CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

10c.1 Toelichting - Bijlagenboek

Gemeenteraad 10 mei 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Venloseweg Horst (Disselhof).25.831 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Disselhof Horst Bestemmingsplan (Ontwerp) Bijlagenboek NL.IMRO.1507.HODISSELHOF-BPO1

Disselhof Horst

Inhoudsopgave

Bijlagen bij toelichting

3

Bijlage 1

Ladderonderbouwing

4

Bijlage 2

Parkeeronderzoek

8

Bijlage 3

Bodemonderzoek

24

Bijlage 4

Aanvullend bodemonderzoek

124

Bijlage 5

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

146

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek industrielawaai

200

Bijlage 7

Quickscan externe veiligheid

249

Bijlage 8

Waterparagraaf

264

Bijlage 9

Quickscan Flora en fauna

285

Bijlage 10

Archeologisch onderzoek

297

Bijlage 11

Programma van Eisen

331

Bijlage 12

AERIUS-berekening

375

Bijlage 13

Bezonningsstudie

386

Bijlage 14

Omgevingsdialoog

412

2

Bestemmingsplan "Disselhof Horst" (ontwerp)

Bijlagen bij toelichting

Bestemmingsplan "Disselhof Horst" (ontwerp)

3

Bijlage 1 Ladderonderbouwing

4

Bestemmingsplan "Disselhof Horst" (ontwerp)

Advies

advies

Quickscan woningen Venloseweg 21, Horst

project Quickscan woningen Venloseweg 21, Horst

Quickscan behoefte woningbouwplan Venloseweg 21 te Horst aan de Maas

datum 29 april 2021

1. Aanleiding

opdrachtgever Gebr. Van Stiphout projectontwikkeling B.V. projectnummer P03141 opgesteld door FS, MOt i.a.a. MOo

Voor de locatie op de hoek van de Venloseweg en Van Douverenstraat bestaat het voornemen om in totaal 38 woningen te ontwikkelen. Het beoogde programma bestaat uit 28 appartementen (met lift) en 10 patiowoningen en betreft woningen in het sociale huursegment (9), middeldure huursegment (19) en in de koopsector (10). Door de opzet van de beoogde woningtypes bestaat het programma in zijn geheel uit nultredenwoningen. In deze quickscan is onderzoek verricht naar de behoefte aan 38 levensloopbestendige woningen in voorgenoemde woningtypen en prijssegmenten. De quickscan betreft nadrukkelijk geen volwaardige ladderonderbouwing en gaat enkel op hoofdlijnen in op:  Behoefte voortkomend uit provinciaal, regionaal en gemeentelijk vastgesteld beleid;  Behoefte voortkomend uit actuele trends en ontwikkelingen.

2. Behoefte vanuit beleidskaders Provincie Limburg

BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl www.bro.nl

Limburgse Agenda Wonen 2020-2023 De provinciale ambitie ten aanzien van wonen betreft ‘de juiste woning, op de juiste plek en op het juiste moment beschikbaar’. De Agenda Wonen geeft hieraan invulling door bij te dragen aan een gezonde woningmarkt. In dat kader wordt er ingezet op:  Voldoende woningen om in de huidige en toekomstige woonbehoefte te voorzien;

Zorgen voor doorstroming, zodat mensen wooncarrière kunnen maken;  Een betaalbare en toegankelijke woningmarkt. Specifiek wordt aangegeven dat seniorenwoningen en woningen in de sociale- en middeldure huursector urgent te realiseren zijn om in de behoefte te kunnen voorzien. Woonmonitor 2020 In de provinciale woonmonitor is op regionaal niveau een samenvatting weergegeven van de woningbehoefteonderzoeken. Voor de regio Noord-Limburg bleek hieruit een tekort aan 5.500 appartementen (met lift)/levensloopbestendige woningen in de periode 2019-2029. Specifiek doet het tekort zich voor in de volgende segmenten:  Circa 1.000 sociale huurwoningen;  Circa 2.000 vrije sector huurwoningen;  Circa 2.500 koopwoningen. Regio Noord-Limburg Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de Regionale woonvisie constateren de gemeenten in de regio Noord-Limburg een sterke behoefte aan meer nultredenwoningen in alle segmenten en oppervlakteklassen. Daaruit komen de volgende opgaven voort:  Ingegeven door demografische verschuivingen is de kwalitatieve woonbehoefte aan verandering onderhevig. Er is een stijgende behoefte aan nultredenwoningen en appartementen (met lift) en een afnemende behoefte aan grondgebonden woningen, waar de bestaande voorraad voornamelijk uit bestaat. Hierdoor is sprake van een kwalitatieve mismatch.

Daarom wordt er beleidsmatig gestreefd naar toevoeging van woningen waar kwalitatief behoefte aan is, zoals een mix van sociale- en middenhuur en levensloopbestendige woningen.

1

Advies Quickscan woningen Venloseweg 21, Horst

Door in te zetten op woningen geschikt voor ouderen wordt ook de langste keten op het gebied van doorstroming bewerkstelligd. Doelgroepen waar specifiek aandacht voor is, zoals starters en ouderen, worden op die manier het meest effectief in hun woonbehoefte voorzien. Mede door de stijgende huizenprijzen en strenge toewijzingscriteria van corporaties, is (en blijft) er een behoefte aanwezig aan vrijesectorhuur in de regio Noord-Limburg. De nadruk ligt hier vooral op het middensegment.

Gemeente Horst aan de Maas Masterplan Wonen 2021-2025 In april 2021 is het Masterplan Wonen 2021-2025 vastgesteld door de gemeenteraad van Horst aan de Maas. Aangegeven wordt dat door enorme krapte de balans tussen vraag en aanbod (in zowel de huur- als koopsector) zoek is en dat de betaalbaarheid onder druk staat. Dit wordt ook duidelijk doordat er 0,5% van de koopwoningen leeg staat, ten opzichte van 2% voor een gezonde woningmarkt. Door de tekorten zet de gemeente Horst aan de Maas in op:  Nieuwbouw van circa 1.000 woningen in de periode 2021-2025;  Gevarieerde opbouw van het nieuwbouwprogramma met 30% sociale huur, 30% vrijesectorhuur en 40% koop in diverse prijscategorieën.  Specifieke aandacht voor (de woonwensen van) senioren en starters op de woningmarkt. Daarom wordt er onder andere ingezet op nultredenwoningen.

1

3. Behoefte vanuit trends en ontwikkelingen Demografie  Op basis van de meest recente Progneff bevolkingsprognose (Etil, 2019) blijkt dat er in de gemeente Horst aan de Maas in de periode 2021-2030 een groei verwacht wordt van zowel het aantal inwoners (+1.230, ca. 3%) als het aantal huishoudens (+1.206, ca. 7%). Ook na 2030 wordt een groei geprognotiseerd van het aantal inwoners en huishoudens.  Voor de regio Noord-Limburg wordt tevens een groei van het aantal inwoners (+4.202, 1%) en het aantal huishoudens (+6.036, 5%) verwacht in de periode 20212030. Richting 2040 wordt verwacht dat het aantal inwoners en aantal huishoudens (licht) daalt ten opzichte van 2030. Vergeleken met 2021 is er nog steeds sprake van een stijging.  Vooral de toename van het aandeel ouderen valt op. De Nederlandse bevolking wordt steeds ouder. Deze trend van vergrijzing is ook in de gemeente Horst aan de Maas en de regio Noord-Limburg sterk aanwezig. Uit de meest actuele bevolkingsprognose (Etil, 2019) blijkt dat het aandeel ouderen (75+) in de gemeente Horst aan de Maas stijgt van 10,7 naar 19,5% in 2040. In de regio stijgt het aandeel van 10,6% naar 19,7%. Wonen  Door de toename van het aantal inwoners en huishoudens in de gemeente Horst aan de Maas en de regio Noord-Limburg, neemt de woningbehoefte toe.

