11A.c6 Bijlage 6 Archeologisch onderzoek IVO De Steegh
Tekst van het document
ARCHEOLOGISCH KARTEREND BOORONDERZOEK DE STEEGH TE LOTTUM GEMEENTE HORST AAN DE MAAS
archeologisch karterend booronderzoek De Steegh te Lottum Opdrachtgever
Willems Melderslo B.V. Hoebertweg 15 5966 NC America
Rapportnummer
14074.005
Versienummer1
1
Datum
Vestiging
7 mei 2021
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
De heer drs. A.H. Schutte Senior KNA prospector (reg. nr. 43842407)
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer drs. M. Stiekema Senior KNA prospector (reg. nr. 32138595)
Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
14074.005
Toponiem
De Steegh
Opdrachtgever
Willems Melderslo B.V.
Gemeente
Horst aan de Maas
Plaats
Lottum
Provincie
Limburg
Kadastrale gegevens
Gemeente Grubbenvorst, sectie H, nummer 468 (ged.)
Omvang plangebied
circa 1.500 m2
Kaartblad
52 G (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 208.340/Y: 385.825
Bevoegde overheid
Gemeente Horst aan de Maas Postbus 6005 5960 AA Horst
T: 077 – 4779777 E: gemeente@horstaandemaas.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie Spoorstraat 5 3811 MN Amersfoort
T: 033 - 2779200
ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
5048499100
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Swalmen/Provinciaal Archeologisch Depot Limburg
Uitvoerders
Econsultancy, de heer drs. A.H. Schutte Senior KNA prospector (reg. nr. 43842407), de heer D. Salden (veldmedewerker) en R. Cruijswijk (veldmedeweker).
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Willems Melderslo B.V. in april 2021 een archeologisch inventariserend veldonderzoek (IVO, karterende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de De Steegh te Lottum in de gemeente Horst aan de Maas. In het plangebied zal een woning met een groot bijgebouw worden gerealiseerd .Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast.
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, karterende fase) heeft tot doel antwoorden te vinden op de vraag of er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats? Ook wordt getracht om een eerste indruk te verkrijgen van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging hiervan. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Uit de landschappelijke ligging blijkt dat het plangebied in het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars maar in het Mesolithicum wel geschikt was. Het plangebied heeft voor archeologische resten uit het Paleolithicum dien ten gevolge een lage verwachting terwijl het voor archeologische resten uit het Mesolithicum een hoge verwachting heeft. Voor de perioden Neolithicum tot en met Late-Middeleeuwen zal het plangebied ongeschikt zijn geweest als vestigingsplaats voor landbouwers.
Wel kunnen er in deze perioden rituele deposities in het plangebied uitgevoerd zijn waardoor deze perioden een middelhoge verwachting krijgen. Voor de Late-Middeleeuwen is de verwachting laag, de slechte afwatering zal het plangebied geen gunstige vestigingslocatie hebben gemaakt. Voor de Nieuwe tijd is de verwachting middelhoog aangezien niet uitgesloten kan worden dat bebouwing of het erf dat vanaf de tweede helft van de 19e eeuw ten noordoosten van het plangebied heeft gelegen doorliep tot in het plangebied. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, karterende fase) blijkt dat in het gehele plangebied een Ap-horizont voorkomt van 30 tot 50 centimeter dik. Onder de bouwvoor is bij vier van de boringen een verstoorde laag aangetroffen, respectievelijk 15 centimeter (boringen 10 en 11) en 10 centimeter (boring 12 en 13) dik. Deze verstoring kenmerkte zich doordat deze laag gevlekt is en bij boringen 10, 12 en 13 zwak baksteenhoudend is. Onder de geroerde lagen, bouwvoor en (indien van toepassing) verstoorde laag ligt de C-horizont, die gley en grindhoudend is. Tijdens het veldonderzoek zijn in alle boringen antropogene resten aangetroffen. Het betreffen brokken baksteen en plastic in de geroerde lagen.
