10. Ruimtelijke onderbouwing (geanonimiseerd)
Tekst van het document
belangrijke kwaliteit. Met name de beekbegeleidende, veelal natte gronden zijn bijzonder. Deze gronden bestaan voornamelijk uit hooilanden, diverse moerastypen en moerasbossen. Vanuit het visueel ruimtelijk karakter zijn in het beekdal de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden: De beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap, met name op de zandgronden. Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn de beekdalen echter in veel gevallen nog nauwelijks herkenbaar. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevindt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol. Er worden drie typen beekdalen onderscheiden. Het halfopen kamertjes type, het besloten bostype en het open grazige type. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats aangrenzend aan een bestaand bouwperceel ter plaatse van een bestaand bedrijf. Het bebouwde oppervlak ter plaatse zal in vergelijking met de huidige (vergunde) situatie niet of nagenoeg niet toenemen. De impact op het landschap is daarmee nagenoeg nihil. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf " Landschappelijke inpassing " (paragraaf 2. 2.
2), ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteiten in het gebied. Voor de cultuurhistorische waarden geldt dat bestaande historische en archeologische waarden niet mogen worden aangetast. Zoals nader omschreven in de paragraaf " Archeologie en cultuurhistorie " (paragraaf 4. 3) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle en/of archeologische waarden. Voor het reliëf geldt dat zichtbaar reliëf in het landschap zoveel mogelijk behouden en versterkt dient te worden. De voorgenomen ontwikkeling betreft een kleinschalige ontwikkeling op een bestaand erf. Tevens is er geen sprake van een toename van de bebouwde oppervlakte. Het landschap, en daarmee het reliëf daarvan, zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee niet worden geschaad. Vanuit artikel 10. 1. 1 worden ten aanzien van intensieve veehouderijen aanvullende regels gesteld. Daarbij geldt dat nieuwvestiging van een intensieve veehouderij alleen is toegestaan in de daarvoor aangewezen gebieden en dat uitbreiding (vergroting van het bouwvlak) van een intensieve veehouderij niet is toegestaan binnen de extensiveringsgebieden intensieve veehouderij.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een nieuwvestiging en/of uitbreiding van een veehouderij, waarmee deze aanvullende regels niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Verder is opgenomen dat vormverandering van een bouwvlak van een intensieve veehouderij in het gebied waarin de locatie is gelegen alleen mogelijk is als de bestaande bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn, en de vormverandering per saldo geen negatieve invloed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken, in het bijzonder landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, woon-, werk- en leefklimaat en economische structuur. Zoals nader aangetoond in de paragraaf " Milieuzonering " (paragraaf 4. 1. 1) heeft de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve invloed op de landbouw en/of overige omliggende functies en bedrijven. Zoals nader omschreven in de paragraaf " Ecologie " (paragraaf 4. 2) leidt de voorgenomen ontwikkeling eveneens niet tot een negatieve invloed op natuur- en/of bosgebieden. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf " Landschappelijke inpassing " (paragraaf 2. 2. 2), ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteiten in het gebied.
Omdat sprake is van een ontwikkeling op een bestaand terrein en de bebouwde oppervlakte (nagenoeg) niet toeneemt is de impact op het landschap (nagenoeg) nihil. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling ook geen invloed hebben op de recreatieve waarden en/of beleving van het gebied. Zoals in het voorgaande omschreven en aangetoond in de paragraaf " Milieu " (paragraaf 4. 1) leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een onevenredige milieuhinder aan de omgeving, maar zal de milieuhinder door de luchtwasser met luchtkanaal en de betere werking daarvan door de aangepaste plaatsing leiden tot een verbetering van de situatie op het gebied van milieu door een afname van de emissies en daarmee tot een verbetering van het woon- en leefklimaat. Tevens zal de voorgenomen 26
ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf " Wateraspecten " (paragraaf 4. 5) niet leiden tot nadelige gevolgen voor de waterhuishouding en is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Ten slotte zal de voorgenomen ontwikkeling geen wijzigingen tot gevolg hebben aan de infrastructuur en/of economische structuur. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen negatieve invloed hebben op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken. De plaatsing van de luchtwasser en het luchtkanaal op de gewenste plaats leidt tot het meeste rendement en de beste, meest optimale werking van de luchtwasser. De plaatsing van de luchtwasser op een andere plek aan de bestaande stal is daarmee niet efficiënt genoeg voor een doelmatige duurzame bedrijfsvoering. Het huidige bouwvlak biedt geen mogelijkheden om de luchtwasser en het luchtkanaal op de gewenste, meest efficiënte en rendabele plek op te richten. De bestaande bouwmogelijkheden binnen het bouwvlak zijn daarmee uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig. Daarmee kan de gewenste situatie mogelijk worden gemaakt.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen uit de Omgevingsverordening Limburg van de provincie Limburg.