In de provincie Limburg wordt de woningbehoefte gelijkgesteld aan de huishoudensontwikkeling op basis van de meest recente Progneff prognose (Etil). Hierdoor is er indicatief behoefte aan 1.206 nieuwe woningen in de gemeente

Horst aan de Maas tot 2030. Regionaal ligt dit deze behoefte op 6.036 woningen. Gelet op de Plancapaciteitsmonitor Limburg zijn er momenteel 357 woningbouwplannen in de gemeente Horst aan de Maas. Hiervan zijn 98 woningbouwplannen planologisch onherroepelijk of vastgesteld (harde plancapaciteit). In regio Noord-Limburg zijn er in totaal 6.443 woningbouwplannen aanwezig, waarvan 3.378 hard.1

4. Conclusie behoefte initiatief Geconcludeerd kan worden dat het initiatief waarin 38 nultredenwoningen worden beoogd in diverse prijssegmenten, nadrukkelijk voorziet in een behoefte:  Door de grote tekorten staat de landelijke woningmarkt in algemene zin onder druk. Ook in de gemeente Horst aan de Maas is er door de enorme krapte behoefte aan nieuwe woningen om in de vraag te kunnen voorzien. Daarnaast is de verwachting dat het aantal huishoudens de komende jaren gaat toenemen, waardoor de vraag naar woningen eveneens verder toeneemt. Indicatief is er tot 2030 daardoor behoefte aan 1.206 nieuwe woningen in de gemeente Horst aan de Maas. De huidige planvoorraad in de gemeente voorziet in 357 woningbouwplannen, waarvan 98 met de status hard. Hierdoor bestaat er een restopgave aan 1.108 woningen tot 2030 in de gemeente Horst aan de Maas. Ook inclusief de zachte planvoorraad zijn er onvoldoende plannen voorradig om in de behoefte te kunnen voorzien. Regionaal bestaat de restopgave uit 2.658 woningen tot 2030.  Naast de kwantitatieve opgave ligt er ook een nadrukkelijke kwalitatieve opgave. De landelijke trend van vergrijzing is namelijk ook sterk zichtbaar in de gemeente

Plancapaciteitsmonitor Limburg. Via: www.pcmlimburg.nl. Geraadpleegd op: 21-4-2021

donderdag 29 april 2021

2

Advies Quickscan woningen Venloseweg 21, Horst

Horst aan de Maas en de regio Noord-Limburg. Het aandeel ouderen (75+) stijgt hier respectievelijk met +8,8% en +9,1% tot 2040. Het gevolg van deze demografische verschuiving is dat er op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau een aanzienlijke behoefte bestaat aan woningen die geschikt zijn voor ouderen, zoals nultredenwoningen (zoals appartementen met lift en patiowoningen). Regionaal lag het tekort van dit type woningen op 5.500 tot 2030. Ook in de gemeente Horst aan de Maas wordt door de verwachte vergrijzing nadrukkelijk ingezet op het toevoegen van nultredenwoningen aan de woningvoorraad. Het toevoegen van geschikte woningen voor senioren heeft bovendien als gevolg dat de doorstroming op gang komt, waardoor er ook woningen vrijkomen voor starters. De omvang van de vraag naar nultredenwoningen is dermate groot dat er in beginsel behoefte is aan toevoeging in alle segmenten en oppervlakteklassen. Door de krapte staat daarnaast de betaalbaarheid onder druk, waardoor specifiek aandacht is voor toevoeging in de sociale- en middeldure huursector. Op provinciaal niveau zijn deze segmenten bijvoorbeeld aangeduid als urgent te realiseren en regionaal bleek hierin een tekort aan respectievelijk 1.000 en 2.000 woningen. Daarnaast blijft er ook regionaal behoefte aan nultredenwoningen in de koopsector (2.500).

Doordat er vraag is naar nultredenwoningen in ieder segment zet de gemeente Horst aan de Maas in op een gevarieerd nieuwbouwprogramma van 30% sociale huur, 30% vrijesectorhuur en 40% koop om in de behoefte te kunnen voorzien.

donderdag 29 april 2021

3

Bijlage 2 Parkeeronderzoek

8

Bestemmingsplan "Disselhof Horst" (ontwerp)

PARKEERONDERZOEK DISSELHOF, HORST GEBR. VAN STIPHOUT PROJECTONTWIKKELING

Colofon Opdrachtgever:

Gebr. Van Stiphout projectontwikkeling

Projectnummer: Status:

2021STI01 definitief

Opgesteld door: Gecontroleerd door:

J. van Heijst T. van Erve

Bestandsnaam:

2021STI01-RD01

Veghel, 21 september 2021

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING

1

1.1 1.2

Aanleiding Leeswijzer

1 1

2

HET ONDERZOEK

2

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6

Onderzoeksvraag Onderzoeksmethodiek Onderzoeksgegevens Uitgangspunten Definities Bijzonderheden

2 2 2 2 3 3

3

PARKEERBEHOEFTE

4

3.1

Theoretische parkeerbehoefte

4

4

ONDERZOEKSRESULTATEN

5

4.1 4.2

Parkeerdrukmetingen Constateringen

5 5

5

CONCLUSIE

6

5.1

Toekomstige parkeersituatie

6

BIJLAGE I

OVERZICHTSKAARTEN PARKEERDRUKMETINGEN

Parkeeronderzoek De Disselhof, Horst – Gebr. Van Stiphout projectontwikkeling.

1

INLEIDING

1.1 Aanleiding Ter ondersteuning van de bouw van een ontwikkeling rondom de Van Douuverenstraat en de Venloseweg te Horst heeft Gebr. Van Stiphout projectontwikkeling aan Buiten-Ruimte gevraagd om een onafhankelijk parkeeronderzoek uit te voeren. Het plan De Disselhof bestaat uit 38 woningen. Uit het parkeeronderzoek moet blijken of het tekort aan parkeerplaatsen op eigen terrein gecompenseerd kan worden in de openbare ruimte. In deze rapportage leest u de resultaten van het parkeeronderzoek.

Figuur 1: Het onderzoeksgebied.

1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 2 staan de uitgangspunten en onderzoeksgegevens. In hoofdstuk 3 is de theoretische parkeerbehoefte berekend. De resultaten en de constateringen van het uitgevoerde onderzoek zijn beschreven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 bevat de conclusie van het parkeeronderzoek.

Parkeeronderzoek De Disselhof, Horst – Gebr. Van Stiphout projectontwikkeling.

1

2

HET ONDERZOEK

2.1 Onderzoeksvraag In deze rapportage wordt antwoord gegeven op onderstaande onderzoeksvraag. -

Is er voldoende rest parkeercapaciteit op een loopafstand van 100 meter vanaf De Disselhof om het tekort aan parkeerplaatsen op eigen terrein te compenseren in de openbare ruimte?

2.2 Onderzoeksmethodiek Voor het bepalen van de bezettingsgraad rondom De Disselhof zijn parkeerdrukmetingen uitgevoerd. Voorafgaand aan deze parkeerdrukmetingen is de parkeercapaciteit in de openbare ruimte bepaald. Vervolgens zijn op vier telmomenten de geparkeerde voertuigen genoteerd. Hiermee is inzicht verkregen in het aantal geparkeerde voertuigen ten opzichte van het beschikbaar aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte.

2.3 Onderzoeksgegevens Locatie: De Disselhof e.o. te Horst. Datum: Tijdstip: Weersgesteldheid:

Dinsdag 7 september 2021 19:30 uur. Droog, 18 graden.

Datum: Tijdstip: Weersgesteldheid:

Dinsdag 7 september 2021 23:00 uur. Droog, 14 graden.

Datum: Tijdstip: Weersgesteldheid:

Vrijdag 10 september 2021 19:30 uur. Droog, 17 graden.

Datum: Tijdstip: Weersgesteldheid:

Zaterdag 11 september 2021 19:30 uur. Regen, 15 graden.

2.4 Uitgangspunten Bij de uitvoering van het onderzoek zijn onderstaande uitgangspunten gehanteerd. -

Bij het bepalen van de parkeercapaciteit bij langsparkeren zonder markering is een lengte van 6 meter per parkeerplaats gehanteerd. Er is sprake van restcapaciteit indien de parkeerdruk in de directe omgeving, met toevoeging van de parkeer behoefte van De Disselhof, onder de 85 % blijft. Voor het bepalen van het onderzoeksgebied is een maximale loopafstand van 100 meter gehanteerd vanaf de locatie De Disselhof.

Parkeeronderzoek De Disselhof, Horst – Gebr. Van Stiphout projectontwikkeling.

2

2.5 Definities In deze rapportage zijn onderstaande definities gehanteerd. Geparkeerd voertuig: Fout parkeerder: Sectie: Parkeercapaciteit: Bezettingsgraad:

Stilstaand voertuig dat niet deelneemt aan het verkeer; Geparkeerd voertuig op een plaats waar parkeren verboden is; Een deel van de (openbare) ruimte waar voertuigen geparkeerd kunnen worden; Totaal aantal beschikbare parkeerplaatsen; Het aantal geparkeerde voertuigen gedeeld door de capaciteit;

2.6 Bijzonderheden Tijdens het onderzoek zijn er geen bijzonderheden waargenomen.

Parkeeronderzoek De Disselhof, Horst – Gebr. Van Stiphout projectontwikkeling.

