09c.3 Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Tekst van het document
De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als agrarisch gebied en vervolgens bebouwd geraakt met verschillende gebouwen die in de 21e eeuw gesloopt zijn. Door ploegen, bouwactiviteiten en sloop kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.
37 38
Louwe Kooijmans et al., 2005. Renes, 1999.
Rapport 14131.001 versie 1
Pagina 15 van 21
2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit de landschappelijke ligging op een Maasterras uit het Allerød, in de binnenbocht van een oude Maasgeul, blijkt dat het plangebied vanaf het Mesolithicum gunstig is geweest voor jagersverzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Omdat dit Maasterras pas aan het einde van het Paleolithicum is gevormd worden er geen archeologische resten uit deze periode in het plangebied verwacht. Het plangebied heeft daarom een lage gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit het Paleolithicum en een hoge gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit het Mesolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend. Gezien de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel.
Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend/karterend/ gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 2 december 2020 door drs. A.H. Schutte (senior KNA Prospector (reg. nr. 43842407)) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. De raaien zijn verspringend ten opzichte van elkaar gezet, waardoor een systeem bestaande uit gelijkbenige driehoeken ontstaat. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige kabels en leidingen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 centimeter) vijf boringen tot maximaal 2,3 meter onder het huidige maaiveld gezet (Figuur 10). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Stan-
Rapport 14131.001 versie 1
Pagina 16 van 21
daard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. 39 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en ywaarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN2). Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. Bij het booronderzoek is gebleken dat er in het gehele plangebied sprake is van een verstoorde bodemopbouw. De verstoring was het diepst bij boring 1, gezet binnen de contouren van de voormalige bebouwing. Hier was de bodem verstoord tot in de top van de zandige leemafzettingen op 185 centimeter onder maaiveld. Bij de andere boringen, gezet buiten de contouren van de voormalige bebouwing was de bodem minder verstoord, tot in de dekzandafzettingen. Verstoringen beperken zich hier tot in het dekzand. Boring 3 en 5 zijn de minst diep verstoord van alle boringen. Bij boring 5 ligt onder een bouwvoor een 45 centimeter dik humeus pakket matig fijn zwak siltig zand (bouw/restant enkeerdgrond). Hieronder ligt een 10 centimeter dik geroerde laag matig fijn zwak siltig zand grijs gevlekt bruin zand. Vanaf 50 centimeter onder maaiveld is de C-horizont vastgesteld bovenin die bestaat uit matig fijn zwak siltig bruin zand en vanaf 1,2 meter onder maaiveld uit lichtbruin matig fijn zwak siltig zand met gley. Bij boring 3 ligt onder en 35 centimeter dikke bouwvoor een homogeen grijs pakket die als een geroerde laag is geïnterpreteerd. Hieronder vindt een scherpe overgang plaats naar de C-horizont bestaande uit lichtbruin matig fijn zwak siltig zand met gley.
Bij boringen 2 is sprake van een 1,2 meter dik pakket geroerde grond en bij boring 4 een 95 centimeter dik pakket geroerde grond met daaronder de C-horizont bestaande uit lichtbruin matig fijn zwak siltig zand met gley. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen, anders dan brokjes puin die toegeschreven worden aan de bebouwing die in het plangebied sinds de jaren ’50 van de 20 e eeuw heeft gestaan en begin deze eeuw zijn gesloopt. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespeci39
Bosch, 2005.
Rapport 14131.001 versie 1
Pagina 17 van 21
ficeerde archeologische verwachting. Uit de resultaten van het veldonderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied verstoord is. De diepte van de verstoring fluctueert binnen het plangebied van 55 centimeter tot 185 centimeter onder maaiveld. Uitgaande van de resultaten van boring 5 ligt het archeologisch niveau in het zuidelijk deel van het plangebied op minimaal 45 centimeter onder maaiveld.
