11d Zienswijze verslag ashorst Mest van derde
Tekst van het document
Zienswijzenrapport
VVGB voor het mogen aanvoeren van maximaal 19.200ton mest per jaar naar de locatie Veld – Oostenrijk 50 te Horst Z2023-00002996 (Provincie) Z2025-00001931 (kenmerk verzoek def. VVGB HadM)
Team Omgeving
INLEIDING Op 21 september 2023 heeft de Provincie een aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen voor de locatie Ashorst B.V., Veld-Oostenrijk 50, 5961 NW Horst. De aanvraag betreft het project “mestaanvoer van derden om te gebruiken voor vergisting op locatie Veld-Oostenrijk 50 in Horst” en is geregistreerd bij de Provincie onder zaaknummer 22023-00002996. De aanvraag om een omgevingsvergunning bevat een activiteit, namelijk verwerking van mest van derden binnen de inrichting van Ashorst B.V., waarvoor een verklaring van geen bedenkingen (VVGB) van de gemeenteraad is vereist. De aanvraag heeft namelijk betrekking op een afwijking van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1 , eerste lid onder c, jo. artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° van de Wabo. Strijdigheid De aanvraag is in strijd met de regels uit het vigerend bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas 2017 onder artikel 3.1 onder l (mestbe- en verwerking op bedrijfsniveau met een maximum van 25.000 ton per jaar) omdat het bedrijf enkel mest van eigen locatie mag be- en verwerken tot een maximum van 25.000 ton per jaar. Opheffen van de strijdigheid Het bestemmingsplan voorziet niet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om bovengenoemde strijdigheid op te heffen. Ook het Besluit omgevingsrecht biedt geen mogelijkheid om medewerking te verlenen aan de aanvraag.
Daarom resteert de mogelijkheid om met toepassing van de uitgebreide afwijkingsprocedure de strijdigheid met het bestemmingsplan op te heffen. Hierbij is vereist dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing (artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3° Wabo). Ontwerp Verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad Op 19 november 2024 heeft de raad een ontwerp-VVGB afgegeven voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de locatie Ashorst B.V., Veld-Oostenrijk 50, 5961 NW Horst. Het betreft het project ‘mestaanvoer van derden om te gebruiken voor vergisting op locatie Veld-Oostenrijk 50 in Horst’ met zaaknummer Z2023-00002996. Op 17 december 2024 heeft de Provincie de ontwerp-VVGB ontvangen. Ontwerpbesluit Het ontwerpbesluit tot verlening van omgevingsvergunning en de ontwerpverklaring van geen bedenkingen zijn op 5 februari 2025 gepubliceerd en hebben met ingang van 6 februari 2025 tot en met 19 maart 2025 voor een ieder ter inzage gelegen. Naar aanleiding van het bekendmaken van het ontwerpbesluit is met betrekking tot de ontwerpverklaring van geen bedenkingen een zienswijze ingediend.
Ontvankelijkheid De zienswijzen is binnen de termijn van terinzagelegging bij het bevoegd gezag (Provincie) ingekomen. Indeling van deze nota Hieronder is de ingediende zienswijze samengevat en direct aansluitend, per onderdeel, beantwoord (deel I). Per zienswijze is afgesloten met een conclusie, waarin ook de eventuele consequenties voor de VVGB zijn aangegeven.
I SAMENVATTING VAN DE INGEDIENDE ZIENSWIJZEN Reclamant 1 1:
In de inleiding van het Raadsvoorstel ontwerp VVGB wordt gesteld dat een gedeelte van de mest van de vergunde 61.000 ton per jaar vergistingscapaciteit afkomstig is van derden. Reclamant geeft aan dat dit niet juist is omdat de beschikking van de Provincie destijds geen rechtskracht heeft gekregen omdat deze is ingetrokken door de ondernemer.
