09c Toelichting
Tekst van het document
Vastgesteld bestemmingsplan ‘Ulsheggerweg 35, Lottum’ NL. IMRO.1507.LTULSHEGGERWG35-BPV1
Document:
Bestemmingsplan “Ulsheggerweg 35 Lottum”
IDN:
NL.IMRO.1507.LTULSHEGGERWG35-BPV1
Status:
Vastgesteld
Datum:
10 mei 2022
Aanvrager:
Jan Wagemans B.V.
Auteur:
Ing. P.W.M. van de Ligt Ing. R.M.M.R.G. Keiren
Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl
INHOUDSOPGAVE 1.
2
3
4.
INLEIDING..............................................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3 1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4
1.3
Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................4
1.4
Leeswijzer .....................................................................................................................................................5
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1 Algemeen ......................................................................................................................................................6 2.2
Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................6
2.3
Functionele structuur ...................................................................................................................................7
2.4
Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................7
BELEID ...................................................................................................................................................................9 3.1. Inleiding .........................................................................................................................................................9 3.2.
Rijksbeleid .....................................................................................................................................................9
3.3
Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 11
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 17
3.5
Conclusie.................................................................................................................................................... 20
PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................................... 21 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 21 4.2
5.
6
Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 21
SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 23 5.1 Inleiding ...................................................................................................................................................... 23 5.2
Milieuaspecten........................................................................................................................................... 23
5.3
Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 31
5.4
Kabels en leidingen................................................................................................................................... 33
5.5
Natuur ......................................................................................................................................................... 33
5.6
Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 37
5.7
Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 39
5.8
Volksgezondheid ....................................................................................................................................... 40
UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................................ 41 6.1 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 41 6.2
Handhaving................................................................................................................................................ 41
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 43
6.4
Procedure................................................................................................................................................... 43
Vastgesteld
1
7.
JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................................... 44 7.1 Planstukken ............................................................................................................................................... 44 7.2
Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 44
7.3
Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 45
BIJLAGEN Bijlage 1: V-Stacks geurberekening Bijlage 2: AERIUS-berekening gebruiksfase Bijlage 3: AERIUS-berekening bouwfase Separate bijlagen ▪ Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, HMB Groep (d.d. 25 juni 2021, kenmerk: 21267401N) ▪ Flora en faunainspectie, Faunaconsult (d.d. 23 juni 2021) ▪ Archeologisch onderzoek, RAAP (d.d. 12-7-2021, kenmerk: LOTUL)
Vastgesteld
2
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan
Bij de gemeente Horst aan de Maas is door initiatiefnemer een verzoek ingediend voor het oprichten van twee levensloopbestendige woningen tussen de reeds bestaande woningen aan de Ulsheggerweg 33 en 37. Het perceel waarop de nieuwe woningen zijn beoogd staat kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, sectie A, nummer 5555 en 5556.
Afbeelding 1 Ligging en omgeving plangebied (rood plangebied)
De locatie waar de nieuwe woningen zijn beoogd maakt onderdeel uit van het juridisch-planologisch regime van het bestemmingsplan “Maaskernen” en is daarin bestemd als ‘Wonen’ en ‘Tuin’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen en de daarbij behorende bebouwing. Binnen de woonbestemming is het oprichten van een woning enkel toegestaan ter plaatse van een bouwvlak. Hiervan is ter plaatse van de beoogde bouwlocatie geen sprake. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van het vigerende bestemmingsplan op deze locatie nieuwe woningen op te richten. In de gemeente Horst aan de Maas blijkt echter een grote behoefte aan levensloopbestendige woningen die met name geschikt zijn voor senioren. Ondanks dat het op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk is om op deze locatie twee nieuwe woningen op te richten biedt het gemeentelijke beleid wel mogelijkheden tot het realiseren van dergelijke woningen. Onder voorwaarden heeft de gemeente dan ook in principe medewerking kunnen verlenen aan de oprichting van de twee nieuwe levensloopbestendige woningen op de betreffende locatie. Om de nieuwe woningen in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld.