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van een Maasterras uit het Allerød, in de binnenbocht van een oude Maasgeul de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw is in het plangebied verstoord tot wisselende dieptes. Plaatselijk op de locaties waar de bodem minder verstoord is, boring 3 en 5, kunnen nog archeologische waarden aanwezig zijn. Op de locatie van de andere boringen is dit uit te sluiten. Door de lokaal verstoorde bodemopbouw en de realisatie van de huidige bebouwing zoals de aanwezigheid van een kelder, souterrain en de fundering van de dragende buren tot in de vaste grondslag, wordt in het plangebied geen behoudenswaardige archeologische vindplaats meer verwacht. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed 40).
40 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 14131.001 versie 1
Pagina 18 van 21
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berg, M.W. van den, 1996: Fluvial sequences of the Maas; a 10 Ma record of neotectonics and climate change at various time-scales. Thesis, Landbouw Universiteit Wageningen. Boots, G.J., 2015: Archeologisch proefsleuvenonderzoek De Comert te Grubbenvorst in de gemeente Horst aan de Maas. Econsultancy Archeologisch Rapport 14091871. Swalmen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Buesink, A., 2008: Gemeente Horst aan de Maas De Soom Te Grubbenvorst, Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (karterende fase). BAAC rapport V-08.0092. ’s-Hertogenbosch. Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Heeringen R.M. van & R. Schrijvers, 2015: Actualisatie van de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas. Vestigia rapport V1188. Amersfoort. Isarin, R., E. Rensink, R. Ellenkamp & E. Heunks 2015: Archeologische Verwachtingskaart Maasdal tussen Mook en Eijsden. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage.
Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Schutte, A.H., 2016: Archeologisch Bureauonderzoek en Verkennend Booronderzoek Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst gemeente Horst aan de Maas. Econsultancy Archeologisch Rapport 15122138. Swalmen. Stichting voor Bodemkartering, 1968: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 52 West/Venlo.
Rapport 14131.001 versie 1
Pagina 19 van 21
Stiekema, M., 2014: Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Steegerakkerweg (ong.) te Grubbenvorst in de gemeente Horst aan de Maas. Econsultancy Archeologisch Rapport 14071718. Swalmen. Winter, J. de & J. Weterings, 2011: Grubbenvorst Plangebied De Soom Definitief onderzoek naar Romeinse en middeleeuwse sporen. BAAC rapport A-09.0049. ’s-Hertogenbosch. Wullink A.J. & M. Stiekema, 2010: Een archeologisch verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van boringen aan de Kloosterstraat te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas (L). ARC-Rapporten 2010-40. Geldermalsen Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 14131.001 versie 1
Pagina 20 van 21
BRONNEN AHN; internetsite, december 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, december 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, december 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, december 2020. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Bodemloket, internetsite, december 2020. http://www.bodemloket.nl Dinoloket; internetsite, december 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, december 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, december 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Ondergrondportaal, internetsite, december 2020. https://portal.prvlimburg.nl/viewer/app/default Provinciaal Omgevingsplan Limburg; internetsite, december 2020. https://www.limburg.nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeologie/arch-onderzoek/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, december 2020. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, december 2020. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, december 2020. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, december 2020. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 14131.001 versie 1
Pagina 21 van 21
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland41
Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
41 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 14131.001 versie 1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied42
Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
42 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 14131.001 versie 1
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied43
Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
43 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 14131.001 versie 1
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de maatregelenkaart44
Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst. Situering van het plangebied binnen de archeologische maatregelenkaart gemeente Horst aan de Maas Legenda Plangebied
44
Heeringen & Schrijvers, 2015.