Reactie gemeente Wij erkennen dat de inleiding niet volledig is. De Provincie heeft in 2020 een omgevingsvergunning afgegeven voor een vergistingscapaciteit van 61.000 ton per jaar met een verhouding van 31.000 ton mest en 30.000 ton co-substraten. 16 april 2014 heeft de ondernemer een aanvraag ingediend voor het aanvoeren van mest van derden met als doel meer vergistingscapaciteit te ontwikkelen. Deze aanvraag is uiteindelijk ingetrokken door de ondernemer waardoor het nooit tot een besluit heeft geleid. Conclusie: Reclamant heeft in zijn ingebrachte zienswijze gelijk dat mest van derden niet is toegestaan omdat de ondernemer deze aanvraag uit 2014 heeft ingetrokken. Wij zullen dit ook aanpassen in het Raadsvoorstel onder het kopje inleiding. Deze aanpassing heeft geen gevolgen voor het inhoudelijk voorstel. Het geeft enkel de geschiedenis weer van de aanvragen die de ondernemer heeft ingediend. 2:
Reclamant stelt dat het onderdeel mest van derden bij de aanvraag uit 2014 niet is ingetrokken maar de totale aanvraag.
Reactie gemeente Wij stellen reclamant in het gelijk onder verwijzing naar dezelfde argumenten en toelichting als bij punt 1. Conclusie: Bij het opstellen van het Raadsvoorstel zal onder het kopje inleiding dit hersteld worden. 3.
Reclamant stelt dat de gemaakte afspraak met de ondernemer, die inhoudt dat er 1 jaar lang geen gegronde klacht moet zijn ingediend voordat de ondernemer met de gemeente in gesprek kan gaan over de aanvoer van mest van derden, niet schriftelijk is vastgelegd.
Reactie gemeente Hoewel we intern van mening zijn dat deze afspraak er wel ligt, hebben we deze niet formeel in een schriftelijke reactie vastgelegd. We zijn van mening dat de ondernemer de kans moet krijgen, zeker nu de omgeving en de ondernemer zijn gekomen tot een overeenkomst inzake een vergaande geurreductie richting de waarde conform de geurverordening. Wij houden ons dan ook aan de gemaakte afspraak met de ondernemer om de mogelijkheden te onderzoeken. Het feit dat de omgeving en ondernemer samen een overeenkomst hebben opgesteld geeft ons reden om een positieve grondhouding aan te nemen ten aanzien van het initiatief. Conclusie: Ondanks wij de afspraak niet kunnen delen met reclamant, zijn wij van mening dat deze afspraak in mondeling overleg is gedaan. Deze afspraak hield enkel en alleen in dat wij onder de gestelde voorwaarde in gesprek gingen met de ondernemer om naar de mogelijkheden te kijken. 4
Reclamant stelt dat het vigerend bestemmingsplan momenteel 25.000 ton mest per jaar toestaat in plaats van de eerder genoemde 23.500 ton mest per jaar en dat de Provincie in 2020 een vergunning heeft afgegeven om 31.000 ton mest per jaar te mogen be- of verwerken.
Reactie gemeente Het is juist dat het vigerend bestemmingsplan bewerking en/of verwerking van maximaal 25.000 ton mest per jaar toestaat op bedrijfsniveau. Ook is het juist dat de vergunning uit 2020 bewerking en/of verwerking van maximaal 31.000 ton mest per jaar toestaat van de eigen locatie. Conclusie Wij zullen bovenstaand aanpassen in het Raadsvoorstel. 5a,b
Reclamant stelt dat het beoogd resultaat dat is opgevoerd misleidend is en onjuist is. Omdat het niet resulteert in meer duurzame energie en het hier niet bijdraagt aan de klimaatopgaven van Horst aan de Maas.