Door middel van dit bestemmingsplan wordt er een passend bouwvlak toegekend aan de locatie, waardoor de bouw van twee nieuwe levensloopbestendige woningen ter plaatse mogelijk wordt.
Vastgesteld
3
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied
In het noorden van de kern Lottum, op de locatie Ulsheggerweg 37, staat een karakteristieke woning. In de tuin naast deze woning (gelegen tussen de woning Ulsheggerweg 33 en 37) wil initiatiefnemer twee nieuwe levensloopbestendige woningen oprichten. De kavel waarop de nieuwe woningen zijn beoogd staat kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, sectie A, nummers 5555 en 5556. Deze kavel wordt in het vervolg aangeduid als “het plangebied”.
Afbeelding 2 Luchtfoto en kadastrale begrenzing van het plangebied (groen plangebied; rood perceel met woning Ulsheggerweg 37)
De locatie is gelegen aan de Ulsheggerweg, een woonstraat aan de rand van de kern Lottum. De karakteristieke woning Ulsheggerweg 37 is in 1890 gebouwd en vormt tevens de eerste bebouwing aan de Ulsheggerweg. Pas rond 1950 zijn de omliggende woningen gebouwd in het kader van de Woningwet. Derhalve is er thans sprake van een bebouwingslint dat voornamelijk uit woningen bestaat. De woonbebouwing kenmerkt zich door de veelal twee-onder-een-kap woningen. Het plangebied wordt aan de oost- en westzijde begrensd door de woningen Ulsheggerweg 33 en 37. Aan de achterzijde (zuidzijde) grenst het plangebied aan de achtertuinen van de woningen die zijn gelegen aan de Hombergerweg. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de Ulsheggerweg met aan de overzijde daarvan de woningen Ulsheggerweg 20 – 22.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Maaskernen” (vastgesteld d.d. 3 februari 2009) en is hierin bestemd als ‘Wonen’ en ‘Tuin’. Tevens is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’.
Vastgesteld
4
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor woningen in de categorieën: vrijstaande, geschakelde, twee-aaneengebouwde en aaneengebouwde woningen. Voor hoofdgebouwen geldt dat deze binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak dienen te worden gebouwd. Per bouwvlak is maximaal het bestaande aantal woningen toegestaan. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen met bijbehorende bebouwing, parkeervoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en erven. De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en bescherming van de archeologische waarden.
Afbeelding 3. Uitsnede vigerend bestemmingsplan – beoogde locatie voor nieuwe woningen rood omlijnd
Binnen de woonbestemming is het oprichten van woningen enkel toegestaan ter plaatse van een bouwvlak waarbij enkel het bestaande aantal woningen is toegestaan. Van een bouwvlak is ter plaatse van de beoogde locatie geen sprake. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van het vigerende bestemmingsplan op deze locatie twee nieuwe woningen op te richten.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven. Het initiatief voor de bouw van de woningen wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.
Vastgesteld
5
2
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
2.1
Algemeen
Het plangebied ligt in het noorden van de kern Lottum. Lottum maakt onderdeel uit van de gemeente Horst aan de Maas. Het dorp ligt in een groene omgeving met ten oosten de westoever van de Maas en ten noordwesten het natuurreservaat ‘”Schuitwater” en de landhuizen de Borggraaf en Kaldenbroek in de directe omgeving. Lottum heeft ongeveer 2.000 inwoners. Momenteel wordt het plangebied gebruikt als tuin behorende bij de woning Ulsheggerweg 37, dit betreft een karakteristieke woning uit 1890.