3. 3
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Horst aan de Maas De gemeente Horst aan de Maas heeft op 26 november 2019 de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar de langere termijn. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. 3. 3. 1
De doelstelling die de gemeente heeft met de structuurvisie is drieledig. Enerzijds dient de structuurvisie een integraal beeld te vormen van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen staat voor de langere termijn. Daarnaast verschaft de gemeente inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden. Tenslotte biedt de structuurvisie kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. Een uitwerking van het Limburgs Kwaliteitsmenu in de gemeentelijke structuurvisie vormt de basis voor het vragen van een kwaliteitsbijdrage voor ontwikkelingen in het buitengebied en in de dorpen. Vanuit de visie wordt gesteld dat agrarische bedrijven, waaronder intensieve veehouderijen, die op hun bestaande locatie willen doorontwikkelen dit kunnen doen binnen de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan. Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf " Geldende bestemmingsplannen " (paragraaf 1. 3) is er sprake van een strijdigheid met het geldende bestemmingsplan, maar kan de voorgenomen ontwikkeling met een vormverandering (op basis van een wijzigingsbevoegdheid) mogelijk worden gemaakt. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan en daarmee binnen de uitgangspunten uit de visie.
Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Naast de algemene bepalingen ten aanzien van de ontwikkeling van agrarische bedrijven en de bijdrage aan de omgevingskwaliteit heeft de gemeente een gemeentelijk Kwaliteitsmenu opgenomen in de visie. Dit betreft een nadere uitwerking van het provinciale Limburgs Kwaliteitsmenu aan de gemeentelijke normen en kwaliteiten. Het kwaliteitsmenu is van toepassing indien het geldende bestemmingsplan niet direct voorziet in de betreffende ontwikkeling en deze middels bijvoorbeeld een bestemmingsplanherziening of omgevingsvergunning mogelijk gemaakt moet worden. Wijzigingsbevoegdheden in de vigerende bestemmingsplannen worden gerespecteerd. 27
De verschillende ontwikkelingsmogelijkheden zijn, grotendeels op basis van het provinciale Kwaliteitsmenu, onderverdeeld in zogenaamde 'modules'. Een module staat daarbij voor een ontwikkeling waarvoor een tegenprestatie nodig is op basis van het kwaliteitsmenu. Bij het gebruik van de modules geldt dat in eerste instantie de specifieke voorwaarden, zoals deze voor de betreffende module(s) gelden, gehanteerd worden. Wanneer deze geen uitkomst/mogelijkheden bieden van de initiatiefnemer, wordt gebruik gemaakt van de financiële tegenprestatie. De modules zijn als volgt:
1. 2. 3.
Nieuwe landgoederen; Gebiedseigen recreatie en toerisme (verblijfsrecreatie en overig); Niet-gebiedseigen recreatie en toerisme; 4. Agrarische nieuwvestiging (IV en grondgebonden bedrijven); 5. Agrarische uitbreiding (IV en grondgebonden bedrijven); 6. Nieuwvestiging en uitbreiding glastuinbouw; 7. Uitbreiding bedrijventerreinen; 8. Uitbreiding solitaire bedrijven; 9. Nieuwe (solitaire) woningen; 10. Projectmatige woningbouw in uitleggebieden; 11. Vrijkomende agrarische bebouwing (VAB); > 12. Groter bouwen (1.000 m³ per woning);
13. Overige (gebouwde) functies. De voorgenomen ontwikkeling betreft (op termijn) een vormverandering (geen uitbreiding) van een intensieve veehouderij. Voor wat betreft agrarische bedrijven gelden alleen eisen vanuit het kwaliteitsmenu als sprake is van nieuwvestiging of van een uitbreiding (vergroting bouwvlak). Hiervan is geen sprake bij de voorgenomen ontwikkeling, waarmee de aanvullende eisen uit het gemeentelijk Kwaliteitsmenu niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling en geen aanvullende tegenprestatie hoeft te worden geleverd.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten uit de Structuurvisie Horst aan de Maas van gemeente Horst aan de Maas.
28
Hoofdstuk 4 4. 1
Ruimtelijke-
en
milieuaspecten
Milieu
4. 1. 1
Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.
De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een afwijking van het geldende bestemmingsplan met een omgevingsvergunning ten behoeve van het op een andere plaats realiseren van een luchtwasser met het daarbij behorende luchtkanaal dan reeds is vergund bij de huidige varkenshouderij van de initiatiefnemer. Daarbij komen de luchtwasser en het luchtkanaal buiten het huidige bouwvlak te liggen. In een latere procedure, bij een algehele herziening van het geldende bestemmingsplan, zal het bouwvlak van vorm worden veranderd, waarbij de oppervlakte daarvan niet zal toenemen.
Op de locatie wordt een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij uitgevoerd. Met de gewijzigde positie van de luchtwasser en het luchtkanaal is in feite sprake van de verdere ontwikkeling van een varkenshouderij. Ten aanzien van varkenshouderijen zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 200 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 50 meter. Gevaar: 0 meter.