3

3

PARKEERBEHOEFTE

3.1 Theoretische parkeerbehoefte Voor het berekenen van de theoretische parkeerbehoefte voor de ontwikkeling van De Disselhof is gebruik gemaakt van de Nota parkeernormen Horst aan de Maas. De locatie Disselhof ligt buiten het centrumgebied en zijn de normen voor restbebouwing van toepassing. Het plan bestaat uit het realiseren van 28 appartementen en 10 patiowoningen. Respectievelijk zijn de normen 1,8 parkeerplaatsen en 2,0 parkeerplaatsen per woning van toepassing. Theoretisch zijn 71 parkeerplaatsen nodig om aan de parkeerbehoefte te kunnen voldoen. Het plan bestaat uit 54 parkeerplaatsen in de openbare ruimte en 13 parkeerplaatsen (inritten) op eigen terrein. Dit resulteert in een theoretisch tekort van 4 parkeerplaatsen. De Disselhof heeft geen mogelijkheid om meer parkeerplaatsen te realiseren. Het tekort van 4 parkeerplaatsen mag gecompenseerd worden in de openbare ruimte als de huidige bezettingsgraad in de openbare ruimte, inclusief het aantal te compenseren parkeerplaatsen, niet meer dan 85% bedraagt.

Parkeeronderzoek De Disselhof, Horst – Gebr. Van Stiphout projectontwikkeling.

4

4

ONDERZOEKSRESULTATEN

4.1 Parkeerdrukmetingen In tabel 2 zijn de parkeerdrukmetingen van het parkeeronderzoek weergegeven. Hierin staan de onderzoeksresultaten uitgesplitst per telmoment en sectie. Sectie Straatnaam 1

Venloseweg t/m nummer 30

Capaciteit 22

Dinsdag 19:30 uur Aantal Fout

%

Dinsdag 23:00 uur Aantal Fout

%

Vrijdag 19:30 uur Aantal Fout

%

Zaterdag 19:30 uur Aantal Fout

%

7

32%

7

32%

8

36%

7

32%

2

Rotonde van Douverenstraat / Venloseweg

0

0

0

0

0

0

0

0

0

3

Braakliggend terrein

0

0

0

0

0

0

0

0

0

4

Van Douverenstraat

0

0

0

0

0

0

0

0

0

5

Van Douverenstraat tot hn. 24

9

4

44%

4

44%

6

67%

8

89%

Totaal

31

11

35%

11

35%

14

45%

15

48%

Tabel 2: Parkeerdrukmetingen resultaten en bezettingsgraad.

De visualisaties van de bezettingsgraad per telmoment en sectie zijn opgenomen in bijlage I van deze rapportage.

4.2 Constateringen Onderstaand een opsomming van de constateringen tijdens het parkeeronderzoek. -

De hoogst gemeten bezettingsgraad in het onderzoeksgebied is 48% en is waargenomen op zaterdag 11 september om 19:30 uur. Tijdens de hoogst gemeten bezettingsgraad zijn in het onderzoeksgebied 16 vrije parkeerplaatsen in de openbare ruimte waargenomen. De laagst gemeten bezettingsgraad in het onderzoeksgebied is 35% en is waargenomen op twee telmoment, dinsdag 7 september 2021 om 19:30 uur en om 23:00 uur. Tijdens de laagst gemeten bezettingsgraad in het onderzoeksgebied zijn 20 vrije parkeerplaatsen in de openbare ruimte waargenomen.

Parkeeronderzoek De Disselhof, Horst – Gebr. Van Stiphout projectontwikkeling.

5

5

CONCLUSIE

5.1 Toekomstige parkeersituatie In deze paragraaf wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvraag: -

Is er voldoende rest parkeercapaciteit op een loopafstand van 100 meter vanaf De Disselhof om het tekort aan parkeerplaatsen op eigen terrein te compenseren in de openbare ruimte?

Uit hoofdstuk 3 blijkt dat de ontwikkeling 4 parkeerplaatsen tekort heeft om te kunnen voldoen aan de theoretische parkeerbehoefte. Hierdoor moeten er 4 parkeerplaatsen gecompenseerd worden in de openbare ruimte. Het compenseren van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte mag wanneer de bezettingsgraad onder de 85% blijft. In grafiek 3 is de huidige en toekomstige bezettingsgraad weergegeven. Hierbij is de bezetting verhoogd met de theoretische parkeerbehoefte van 4 voertuigen. 100%

80%

60% 61%

58% 48%

40% 35%

48%

45%

48%

35%

20%

0% Dinsdag 19:30 uur Huidige bezettingsgraad

Dinsdag 23:00 uur

Vrijdag 19:30 uur

Toekomstige bezettingsgraad

Zaterdag 19:30 uur Maximale bezettingsgraad

Grafiek 3: Bezettingsgraad, Inclusief toename bezetting met 4 voertuigen na ontwikkeling.

Conclusie: Na het compenseren van 4 parkeerplaatsen is de theoretische bezettingsgraad op zaterdag 11 september 2021 om 19:30 uur het hoogst met 61%. Dit is onder de 85% die als bovengrens is opgenomen in het parkeerbeleid van de gemeente Horst aan de Maas. Hierdoor is er binnen een loopafstand van 100 meter van De Disselhof voldoende restcapaciteit voor het compenseren van 4 parkeerplaatsen.

Parkeeronderzoek De Disselhof, Horst – Gebr. Van Stiphout projectontwikkeling.

6

BIJLAGE I

OVERZICHTSKAARTEN PARKEERDRUKMETINGEN

Parkeeronderzoek De Disselhof, Horst – Gebr. Van Stiphout projectontwikkeling.

Bijlage 3 Bodemonderzoek

24

Bestemmingsplan "Disselhof Horst" (ontwerp)

RAPPORT Verkennend bodem- en asbestonderzoek Venloseweg 21 te Horst

Opdrachtgever

:

Gebr. Van Stiphout Projectontwikkeling B.V. Postbus 32 5490 AA SINT-OEDENRODE

Projectnummer

:

20KL160

Datum

:

17 april 2020

Auteur

:

A. Reit

Paraaf

:

Projectleider

:

Paraaf

:

ing. F.M. Bouma

Klijn Bodemonderzoek B.V. Oudlandseweg 1, 9682 XT Oostwold Telefoon 0597 – 55 12 12 Email info@klijnbodemonderzoek.nl Internet www.klijnbodemonderzoek.nl

2 INHOUD

Rapport 20KL160 BLAD

1.

INLEIDING 1.1. Algemeen 1.2. Opbouw

3 3 3

2.

VOORONDERZOEK 2.1. Algemeen 2.2. Ligging onderzoekslocatie 2.3. Historisch en huidig gebruik 2.4. Belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie 2.5. Bodemonderzoek 2.6. Bodemkwaliteitskaart 2.7. Toekomstig gebruik van het terrein 2.8. Financieel/juridisch 2.9. Regionale opbouw en geohydrologie 2.10. Onderzoekshypothese

3 3 4 5 5 5 5 5 5 6 6

3. 4.

ONDERZOEKSPROGRAMMA BODEMGEGEVENS 4.1. Bodemgesteldheid en zintuiglijke waarnemingen 4.2. Samenstelling grondmengmonsters

5. 5.1. 5.2. 5.3. 5.4. 5.5. 6.

RESULTATEN METINGEN EN CHEMISCHE ANALYSES Meetgegevens grondwater Toetsingskader Analyseresultaten verkennend asbestonderzoek NEN 5707 Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Toelichting analyseresultaten

SAMENVATTING EN CONCLUSIES 6.1. Samenvatting 6.2. Conclusies en aanbevelingen 6.3. Slotopmerking

BIJLAGEN 1

Ligging van de locatie en kadastrale kaart

2

Boorprofielen en legenda

3

Analyserapporten

4

Toetsingstabellen

5

Overzicht posities monsternamepunten

6

Foto's

7 9 9 10 12 12 13 14 15 16 18 18 19 20

3

Rapport 20KL160

1.

INLEIDING

1.1.

Algemeen In opdracht van Gebr. Van Stiphout Projectontwikkeling B.V. is door Klijn Bodemonderzoek B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie Venloseweg 21 te Horst. De aanleiding tot het verkennend bodem- en asbestonderzoek vormt voorgenomen aankoop en herontwikkeling van de locatie tot woningbouw. Het doel van het verkennend bodem- en asbestonderzoek is het verkrijgen van een indicatie van de kwaliteit van de grond en het ondiepe grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie. Klijn Bodemonderzoek B.V. is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het uitvoeren van milieukundig bodemonderzoek, inclusief partijkeuringen conform het Besluit Bodemkwaliteit en tevens volgens de “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000, protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018”. Met betrekking tot onderhavig onderzoek verklaart Klijn Bodemonderzoek B.V. op geen enkele wijze in organisatorische, financiële of personele zin, betrokkenheid te hebben met de activiteiten van de opdrachtgever. De achterliggende gedachte hierbij is dat er geen “eigen” grond wordt onderzocht.