Reactie gemeente Klopt, dit is per abuis een foutieve analyse geweest. Echter, wekt de term ‘misleidend’ de suggestie dat dit moedwillig is gebeurd. Wij hebben nooit de intentie om de raad of wie dan ook, moedwillig te misleiden. Hoogstwaarschijnlijk wordt in de nieuwe situatie in totaal minder bio/groengas geproduceerd (afhankelijk van de benutting van de capaciteit). Door het aanvoeren van mest van derden is de ondernemer flexibeler in het toepassen van de verhoudingen. Het is echter wel de toekomstvisie om op termijn op te schalen naar in totaal 90.000 ton vergistingscapaciteit, waarbinnen 50.000 ton mest wordt verwerkt en 40.000 ton co-producten kunnen worden vergist. Daarnaast worden met de verwerking van mest in de vergistingsinstallatie broeikasemissies gereduceerd, die anders zouden vrijkomen bij reguliere verwerking op akkerland.
5c
Reclamant stelt dat hierdoor het initiatief juist negatief uitvalt voor het klimaat als voor de energietransitie.
Reactie gemeente Dit is onjuist. Het valt niet negatief uit, maar minder positief (zie 5a). De energietransitie is een middel om klimaatverandering tegen te gaan. Mestvergisting is per definitie duurzamer en hoogwaardiger dan het regulier verwerken van de mest op akkerland. Bovendien vervangt het bio/groengas het fossiele aardgas dat anders uit de bodem geput zou worden en in de atmosfeer terecht zou komen. Conclusie Wij zullen bij het beoogd resultaat een nuance aanbrengen. 6
Reclamant stelt dat het voornemen niet resulteert in beperkte CO2 transportemissies.
Reactie gemeente Dit is onjuist. Het valt niet negatief uit, maar minder positief (zie beantwoording vraag 5 a t/m c) Conclusie: Wij zullen op dit onderdeel het effect nader duiden. 7
Reclamant stelt dat er op dit onderdeel een denkfout is gemaakt, waardoor het resultaat is dat de transportbewegingen en de CO2 uitstoot weggestreept kan worden aan de winst wat men behaalt van biogas naar aardgas.
Reactie gemeente Deze alinea heeft (onder meer) ten doel om inzichtelijk te maken dat de CO2-uitstoot van het transport kan worden weggestreept tegen de CO2-winst die je behaalt met de productie van 720 m3 bio/groengas ten opzichte van wanneer dit fossiel aardgas zou zijn. Conclusie Bij het opstellen van de VVGB zullen wij de irrelevante onderdelen van dit argument eruit laten, om onduidelijkheid te voorkomen. 8a,b
Reclamant stelt dat de gemeente moet controleren of de gedane meldingen gegrond verklaard moeten worden.
Reactie gemeente Dat is onjuist. De Provincie is bevoegd gezag in deze en is hiermee ook verantwoordelijk. Wij hebben hiermee gevaren op de bevindingen van de Provincie. RUDZL en de Provincie moet gezien worden als 1 orgaan. RUDZL werkt namens de Provincie. 8e
Reclamant stelt dat er geen onderscheid wordt gemaakt in klachten afkomstig van de vergister dan wel de varkens. Tevens wordt gesteld dat in zijn geheel veel klachten zijn gemeld en deze ook gegrond waren.
Reactie gemeente We zijn er ons van bewust dat er veel klachten waren. Echter hebben wij het bevoegd gezag gevraagd of deze klachten ook gegrond waren. Dit blijkt volgens de reactie van de Provincie niet het geval.
Conclusie: Argument 1.5 blijft dan ook onveranderd in ons voorstel. 9
Reclamant stelt dat de verbeteringen in het bedrijfsproces niet de pieken in de geuremissie verminderen maar enkel de duur van de piek.
Reactie gemeente De piek zal inderdaad niet afnemen, enkel de duur van de piek waardoor de totale geuruitstoot zal afnemen. Conclusie Het argument zal duidelijk beschreven worden in het Raadsvoorstel. 10
Reclamant stelt dat deze zienwijze verwoord is in punt 8 en 9. Voor de reactie hierop verwijzen wij dan ook naar de beantwoording onder punt 8 en 9.