Gezien de gewijzigde opzet en de toekomstige vormverandering in theorie het verleggen van emissiepunten mogelijk maakt en omdat binnen een bouwvlak van andere bedrijven en/of locaties in theorie overal gevoelige objecten kunnen worden opgericht dient te worden gemeten van de grens van het nieuwe (toekomstige) bouwvlak van de initiatiefnemer tot aan het bouwvlak van omliggende gevoelige objecten en/of functies. De ontwikkeling vindt plaats aan de noordzijde en noordwest zijde van het bedrijf. De meeste gevoelige objecten zijn gelegen aan de zuidzijde en de zuidoost zijde van de locatie. Aan deze zijden zal het toekomstig bouwvlak in afstanden ten aanzien van het bedrijf van de initiatiefnemer niet wijzigen en/of verder van de woningen af komen te liggen. De situatie ten aanzien van de gevoelige objecten nabij de locatie aan de Hazenhorstweg zal daarmee niet in nadelige zin wijzigen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee niet leiden tot een toenemende hinder op de aan de Hazenhorstweg gelegen gevoelige objecten. De luchtwasser en het luchtkanaal komen in de gewijzigde opzet iets dichter op het bedrijf aan de Hazenhorstweg 1 te liggen. Dit bedrijf is voorzien van een bedrijfswoning en dient formeer als gevoelig object te worden beschouwd. Echter is dit bedrijf in eigendom van de initiatiefnemer en maakt het op het 29
gebied van milieu deel uit van dezelfde inrichting (milieutechnisch zijn de bedrijven aan de Hazenhorstweg 1 en 3 aangemerkt als één inrichting). De bedrijfswoning aan de Hazenhorstweg 1 behoort daarmee eveneens tot het bedrijf aan de Hazenhorstweg 3 en is derhalve niet beschermd ten aanzien van de bedrijfsvoering aan de Hazenhorstweg 3. Daarnaast is de betreffende bedrijfswoning aan de Hazenhorstweg 1 eveneens een bedrijfswoning bij een intensieve veehouderij. Voor dergelijke woningen geldt een aangepaste toetsing op het gebied van geur. In plaats van de richtafstanden en/of de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting wordt een dergelijke woning alleen getoetst aan de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij. Gezien de betreffende woning buiten de bebouwde kom is gelegen geldt dat de afstand tussen de betreffende woning tot aan een emissiepunt van een dierenverblijf minimaal 50 meter moet bedragen en de afstand tussen de betreffende woning tot aan de gevel van een dierenverblijf minimaal 25 meter moet bedragen. De afstand tussen de betreffende woning en de stal van de initiatiefnemer bedraagt ongeveer 94 meter, waarmee ruimschoots aan de afstanden wordt voldaan. Daarnaast zijn er een aantal burgerwoningen gelegen aan het Broek. De luchtwasser en het luchtkanaal komen in de gewijzigde opzet dichter bij deze woningen te liggen.
Echter zijn deze woningen al dichterbij het bedrijf aan de Hazenhorstweg 1 gelegen, waarmee deze woningen niet verder zullen worden beperkt en geen sprake zal zijn van een toenemende hinder. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal tevens sprake zijn van een afnemende milieuhinder, omdat de aangepaste plaatsing van de luchtwasser en het luchtkanaal leidt tot een betere werking daarvan. Daarmee wordt het rendement van de luchtwasser verhoogd, waarmee de emissies vanuit het bedrijf verder afnemen dan in de vergunde situatie. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee leiden tot een afname van de milieuhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object. Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
4. 1. 2
Geur
De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning en/of V-Stacks gebied. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen.
Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied. De gemeente Horst aan de Maas heeft een eigen geurbeleid vastgelegd in een geurverordening. De normen uit deze verordening zijn als volgt: Plangebied bij Meerlo: 6,0 odour units. Bedrijventerreinen Klavertje 4-gebied: 14,0 odour units. Overige bebouwde kom: conform wettelijke norm, momenteel 3,0 odour units. Buitengebied: conform wettelijke norm, momenteel 14,0 odour units. 30
Hoewel met de gewenste ontwikkeling op basis van de geurwetgeving en de mogelijkheden uit de geurverordening van de gemeente op het gebied van geur kan voldoen wenst de initiatiefnemer de geurbelasting in fasen te verminderen. Hierbij zal de initiatiefnemer de luchtwasser op stal 2 in de milieuvergunning aanpassen, zodat de geurbelasting aan de omgeving afneemt. Daarnaast zal stal 5 in de milieuvergunning al eerder emissie-arm gemaakt worden. Vanuit de wetgeving dient deze stal pas in 2030 emissie-arm te zijn. De initiatiefnemer haalt dit naar voren en zal deze stal al uiterlijk 31 december 2025 emissie-arm hebben gemaakt. Tevens zal de luchtwasser op de nog niet gerealiseerde stal 8 worden aangepast, wat eveneens zal leiden tot een verminderde emissie vanuit deze stal. De realisatie van deze aanvullende maatregelen worden eveneens geborgd in de omgevingsvergunning. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling en de afspraken die zijn gemaakt zijn met het verspreidingsmodel V-stacks verschillende situaties berekend. Uit de berekeningen voor de voorgrondbelasting blijkt dat in de huidige situatie nog enkele woningen in de omgeving overbelast zijn. Na het treffen van de hiervoor omschreven maatregelen (aanpassen luchtwasser op stal 2, emissie-arm maken stal 5, aanpassen luchtwasser op nog niet gerealiseerde stal 8) zullen geen van de omliggende woningen meer overbelast zijn.