2.2
Ruimtelijke structuur
Het oudste gedeelte van Lottum wordt gevormd door de Markt met omliggende bebouwing die voor een deel dateert uit de 18de eeuw. In 1820 is in Lottum gestart met de aspergeteelt waarna het dorp pas in ontwikkeling is gekomen. In de 20ste eeuw heeft ook de rozenteelt op grote schaal haar intrede gemaakt. Heden ten dage staat Lottum bekend om zijn grootschalige rozenteelt. Veel van de woonwijken in Lottum zijn, na de oorlog, op projectmatige basis gerealiseerd aan de bestaande linten. Deze woonwijken zijn vooral gelegen in het noordwesten en zuidwesten van de kern, mede vanwege de ligging van de maas ten oosten van de kern. De verschillende bouwperioden van deze projectmatige uitbreidingen zijn nog goed te herkennen. De hoofdstructuur van Lottum wordt heden ten dage gevormd door de oude linten Hoofdstraat, Broekhuizerweg en Horsterdijk. Deze komen samen ter hoogte van de kerk. Kenmerkend aan de structuur van Lottum is de geleidelijke overgang richting het buitengebied.
Afbeelding 4 Luchtfoto plangebied
Vastgesteld
6
Het plangebied is gelegen aan de Ulsheggerweg, in de bebouwde kom van Lottum. De Ulsheggerweg kenmerkt zich door de vele projectmatige woningen. Veel van de woningen zijn rond 1950 gebouwd in het kader van de Woningwet. De woning aan de Ulsheggerweg 37 is hier een uitzondering op, deze dateert uit 1890 en vormt de eerste bebouwing aan de Ulsheggerweg. Derhalve is er thans sprake van een bebouwingslint dat uitsluitend uit woningen bestaat. De woonbebouwing kenmerkt zich door de veelal twee-onder-een-kap woningen.
2.3
Functionele structuur
In de bebouwde kom van Lottum en dus ook in de omgeving van het plangebied overheerst de woonfunctie. De woningvoorraad in de omgeving bestaat grotendeels uit eengezinswoningen van het type geschakeld, tweeonder-één-kap of vrijstaand.
Afbeelding 6 Impressie woning Ulsheggerweg 37
Afbeelding 5 Impressie plangebied
Ten noordwesten van het plangebied, op een afstand van circa 100 meter, is het buitengebied van Lottum gelegen. Het buitengebied van Lottum kenmerkt zich door verspreid liggende agrarische bebouwing in een relatief hoge dichtheid. In zuidoostelijke richting, op een afstand van 300 meter (aan de Markt) bevinden zich de dorpse voorzieningen van Lottum. De voorzieningen bestaan uit een kerk, basisschool met gymzaal, café en een gemeenschapshuis. Voor wat betreft winkelvoorzieningen is de kern voornamelijk aangewezen op Horst of Grubbenvorst.
2.4
Historische ontwikkeling en cultuurhistorie
Lottum kent een lange bewoningsgeschiedenis, rondom en onder de oude kerk zijn funderingsstenen teruggevonden uit de Romeinse tijd. De Maasdorpen in hun huidige vorm, waaronder Lottum, zijn ontstaan rond landerijen met bijbehorende landgoederen, meestal gemarkeerd door een groot landhuis of kasteel. De kastelen lagen langs de gehele Maas. Lottum telde drie van dergelijke kastelen en landhuizen waarvan er twee zijn overgebleven: kasteel “de Borggraaf” en huis “Kaldenbroek”. De Borggraaf is gelegen tussen het oude dorpslint en de Maas en is een beeldbepalend element in het Maasdallandschap. Het huis Kaldenbroek ligt ten zuiden van de kern. De woning aan de Ulsheggerweg 37 dateert uit 1890 en vormt de eerste bebouwing van de Ulsheggerweg. In 1920 is aan de overzijde van de weg eveneens een woning met agrarische bedrijf opgericht. De woning aan de Ulsheggerweg 37 was voorheen gelegen op de hoek waar de Ulsheggerweg en de Stokterweg (welke voorheen doorliep tot de Horsterdijk) elkaar ontmoeten.
Vastgesteld
7
In 1950 moesten er woningen gebouwd worden in het kader van de woningwet omdat er woningnood heersten. Om deze woningen op een juiste manier te verkavelen is ter plaatse van de voormalige splitsing Ulsheggerweg en Stokterweg een aftakking van de Ulsheggerweg naar de Hombergerweg gerealiseerd. De Stokterweg werd hierdoor ingekort en eindigt thans op de splitsing met de Ulsheggerweg. Na de realisatie van de vele woningen in 1950 is er een bebouwingslint ontstaan dat overwegend uit woningen bestaat, waar veelal twee-onder-een-kap woningen zijn gerealiseerd. Derhalve is er thans sprake van een woonstraat.
