4'. Direct aansluitend aan de locatie is een gebied dat is aangemerkt als 'Categorie 6' gelegen.
Uitsnede archeologische verwachtingskaart. Bron: Gemeente Horst aan de Maas. Voor gebieden in categorie 3 stelt de gemeente dat nader onderzoek nodig is bij een oppervlakteverstoring van meer dan 500 m² en dieper dan 50 cm onder maaiveld. Voor gebieden in categorie 4 en categorie 6 geldt de onderzoeksplicht bij een oppervlakteverstoring van meer dan 2. 500 m² en dieper dan 50 cm onder maaiveld. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een bouw- en/of sloopwerkzaamheden en geen sprake van bodemingrepen. Er is daarmee geen sprake van een bodemingreep dieper dan dan 50 centimeter onder maaiveld en/of van meer dan 500 m², waarmee aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen mogelijk voorkomende archeologische resten worden geschaad.
4. 3. 2
Cultuurhistorie Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van
belang. De cultuurhistorische waarden van een gebied zijn in kaart gebracht in de zogenaamde cultuurhistorische waardenkaart. Deze wordt door de provincies beheerd. Zoals te zien in de volgende figuur zijn op de locatie geen cultuurhistorisch waardevolle elementen gelegen. In de omgeving van de locatie zijn enkele historische grenzen en andere wegen gelegen en zijn gebieden aanwezig die als cultuurlandschap zijn aangemerkt.
43
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart. Bron: Provincie Limburg. De voorgenomen ontwikkeling heeft uitsluitend betrekking op een geringe wijziging van het gebruik van de huidige installatie voor het co-vergisten en bewerken van mest. Daarbij zal in plaats van uitsluitend mest afkomstig uit het eigen bedrijf eveneens mest van derden worden co-vergist en bewerkt. Er vindt geen nieuwbouw en/of sloop plaats. Tevens zal de vergunde capaciteit van de installatie niet veranderen. Er vinden geen ruimtelijke ingrepen op het erf of daaromheen plaats.