Er is daarmee sprake van een aanzienlijke verbetering op het gebied van geur en aan alle normen kan daarmee worden voldaan. Uit de berekeningen voor de achtergrondbelasting blijkt dat in de huidige situatie sprake is van een aantal woningen in de omgeving die overbelast zijn. Na het treffen van de maatregelen (aanpassen luchtwasser op stal 2, emissie-arm maken stal 5, aanpassen luchtwasser op nog niet gerealiseerde stal 8) zullen nog diverse woningen overbelast zijn. Echter, zoals blijkt uit de nauwkeurige aanvullende berekeningen, zal de voorgrondbelasting op deze woningen afnemen door de aanpassingen op het bedrijf, waarmee sprake is van een verbetering van het woon- en leefklimaat op deze woningen. Voor de resultaten van de uitgevoerde berekeningen (voor- en achtergrond) voor elk van de situaties wordt verwezen naar bijlage 3 van deze onderbouwing. Bij het maken van de berekeningen is eveneens gerekend op de randen van het (toekomstig) bouwvlak van het bedrijf van de initiatiefnemer en op de randen van de bouwvlakken van de gevoelige objecten. Daarbij is rekening gehouden met de minimale afstand van gevoelige objecten tot de as van de weg (bestemming verkeer). De te nemen maatregelen zijn de grondslag van situatie 7 van de uitgevoerde berekeningen. De concrete aanvullende maatregelen in situatie 7 zijn:
Stal 2 -
Luchtwasser verplaatsen (199. 725-378. 055)
-
Emissiepunthoogte luchtwasser verhogen (3,2 m. )
-
Luchtsnelheid luchtwasser verhogen (minimaal 3,35 m/s. )
-
Emissiepunthoogte luchtwasser verhogen (7,0 m. )
Stal 8 Luchtsnelheid luchtwasser verhogen (minimaal 3,50 m/s. ) Stal 5
-
Stal emissiearm uitvoeren door het plaatsen van 2 luchtwassers. - Luchtsnelheid van luchtwassers is minimaal 3,35 m/s -
Deze invoergegevens zijn op pagina's 98 en 125 van de bijlagen bij deze ruimtelijke onderbouwing terug te vinden.
Gezien het voorgaande zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling geen onevenredige geurhinder mag veroorzaken dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur kan worden geborgd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwe gevoelige objecten, waarmee toetsing aan het woon- en leefklimaat op het gebied van geur ten aanzien van de locatie niet noodzakelijk is. 31
DLV ADVIES &RESULTAAT
4.1.3
Luchtkwaliteit
De Eerste
Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de Wet luchtkwaliteit. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen ‘kleine’ en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen ‘niet in betekenende mate! (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel ‘in betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste
Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. die ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het Projecten wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (ug/m?) voor fijnstof en stikstofoxiden
(NO). Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het (geanonimiseerd) BN plaatsen van een luchtwasser en luchtkanaal dan volgens de verleende vergunning is toegestaan. Het aantal gehouden dieren neemt niet toe en er is geen sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarmee is geen sprake van een toename van de emissie van fijnstof en/of stikstofoxiden. De aangepaste plaatsing van de luchtwasser en het luchtkanaal leidt tot een betere werking en groter rendement van de luchtwasser, waardoor de emissies verder zullen afnemen. Hiermee is sprake van een
NIBM-ontwikkeling. Echter dient
bij de voorgenomen ontwikkeling uitgegaan te worden van de ruimtelijke worst-case situatie. Ruimtelijk gezien is de worst-case situatie geen NIBM-ontwikkeling, waardoor de effecten van de voorgenomen bedrijfsvoering op de luchtkwaliteit inzichtelijk gemaakt dienen te worden. De worst-case situatie is berekend met het rekenprogramma ISL3a. Daarbij is gerekend op de rand van het (toekomstig) bouwdak van de initiatiefnemer en op de randen van de bouwdakken van omliggende gewelige objecten, waarbij rekening is gehouden met de minimale afstand van gewoelige objecten tot de as van de weg (bestemming verkeer). Uit deze berekening, waarvan de resultaten zijn opgenomen in bijlage 4 van deze onderbouwing, blijkt dat aan de wettelijke normen ten aanzien van luchtkwaliteit wordt voldaan. Er zal daarmee geen sprake zijn van een onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit, ook niet in de worst-case
situatie.
Naast het feit dat een ontwikkeling geen onevenredige verslechtering van de luchtkwaliteit mag veroorzaken dient te worden aangetoond dat ter plaatse van nieuwe gevoelige objecten een aanvaardbaar leefklimaat op het
gebied
geborgd.
en
Bij de
voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van nieuwe gevoelige objecten, waarmee toetsing aan het en leefklimaat op het gebied van luchtkwaliteit ten aanzien van de locatie niet noodzakelijk is.
woon-
van
luchtkwaliteit kan worden
woon-
32
4. 1. 4
Volksgezondheid Veehouderijen kunnen mogelijk gezondheidseffecten veroorzaken op omwonenden. Dit speelt met name bij varkenshouderijen, pluimveehouderijen en geitenhouderijen. Effecten van veehouderijen op de volksgezondheid, kunnen op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld via diercontact, via de lucht, via de mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. Besmettingsgevaar wordt geregeld in de wetgeving voor volksgezondheid. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevatten geen toetsingskader voor onderwerpen die in de wetgeving voor Volksgezondheid zijn geregeld. Mensen kunnen echter in contact komen met de micro-organismen die dieren bij zich dragen door direct contact met de dieren, de mest of stof, of via inademing van de lucht. Daarom dienen de effecten en risico's op de volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht.