1.2.

Opbouw In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde:  vooronderzoek  onderzoeksprogramma  bodemgegevens  metingen en chemische analyses  samenvatting, toetsing van de gekozen onderzoekshypothese, conclusies en aanbevelingen

(hoofdstuk 2); (hoofdstuk 3); (hoofdstuk 4); (hoofdstuk 5); (hoofdstuk 6).

2.

VOORONDERZOEK

2.1.

Algemeen Ten behoeve van het bodemonderzoek is een standaard vooronderzoek conform de NEN 5725 (2017) ‘Uitvoeren van een milieuhygiënisch vooronderzoek’ uitgevoerd. In het vooronderzoek wordt informatie verzameld over het vroegere en huidige gebruik van het terrein. Het onderzoek is gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. Evenals het verzamelen van informatie over het toekomstige gebruik, bodemopbouw, geohydrologie en financieel/juridische aspecten. Op basis van de verzamelde gegevens kan een totaalbeeld worden gevormd en conclusies worden getrokken over de afbakening van het geografische besluitvormingsgebied, de afbakening van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek, de onderverdeling van de onderzoekslocatie voor het bodemonderzoek in deellocaties en de te hanteren onderzoekshypothese per deellocatie. De verzamelde informatie is opgesplitst in de volgende categorieën: o ligging onderzoekslocatie (paragraaf 2.2) o historisch en huidig gebruik (paragraaf 2.3) o belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie (2.4) o bodemonderzoek (2.5) o bodemkwaliteitskaart (2.6) o toekomstig gebruik (2.7) o financieel/juridisch (2.8) o bodemopbouw en geohydrologie (2.9) o onderzoekshypothese (2.10)

4

Rapport 20KL160

Ter verkrijging van de benodigde informatie zijn onderstaande bronnen geraadpleegd:  locatie-inspectie (d.d. 2 april 2020);  informatie opdrachtgever;  internetsite Provincie Limburg (bodeminformatie);  internetsite bodeminformatie (https://bodemloket.nl);  internetsite Basisregistratie Adressen en Gebouwen (https://bagviewer.kadaster.nl);  Luchtfoto Google Earth;  Grondwaterkaart van Nederland;  Topografische Atlas van Nederland (2002);  Internetsite Tijdreis, historisch kaartmateriaal van ca. 1815 tot heden (https://topotijdreis.nl);  kadastralekaart. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden zijn bovenstaande bronnen geraadpleegd en is door Klijn Bodemonderzoek een locatie-inspectie uitgevoerd. Tijdens de locatie-inspectie is onder andere gelet op verdachte plekken (zoals verkleuringen, brandplekken, olieopslag etc.), asbest op of in de bodem, asbestbeschoeiingen, verzakkingen en ophogingen. 2.2.

Ligging onderzoekslocatie De percelen liggen aan de Venloseweg 21 te Horst en zijn kadastraal bekend als Gemeente Horst, sectie C, nrs. 4351, 4893, 4894 en 4997. De onderzoekslocatie betreft de gehele kadastrale percelen en heeft een totale oppervlakte van 6.512 m2. De locatie bevindt zich aan de zuidoostzijde van het centrum en binnen de bebouwde kom van Horst In figuur 1 is een luchtfoto te zien van de onderzoekslocatie en directe omgeving. Figuur 1: Luchtfoto onderzoekslocatie en omgeving Onderzoekslocatie

In de omgeving van de onderzoekslocatie bevinden zich voornamelijk woningen (bebouwd gebied). Voor een topografisch overzicht van de locatie en omgeving verwijzen wij naar de tekening in bijlage 1, een tekening van de locatie is weergegeven in bijlage 5.

5 2.3.

Rapport 20KL160

Historisch en huidig gebruik De gehele locatie, tevens onderzoekslocatie, aan de Venloseweg 21 te Horst heeft een oppervlakte van circa 6.512 m². Op het perceel bevinden zich een woning met zwembad en enkele bedrijfshallen. Ter plaatse was een timmerbedrijf/houthandel gevestigd en is er sprake van een bovengrondse brandstoftank. Tevens was er in het verleden een bovengrondse brandstoftank nabij de woning aanwezig. Een aantal bedrijfshallen zijn voorzien van een asbestverdachte (golf)platen waarbij geen dakgoten aan het dak zijn gemonteerd. De druppelzone van de daken betreft echter een aaneengesloten asfaltverharding, waarbij het hemelwater via staatkolken wordt afgevoerd naar de riolering. Het onbebouwde terreindeel achter de woning en voor en naast de bedrijfshallen is in gebruik als erf en is deels bestraat met klinkers en grotendeels voorzien van asfalt. De woning evenals een kleinere schuur dateren uit 1928. De overige bedrijfshallen zijn in de jaren zestig gerealiseerd. Het perceel ter plaatse van de woning met siertuin is voor zover bekend alleen in gebruik geweest als wonen met tuin. Het overige terreindeel heeft een bedrijfsbestemming. Uit de informatie, welke is verkregen uit het historisch onderzoek conform NEN 5725, is tevens gebleken dat over de aanwezigheid van ondergrondse opslagtanks of in het verleden uitgevoerde dempingen geen gegevens bekend zijn.

Volgens de eigenaar is voormalige bovengrondse brandstoftank, welke nabij de woning heeft gelegen, lang geleden (vorige eeuw) verwijderd. Tevens is niet bekend of op de onderzoekslocatie in het verleden een bodemonderzoek is uitgevoerd. Op de locatie is, behalve bovenstaande activiteiten en voor zover bekend, geen sprake van (voormalige) puntbronnen en zijn er geen gegevens bekend over eventuele uitgevoerde verdachte (bodembedreigende) activiteiten op het perceel die de milieuhygiënische kwaliteit van grond en grondwater nadelig kunnen hebben beïnvloed.

2.4.

Belendende percelen en omgeving onderzoekslocatie De directe omgeving van de onderzoekslocatie bestaat uit: - Noordzijde: woningen met tuin - Oostzijde: woningen met tuin - Zuidzijde: openbare weg en woningen met tuin - Westzijde: openbare weg en woningen met tuin De activiteiten die plaatsvinden en/of plaats hebben gevonden op de belendende percelen worden weergegeven in tabel 1.

2.5.

Bodemonderzoek Voor zover bekend is er niet eerder een bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de onderzoekslocatie en/of directe omgeving.

2.6.

Bodemkwaliteitskaart Op basis van de toepassingskaart van de Bodemkwaliteitskaart valt zowel de boven- als de ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie in de klasse Wonen.

2.7.

Toekomstig gebruik van het terrein De bestemming van de onderzoekslocatie zal deels worden gehandhaafd deels worden gewijzigd. Het voornemen is om de bedrijfshallen en het terrein/tuin met zwembad te slopen/verwijderen en te herontwikkelen tot appartementen en patiowoningen. Het bestaande woonhuis (nr. 21) zal worden behouden wordt verbouwd tot appartementen.

2.8.

Financieel/juridisch Op het perceel hebben, voor zover bekend, geen calamiteiten plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd is geraakt.

6 2.9.

Rapport 20KL160

Regionale opbouw en geohydrologie De regionale bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie is weergegeven in tabel 1. Voor de informatie in de voorliggende paragraaf is gebruik gemaakt van de Grondwaterkaart van Nederland (DGV/TNO Delft), de Bodemkaart van Nederland (STIBOKA Wageningen) en de topografische kaart van Nederland (TDN Emmen). Tabel 1: regionale bodemopbouw diepte m-mv

doorlatendheid

samenstelling

0–4 4 – 10 30 – ?

Deklaag 1e watervoerend pakket 2e watervoerend pakket

Enkeerdgronden, zwart fijn zand, plaatselijk leem of kleilaagjes mogelijk Grove zanden Kleien met bruinkoollaagjes, humeus kleihoudend zand

De locatie bevindt zich in een gebied welke volgens de digitale bodemkaart van Nederland gekenmerkt wordt als “gronden in een oude maasmeander. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel. De maaiveldhoogte van de locatie bedraagt circa 25,0 m+NAP. Het eerste watervoerend pakket heeft een dikte van circa 10 m en wordt gevormd door de grove en grindrijke zanden van de Peize-Waalre Formatie. Op deze fluviatiele en glaciofluviatiele formaties liggen de fijnzandige, matig goed doorlatende dekzandafzettingen, behorende tot de Formatie van Boxtel en Beegden, met een dikte van ± 7 m. Het eerste watervoerend pakket wordt aan de onderzijde begrensd door de Kiezelooliet Formatie. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt circa 14 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 2,5 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO, kaartblad 52 Oost, 1978 (schaal 1:50.000), in westelijke richting. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. 2.10.