Afbeelding 8 Omstreeks 1925 (Enkel bebouwing Ulsheggerweg 12 en 37)
Vastgesteld
Afbeelding 7 Omstreeks 1990 (woonstraat gerealiseerd)
8
3
BELEID
3.1. Inleiding In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.
3.2. Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.
Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;
Vastgesteld
9
▪ ▪
Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.
Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met de realisatie van de woningen op deze locatie worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is geen sprake van een gebiedsreservering. Het initiatief is daarom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd.
De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL: RVS:2015:2921, r.o. 4.3).
Vastgesteld
10
Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het realiseren van twee woningen in de bebouwde kom van Lottum evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: de ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg’. Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 20302050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt na vaststelling van deze Omgevingsvisie, het huidige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. De vaststelling van deze omgevingsvisie is beoogd medio 2021. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen.
In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg.
De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze
Vastgesteld
11
klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader.
Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt.
Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Onderhavige ontwikkeling voorziet in het oprichten van twee levensloopbestendige woningen in de bebouwde kom van Lottum. De woningen zijn derhalve uitermate geschikt voor senioren. In de POVI is opgenomen dat speciale aandacht nodig is voor het toenemend aantal ouderen. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg.
3.3.2 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend m.e.r., de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld.
Vastgesteld
12
Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak de van de rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien.
Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, is in het POL2014 het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden (tabel 1), elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Tabel 1.Essenties van de zones
Bebouwd gebied
Landelijk gebied
Zone Stedelijk centrum
Overig bebouwd gebied Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone Buitengebied
Vastgesteld
Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter) nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.
13
Afbeelding 9 Zonering POL2014
Het plangebied is gelegen in de zone ‘Overig bebouwd gebied’. Dit betreffen gemengde woon- en werkgebieden met voorzieningen, deels met stedelijk karakter, deels met landelijk karakter. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Transformatie regionale woningvoorraad; ▪ Bereikbaarheid; ▪ Balans voorzieningen en detailhandel; ▪ Stedelijk groen en water; ▪ Kwaliteit leefomgeving. Voor wat betreft wonen streeft de provincie naar een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. De top in de woningbehoefte wordt naar verwachting in Midden- en NoordLimburg bereikt rond 2028 respectievelijk 2030, terwijl de totale behoefte in Zuid-Limburg al daalt. Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte.
De ambities, uitgangspunten en principes uit het POL2014 worden vastgelegd in regionale structuurvisies, waarin de verschillen tussen de regio’s en regio specifieke uitwerkingen worden vormgegeven. Deze visies zijn stevig en niet-vrijblijvend, maar wel realistisch, zie hiervoor paragraaf 3.3.4. De realisatie van twee nieuwe woningen past binnen de provinciale richtlijnen die zijn gesteld voor het overig bebouwd gebied. Het initiatief past binnen de beleidsregels zoals geschetst in het POL2014.
Vastgesteld
14
3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoort de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019. De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Regionale wateroverlast – normering 1:100; ▪ Boringsvrije zone Venloschol. Regionale wateroverlast In de Omgevingsverordening is voor verschillende te onderscheiden gebieden een norm opgenomen waarin is aangegeven waarop de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren moeten zijn ingericht. In de Bronsgroene landschapszone waar geen natuurbeek is gelegen (dit zijn overwegend beekdalen) is de norm (1:10) afgestemd op het meest geëigende en meest toegepaste grondgebruik, namelijk grasland.