4. 1. 4. 1 Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2. 0 Middels de " Handreiking veehouderij en volksgezondheid " wordt een aanpak aangedragen hoe zorgvuldig en praktisch om te gaan met het aspect volksgezondheid bij de ontwikkeling van veehouderijen of het toepassen van de omgekeerde werking. De Handreiking bevat een praktisch stappenplan waarin de afweging wordt gemaakt of de gemeente zelf de volksgezondheid beoordeelt, of dat een advies van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) noodzakelijk wordt geacht. Het onderhavige initiatief voldoet aan de wettelijke en gemeentelijke bepalingen die worden genoemd in de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening, de Wet milieubeheer, titel 5. 2 luchtkwaliteitseisen en de bepalingen uit de provinciale ruimtelijke verordening op het gebied van geur en fijnstof. Daarnaast worden er geen geiten of meerdere diersoorten gecombineerd gehouden, is er geen sprake van mestbewerking als nevenactiviteit en is geen sprake van ongerustheid bij omwonenden met betrekking tot de volksgezondheid. Tevens leidt de voorgenomen ontwikkeling tot een vermindering van emissies, waardoor er een verbeterde situatie zal ontstaan ten aanzien van de volksgezondheid. Hiermee wordt een nader advies van de GGD niet noodzakelijk geacht.
Hiermee zijn met de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen ten aanzien van de handreiking veehouderijen en volksgezondheid 2. 0.
4. 1. 4. 2 Volksgezondheid ten aanzien van varkens- en pluimveehouderijen Op basis van het 'Endotoxine toetsingskader 1. 0' kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Vanuit het toetsingskader kan worden gesteld dat wanneer een gevoelig object buiten de richtafstanden voor varkensen pluimveehouderijen is gelegen er geen sprake zal zijn van een onevenredig verhoogd risico voor de volksgezondheid. Voor varkenshouderijen ligt de richtafstand op 200 meter. Voor pluimveehouderijen bedraagt deze 500 meter. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van pluimvee en/of van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Wel worden varkens gehouden. Binnen 200 meter van de locatie zijn gevoelige objecten (woningen van derden) gelegen. Daarmee moeten eventuele risico's voor de volksgezondheid in beeld worden gebracht. Echter zal de luchtwasser en het daarbij behorende luchtkanaal leiden tot een aanzienlijke vermindering van emissies vanuit de varkenshouderij van de initiatiefnemer. Daarnaast zal de gewijzigde plaatsing van de luchtwasser en het luchtkanaal leiden tot een betere en meer efficiënte werking daarvan, waardoor de emissie in vergelijking met de vergunde situatie verder zal afnemen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen sprake zijn van een verhoogd risico ten aanzien van de volksgezondheid, maar juist van een vermindering van de risico's. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan het terugdringen van mogelijke risico's ten aanzien van de volksgezondheid als gevolg van de varkenshouderij ter plaatse.
33
DLV ADVIES &RESULTAAT
4.1.4.3
Volksgezondheid ten aanzien van geitenhouderijen Volgens het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) en de aanvullende studies daarop (VGO 2) blijkt dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven mogelijk een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of er een relatie is tussen de aanwezigheid van de geitenhouderijen en de gevallen van longontsteking. Tot die tijd dienen effecten en risico's op het gebied van volksgezondheid nader in beeld te worden gebracht wanneer er binnen 2 kilometer van een geitenhouderij een ontwikkeling plaatsvindt.
de
Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het houden van geiten. Daarnaast is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van nieuwe gewoelige objecten. Er is daarmee
bij de voorgenomen ontwikkeling geitenhouderijen.
aanzien
van
41.5
Geluid
sprake
geen
van
een
verhoogd volksgezondheidsrisico
ten
De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de Wgh is dat geluidsgewelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van
wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgewoelige bestemmingen: _ Woningen. _ Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). _ Zekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen, zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc *
*
*
Daarnaast kent de *
*
volgende geluidsgewoelige terreinen: _ Terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg. _ Woonwagenstandplaatsen.
Het beschermen
Wgh
de
bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. van
De
Indien sprake is van het oprichten van een geluidshinder veroorzakende inrichting dan dient te worden aangetoond dat deze geen onevenredige geluidshinder zal veroorzaken op gewelige objecten in de omgeving. Hierbij wordt ook een eventuele toename van het aantal verkeersbewegingen bij ontwikkelingen van een inrichting meegenomen. Omdat bij de voorgenomen ontwikkeling de geluidsbronnen (geanonimiseerd) BM komen te liggen dan in de vergunde situatie dient te worden bekeken of de normen uit de Wgh op omliggende gewelige objecten mogelijk worden
overschreden.
aanvullend *
*
_
onderzoek
Om
dit nader te onderzoeken is door
uitgevoerd.
Hieruit
het
blijkt
een
akoestisch onderzoeksbureau
een
volgende:
De beschouwde
maatregelen
situatie voldoet aan het BBT-principe daar er redelijkerwijs geen aanvullende te treffen zijn om de geluidbelasting in de omgeving verder terug te dringen.
_ Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (La‚‚L) kan worden gesteld dat ten gevolge
van de beoogde wijzigingen op alle kan worden voldaan aan de van toepassing
gevels van de bestaande woningen in de directe omgeving zijnde geluidgrenswaarde opgenomen in de vigerende
geluidsvoorschriften. De onderzoeksresultaten deze onderbouwing.
zijn verwerkt in een
notitie
geluidhinder, waarvoor
wordt
verwezen
naar
bijlage
5
van
Hiermee kan worden
gesteld
dat met de voorgenomen
ontwikkeling
geen
sprake
zal
zijn van een 34
onevenredige toename van de geluidsbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Wanneer een woning of een andere geluidsgevoelige bestemming wordt opgericht in de zone langs een weg (behalve een 30 km/uur weg) of spoorweg is de Wgh van toepassing. Middels een akoestisch onderzoek moet in dat geval worden aangetoond dat wordt voldaan aan (in de eerste instantie) de voorkeursgrenswaarde (48 decibel). Is het niet mogelijk te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde dan biedt de Wgh de mogelijkheid af te wijken van de voorkeursgrenswaarde tot een maximale waarde (Hogere Grenswaarde). Bij burgerwoningen is ontheffing mogelijk tot 53 decibel. Bij agrarische bedrijfswoningen is zelfs ontheffing tot 58 decibel mogelijk. Bij vaststelling van het bestemmingsplan moet de voorkeursgrenswaarde, of een vastgestelde hogere waarde, in acht worden genomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een woning of andere geluidsgevoelige bestemming. Hiermee kan verdere toetsing op het gebied van (spoor)wegverkeerslawaai achterwege blijven en kan worden gesteld dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van een onevenredige geluidshinder als gevolg van (spoor)wegverkeerslawaai.
4. 1. 6
Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. In de navolgende paragraaf worden beide begrippen verder uitgewerkt. In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Deze begrippen zijn als volgt nader te omschrijven: Plaatsgebonden risico: Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.
Binnen de 10 -6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10 -6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Groepsrisico: Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het projectgebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording, zoals weergegeven in de tabel in figuur 7, nader uitgewerkt en toegelicht.
35
Figuur 7: Tabel wanneer verantwoording van het groepsrisico. Bron: Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3. 1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), effectafstanden uit de 'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations', enz. .
Overige wet- en regelgeving: Tot slot moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' (art. 3. 1 Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de
'Circulaire effectafstanden LPG-tankstations'. Voldaan wordt aan de in het activiteitenbesluit opgenomen veiligheidsafstanden. Zo is er in de nabijheid van de locatie geen opstelplaats van een gasdrukmeet- en regelstation gelegen en ook zijn er geen propaantanks tot en met 13 kubieke meter binnen de grootste bijbehorende veiligheidsafstand van 25 meter tot de locatie gelegen. Toetsing aan de voorwaarden van de beleidsvisie en de normen uit overige wet- en regelgeving geeft dan ook geen belemmering voor het project.
4. 1. 6. 1 Risicovolle inrichtingen Wanneer binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting een ruimtelijk besluit wordt genomen dan is een verantwoording van het groepsrisico nodig. De risicovolle inrichtingen zijn geïnventariseerd en in kaart gebracht in de Risicokaart van het Interprovinciaal Overleg (IPO). Zoals te zien in figuur 8 zijn nabij de locatie geen risicovolle inrichtingen gelegen.
36
Figuur 8: Uitsnede Risicokaart. Bron: Interprovinciaal Overleg (IPO). Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van nieuwe risicovolle inrichtingen. Er is daarmee geen sprake van mogelijke risico's naar de omgeving.
Op grotere afstand van de locatie zijn enkele bedrijven geleden die zijn aangemerkt als risicovolle inrichting. Elk van deze bedrijven is aangemerkt als risicovolle inrichting omdat ter plaatse een propaantank aanwezig is. Voor propaantanks geldt dat het invloedsgebied gelijk is aan de risicocontour. De risicocontour van een propaantank is afhankelijk van de grootte en inhoud van de tank. De grootste risicocontour voor een propaantank bedraagt 25 meter. De betreffende bedrijven met de propaantanks zijn op aanzienlijk grotere afstand van de locatie gelegen, waarmee de locatie niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting is gelegen. Met de voorgenomen ontwikkeling is daarmee geen sprake van een mogelijke belemmering ten aanzien van risicovolle inrichtingen.
4. 1. 6. 2 Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen Het externe veiligheidsbeleid bij vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, spoor en water is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het externe veiligheidsbeleid vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevt en het Bevb zijn veiligheidsafstanden vastgesteld en risicoplafonds die gebruikt moeten worden voor de berekening van het groepsrisico.
Op ongeveer 2,1 kilometer van de locatie is een buisleiding gelegen voor het transport van aardgas gelegen. Het invloedsgebied van een buisleiding is afhankelijk van de diameter van de leiding en de druk in de leiding. Daarbij bedraagt het grootste invloedsgebied maximaal 540 meter. De betreffende leiding is gelegen op een afstand van ongeveer 2,1 kilometer. De locatie is daarmee niet binnen het invloedsgebied van de betreffende leiding gelegen. Op ongeveer 700 meter van de locatie ligt het Basisnet wegtraject: A67. Over dit traject worden onder andere gevaarlijke stoffen uit de categorie GT4 vervoerd. De stof GT4 heeft een invloedsgebied van ongeveer 4. 000 meter. Derhalve ligt het projectgebied geheel binnen het invloedsgebied van het basisnet wegtraject. Omdat het projectgebied niet binnen 200 meter van de transportweg ligt kan, volgens artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transport, worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico voor het scenario Toxisch. Hierbij dient in te worden gegaan op de bestrijdbaarheid en de zelfredzaamheid van de personen in het projectgebied.
Een en ander is nader omschreven in de paragraaf " Groepsrisico " (paragraaf 4. 1. 6. 3). 37
4. 1. 6. 3 Groepsrisico Naast het plaatsgebonden risico dient ook het groepsrisico in acht te worden genomen. Hierbij is het van belang te kijken of de locatie binnen een invloedsgebied van een risicobron of transportroute is gelegen. De locatie is, zoals nader omschreven in de paragraaf " Transport (spoor-, vaar- en autowegen) en buisleidingen " (paragraaf 4. 1. 6. 2), gelegen binnen het invloedsgebied van de autosnelweg A67. Voor deze weg is een toxische wolk het maatgevende scenario. Vanwege de ligging van de projectlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan een toxische wolk het maatgevende scenario is, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Het advies is verwerkt in deze verantwoording.
Scenario('s): Het relevante scenario voor het projectgebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen is het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident tijdens de verlading of door een mechanische impact op de tank ontstaat een gat waardoor in korte tijd een groot deel van de toxische stof vrijkomt en met de wind mee wordt verspreid. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit: Bij het scenario toxische wolk zal de brandweer proberen de toxische wolk neer te slaan. Bij een snelle verspreiding van de toxische wolk zal dit echter beperkt effect hebben. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid:
Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het projectgebied. De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Er worden geen niet- of verminderd zelfredzame mensen in het projectgebied gehuisvest. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert te reageren. Het aantal mensen in het projectgebied is beperkt. Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Behalve de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang, dat het projectgebied: goed te alarmeren is; goed te schuilen is; goed te ontvluchten is. Alarmering: In geval van een calamiteit zal NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren.
In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen.
Schuilmogelijkheden: Schuilen in de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het 38
scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de projectlocatie. Om veilig schuilen binnen de bebouwing mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden: Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het projectgebied naar meerdere zijden te ontvluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af.
Conclusie: Er bestaat vanuit extern veiligheidsoogpunt geen bezwaar tegen de gewenste ontwikkeling. Er is geen reden voor nader advies. De veiligheidsregio ziet geen reden tot het geven van een nader advies ten aanzien van de zelfredzaamheid van personen binnen het projectgebied en de bestrijdbaarheid van een ramp op de wegen.
4. 1. 7
Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Dit is echter vooral van belang wanneer inrichtingen worden opgericht waarbij gedurende een groot deel van de dag mensen zullen verblijven. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een inrichting waarin gedurende een groot deel van de dag mensen verblijven. Hiermee kan worden aangenomen dat de bodemgesteldheid ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging. Voortoets MER-beoordeling 4. 1. 8 Op 16 mei 2017 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst uit de bijlage van het besluit ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m. e. r. -beoordelingsprocedure moet worden doorlopen.
Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m. e. r. -(beoordelings)plichtig.
In het kader van de wijziging van het Besluit m. e. r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst uit de bijlage van het besluit en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m. e. r. -beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen: 1. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten;
of 2.
Belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uit te sluiten.
In het eerste geval is de activiteit niet m. e. r. (-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m. e. r. -beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in 39
het kader van de vormvrije m. e. r. -beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.
4. 1. 8. 1 Omvang van het project De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een afwijking van het geldende bestemmingsplan ten behoeve van het anders plaatsen van een luchtwasser en luchtkanaal bij een varkenshouderij dan volgens de vergunning is toegestaan. Op termijn, bij een algehele herziening van het bestemmingsplan, zal hiervoor het huidige bouwvlak van vorm worden veranderd, zodat de maximale oppervlakte van het bouwvlak niet zal toenemen. Vanuit de D-lijst uit de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is voor het aanbrengen van wijzigingen waarin dieren worden gehouden een m. e. r. -beoordeling nodig. De mate van beoordelen is afhankelijk van de in de D-lijst genoemde drempelwaarde. Voor het wijzigen van een inrichting waarin varkens worden gehouden geldt een drempelwaarde voor een toename met 2. 000 mestvarkens en/of 750 zeugen en/of 3. 750 gespeende biggen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van het aantal gehouden dieren, waarmee geen sprake is van een overschrijding van de drempelwaarde. Voor de beoordeling is gebruik gemaakt van bijlage III EU richtlijn milieubeoordeling projecten. De bijlage maakt onderscheid in de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Hieronder wordt hier nader op ingegaan. De voorgenomen ontwikkeling betreft een project van geringe omvang.
Het aantal te houden dieren zal de drempelwaarden voor een m. e. r. -beoordelingsplichtige omvang niet overschrijden. Er zijn geen andere projecten in de omgeving bekend die leiden tot cumulatieve effecten. Er is binnen het project slechts gering sprake van gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De productie van afvalstoffen beperkt zich tot een geringe hoeveelheid mest en/of reststoffen. Onevenredige verontreiniging en hinder is, gelet op de geringe bedrijfsomvang, ook niet te verwachten. Er worden enkel reguliere stoffen en technologieën gebruikt. Gelet hierop is er geen verhoogd risico op ongevallen.
4. 1. 8. 2 Plaats van het project De locatie is niet gelegen in een gebied dat, gelet op de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde kwetsbaar is voor een nieuwe kleinschalige invulling van een bestaand erf. Er zullen met de voorgenomen ontwikkeling, zoals nader aangetoond in de paragraaf " Ecologie " (paragraaf 4. 2) en de paragraaf " Archeologie en cultuurhistorie " (paragraaf 4. 3), geen natuurlijke, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden worden geschaad.