Onderzoekshypothese Verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) Conform de aanpak van de NEN 5740 dient, voorafgaand aan de uitvoering van het veld- en laboratoriumonderzoek, op basis van de verkregen informatie een hypothese te worden opgesteld. Het betreft hierbij een aanname met betrekking tot het al dan niet aanwezig zijn van bodemverontreiniging op de te onderzoeken locatie. Op basis van de gestelde informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie beschouwd als “verdacht” ten aanzien van bodemverontreiniging. Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is met stoffen in concentraties boven de achtergrondwaarde (grond) en/of de streefwaarde (grondwater). Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “verdacht” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Op basis van het vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie onderverdeeld in drie deellocaties: 1. voormalige bovengrondse brandstoftank (ca. 10 m²), 2. bovengrondse brandstoftank (ca. 10 m²), 3. overig terreindeel (ca. 6.512 m²).

7

Rapport 20KL160

Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707. Op basis van de verkregen informatie met betrekking tot de historie en het huidige gebruik van de onderzoekslocatie, wordt de onderzoekslocatie beschouwd als “onverdacht” ten aanzien van bodemverontreiniging met asbest. Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is met asbest in concentraties boven de grenswaarde of het geldende achtergrondgehalte. Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is met asbest in concentraties boven de grenswaarde of de geldende interventiewaarde. Waarbij geldt dat nader onderzoek dient plaats te vinden bij concentraties boven de 0,5 maal de interventiewaarde (0,5 x 100 mg/kgds= 50 mg/kgds). Voor het toetsen van bovenstaande hypothese is de onderzoeksstrategie “asbest onverdacht” uitgevoerd. Deze strategie is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3.

3.

ONDERZOEKSPROGRAMMA Ten behoeve van dit onderzoek is een programma voor veld- en laboratoriumwerk opgesteld. Verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) 1. Voormalige en huidige bovengrondse brandstoftank De onderzoeksopzet is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend bodemonderzoek (NEN 5740 versie januari 2009, inclusief correctieblad A1 van februari 2016) waarbij de onderzoeksstrategie voor verdachte locaties met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (VEP) is gehanteerd. Dit, omdat de bodem ter plaatse van de voormalige tank(s) mogelijk verontreinigd is met oliehoudende producten. Volgens de NEN5740 wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien in de grond en/of het freatisch grondwater concentraties van één of meerdere onderzochte parameters worden aangetroffen boven de achtergrond- of streefwaarden. 2. Overig terreindeel De onderzoeksopzet is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend bodemonderzoek (NEN 5740 versie januari 2009, inclusief correctieblad A1 van februari 2016) waarbij de onderzoeksstrategie voor verdachte locaties met diffuse bodembelasting (VED-HE-NL) is gehanteerd. Volgens de NEN5740 wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien in de grond en/of het freatisch grondwater concentraties van één of meerdere onderzochte parameters worden aangetroffen boven de achtergrond- of streefwaarden.

Hierbij dient rekening te worden gehouden met enige spreiding in de analyseresultaten evenals de ruimtelijke verdeling van de verontreinigde stof(fen) binnen de onderzoekslocatie. Verkennend asbestonderzoek (NEN 5707) De onderzoeksopzet ten behoeve van het verkennend asbest onderzoek is gebaseerd op de Nederlandse Eindnorm voor verkennend asbestonderzoek in grond (NEN 5707, paragraaf 6.4.2) voor kleinschalige onverdachte locaties. Volgens de NEN 5707 (versie augustus 2015, inclusief correctieblad C2 van december 2017), het verkennend asbest onderzoek, wordt de eerdergenoemde hypothese aanvaard indien ter plaatse in de grond concentraties aan asbest worden aangetroffen onder 0,5 maal de interventiewaarde. Het veldonderzoek is uitgevoerd volgens de SIKB Beoordelingsrichtlijn voor Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodemonderzoek (BRL SIKB 2000) en de Nederlandse Normen en Praktijk Richtlijnen (NEN en NPR) van het Nederlands Normalisatie-Instituut.

8

Rapport 20KL160

De verrichte veldwerkzaamheden en chemische analyses zijn weergegeven in tabel 2. Tabel 2: Verrichte veldwerkzaamheden en chemische analyses (deel-)locatie

oppervlakte m2

monsternamepunten1)

Chemische analyses grond2) grondwater3)

Overig terreindeel, 4 t/m 22

6.512

12 inspectiegaten4) tot 0,5 m-mv 1 inspectiegaten4) tot 0,7 m-mv 1 inspectiegat4)tot 0,9 m-mv 1 inspectiegat4)tot 1,0 m-mv 3 inspectiegaten4)tot 2,0 m-mv 1 inspectiegat4) met peilbuis

3 x NEN-bovengrond 3 x PFAS5) –bovengrond 3 x asbest in grond 2 x NEN-ondergrond

1 x NEN-grondwater

Vml bg brandstoftank, boringen 1, 2 en 3

10

2 boringen tot 1,0 m-mv 1 boring met peilbuis

n.v.t.

1 x vluchtige aromaten en minerale olie

Bg brandstoftank, boringen 23, 24 en 25

10

2 boringen tot 1,0 m-mv 1 boring met peilbuis

1 x vluchtige aromaten en minerale olie

1 x vluchtige aromaten en minerale olie

1) m-mv = meter minus maaiveld 2) NEN-grond =

zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn); PCB’s; minerale olie (GC); PAK -VROM vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen) ; minerale olie (GC); vluchtige organische halogeenverbindingen 4) inspectiegaten = minimaal 0,3 m bij 0,3 m 5) PFAS = PFOA en PFOS componenten 3) NEN-grondwater = zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn);

De posities van de monsternamepunten zijn in bijlage 5 weergegeven. De boringen ten behoeve van het NEN 5740 onderzoek en het NEN 5707 onderzoek zijn gecombineerd uitgevoerd. Ter plaatse van de asfaltverharding zijn er gaten in de verharding geboord. Aangaande de voormalige bovengrondse brandstoftank, die ergens vorige eeuw is verwijderd, is van de bovengrond geen mengmonster geanalyseerd. Dit vanwege de uitgevoerde herinrichting van de tuin waarbij vermoedelijk grondverzet heeft plaats gevonden en vanwege het feit dat er zintuigelijk zijn geen constateringen zijn gedaan die duiden op een mogelijk verontreiniging is besloten om de deelmonsters op te nemen in de mengmonsters van het overige terreindeel. Echter is ter controle ter plaatse wel een grondwaterpeilbuis geplaatst. PFAS zijn stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Deze stoffen werden in het verleden gebruikt in diverse industriële processen en gebruikt voor toepassing in diverse producten waaronder verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. De stoffen zijn persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar. De chemische analyses zijn conform het AS3000 protocol uitgevoerd door het milieulaboratorium van AL-West B.V. te Deventer. AL-West B.V. beschikt over een accreditatie volgens NEN-ENISO 17025.

9

Rapport 20KL160

4.

BODEMGEGEVENS

4.1.

Bodemgesteldheid en zintuiglijke waarnemingen Ten behoeve van het onderzoek is op 2 en 6 april 2020 een veldonderzoek uitgevoerd door B.A.C. van Loo en R.M.P. van Lieshout (beide erkend monsternemer volgens certificaat EC-SIK-20304). Het opgeboorde materiaal is in het veld beoordeeld op textuur, (afwijkende) kleuren en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. De bemonstering heeft plaatsgevonden conform de NEN5742 en/of NEN5743. Daarnaast is voor de opgeboorde grond een olie-op-water-test gedaan: via dompeling van een met olie verontreinigd grondmonster in water ontstaat er een zichtbare film op het water. De grootte en de kleurschakering hiervan kunnen een indicatie zijn voor de mate van olieverontreiniging. Ten behoeve van het verkennend asbest onderzoek is het opgeboorde materiaal in het veld beoordeeld op textuur, (afwijkende) kleuren en zintuiglijk waarneembare verontreinigingen. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is op diverse plaatsen op het terrein het vochtpercentage in de bodem bepaald. Uit de metingen bleek een gemiddeld bodemvochtgehalte van 14 % waarna is gestart met de werkzaamheden. Tevens is tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden periodiek het vochtgehalte in de bodem bepaald. Tijdens de periodieke metingen is gebleken dat het vochtgehalte niet onder de 10% is gemeten.