11
Reclamant stelt dat binnen een termijn van 1 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning een toekomstplan moet worden overlegd om de geur te verminderen.
Reactie gemeente Ondanks wij deze opstelling begrijpen, gaan wij hierin niet mee. Reden hiervoor is dat er al gesprekken worden gevoerd met de ondernemer. Tevens heeft de tijd ons in deze ook ingehaald, nu er een overeenkomst ligt tussen de omgeving en de ondernemer met als doel om het toekomstplan op te stellen. Conclusie Wij zullen met een positieve grondhouding aan deze overeenkomst bijdragen. 12
Reclamant geeft te kennen dat de juiste naam van de werkgroep “werkgroep woonomgeving de Paes” is.
Reactie gemeente Wij nemen de juiste benaming van de werkgroep over in het document. Conclusie Wij nemen de juiste benaming van de werkgroep over in het document.
13
Reclamant geeft aan dat waarschijnlijk abusievelijk de term geurreductie is gebruikt in plaats van geurproductie.
Reactie gemeente Dit is juist. Conclusie Bij het raadsvoorstel zal dit worden aangepast. 14
Reclamant geeft aan dat door het plaatsen van de vijzels de geurpiek die vrijkomt niet wordt verlaagd, maar dat de tijdsduur van deze piek verlaagd wordt.
Reactie gemeente Dit is juist. Dit ss hiermee ook bedoeld. Conclusie Bij het raadsvoorstel zal dit worden aangepast. Echter, de bevindingen en de voorwaarde hieraan blijven overeind. 15
Reclamant stelt dat het geurreductieplan dat de ondernemer heeft opgesteld met de Provincie (zoals wordt vermeld in argument 1.8.3 van het Raadsvoorstel) niet voorhanden is.
Reactie gemeente Dat is juist. Wij waren in de veronderstelling dat de Provincie een geurreductieplan in het bezit had dat onderdeel uitmaakte van een vergunning waarbij een geurreductieplan als voorwaarde was opgenomen. In de praktijk heeft de tijd ook hier de actie ingehaald door de overeenkomst tussen de omgeving en ondernemer. Conclusie Wij zullen het raadsvoorstel op dit punt aanpassen en verwijzen naar de constructieve samenwerking tussen de omgeving en de ondernemer. 16
In hetzelfde argument 1.8.3 wordt verwezen naar argument 1.1. Volgens reclamant wordt in dat argument niet gesproken over het verlagen van de geurbelasting.
Reactie gemeente Het argument 1.1 waar naar verwezen wordt is geen onderdeel van het voorstel, maar komt uit het principebesluit. Conclusie Wij zijn van mening dat dit op een juiste manier is weergegeven.
17
Reclamant merkt op dat de actualisatie pas heeft plaatsgevonden nadat er tweemaal om is verzocht door de werkgroep.
Reactie gemeente Het is voor de besluitvorming niet relevant hoeveel keer men heeft verzocht voor een actualisatie. Het feit is dat er een actualisatie heeft plaatsgevonden. Conclusie Het argument blijft op deze inhoud dan ook ongewijzigd overeind.
Samenvatting van de zienswijze punt 1 t/m 17 Alles bij elkaar genomen stelt reclamant dat het voorstel niet alleen onzorgvuldig tot stand is gekomen, maar ook foute aannames zijn gemaakt die misleidend zijn. Reactie gemeente Wij nemen afstand van de term misleidend. Wij waren van mening dat het voorstel juist was op basis van de verkregen informatie. Echter moeten wij concluderen dat niet alle informatie klopt en dat we waarschijnlijk het voorstel te complex hebben gemaakt waardoor er enkele fouten zijn ingeslopen. Conclusie Wij zullen dan ook een nieuw Raadsvoorstel opstellen waarbij op onderdelen argumenten worden aangepast. De ingebrachte zienswijze leiden niet tot een ander advies. ………………………………………………………………………………..