Rapport 14131.001 versie 1
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart 45
Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Plangebied
45
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 14131.001 versie 1
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 46
Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
46
AHN
Rapport 14131.001 versie 1
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart47
Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied
47
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 14131.001 versie 1
Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 48
Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied
48
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 14131.001 versie 1
Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
Situatie 1805 (bron: Beeldbank Vrije Universiteit)
Situatie 1821 (bron: Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
Situatie 1935 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1958 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1967 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1979 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 14131.001 versie 1
Figuur 10. Boorpuntenkaart
Wilhelminastraat 2 te Grubbenvorst. Boorpuntenkaart met klicgegevens Legenda Plangebied Boorpunt met nummer
Rapport 14131.001 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 14131.001 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
Atlanticum warm vochtig
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 14131.001 versie 1
Bijlage 2
AMK-terreinen
AMK nr. 16556
Situering t.o.v. plangebied 10 meter ten zuiden van het plangebied Grubbenvorst te Grubben-vorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207592/381595
11230
180 meter ten noordwesten van het plangebied Halvendijk te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207403/381902
Rapport 14131.001 versie 1
Datering
Waarde en omschrijving
LateMiddeleeuwen Nieuwe tijd
Toponiem: Grubbenvorst Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met bewoningssporen uit de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Het gaat om de oude dorpskern van Grubbenvorst. Grubben, ook wel Gribben, was de naam van het kasteel waarvan nu de ruïne van het Gebroken Slot resteert. Grubben wijst meestal op een holle weg. Het tweede gedeelte van de naam Vorst was de naam van het dorp. Deze naam wijst op bos, in het bezit van de heer van het gebied. Aanvankelijk was hier veel bos, maar dat is grotendeels verdwenen door het ingrijpen van de mensen, die bossen gingen kappen uit behoefte aan weidegrond. Na het kappen ontstond heidevelden. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19e-eeuwse en vroeg 20e-eeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn.
Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege- en Volle Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning. Toponiem: Halvendijk Complex: Borg/stins/versterkt huis Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met resten van een hofstede uit de Late-Middeleeuwen-Nieuwe tijd. De vindplaats bevindt zich in een laagte van het rivierterras. Tijdens een veldcontrole in 1994 waren op het terrein nog de fundamenten en gedempte grachten van een Middeleeuws kasteel aanwezig. Aan het oppervlak is echter niets meer te zien. Op historische kaarten staan de grachten nog aangegeven, evenals een gebouw binnen de grachten. De grondeigenaar heeft bij diverse grondwerkzaamheden restanten van het kasteel aangetroffen. Ook zijn in de naaste omgeving bij graafwerkzaamheden grondsporen ontdekt die verband lijken te houden met het kasteel. De vindplaats is matig verstoord; hoewel er in het verleden veel gegraven is, zijn de nog aanwezige restanten momenteel redelijk goed geconserveerd. Aan de noordwestzijde is evenwel een weg gepland (omleiding), die gedeeltelijk over het kasteelterrein gaat. Aanvullend onderzoek zal nodig zijn om te bepalen in hoeverre het kasteelterrein door de geplande werkzaamheden zal worden aangetast.