Voor de overige landbouwpercelen in het buitengebied geldt de referentienorm voor akkerbouw (1:25). Voor belangrijke glastuinbouwgebieden is de referentienorm voor hoogwaardige land- en tuinbouw (1:50) toegepast. Voor bebouwde kernen is meestal de referentienorm voor bebouwd gebied (1:100) vastgesteld. De norm is uitgedrukt als de maximale kans per jaar dat wateroverlast mag optreden. In veel gebieden is de daadwerkelijke kans op wateroverlast kleiner dan de norm aangeeft. Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Lottum. Voor het bebouwd gebied is de referentienorm voor wateroverlast vastgesteld op 1:100. Binnen het plangebied is de maximale kans op wateroverlast 1% per jaar. Dit wil zeggen dat in totaal 3,65 – 3,66 dagen per jaar wateroverlast kan optreden binnen het plangebied. Echter de kans op daadwerkelijke wateroverlast is kleiner dan de norm. Gesteld kan worden dat de kans op wateroverlast kleiner is dan 1% per jaar, zodoende kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Venloschol Het is in het gebied Venloschol beneden 5 meter +NAP verboden: a. Een boorput te hebben; b. De grond te roeren; c. Een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; d. Werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten.
Betreffend perceel ligt op circa 19,7m +NAP. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 12,7 meter geroerd kan worden. Dit is in dit geval echter niet aan de orde. Aan het plangebied is de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ toegekend om diepe boringen zonder de daarvoor noodzakelijke vergunning te voorkomen.
Vastgesteld
15
3.3.4 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg De gemeente Horst aan de Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venray en Venlo en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie NoordLimburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Horst aan de Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen NoordLimburg’ een reductieopgave van 105 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Horst aan de Maas de gestelde opgave ruim heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.
Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.
▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. De beoogde ontwikkeling betreft het oprichten van twee levensloopbestendige woningen aan een reeds bestaand bebouwingslint in de kern van Lottum. De woningen zijn beoogd in de tuin van de Woning Ulsheggerweg 37. De woningen zijn gezien de grootte en ligging uitermate geschikt voor senioren. Gezien de aard van het initiatief en de vraag naar woningen binnen de dorpen sluit de nieuwe woning aan op de regionale uitgangspunten op basis van de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024.
Vastgesteld
16
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uit spraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijke grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 6B ‘Woondorpen’. Hier geldt voor solitaire woningbouw een meedenkende grondhouding. Bij een meedenkende grondhouding is sprake van een maatwerkbeoordeling, waarbij aspecten als onderscheidend vermogen en de locatie van belang zijn. Een initiatief kan pas rekenen op planologische medewerking op het moment dat een passende kwaliteitsverbetering gegarandeerd is. De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Lottum aan de Ulsheggerweg.
De Ulsheggerweg betreft een bebouwingslint bestaande uit voornamelijk vrijstaande en half vrijstaande woningen. Het initiatief voor de nieuwe woningen past functioneel gezien dan ook goed binnen de omgeving, waar de woonfunctie overheerst.
Afbeelding 10. Gebiedsindeling gemeentelijke structuurvisie
In het kader van de evaluatie van de structuurvisie is een bijlage opgesteld waarin de voorwaarden voor het toevoegen van woningen in de gemeente Horst aan de Maas zijn opgenomen. In deze bijlage wordt een onderscheid gemaakt in vier manieren om woningen toe te voegen, te weten “nieuwe woningen”, “splitsen van woningen”, “herontwikkelen van behoudenswaardig vastgoed bij een reeds bestaande woning” en “herontwikkelen van al het andere behoudenswaardig vastgoed”. Van de eerste categorie is in dit geval sprake.