Op het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn, op basis van zintuiglijke waarnemingen, geen asbestverdachte materialen waargenomen. Ten behoeve van het asbestonderzoek zijn de inspectiegaten (4, 12 t/m 19) handmatig gegraven (30 bij 30 centimeter tot 0,5 m-mv). De inspectiegaten in de asfaltverharding (5 t/m 11, 21 en 22) zijn geboord met een diamantboor met een diameter van 35 cm. Handmatig is gegraven tot 0,5 m-mv waarna een aantal monsternamepunten is doorgezet met behulp van een edelmanboor met een diameter van 12 cm. De gaten zijn gelijkmatig verdeeld over het onderzoeksperceel. Het onderzoeksgebied bestaat, qua vierkante meters, uit drie RE`s. De opgegraven grond uit de gaten is uitgespreid met een maximale laagdikte van 2 cm en geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal. De grond is met behulp van een hark uitgeharkt zodat alle delen groter dan 20 mm van het grondmonster worden gescheiden. De inspectie efficiëntie ter plaatse van het maaiveld wordt gesteld op 95%. Op basis van zintuiglijke waarnemingen is geen asbestverdacht materiaal geconstateerd. De overige veldwaarnemingen zijn samengevat in tabel 3. De boorprofielen met veldwaarnemingen zijn opgenomen in bijlage 2. Tabel 3: Veldwaarnemingen Boring

Traject (m-mv)

Waarneming

4 5

0,15-0,50 0,04-0,20 0,40-0,70 0,04-0,15 0,10-0,50 0,05-0,35 0,05-0,30 0,00-0,50 0,00-0,50 0,00-0,50 0,10-0,50

Volledig puin Volledig slakken Zwak aardewerk en resten baksteen Volledig slakken Sterk metselpuin Sterk metselpuin Sterk stenen en metselpuin Zwak grind en resten puin Resten puin Zwak puin Zwak grind

6 7+8 9 10 15 16+17+18+19 20 24

10 4.2.

Rapport 20KL160

Samenstelling grondmengmonsters Op basis van de bodemopbouw en de zintuiglijke waarnemingen zijn grondmonsters geselecteerd voor chemische analyse. Bij het samenstellen van de grondmengmonsters is als uitgangspunt gehanteerd dat een mengmonster kan worden samengesteld uit individuele grondmonsters, indien het bodemmateriaal min of meer dezelfde samenstelling heeft. De samenstelling van de grond(meng)monsters is vermeld in tabel 4. Tabel 4: Samenstelling grond(meng)monsters Grond(meng)monster

Samengesteld uit boringen

Diepte (m-mv)

Opmerking

7+8 9 10

0,10-0,50 0,05-0,35 0,08-0,30

Sterk metselpuin Sterk metselpuin Sterk metselpuin

MM2

1+3 12+14

0,00-0,50 0,08-0,50

-

MM3

16+17+18+19

0,00-0,50

-

MM4

2+7+13

0,50-2,00

-

MM5

1+3+8 4 9

0,50-1,00 0,60-0,90 0,50-2,0

-

23+25 24

0,00-0,50 0,10-0,50

-

5 6 21 11+22 12+13+14

0,20-0,40 0,15-0,50 0,14-0,50 0,10-0,30 0,08-0,50

-

RE2

7+8 9 10

0,10-0,50 0,05-0,35 0,08-0,30

Sterk metselpuin Sterk metselpuin Sterk metselpuin

RE3

15 16+17+18+19

0,00-0,50 0,00-0,50

Resten puin en zwak grind Resten puin

Verkennend bodemonderzoek Overig terrein MM1

Bovengrondse brandstoftank MM6 Verkennend asbestonderzoek RE1

11 4.3.

Rapport 20KL160

Concentratieberekening plaatmateriaal Voor het berekenen van het gehalte asbestmateriaal in grond, met een diameter groter dan 20 mm, is het noodzakelijk om de door het laboratorium gerapporteerde gehalten te corrigeren aan de inspectie efficiëntie en de massa van het uitgegraven materiaal. Het gehalte wordt berekend met de onderstaande formule. Cm,i = ∑ (Mk x %k,i / 100) / Mlok Cm,i = het gehalte asbest per asbestsoort is afkomstig van de verzamelde asbesthoudende materialen, in mg/kg ds; Mk = de massa verzamelde asbesthoudende materialen van het type k, in mg; %k,i = het percentage asbest van het asbestsoort i in de verzamelde asbesthoudende materialen van het type k, in %; Mlok = het drooggewicht van het verzamelmonster grond op de locatie, in kg.

Gezien het feit dat een groot monster is geïnspecteerd, is weging van het monster niet mogelijk waardoor het drooggewicht van het monster is afgeleid van de volgende formule. Mlok = (1000 x V x ns) x (%E/100) x Ma/Mva V = het volume van de geïnspecteerde deelpartij in m³; Ns = het stortgewicht van het materiaal, in kg/dm³; %E = een schatting van de inspectie efficiëntie, in %; Ma = de massa van het gedroogde analysemonster, in kg; Mva = de massa van het veldvochtige analysemonster, in kg.

Formeel dient de bulkdichtheid (ns) van het materiaal worden bepaald conform NEN 5926, echter op basis van ervaringscijfers kan worden aangenomen dat het gewicht van het materiaal (puin en grond) is gelegen tussen de 1,5 en 1,9 ton/m³. In onderhavig onderzoek is een bulkdichtheid van 1,65 ton/m³ aangehouden. Tijdens het onderzoek is gerekend met een inspectie efficiëntie van 95%. Ten tijde van het onderzoek voldeden de weersomstandigheden aan de gestelde randvoorwaarden voor asbestonderzoek. Dit betekent: o het maaiveld is vrij inspecteerbaar; o het maaiveld is droog, vorstvrij en onbesneeuwd; o geen regenval van meer dan 100mm/h; o geen hagel of sneeuwval; o onderzoek is uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang; o geen mist met een zicht van minder dan 50 meter. Gezien het feit dat in de opgeboorde/opgegraven grond geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen, is in onderhavig onderzoek geen concentratie berekening uitgevoerd.

12

Rapport 20KL160

5.

RESULTATEN METINGEN EN CHEMISCHE ANALYSES

5.1.

Meetgegevens grondwater Voordat de peilbuizen zijn bemonsterd, is de waterstand in de peilbuizen gemeten. Tevens zijn het elektrisch geleidingsvermogen (EC), troebelheid (NTU) en de zuurgraad (pH) van het water bepaald. De grondwatermonsters zijn in het veld, voor zover noodzakelijk, gefiltreerd en geconserveerd. De bemonstering heeft plaatsgevonden conform de NEN5744. De resultaten van de metingen zijn weergegeven in tabel 5. De watermonstername is op 9 april 2020 uitgevoerd door A.J.M Heddes van SMV Milieu uit Groesbeek (erkend monsternemer volgens certificaat K46241/09). Tabel 5: Meetgegevens grondwater Peilbuis

Filterdiepte

Waterstand

zuurgraad (pH)

elektrisch geleidingsvermogen µS/cm

Troebelheid NTU

Afgepompt liter

Toestroming

Monster belucht?

m-mv

m-mv

Overig terrein 09 3,0-4,0

2,44

6,8

755

37,7

4,5

goed

nee

Vml bg brandstoftank 02 3,0-4,0

2,43

6,8

347

22,4

3,5

goed

nee

Bg brandstoftank 24 3,5-4,5

2,58

6,9

125

59,4

4,0

goed

nee

De gemeten pH en EC zijn normale waarden voor een natuurlijke situatie in deze omgeving. In het grondwater is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). Het grondwater heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is het grondwater zorgvuldig en met een voldoende laag debiet (≤0,1 l/min) afgepompt voorafgaand aan de bemonstering, zodat de grondwaterstand slechts gering is gedaald tijdens het afpompen (< 50 cm). Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens de monsterneming. Tevens wordt aangenomen dat de gemeten waarde voor troebelheid een natuurlijke oorzaak heeft (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrix-storingen bij de analyse en ab- en adsorptie van organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen. De meetresultaten van het grondwater hebben geen aanleiding gegeven tot het bijstellen van het onderzoeksprogramma.

13 5.2.

Rapport 20KL160

Toetsingskader Om de mate van verontreiniging van de bodem te kunnen beoordelen, zijn de chemische analyseresultaten van de grond en het grondwater getoetst aan de richtlijnen die zijn opgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013, Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675). Ten behoeve van deze toetsing wordt gebruik gemaakt van de begrippen achtergrond-, streef- en interventiewaarde. De achtergrondwaarden (AW) zijn landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit en geven de bovengrens aan voor wat in de dagelijkse praktijk 'schone grond' wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. Dit omdat in dergelijke gronden geen belasting door lokale verontreinigingsbronnen aanwezig wordt geacht. De streefwaarde (S) geeft het concentratieniveau in grondwater aan waarboven wèl en waaronder géén sprake is van een aantoonbare verontreiniging. De interventiewaarde (I) geeft het concentratieniveau in de grond, waterbodem of grondwater aan waarboven de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier en plant heeft, in ernstige mate kunnen zijn verminderd.

In het overheidsbeleid wordt gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien de gemiddelde concentratie aan één stof de interventiewaarde overschrijdt in tenminste 25 m3 grond/slib of voor het grondwater in tenminste 100 m3 bodemvolume. Over de hoeveelheid grond/slib of grondwater waarop een eventuele overschrijding van de interventiewaarde voordoet kan in een eerste onderzoek meestal nog geen betrouwbare uitspraak worden gedaan. Daarom kunnen op basis van de resultaten van dit eerste onderzoek dan ook geen conclusies worden getrokken ten aanzien van het wel of niet ernstig zijn van het verontreinigingsgeval. Bij de getoetste waarden is tevens een index opgenomen. Deze index is als volgt berekend: Index = (GSSD - AW) / (I - AW). Een negatieve waarde voor de index houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD) lager is dan de achtergrondwaarde. Bij een index boven de 1 ligt de gestandaardiseerde meetwaarde boven de interventiewaarde. Een index tussen de 0 en 0,5 betekent dat de gestandaardiseerde meetwaarde (ver) onder de interventiewaarde ligt. Een index tussen de 0,5 en 1 houdt in dat de gestandaardiseerde meetwaarde (dicht) bij de interventiewaarde ligt (overschrijding voormalige tussenwaarde). Afhankelijk van de specifieke situatie kan dit aanleiding geven voor het uitsplitsen van een mengmonster en/of het uitvoeren van een nader onderzoek.

Met een nader bodemonderzoek kan de ernst en spoedeisendheid van het geval worden vastgesteld. Een nader onderzoek kan worden uitgevoerd als er een duidelijke indicatie bestaat dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Bij de toetsing worden de gemeten gehalten aan de hand van geanalyseerde of geschatte gehalten organische stof en lutum met BOTOVA-gevalideerde software omgerekend naar zogenaamde standaardbodemcondities (bodem met 10% organische stof en 25% lutum). Deze gestandaardiseerde meetwaarden worden vergeleken met de vaste normwaarden. Door een aantal wijzigingen in de Regeling Bodemkwaliteit zijn per 1 april 2009 de normen voor barium in grond tijdelijk buiten werking gesteld. Als blijkt dat verhoogde gehalten aan barium worden veroorzaakt door antropogene bronnen, kan het bevoegd gezag dit gehalte beoordelen aan de voormalige interventiewaarden. Wanneer het gehalte van een parameter beneden de rapportagegrens van AS3000 ligt mag er, conform de Wijziging Regeling Bodemkwaliteit (Stc. 122, 27 juni 2008), voor de betreffende parameter vanuit worden gegaan dat deze voldoet aan de achtergrondwaarde (AW2000).

14

Rapport 20KL160

In tabel 6 zijn de normen opgenomen van het tijdelijk handelingskader (d.d. 29 november 2019) voor generieke toepassingen van grond en baggerspecie op de landbodem bovengrondwaterniveau en buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Tabel 6: Toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau1 (in µg/kg.ds) Toepasbaar op land: Vrij m.u.v. grondwaterbescher- PFOA <0,8 PFOS < 0,9 GenX 0,1 overige PFAS < 0,8 mingsgebieden Wonen en industrie, 0,8 < PFOA < 7 0,9 < PFOS < 3 GenX < 3,0 0,8 < overige PFAS < 3 Landbouw en natuur als PFAS < lokale achtergrondwaarde Reiniging / niet toepasbaar PFOA > 7 PFOS > 3 GenX > 3,0 overige PFAS > 3 (1) (1)

Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Op de waarden uit deze tabel hoeft (tot 10%) geen bodemtypecorrectie toegepast te worden (dit is overeenkomstig de systematiek zoals die op dit moment al voor PAK geldt).

Voor gebieden met lokaal vastgesteld gebiedspecifiek beleid, baggerspecie benedenstrooms afkomstig uit hetzelfde oppervlaktewaterlichaam en baggerspecie uit hetzelfde beheersgebied met een aangewezen geohydrologisch geïsoleerde plas, kunnen afwijkende normen zijn opgesteld. Nadere informatie hierover is te vinden op de websites van Rijkswaterstaat en Bodem+. 5.3.

Analyseresultaten verkennend asbestonderzoek NEN 5707 De resultaten zijn getoetst aan het integrale beleid voor asbest in bodem, grond en puin(granulaat). De interventiewaarde bodemsanering voor asbest en de restconcentratienorm voor asbesthoudende bulkmaterialen is vastgesteld op 100 mg/kg (gewogen). Met “gewogen” wordt bedoeld de concentratie serpentijnasbest vermeerderd met tienmaal de concentratie amfiboolasbest. Indien de grens van 0,5 maal de interventiewaarde van 100 mg/kg ds (= 50 mg/kg ds) aan asbest wordt overschreden is nader onderzoek gewenst. In tabel 7 is de totale hoeveelheid asbest in grond opgenomen. In de analyserapporten (bijlage 3) zijn de gemeten concentraties aan asbest in de fijne fractie (delen kleiner dan 20 mm) weergegeven. Tabel 7: Totale hoeveelheid asbest in mg/kg ds per RE Monster

RE1 RE2 RE3

Omgerekend gewicht asbest in mg/kg ds

Geanalyseerd gewicht asbest in mg/kg ds

0,0 0,0 0,0

<1 <1 5,0

Totaal gewicht asbest in mg/kg ds <1 <1 5,0

15 5.4.

Rapport 20KL160

Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek NEN 5740 In bijlage 4 zijn de toetsingstabellen opgenomen met alle analyseresultaten, de omgerekende analyseresultaten (GSSD) en de bijbehorende toetsingsresultaten (waarden kleiner dan de detectielimiet zijn niet omgerekend). Tevens is in de toetsingstabel de indicatieve waarde voor hergebruik, conform de toetsing Besluit Bodem Kwaliteit, opgenomen. In de tabellen 8 en 9 wordt een samenvatting weergegeven van de toetsingsresultaten van respectievelijk grond en grondwater. De analyserapporten zijn opgenomen in bijlage 3. Tabel 8: Samenvatting toetsingsresultaten grond(meng)monsters (gehalten in mg/kg d.s., tenzij anders vermeld) Parameters

Resultaat GSSD

PCB som 7 overige parameters NEN-pakket Som PFOA (factor 0,7) Som PFOS (factor 0,7)

0,14 0,14

Parameters NEN-pakket Som PFOA (factor 0,7) Som PFOS (factor 0,7) Cadmium (Cd) Kwik (Hg) Lood (Pb) PAK som 10 overige parameters NEN-pakket Som PFOA (factor 0,7) Som PFOS (factor 0,7)

MM4 (0,5-2,0 m-mv) Samenstelling: 2+7+13 MM5 (0,5-2,0 m-mv) Samenstelling: 1+3+4+8+9

Overig terrein

MM1 (0,1-0,5 m-mv) Samenstelling: 7+8+9+10

MM2 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 1+3+12+14 MM3 (0,0-0,5 m-mv) Samenstelling: 16+17+18+19

AW

I

T index

Toets oordeel Toetsing BBK

40 0,14 0,14

20 0,8 0,9

1000 0,02 7,0 3,0

> AW en <= T < AW <AW <AW

Wonen <Achtergrondwaarde <Achtergrondwaarde <Achtergrondwaarde

0,21 0,19

0,21 0,19

0,8 0,9

7,0 3,0

-

< AW <AW <AW

<Achtergrondwaarde <Achtergrondwaarde <Achtergrondwaarde

0,5 0,11 41 0,40 0,22

0,81 0,15 61,9 2,46 0,40 0,22

0,6 0,15 50 1,5 0,8 0,9

13 36 530 40 7,0 3,0

0,017 0 0,025 0,025 -

> AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T > AW en <= T < AW <AW <AW

Wonen Wonen Wonen Wonen <Achtergrondwaarde <Achtergrondwaarde <Achtergrondwaarde

Parameters NEN-pakket

-

-

-

-

-

< AW

<Achtergrondwaarde

Parameters NEN-pakket

-

-

-

-

-

< AW

<Achtergrondwaarde

-

-

-

-

-

< AW < AW

<Achtergrondwaarde <Achtergrondwaarde

Bovengrondse brandstoftank MM6 (0,1-0,5 m-mv) Samenstelling: 23+24+25 AW I GSSD T-index Toets oordeel Toetsing BBK Index < 0 0 < Index < 0,5 0,5 < Index < 1 Index > 1 NEN-pakket

Minerale olie C10-C40 Vluchtige aromaten

Achtergrondwaarde Interventiewaarde Gestandaardiseerde meetwaarde Index voor de afwijking van Gstandaard tov gemiddelde van Achtergrondwaarde en Interventiewaarde Parameteroordeel op basis van de waarde bij 'T Index' Indicatieve waarden voor hergebruik van de geanalyseerde grond, conform toetsing Besluit Bodem Kwaliteit GStandaard < AW GStandaard ligt tussen de AW en de oude T GStandaard ligt tussen de oude T en I I overschreden Geen verhoogde gehalten ten opzichte van de achtergrondwaarden Zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn); PCB’s; minerale olie (GC); PAK som 10

16

Rapport 20KL160

Tabel 6: Samenvatting toetsingsresultaten grondwatermonster (gehalten in µg/l, tenzij anders vermeld) Overig terreindeel

Peilbuis 09 Filterstelling: 3,0-4,0 m-mv

Parameters

Resultaat GSSD

SW

I

T index

Toets oordeel

Barium 1,1,2-Trichloorethaan overige parameters NEN-pakket

57 < 0,2 -

57 0,14 -

50 0,01 -

625 130 -

0,012 0,001 -

>SW en <=T > SW en <= T < SW

Minerale olie C10-C40 Vluchtige aromaten

-

-

-

-

-

< SW < SW

-

-

-

-

-

< SW < SW

Bovengrondse brandstoftank Peilbuis 02 Filterstelling: 3,0-4,0 m-mv

Voormalige bovengrondse brandstoftank Peilbuis 24 Filterstelling: 3,5-4,5 m-mv SW I GSSD T-index Toets oordeel Index < 0 0 < Index < 0,5 0,5 < Index < 1 Index > 1 NEN-pakket

5.5.

Minerale olie C10-C40 Vluchtige aromaten

Streefwaarde Interventiewaarde Gestandaardiseerde meetwaarde Index voor de afwijking van Gstandaard tov gemiddelde van Streefwaarde en Interventiewaarde Parameteroordeel op basis van de waarde bij 'T Index' GStandaard < SW GStandaard ligt tussen de SW en de oude T GStandaard ligt tussen de oude T en I I overschreden Geen verhoogde gehalten ten opzichte van de streefwaarden zware metalen (Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni en Zn); vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen) ; minerale olie (GC); vluchtige organische halogeenverbindingen

Toelichting analyseresultaten Op basis van de veldwaarnemingen en de analyseresultaten kan de bodemkwaliteit als volgt worden toegelicht: Grond Verkennend asbestonderzoek NEN 5707 Zintuiglijk is in de bovengrond van de gegraven en/of geboorde gaten 4 t/m 10 en 15 t/m 20 en 24 tot een maximale diepte van circa 0,5 m-mv een bijmengingen met bakstenen, metselpuin, puin en/of grind waargenomen. In de opgegraven grond en bemonsterde grond ter plaatse van RE1 en RE2 zijn zowel zintuigelijk als analytisch (<1,0 mg/kg droge stof) geen asbest verdachte materialen aangetoond. De gewogen asbestconcentraties van RE1 en RE2 (<1 mg/kg ds) liggen ruim onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds). In de opgegraven grond en bemonsterde grond, ter plaatse van RE3 is zintuigelijk geen asbestverdachte materiaal geconstateerd. Analytisch is 5,0 mg/kg droge stof aan asbest verdachte materialen aangetoond. De gewogen asbestconcentratie van RE3 (5,0 mg/kg ds) ligt ruim onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds). Voor de volledigheid dient te worden vermeld dat bij analyse van mengmonsters de gehalten bij separate analyse van individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen uitvallen.

17

Rapport 20KL160

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Overig terreindeel In mengmonster MM1 (0,1-0,5 m-mv) is het gehalten aan PCB verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. Daarnaast zijn in MM1 (0,1-0,5 m-mv) de gehalten aan PFOA en PFOS niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de waarden voor landbouw/natuur. In MM2 is geen van de geanalyseerde parameters in een verhoogde concentratie ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. Tevens zijn in MM2 (0,0-0,5 m-mv) de gehalten aan PFOA en PFOS niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de waarden voor landbouw/natuur. In mengmonster MM3 (0,0-0,5 m-mv) zijn de gehalten aan cadmium, kwik, lood en PAK verhoogd aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarden. Daarnaast zijn in MM3 (0,0-0,5 mmv) de gehalten aan PFOA en PFOS niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de waarden voor landbouw/natuur. In MM4 (0,5-2,0 m-mv) is geen van de geanalyseerde parameters in een verhoogde concentratie ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. In MM5 (0,5-2,0 m-mv) is geen van de geanalyseerde parameters in een verhoogde concentratie ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. De licht verhoogde gehalten met zware metalen en PAK hangen vermoedelijk samen met het langdurig menselijk gebruik van het terrein. In de bebouwde omgeving worden regelmatig dergelijke gehalten aangetroffen.

Voor de volledigheid dient te worden vermeld dat bij analyse van mengmonsters de gehalten bij separate analyse van individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen uitvallen. Grondwater Analytisch zijn in het grondwater ter plaatse van peilbuis 09, ten opzichte van de streefwaarde, verhoogde gehalten aan barium en 1,1,2-Trichloorethaan aangetoond. Het licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwater kan mogelijk worden toegeschreven aan de natuurlijke samenstelling van regionaal aanwezige sedimenten. In de loop der tijd is het sedimentmateriaal verweerd waarbij het aanwezige barium is uitgespoeld naar het grondwater, waar het momenteel als een van nature verhoogde achtergrondconcentratie wordt aangetroffen. De oorzaak van het licht verhoogde gehalte aan 1,1,2-Trichloorethaan is niet direct herleidbaar. De gemeten zuurgraad (pH) en geleidbaarheid (EC) zijn niet afwijkend voor het plaatselijke bodemtype. Bovengrondse brandstoftank Grond In MM6 (0,0-0,5 m-mv) is geen van de geanalyseerde parameters in een verhoogde concentratie ten opzichte van de achtergrondwaarde aangetroffen. Voor de volledigheid dient te worden vermeld dat bij analyse van mengmonsters de gehalten bij separate analyse van individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen uitvallen.

Grondwater In het grondwater ter plaatse van peilbuis 24 is geen van de geanalyseerde parameters in een verhoogde concentratie ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. De gemeten zuurgraad (pH) en geleidbaarheid (EC) zijn niet afwijkend voor het plaatselijke bodemtype.

18

Rapport 20KL160

Voormalige bovengrondse brandstoftank Grondwater In het grondwater, ter plaatse van peilbuis 02 is geen van de geanalyseerde parameters in een verhoogde concentratie ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. De gemeten zuurgraad (pH) en geleidbaarheid (EC) zijn niet afwijkend voor het plaatselijke bodemtype.

6.

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

6.1.

Samenvatting In opdracht van Gebr. Van Stiphout Projectontwikkeling B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Venloseweg 21 te Horst. In het uitgevoerde bodemonderzoek is door middel van de bemonstering en analyse van grond en grondwater de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Van de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie is het volgende beeld verkregen:  Zintuiglijk is in de bovengrond van de gegraven en/of geboorde gaten 4 t/m 10 en 15 t/m 20 en 24 tot een maximale diepte van circa 0,5 m-mv een bijmengingen met bakstenen, metselpuin, puin en/of grind waargenomen; Verkennend asbestonderzoek  Ter plaatse van RE1 en RE2 zijn zowel zintuiglijk als analytisch (< 1,0 mg/kg) geen asbest verdachte materialen aangetoond. De gemiddeld gewogen asbestconcentratie van RE1 en RE2 (<1 mg/kg ds) liggen ruim onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds);  Ter plaatse van RE3 is zintuiglijk geen asbestveracht materiaal geconstateerd. Analytisch is 5,0 mg/kg aan asbest verdachte materialen aangetoond. De gemiddeld gewogen asbestconcentratie van RE3 (5,0 mg/kg ds) ligt ruim onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde (=50 mg/kg ds).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11391731/2