In 1998 vond een proefonderzoek plaats (ADC/JWS). Op grond van gecombineerde gegevens, historisch en archeologisch, kan worden aangenomen dat bij het onderzoek niet de veronderstelde resten van een kasteel zijn aangetroffen, maar een grachtenstelsel van een begraven hofstede. De dateringsmogelijkheden zijn bijzonder klein. Een aanlegdatum van de hoofdgracht (de gracht om het hoofdgebouw) in de late 13e of vroege 14e eeuw is aannemelijk. In latere eeuwen is het grachtenstelsel uitgebreid. Gezien het geringe aantal vondsten is dit gedeelte van het terrein niet erg intensief gebruikt. De veronderstelde hofstede is waarschijnlijk afgebroken en de stenen zijn elders gebruikt. Op grond van de resultaten kan geconcludeerd worden dat er zich geen archeologische problemen zullen voordoen bij de voornoemde omleiding. De archeologische resten leveren te weinig nieuwe informatie op. In de directe omgeving van het tracé zijn belangrijke aanwijzingen over de functie van het complex te verwachten. Van der Gaauw 1994: cat.nr. 17
LateMiddeleeuwen Nieuwe tijd
Bijlage 3 Zaaknummer (OMnummer) 3985188100
Onderzoeksmeldingen
Locatie
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek
Direct ten noorden van het plangebied te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207602/381668
Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 15-1-2016 Resultaat: Uit de landschappelijke ligging op een Maasterras uit het Allerød, in de binnenbocht van een oude Maasgeul, blijkt dat het plangebied vanaf het Mesolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Omdat dit Maasterras pas aan het einde van het Paleolithicum is gevormd worden er geen archeologische resten uit deze periode in het plangebied verwacht. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied voornamelijk sporen van menselijke activiteit zijn waargenomen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Vanwege de ligging van het plangebied op een oude Maasmeander, is het een van oudsher geschikte locatie geweest voor jagers-verzamelaars. De archeologische verwachting voor resten uit het Mesolithicum is daarom hoog. Het plangebied heeft verder een gunstige ligging voor landbouwers. De relatief hoog gelegen kronkelwaardrug ten oosten van de oude Maasmeander is een gunstig leefgebied voor vroege landbouwers. Uit de archeologische gegevenskaart blijkt dat er ten noordoosten van het plangebied op dezelfde vondsten zijn gedaan van landbouwers uit verschillende perioden. De archeologische verwachting voor de periodes Neolithicum tot en met de Middeleeuwen is daarom hoog.
Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 20-1-2016 Resultaat: Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat onder antropogene ophogingslagen een 20 tot 30 centimeter verstoorde laag ligt, met hieronder natuurlijke rivierafzettingen. Op grond van de resultaten van het booronderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 18-12-2009 Resultaat: Econsultancy adviseert om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek.
3985196100
Direct ten noorden van het plangebied te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207602/381668
2269672100 (38633)
120 meter ten zuidoosten van het plangebied Kloosterstraat 72, 72A en 74 en De Zumpel 1 te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207743/381531 120 meter ten zuidoosten van het plangebied Kloosterstraat te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207747/381516
2274491100 (39279)
Rapport 14131.001 versie 1
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Kloosterstraat Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 02-02-2010 Onderzoeksnummer: 33918 Resultaat: Volgens het bureauonderzoek door Econsultancy ligt de onderzoekslocatie op een Maasterras uit het Allerød-interstadiaal of mogelijk binnen een restgeul uit die periode. Binnen de restgeulen worden volgens de bodemkaart associaties van gronden in oude Maasmeanders verwacht, zoals poldervaaggronden, veengronden en beekeerdgronden. Op het terras worden ooi- en poldervaaggronden in lichte zavel verwacht, evenals hoge enkeerdgronden. Als het plangebied op het terras ligt is er sprake van een hoge archeologische trefkans en als de locatie in de restgeul ligt van een lage trefkans voor archeologische resten vanaf het Mesolithicum. De locatie ligt in ieder geval aan de rand van de oude dorpskern van Grubbenvorst, een archeologisch monument van hoge waarde. Op het Maasterras, in de nabije omgeving zijn diverse archeologische vondsten uit het Neolithicum, de Bronstijd, de Romeinse tijd en de Late-Middeleeuwen aangetroffen. De locatie was tot de jaren 1960 in gebruik als akkerland, daarna is de huidige bebouwing gerealiseerd, welke grotendeels is onderkelderd. Het verkennend inventariserend booronderzoek heeft aangetoond dat het plangebied op het Allerød-Maas-terras ligt, waarop zich een(afgetopte) hoge enkeerdgrond bevindt.