Op het maaiveld is bij de veldkartering ook alleen plastic en fragmenten bouwpuin aangetroffen (baksteen, dakpannen en tegels), zowel binnen als buiten het plangebied. Omdat beide zijn waargenomen in de geroerde bovengrond, waarin zich veel recent materiaal bevindt, vormen deze antropogene resten geen aanleiding om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden. Daarnaast zijn bij het voorafgaand verkennend booron-
Rapport 14074.005 versie 1
derzoek in november 2020 buiten het huidige plangebied, waar geen historische bebouwing wordt verwacht, bij boringen 4 en 5 in de bouwvoor ook baksteenfragmenten aangetroffen Conclusie Uit de resultaten van het karterend booronderzoek kan, gezien het ontbreken van archeologische indicatoren, de conclusie getrokken worden dat er in het plangebied geen archeologische vindplaats aanwezig is. Advies Op grond van de resultaten van het karterend booronderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden en de archeologische dubbelbestemming van het plangebied op te heffen. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 2).
2 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 14074.005 versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1 1.1 1.2
2
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK ................................................................................ 2 2.1 2.2 2.3 2.4
3
Aanleiding tot het onderzoek en leeswijzer ...................................................................... 1 Resultaten vooronderzoek ................................................................................................ 1
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 2 Methoden .......................................................................................................................... 2 Resultaten ......................................................................................................................... 3 Conclusie veldonderzoek ................................................................................................. 4
CONCLUSIE EN ADVIES ........................................................................................................... 4
LITERATUUR ........................................................................................................................................ 5 BRONNEN ............................................................................................................................................ 5
Rapport 14074.005 versie 1
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Advieskaart vooronderzoek Boorpuntenkaart
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen
Rapport 14074.005 versie 1
1 1.1
INLEIDING Aanleiding tot het onderzoek en leeswijzer
Econsultancy heeft in opdracht van Willems Melderslo B.V. een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de De Steegh te Lottum in de gemeente Horst aan de Maas (zie figuur 1 en 2). De initiatiefnemer heeft de intentie om binnen het plangebied een woning met een groot bijgebouw te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). In de rapportage zal na een samenvatting van het vooronderzoek (§ 1.2) eerst de doelstelling van het huidige onderzoek en de te beantwoorden onderzoeksvragen beschreven worden (hoofdstuk 2.1). Vervolgens zullen de methodiek en resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, karterende fase) door middel van boringen worden behandeld (hoofdstuk 2). Op basis van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen nodig zijn en zo ja, in welke vorm (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in april 2021 door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Prospector (reg. nr. 43842407)) en D. Salden (veldmedewerker) en R. Cruijswijk (veldmedeweker). Het rapport is gecontroleerd door drs. M.
Stiekema (Senior KNA Prospector (reg. nr. 32138595)). 1.2
Resultaten vooronderzoek
In november 2020 is door Econsultancy voor een groter plangebied, het gehele perceel gemeente Grubbenvorst, sectie H, nummer 468, een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd.3 Uit het bureauonderzoek bleek dat dit plangebied (7.155 m2) in het Paleolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars maar in het Mesolithicum wel geschikt was. Het plangebied heeft voor archeologische resten uit het Paleolithicum dien ten gevolge een lage verwachting terwijl het voor archeologische resten uit het Mesolithicum een hoge verwachting heeft. Voor de perioden Neolithicum tot en met Late-Middeleeuwen zal het plangebied ongeschikt zijn geweest als vestigingsplaats voor landbouwers. Wel kunnen er in deze perioden rituele deposities in het plangebied uitgevoerd zijn waardoor deze perioden een middelhoge verwachting krijgen. Voor de Late-Middeleeuwen is de verwachting laag, de slechte afwatering zal het plangebied geen gunstige vestigingslocatie hebben gemaakt. Voor de Nieuwe tijd is de verwachting middelhoog aangezien niet uitgesloten kan worden dat bebouwing of het erf die vanaf de tweede helft van de 19e eeuw ten noordoosten van het plangebied heeft gestaan doorliep tot in het plangebied.
Uit de verkennende boringen bleekt dat het onderzochte plangebied een verstoorde bodemopbouw heeft van wisselende diepte onder maaiveld (boring 1 tot 75 centimeter, boring 2 tot 45 centimeter, boring 3 tot 60 centimeter, boring 4 tot 80 centimeter, boring 5 tot 90 centimeter en boring 6 tot 30 centimeter) (zie figuur 3 en bijlage 3). Bij boringen 1, 2, 4 en 6 ligt hieronder direct een grindige Cghorizont (Maasafzettingen) maar bij boringen 4 en 5 ligt hieronder veen (beek en/of Maasafzettingen). Het in de boringen aangetroffen veen kan zijn ontstaan in de oude beekloop die terug te vinden is op de historische kaarten en die heden ten dagen ten noorden van het plangebied stroomt. Het is echter niet uit te sluiten dat het veenpakket ouder is. Beeklopen komen vaak voor in oude Maasarmen en 3
Schutte, 2021.