Vastgesteld
17
Om te stimuleren dat woningen eerst binnen de kern worden gerealiseerd is het noodzakelijk dat de gevraagde kwaliteitsbijdrage gunstiger is dan de kwaliteitsbijdrage in het buitengebied. Bij het toevoegen van een nieuwe woningen is de kwaliteitsbijdrage vastgesteld op € 40.000,-. Door deze kwaliteitsbijdrage kan echter niet gestuurd worden op de gewenste samenstelling van de woningvoorraad. Daarom heeft de gemeente Horst aan de Maas de structuurvisie wat dat betreft herzien in september 2019. Indien voldaan wordt aan het Lokaal Afwegingskader en dus een woning wordt toegevoegd waaraan op basis van het gemeentelijk woonbeleid behoefte is, behoeft de kwaliteitsbijdrage van € 40.000,= niet voldaan te worden. Dit wordt bepaald middels een puntensysteem. Er zijn zowel ruimtelijke als volkshuisvestelijke criteria waarop punten gescoord kunnen worden. Indien een initiatief 8 of meer punten scoort binnen het Lokaal Afwegingskader dan is er sprake van een juiste woning op een juiste plek. Tabel 2.Lokaal Afwegingskader
Omschrijving
Mogelijke score 2
Score bouwplan 2
bestaand
3
0
De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Lottum aan de Ulsheggerweg. Aan de Ulsheggerweg is sprake van een bestaand bebouwingslint bestaande uit voornamelijk woningen. De nieuwe woningen zorgen voor een verdere verdichting van de woonwijk. Gesteld kan worden dat met het oprichten van de nieuwe woningen op deze locatie sprake is van inbreiding. Niet van toepassing.
Hergebruik monumentaal vastgoed Herontwikkelingslocatie Levensloopbestendige woning
8
0
Niet van toepassing.
4 2
0 2
Huurwoning kleine kern Huurwoning groeikern Kleine huisvesting
5 2 2
0 0 2
Flexibel Gevarieerde wijkopbouw Duurzaamheid
1 2
0 0
Niet van toepassing. De woningen worden levensloopbestendig ingericht, de woningen zullen dan ook ideaal zijn voor bewoning door ouderen. Dit is verankerd in de regels door de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – levensloopbestendige woning’. Niet van toepassing. Niet van toepassing. De woningen zullen per woning een gebruiksoppervlakte beslaan van maximaal 120 m2, dit is mede verankerd in de regels. Niet van toepassing. Niet van toepassing.
2
2
Inbreiding
Hergebruik vastgoed
Totaal punten
Motivatie
De woningen worden duurzaam en zeer energiezuinig uitgevoerd.
8
Aan de hand van deze motivatie is aangetoond dat het initiatief 8 punten behaald heeft. Een afdracht in het kader van de structuurvisie is in dit geval niet aan de orde.
Vastgesteld
18
3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen 2021-2025 is op 20 april 2021 vastgesteld door de raad. In het Masterplan geeft de gemeente Horst aan de maas de ambities voor de komende jaren. De ambities zoals genoemd in het Masterplan Wonen betreffen de volgende: 1. 1.000 nieuwe woningen tussen nu en 2025 De woningmarkt in gemeente Horst aan de Maas staat onder druk: de vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En die druk neemt de komende jaren verder toe. De gemeente Horst aan de Maas telde in 2020 ruim 18.000 huishoudens; de komende tien jaar komen daar naar verwachting 1.200 tot 1.400 huishoudens bij. Om de balans op de woningmarkt te herstellen voor nu en de nabije toekomst, ligt er een stevige ambitie: 1000 woningen tussen nu en 2025. 2. Transformatie van de bestaande woningvoorraad Niet elke woning sluit op termijn nog aan op de wensen van de inwoners binnen de gemeente. De gemeente ziet echter wel kansen om bestaande woningen te verbeteren, zodat deze aansluiten bij de woonwensen van nu en de toekomst. De gemeente stuurt daarbij op twee soorten kwaliteitsverbetering: verduurzaming enerzijds, het zorggeschikt(er) maken van woningen anderzijds. Hiermee ervaren inwoners overigens ook meer comfort en woningverbetering leidt in veel gevallen tot een hogere woningwaarde en lagere woonlasten. 3.