4. 1. 8. 3 Kenmerken van het potentiële effect van het project De potentiële effecten van de voorgenomen ontwikkeling zijn zeer gering en lokaal. Zoals nader aangetoond in de paragrafen " Milieuzonering," " Geur," " Luchtkwaliteit," " Geluid," " Externe veiligheid " en " Bodem " (paragraaf 4. 1. 1 t/m 4. 1. 7) is met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van een onevenredige hinder op het gebied van milieu. Daarnaast is, zoals nader aangetoond in de paragraaf " Ecologie " (paragraaf 4. 2) geen sprake van aantasting van natuurlijke en landschappelijke waarden. Een uitzondering hierop vormt een eventuele toename van ammoniakemissie uit de dierverblijven en ammoniakdepositie op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van het aantal gehouden dieren. Daarnaast wordt stal 5 emissiearm gemaakt. De emissie van ammoniak zal daarmee ten aanzien van de vergunde situatie afnemen, waarmee de depositie van stikstof op de beschermde natuurgebieden eveneens zal afnemen. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige effecten op beschermde natuurgebieden tot gevolg hebben. Dit is nader uitgewerkt in de paragraaf " Gebiedsbescherming " (paragraaf 4. 2. 1. 1).
Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit project wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m. e. r. -beoordelingsplichtig is.
40
4. 2
Ecologie
Wet natuurbescherming 4. 2. 1 januari Op 1 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten, de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In de Wet natuurbescherming wordt de bescherming van verschillende dieren- en plantensoorten geregeld. Met name bescherming van kwetsbare soorten is hierbij van belang. De Wet natuurbescherming kent een vergunningplicht. Een vergunning voor een project wordt alleen verleend als de instandhoudingsdoelen van een gebied niet in gevaar worden gebracht en als geen sprake is van mogelijke aantasting van beschermde planten- en dierensoorten of de leefgebieden van deze soorten. Voor activiteiten is het van belang om te bepalen of deze leiden tot mogelijke schade aan de natuur. De Wet natuurbescherming toetst aanvragen op drie aspecten, namelijk gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming.
4. 2. 1. 1 Gebiedsbescherming Natuurgebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna zijn op basis van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn aangewezen als Natura 2000 gebieden. Voor al deze gebieden gelden instandhoudingsdoelen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat deze instandhoudingsdoelen niet in gevaar mogen worden gebracht. Het is daarbij daarom verboden om projecten of andere handelingen uit te voeren of te realiseren die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het betreffende gebied is aangewezen.
Zoals te zien in figuur 9 is de locatie niet gelegen in een Natura 2000. Het dichtstbijzijnd Natura 2000 gebied (Deurnsche Peel & Mariapeel) is gelegen op een afstand van ongeveer 6,3 kilometer van de locatie. Op een dergelijke afstand is het mogelijk dat een ruimtelijke ontwikkeling van invloed is op het betreffende gebied.
41
Figuur 9: Uitsnede kaart Natura 2000 gebieden. Bron: Aerius Calculator. Bij de gewenste ontwikkeling is sprake van het anders plaatsen van een reeds vergunde luchtwasser en luchtkanaal. Ten aanzien van de huidige (vergunde) situatie is er geen sprake van een toename van de emissie van ammoniak en/of stikstofoxiden. Er is immers geen sprake van een toename van het aantal dieren en/of een toename van het aantal verkeersbewegingen. Met de aangepaste plaatsing zal de luchtwasser een betere werking hebben en een hoger rendement, waarmee de reductie van de ammoniakemissie groter zal zijn dan in de huidige (vergunde) situatie. Daarnaast zal stal 5 emissiearm worden uitgevoerd, waarmee de emissies vanuit deze stal zullen afnemen. Er is daarmee sprake van een afname van de uitstoot van ammoniak en stikstofoxiden. Daarmee zal de depositie van stikstof op de betreffende gebieden niet toenemen, maar juist verder afnemen. Om dit aan te tonen is middels het rekenprogramma Aerius Calculator een berekening uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn opgenomen in bijlage 6 bij deze onderbouwing. Naast de depositie van stikstof zijn aspecten als licht, geluid en trillingen mogelijk van invloed op Natura 2000 gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling vinden geen werkzaamheden plaats met een structurele uitstraling van licht, geluid en/of trillingen.
De locatie is daarnaast dusdanig ver van de betreffende gebieden gelegen dat dergelijke effecten vanuit de locatie in de betreffende gebieden niet merkbaar zullen zijn.
Gezien het voorgaande zullen met de voorgenomen ontwikkeling geen van de Natura 2000 gebieden onevenredig worden geschaad.
4. 2. 1. 2 Houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte aan bos- en houtopstanden in stand te houden. Indien een houtopstand onder de Wet natuurbescherming valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan en geldt een verplichting om de betreffende grond binnen 3 jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als een bos of houtopstand definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: buiten de bebouwde kom-boswet liggen; een oppervlakte hebben van 10 are of meer; rijbeplantingen die meer dan twintig bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen; Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het kappen van houtopstanden of bos met een oppervlakte van 10 are of meer en/of rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten. Hiermee is het onderdeel houtopstanden uit de Wet natuurbescherming niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling.
4. 2. 1. 3 Soortenbescherming De soortenbescherming in de Wet natuurbescherming voorziet in bescherming van (leefgebieden) van beschermde soorten planten en dieren en is daarmee altijd aan de orde. De soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. De mate van bescherming is afhankelijk van de soort en het daarvoor geldende beschermingsregime. De Wet natuurbescherming kent zowel verboden als de zorgplicht. De zorgplicht is altijd van toepassing en geldt voor iedereen en in alle gevallen. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij-principe'. Voor verschillende categorieën soorten en activiteiten zijn vrijstellingen of ontheffingen van deze verbodsbepalingen mogelijk. Het is voor elke beschermde soort in elk geval verboden deze te vervoeren of bij te hebben. Vogelrichtlijn: 42