Het oorspronkelijke bodemprofiel is mogelijk een vorstvaaggrond geweest. De bodem is in een tweetal boringen (4 en 5) tot een diepte van 100 `a 110 cm vergraven, mogelijk als gevolg van het uitgraven van de bouwput van de huidige bebouwing. Geconcludeerd kan worden dat, op basis van de bodemopbouw, voor de onderzoekslocatie in principe een hoge trefkans geldt. Deze trefkans betreft de delen van het terrein waar de bebouwing niet is onderkelderd. Op de overige terreindelen blijft de hoge trefkans bestaan, ondanks mogelijke vergravingen. Met name diepere grondsporen uit de Late-Middeleeuwen (paalkuilen, waterputten) kunnen bewaard zijn gebleven. Voor zover de bodem niet is vergraven onder het eerddek, kunnen ook oudere sporen worden verwacht. Vanwege de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten binnen het plangebied, wordt de volgende aanbevelingen gedaan. Ten eerste wordt geadviseerd om de sloop van de ondergrondse
2014886100 (3759)
180 meter ten noordwesten van het plangebied Wilhelminastraat te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207390/381946
2453160100 (62816)
210 meter ten noorden van het plangebied te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207590/381989 210 meter ten noorden van het plangebied Steegerakkerweg te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207590/381989
2453169100 (62817)
2172633100 (24926)
285 meter ten zuidoosten van het plangebied Lottumseweg 1 te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207859/381458
4860481100
315 meter ten oosten van het plangebied te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207940/381501 335 meter ten oosten van het plangebied Dijkversterking Grubbenvorst
2446616100 (61987)
Rapport 14131.001 versie 1
delen van de niet onderkelderde bebouwing (funderingen) uit te voeren onder archeologische begeleiding. Verder wordt de aanbeveling gedaan om de ontgraving van de toekomstige bouwputten buiten de huidige bebouwing uit te voeren onder archeologische begeleiding. Voor een archeologische begeleiding (AB) dient een door het bevoegd gezag, de gemeente Horst aan de Maas, goedgekeurd Programma van Eisen te worden opgesteld. Het is aan het bevoegd gezag om te besluiten of en in welke vorm archeologisch vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 7-8-1998 Resultaat: Op grond van gecombineerde gegevens, historisch en archeologisch, kan verondersteld worden dat bij het onderzoek een grachtenstelsel van een begraven hofstede is blootgelegd. De dateringsmogelijkheden zijn bijzonder klein. Een aanlegdatum van de hoofdgracht (de gracht om het hoofdgebouw) in de late 13e of vroege 14e eeuw is aannemelijk. In latere eeuwen is het grachtenstelsel uitgebreid. Gezien het geringe aantal vondsten is dit gedeelte van het terrein niet erg intensief gebruikt. De veronderstelde hofstede is waarschijnlijk afgebroken en de stenen zijn elders gebruikt. Op grond van de resultaten kan geconcludeerd worden dat er zich geen archeologische problemen zullen voordoen bij de omleiding.
De archeologische resten leveren te weinig nieuwe informatie op. Voorzichtigheid is echter wel geboden. In de directe omgeving van het tracé zijn belangrijke aanwijzingen over de functie van het complex te verwachten. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 11-8-2014 Resultaat: Econsultancy adviseert een verkennend booronderzoek uit te laten voeren. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 13-8-2014 Resultaat: Uit de landschappelijke ligging op een Maasterras uit de Jonge Dryas, in de binnenbocht van een oude Maasgeul, blijkt dat het plangebied vanaf het Mesolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Omdat dit Maasterras pas aan het einde van het Paleolithicum is gevormd worden er geen archeologische resten uit deze periode in het plangebied verwacht. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied voornamelijk sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Het plangebied heeft een lage gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit het Paleolithicum en een hoge gespecificeerde archeologische verwachting voor resten uit het Mesolithicum tot en met de Nieuwe tijd.
De aangetroffen bodemopbouw bestaat uit Maasterrasafzettingen, afgedekt door een eerdlaag van 70 tot 100 cm. Bij de boringen op het westelijke akkerland zijn geen bodemverstoringen aangetroffen. De boringen op het terrein van de oostelijk hiervan gelegen tennisclub geven aan dat het terrein hier wel is verstoord tot een diepte van 70-150 cm -mv. De gespecificeerde archeologische verwachting zoals opgesteld in het bureauonderzoek kan worden gehandhaafd voor het westelijke deel van het plangebied (de huidige akker). Voor de oostelijke helft van het plangebied (het tenniscomplex)kan de verwachting worden bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het westelijke deel van het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Voor het oostelijke deel adviseert Econsultancy om dit deel van het plangebied vrij te geven. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 23-10-2007 Resultaat: plangebied van ca. 300 m2. Onderzoek noodzakelijk wegens vondst op 50 m afstand en ligging binnen oude dorpskern van Grubbenvorst. Het plangebied ligt in een oude maasgeul. Daardoor kent het plangebied een lage archeologische verwachting. Het veldwerk heeft eveneens aangetoond dat het bodemprofiel deels verstoord is.
Er werden geen archeologische indicatoren aangetroffen. Omwille van deze redenen wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Het bevoegd gezag, de provincie Limburg, onderschrijft dit advies. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Aeres Milieu Datum: 15-5-2020 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Buro de Brug BV Datum: 10-6-2014
2458248100 (63451)
te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 208136/381168 340 meter ten noorden van het plangebied te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207564/382031
2194041100 (28034)
340 meter ten noordoosten van het plangebied te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207987/381786
2211731100 (30529)
345 meter ten noordoosten van het plangebied De Soom te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207993/381795 345 meter ten noordoosten van het plangebied De Soom te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207968/381783
2233691100 (33617)
2254768100 (36558)
345 meter ten oosten van het plangebied Doolingsbemden te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207984/381604
4552243100
345 meter ten oosten van het plangebied Prioritaire Dijkversterking Perceel 2, Dijkringen 68
Rapport 14131.001 versie 1
Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 15-9-2014 Resultaat: Het resultaat van het onderzoek betreft één vindplaats bestaande uit nederzettingssporen uit de periferie van een erf uit de Late-Bronstijd - Vroege-IJzertijd. Daarnaast zijn er nog losse vondsten uit het Mesolithicum en/of het Neolithicum, de Vroege- en Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aangetroffen. Volgens de waardering op KNA voorgeschreven wijze krijgt de site een lage waardering en is niet behoudenswaardig. Het selectieadvies is daarom dan ook om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling en is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. De gemeente Horst aan de Maas heeft ingestemd met het advies. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 8-4-2008 Resultaat: Binnen het plangebied is een hoger gelegen Maasterras aanwezig in het westen (BøllingAllerød) en een lager gelegen terras in het oosten (Holoceen). Het lager gelegen terras binnen het plangebied bestaat uit een geulopvulling. Zowel op het hogere als het lagere terras is een archeologische indicator gedateerd in de Late-Middeleeuwen aangetroffen. Daarnaast zijn archeologische indicatoren aangetroffen met een brede datering in de periode LME-NT en uit de NT. Binnen het gehele plangebied is een esdek aanwezig.
Op het hoger gelegen terras kunnen bewoningssporen aanwezig zijn uit de LME. Ter plaatse van het lager gelegen terras kan een dumpzone aanwezig zijn. De vondsten zijn aangetroffen in de bouwvoor of het esdek, waarmee de exacte locatie van de bijbehorende nederzettingssporen onbekend is. Vandaar de aanbeveling tot een grid van proefsleufjes. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 8-9-2008 Resultaat: Vervolgonderzoek aanbevolen Type onderzoek: opgraving Uitvoerder: BAAC BV Datum: 25-2-2009 Resultaat: Bewoningssporen uit waarschijnlijk de Romeinse tijd (kuilen en paalsporen, greppels, houtskool, hutteleem, keramiek). Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 13-8-2009 Resultaat: Hoge trefkans op archeologica uit de periode Paleolithicum - Nieuwe tijd. Het bodemarchief op de onderzoekslocatie is mogelijk voor een deel verstoord door bebouwing in het verleden. Uit het bureauonderzoek blijkt dat de bodem van locatie B waarschijnlijk niet is verstoord. Bij de resterende locaties bestaat een vermoeden dat het bodemarchief is aangetast door graafwerkzaamheden in het verleden. Toch kan voor deze locaties niet worden uitgesloten dat er intacte archeologische resten in de bodem aanwezig zijn. Een vervolgonderzoek op alle locaties is daarom noodzakelijk om te bepalen of en in welke mate de bodem is verstoord.
Dit vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek. Het oppervlakte van de verschillende onderzoekslocaties bedraagt circa 1.625 m2 per bergbezinkbassin. In het selectiedocument archeologie van de provincie Limburg worden de volgende oppervlaktecriteria gehanteerd voor archeologisch onderzoek: - Hoge trefkans: vanaf 1.000 m2 archeologisch onderzoek - Middelhoge trefkans: vanaf 2.500 m2 archeologisch onderzoek - Lage trefkans: vanaf 10.000 m2 archeologisch onderzoek. Door de gemeente Horst aan de Maas is aangegeven dat zij deze oppervlaktecriteria doorvoeren in hun beleid. Op basis van deze criteria is een vervolgonderzoek voor locatie A (America, Schiksedijk) daarom niet strikt noodzakelijk. Geadviseerd wordt echter om, indien op de andere onderzoekslocaties een verkennend onderzoek wordt uitgevoerd, ook deze locatie mee te onderzoeken gezien de waarschijnlijk geringe meerkosten. Hiermee kan worden vastgesteld of de locatie een archeologische trefkans heeft, zodat men bij de uitvoering van de werkzaamheden niet voor verrassingen komt te staan. Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Horst, om te bepalen of op de locaties een vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd. Ook bepalen zij de aard en omvang van het eventuele vervolgonderzoek.
Type onderzoek: proefputten/proefsleuven Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 10-07-2017 Resultaat:
2062140100 (9220)
(Lottum) en 67 (Grubbenvorst) Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 209262/386014 500 meter ten noordoosten van het plangebied Lottumseweg 62 te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207972/382080
Rapport 14131.001 versie 1
Niet vermeld in Archis
Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 1-2-2004 Resultaat: Niet vermeld in Archis
Bijlage 4
Vondstmeldingen
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2790753100 (17517)
Locatie
Omschrijving
150 meter ten noordwesten van het plangebied Schoolstraat te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207480/381770
2014886100 (50996)
300 meter ten noordwesten van het plangebied Wilhelminastraat te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207400/381900
Neolithicum : - fragmenten van vuursteen objecten, - fragmenten van vuursteen klingen - fragmenten van vuursteen stekers - fragmenten van vuursteen schrabbers - fragmenten van vuursteen werktuigen Late-Middeleeuwen : - aardewerk - proto-steengoed
2692613100 (1415)
2861482100 (29069)
2980244100 (121306)
2194041100 (416323)
2850077100 (27370)
2850085100 (27371)
2194041100 (416325)
2211731100 (437823)
2233691100 (437803)
300 meter ten noordwesten van het plangebied Kaldendijk te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207420/381910 300 meter ten zuidoosten van het plangebied St. Anna Kapel te Onbekend Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207900/381500 300 meter ten noordwesten van het plangebied Halvendijk te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207450/381900 350 meter ten noordoosten van het plangebied te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207957/381779 350 meter ten noordwesten van het plangebied Halvendijk, Kaldendijk te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207380/381920 350 meter ten noordwesten van het plangebied Halvendijk, Kaldendijk te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207380/381920 400 meter ten oosten van het plangebied te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208015/381768 400 meter ten noordoosten van het plangebied De Soom te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208000/381800
400 meter ten noordoosten van het plangebied De Soom te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207965/381785
Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 4 fragmenten van steengoed Nieuwe tijd : - fragmenten van gedraaid aardewerk - fragmenten van plantaardig, hout balken - bakstenen Bronstijd : - bronzen onderdeel van een zwaard
Middeleeuwen : - fragmenten van stenen objecten, - grachten
Late-Middeleeuwen : - fragment van een geelwitbakkend handgevormd aardewerk bolvormige pot Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 6 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk Late-Middeleeuwen : - grachten
Late-Middeleeuwen : - keramische afval
Late-Middeleeuwen : - fragment van een keramische kogelpot
IJzertijd - Vroege-Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - 21 fragmenten van dakpannen - fragment van een bronzen fibula Romeinse tijd - Vroege-Middeleeuwen : - handgevormd aardewerk - 4 kuilen, - 2 greppels/sloten Bronstijd - IJzertijd : - handgevormd aardewerk IJzertijd - Romeinse tijd : - handgevormd aardewerk Romeinse tijd : - fragmenten van terra sigillata - handgevormd aardewerk - fragment van gladwandig aardewerk - fragmenten van ruwwandig gedraaid aardewerk - 32 fragmenten van dakpannen - fragment van een bronzen fibula - fragmenten van geverfd aardewerk - fragment van een bronzen spijker Romeinse tijd - Vroege-Middeleeuwen : - fragment van een palissade
Rapport 14131.001 versie 1
Romeinse tijd - Late-Middeleeuwen : - 13 kuilen, - 7 fragmenten van palenrijen Romeinse tijd - Nieuwe tijd : - fragment van een metalen plaat/strip - 5 fragmenten van metalen spijkers Vroege-Middeleeuwen : - 18 fragmenten van gedraaid aardewerk - handgevormd aardewerk - fragment van Badorf aardewerk Vroege-Middeleeuwen - Late-Middeleeuwen : - 29 fragmenten van keramische kogelpotten Late-Middeleeuwen : - 2 huisplattegronden - 25 fragmenten van Elmpter aardewerk - 10 fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk
2458248100 (443646)
400 meter ten noorden van het plangebied te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207563/382038
Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 12 greppels/sloten Mesolithicum - Neolithicum : - vuursteen kern - fragment van een vuursteen kling - vuursteen afslagen - fragment van een vuursteen werktuig Neolithicum - Nieuwe tijd : - fragment van huttenleem/verbrande leem Bronstijd - IJzertijd : - handgevormd aardewerk - kuil, - 2 paalgaten Vroege-Middeleeuwen : - fragment van Badorf aardewerk - fragment van een keramische bolpot - fragment van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk Vroege-Middeleeuwen - Late-Middeleeuwen : - 2 fragmenten van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk Late-Middeleeuwen : - 15 fragmenten van steengoed - fragment van witbakkend geglazuurd aardewerk - 69 fragmenten van Elmpter aardewerk - fragment van Paffrath aardewerk - fragment van geelwitbakkend Pingsdorf aardewerk Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 2 fragmenten van steengoed
2861522100 (29073)
2861539100 (29076)
2266601100 (430535)
2850069100 (27369)
400 meter ten oosten van het plangebied Maas te Onbekend Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208000/381500 400 meter ten oosten van het plangebied Maas te Onbekend Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208000/381500 500 meter ten zuiden van het plangebied Reuveld te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207790/381130 500 meter ten oosten van het plangebied Kerk Van Maria Hemelvaart te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208090/381500
Nieuwe tijd : - 7 fragmenten van steengoed - 3 fragmenten van witbakkend geglazuurd aardewerk - 5 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk - 2 fragmenten van dakpannen - fragment van porselein Bronstijd : - 2 bronzen onderdelen van zwaarden
Bronstijd - Nieuwe tijd : - fragment van een glazen kraal
Romeinse tijd : - weg, grindweg
Vroege-Middeleeuwen : - fragment van een plattegrond Vroege-Middeleeuwen - Late-Middeleeuwen : - paalgaten Late-Middeleeuwen :
Rapport 14131.001 versie 1
- stenen funderingen Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - graven, grafkuil
Rapport 14131.001 versie 1
Bijlage 5
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons
Rapport 14131.001 versie 1
worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst.
Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.)
Rapport 14131.001 versie 1
Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd.
Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Rapport 14131.001 versie 1
Bijlage 6
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 14131.001 versie 1
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.