Een inclusieve woningmarkt In Horst aan de Maas is iedereen welkom. Ook kwetsbare doelgroepen en nieuwe inwoners kunnen rekenen op een passende woning. De huisvestingsopgaven voor statushouders, mensen met een psychische beperking en woonwagenbewoners zijn in het masterplan opgenomen. De ambitie om in vijf jaar tijd 1.000 nieuwe woningen te vergunnen, vraagt om een aanpak die pragmatisch en voortvarend is en waarbij de gemeente altijd in dialoog is met inwoners en samenwerkingspartners. De ambitie voor het toevoegen van 1.000 woningen is vertaald naar de volgende speerpunten: ▪ Kaders als basis voor mogelijkheden. Nieuwbouwplannen worden getoetst aan de hand van een afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op de medewerking van de gemeente Horst aan de Maas. ▪ Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang. Met elk nieuw plan en elk nieuw initiatief op het gebied van wonen, is de gemeente een stap dichter bij haar ambitie. Elk jaar maakt de gemeente de balans op van vorderingen en toets of de gemeente nog op koers ligt. De gemeente brengt in kaart hoeveel woningen zijn vergund en welke woningtypen zijn gerealiseerd. ▪ Maatwerk per kern. Bij elk initiatief gaat de gemeente samen met ontwikkelaars in gesprek met inwoners over het gewenste woningbouwprogramma.
Dit gaat verder dan het peilen van de interesse in de nieuw te ontwikkelen woningen. De gemeente en ontwikkelaar brengen ook de mogelijkheden van doorstroming in kaart. ▪ Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen. Dit Masterplan geeft richting aan een woningbouwopgave. Voor de daadwerkelijke uitvoering van de woningbouwopgave staan andere partijen aan de lat: particulieren en vooral ontwikkelaars en woningbouwcorporaties. De gemeente is ervan overtuigd dat de mooiste initiatieven ontstaan als ontwikkelaars de ruimte krijgen. ▪ Minder regels, snelle doorloop van processen. Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. De gemeente vermindert de regeldruk waar mogelijk, organiseert parallelle processen en houdt initiatiefnemers aangehaakt. ▪ Participatie & communicatie. Ontwikkelaars en gemeente betrekken inwoners van een kern en/of omwonenden van een initiatief in alle fasen van de projectontwikkeling: van het ophalen van woonwensen tot het voorleggen van een schetsontwerp. De gemeente Horst aan de Maas heeft de ambitie om tussen nu en 2025 1.000 woningen toe te voegen aan de bestaande voorraad. De nieuwbouwopgave voorziet in de vraag naar woningen voor sociale huur (30%), vrije sector huurwoningen (30%) en koopwoningen (40%). Bij de koopwoningen wordt voornamelijk gericht op
Vastgesteld
19
betaalbare (starters) woningen en nultredenwoningen (zoals grondgebonden woningen met badkamer en slaapkamer op de begane grond). Met onderhavig initiatief wordt worden twee nieuwe levensloopbestendige woning opgericht, zijnde een nultredenwoningen. In het Masterplan Wonen is opgenomen dat gebouwd dient te worden naar behoefte en dat binnen de gemeente behoefte is aan nultredenwoningen woningen. Het initiatief tot het oprichten van twee levensloopbestendige woningen past derhalve binnen het Masterplan Wonen van de gemeente Horst aan de Maas.
3.5
Conclusie
Beleidsmatig zijn er, met uitzondering van het vigerende bestemmingsplan, geen belemmeringen voor de realisatie van de nieuwe woningen. Het oprichten van twee levensloopbestendige woningen is geen stedelijke ontwikkeling op basis van ladder voor duurzame verstedelijking. De woningen worden opgericht in de bebouwde kom van Lottum en sluiten aan bij de functionele en ruimtelijke karakteristiek van de omgeving. Met het initiatief wordt invulling gegeven aan de concrete behoefte van maar geschikte woningen voor ouderen (een levensloopbestendige woning). Op basis van de structuurvisie is sprake van de juiste woning op de juiste plek, daarom is een kwaliteitsverbetering c.q. bijdrage niet benodigd.
Vastgesteld
20
4.
PLANBESCHRIJVING
Initiatiefnemer wenst twee nieuwe woningen op te richten aan de Ulsheggerweg ongenummerd in Lottum. De locatie betreft in de huidige situatie de tuin behorende bij de woning Ulsheggerweg 37. Ten oosten van de huidige woning wil initiatiefnemer twee levensloopbestendige woningen realiseren.