Rapport 14074.005 versie 1
Pagina 1 van 5
het veenpakket kan dien ten gevolgen ook zijn gevormd in de periode dat de Maas (periodiek) door het plangebied heen stroomde. De aangetroffen bodemopbouw is van dien aard dat de verwachting voor het Mesolithicum is bijgesteld naar laag. De bodem van het plangebied is dermate verstoord dat resten uit deze periode, die zich vooral kenmerken door vuursteenstrooiingen aan het oppervlak, verstoord zullen zijn. In het veen dat bij boringen 4 en 5 is aangetoond kunnen nog wel rituele deposities voorkomen uit het Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen, de middelhoge verwachting blijft hierdoor voor deze perioden gehandhaafd. Deze resten liggen echter wel op grote diepte, op 80 centimeter -mv bij boring 4 en onverstoord op 90 centimeter -mv bij boring 5. Daarnaast gaat het hier om puntlocaties die alleen opgespoord kunnen worden door middel van een proefsleuvenonderzoek (variant archeologische begeleiding) en dit zal alleen noodzakelijk zijn als er grootschalige ontwikkelingen gaan plaats vinden ter plaatsen van de oude beek. Over de middelhoge verwachting voor resten uit de Nieuwe tijd kan het booronderzoek geen duidelijkheid verschaffen; dat kan een verkennend booronderzoek zelden doordat bodemverstoringen kunnen wijzen op sporen en de kans op aantreffen van vondsten klein is.
De vraag blijft of de bebouwing in de laatste helft van de 19 e en de eerste helft van de 20e eeuw, zoals weergegeven op de historische kaarten van 1895 tot 1936, inderdaad doorliep tot in het plangebied of dat dit een cartografische fout is en het erf altijd op de plek heeft gelegen waar het nu ligt. Econsultancy heeft in november 2020 een plangebied van circa 7.155 m2 onderzocht. Binnen dit plangebied is het de intentie dat een gebied van 1.500 m2 herbestemd wordt van agrarisch naar wonen waarvoor voor dat deel van het plangebied een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk (zie figuur 3 en bijlage 3). Voor deze 1.500 m2 is het dien ten gevolgen noodzakelijk om de archeologische dubbelbestemming te laten vervallen en is geadviseerd om een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren, door middel van een karterend booronderzoek. De rest van het plangebied behoudt zijn agrarische bestemming en zijn archeologische dubbelbestemming
2
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, karterende fase) heeft tot doel antwoorden te vinden op de vraag of er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats? Tevens wordt getracht om een eerste indruk te verkrijgen van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging hiervan. Een oppervlaktekartering heeft tot doel het verzamelen van aan de oppervlakte liggende archeologische indicatoren door het belopen van akkers, inspecteren van molshopen, geschoonde slootkanten en andere bodemontsluitingen. 2.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een karterend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 23-04-2021 door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog/Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk.
Rapport 14074.005 versie 1
Pagina 2 van 5
De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 15 centimeter) vijf boringen tot maximaal 90 centimeter -mv gezet (Figuur 4). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.4 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). De boringen zijn genummerd 10 tot en met 14 om geen verwarring te krijgen met de boringen gezet bij het voorafgaand verkennend booronderzoek. Het opgeboorde materiaal is in het veld bodemkundig beschreven en de archeologisch relevante bodemlagen zijn gezeefd met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu is met het blote oog geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Het opgeboorde materiaal is in het veld bodemkundig beschreven en door middel van versnijden/verbrokkelen onderzocht op archeologisch indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Doordat bij aankomst op het terrein bleek dat de akker nog niet begroeid was waardoor er een redelijk goede vondstzichtbaarheid was is er naast het boren ook een oppervlaktekartering uitgevoerd.
Deze bestond uit het systematisch aflopen van het terrein in raaien met een tussenafstand van 5 meter. Hierbij zijn geen aan het maaiveld voorkomende archeologische indicatoren verzameld. Op het maaiveld is alleen plastic en fragmenten bouwpuin aangetroffen (baksteen, dakpannen en tegels), zowel binnen als buiten het plangebied. 2.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 4 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de opbouw van de bodemde bodemopbouw als volgt worden weergegeven. In het gehele plangebied komt een Ap-horizont voor van 30 tot 50 centimeter dik. Onder de bouwvoor is bij vier van de boringen een verstoorde laag aangetroffen, respectievelijk 15 centimeter (boringen 10 en 11) en 10 centimeter (boring 12 en 13) dik. Deze verstoring kenmerkte zich doordat deze laag gevlekt is en bij boringen 10, 12 en 13 zwak baksteenhoudend is. Onder de geroerde lagen, bouwvoor en (indien van toepassing) verstoorde laag ligt de C-horizont, die gley en grindhoudend is. Archeologische vondsten (geen archeologische vindplaats aangetroffen) Tijdens het veldonderzoek zijn in alle boringen antropogene resten aangetroffen. Het betreffen brokken baksteen en plastic in de geroerde lagen. Op het maaiveld is bij de veldkartering ook alleen plastic en fragmenten bouwpuin aangetroffen (baksteen, dakpannen en tegels), zowel binnen als buiten het plangebied. Omdat beide zijn waargenomen in de geroerde bovengrond, waarin zich veel recent materiaal bevindt, vormen deze antropogene resten geen aanleiding om de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied te vermoeden.
Daarnaast zijn bij het voorafgaand verkennend booronderzoek in november 2020 buiten het huidige plangebied, waar geen historische bebouwing wordt verwacht, bij boringen 4 en 5 in de bouwvoor ook baksteen fragmenten aangetroffen (zie figuur 3).
4
Bosch, 2005.
Rapport 14074.005 versie 1
Pagina 3 van 5
2.4
Conclusie veldonderzoek
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, karterende fase) heeft tot doel antwoorden te vinden op de vraag of er archeologische vondsten en/of sporen en/of lagen aanwezig zijn, in welke mate de resultaten overeen stemmen met de verwachtingen en indien er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig is, wat zijn dan de gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen voor de vindplaats? Tevens wordt getracht om een eerste indruk te verkrijgen van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging hiervan. Uit de resultaten van het karterend booronderzoek kan, gezien het ontbreken van archeologische indicatoren, de conclusie getrokken worden dat er in het plangebied geen archeologische vindplaats aanwezig is.
3
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van historische bebouwing in het plangebied de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek uitgevoerd. Op grond van de resultaten van het karterend booronderzoekhet ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden en de verstoorde bodemopbouw, adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen ver¬volg¬onderzoek te laten plaatsvinden en de archeologische dubbelbestemming van het plangebied op te heffen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas), die vervolgens een besluit neemt. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 5).
5 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 14074.005 versie 1
Pagina 4 van 5
LITERATUUR Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Schutte, A.H., 2021: Archeologisch Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek. De Steegh te Lottum. Gemeente Horst Aan De Maas. Econsukltancyrapport 14074.002. Swalmen BRONNEN Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, mei 2021. https://pdokviewer.pdok.nl
Rapport 14074.005 versie 1
Pagina 5 van 5
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland6
De Steegh te Lottum. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
6 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 14074.005 versie 1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied7
De Steegh te Lottum. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
7 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 14074.005 versie 1
Figuur 3. Advieskaart vooronderzoek8
De Steegh te Lottum. Advieskaart Legenda Plangebied Enkelbestemming agrarisch met waarden (geen bestemmingsplanwijziging) Bouwvlak voor hoofdgebouw (20 x 20 meter) buiten het bouwvlak mag maximaal 600 m 2 aan bijgebouwen worden gerealiseerd Bestemmingsplanwijziging noodzakelijk hiervoor advies vervolgonderzoek karterend booronderzoek Boorpunt met nummer
8 Schutte, 2021.
Rapport 14074.005 versie 1
Figuur 4. Boorpuntenkaart9
De Steegh te Lottum. Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Boorpunt met nummer
9 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 14074.005 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 14074.005 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 14074.005 versie 1
Bijlage 2
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 14074.005 versie 1
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 14074.005 versie 1
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 14074.005 versie 1
Bijlage 3
Rapport 14074.005 versie 1
Planontwerp
Bijlage 4
Rapport 14074.005 versie 1
Boorprofielen
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
Rapport 14074.005 versie 1