4.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan
Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van twee nieuwe levensloopbestendige woningen binnen het plangebied; ▪ Er mogen uitsluitend twee levensloopbestendige woningen worden gerealiseerd; ▪ Beide woningen hebben een gebruiksoppervlakte van maximaal 120 m2; ▪ De voorzijde van het bouwvlak voor de nieuwe woningen liggen dan in lijn tussen de woningen Ulsheggerweg 31-33 en 37. De achterzijde van het bouwvlak zal in dezelfde lijn liggen als de naastgelegen woningen Ulsheggerweg 31-33; ▪ Qua goot- en bouwhoogte wordt aangesloten bij de goot- en bouwhoogte van naastgelegen woningen Ulsheggerweg 31-33; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Maaskernen” zoals dat thans voor de kern van Lottum geldt; ▪ Aan het plangebied dient de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ te worden toegekend ter bescherming van de het grondwaterbeschermingsgebied Venloschol; ▪ De reeds aanwezige dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ blijft gehandhaafd.
De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken voor het oprichten van twee levensloopbestendige woningen, ten oosten van de woning Ulsheggerweg 37. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin een bouwvlak aan het plangebied is toegekend met de aanduiding ‘twee-aaneen’ en de maatvoering ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ zodat de bouw van twee halfvrijstaande woningen mogelijk wordt gemaakt. Voor het bouwvlak van de nieuwe woningen is de bestaande gevellijn van de oostelijk gelegen woningen (Ulsheggerweg 31-33) doorgetrokken. Er mogen uitsluitend twee levensloopbestendige woningen met beide een gebruiksoppervlakte van 120 m² worden gerealiseerd, daarom is de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - levensloopbestendig’ toegekend. Het maximale gebruiksoppervlakte is mede verankerd in de planregels. Het plangebied is daarnaast voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en de gebiedsaanduiding ‘milieuzone grondwaterbeschermingsgebied’.
4.2
Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten
De locatie is gelegen in de bebouwde kom van de kern Lottum, aan de Ulsheggerweg. Rondom het plangebied overheerst de woonfunctie en de woningen bestaan voornamelijk uit vrijstaande en halfvrijstaande woningen. Het initiatief past dan ook functioneel gezien goed bij de omgeving.
Vastgesteld
21
Bouwtekeningen voor de nieuwe woningen zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet een specifieke woning geregeld, maar wordt een bouwrecht aan de locatie toegekend. Het bouwrecht kan worden ingevuld met twee halfvrijstaande woningen, zolang deze voldoen aan de bepalingen uit de planregels. Over de architectonische uitstraling van de nieuwe woningen is momenteel dan ook nog niets bekend. Om een goede welstandelijke inpassing te garanderen wordt in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag het bouwplan getoetst door de commissie ruimtelijke kwaliteit zodat de op te richten woningen qua vorm, geleding als gevel (uitstraling) passen in het heersende straatbeeld en de woningen ook kwalitatief passen in de omgeving.
Afbeelding 11 beoogd bouwvlak (blauw)
Ten aanzien van het stedenbouwkundige en ruimtelijke aspect kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van verslechtering van het stedenbouwkundige karakter maar juist een versterking van het reeds bestaande bebouwingslint. Vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt is het bouwplan passend.
Vastgesteld
22
5.
SECTORALE ASPECTEN
5.1
Inleiding
Voordat de woningen binnen het plangebied kunnen worden gerealiseerd dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.2
Milieuaspecten
5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. Het plangebied is reeds voorzien van een woonbestemming, met het toekennen van een bouwvlak ter plaatse is geen sprake van een bestemmingswijziging. Derhalve is een onderzoek naar de bodemkwaliteit niet noodzakelijk. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig initiatief. 5.2.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200
Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een
Vastgesteld
23
hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB. Om de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen te bepalen is op voorhand een akoestisch onderzoek1 uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat voor alle omliggende zoneplichtige wegen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Geconcludeerd wordt dat een goed woon- en leefklimaat in het kader van wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woningen gewaarborgd is. 5.2.3 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden.