08f Zienswijzenrapport geanonimiseerd
Tekst van het document
Bestemmingsplan “Nieuwe Peeldijk 36, fase 3, America”
Zienswijzenrapport
Afdeling Ruimte Team Omgeving, februari 2021
INLEIDING De gemeente Horst aan de Maas heeft een bestemmingsplan in procedure gebracht voor het gebied Nieuwe Peeldijk 36 te America, meer specifiek voor de percelen kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie L, nummers 242, 243, 244, 245, 300, 301 en 1880 . Doel van deze bestemmingsplanprocedure is het mogelijk maken van de uitbreiding van het aldaar gevestigde glastuinbouwbedrijf (fase 3). Thans is een agrarisch bouwvlak met een omvang van circa 1,5 ha bestemd ten behoeve van het glastuinbouwbedrijf. In het verle ngde van dit bestaande agrarische bouwvlak wordt met het bestemmingsplan, gezien van de Nieuwe Peeldijk, een vergroting van het agrarische bouwvlak naar achteren toe gerealiseerd. Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van het bepaalde in artikel 3.8 v an de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen met ingang van 27 maart 2020. De periode waarbinnen zienswijzen konden worden ingediend eindigde daarmee op 7 mei 2020. Naar aanleiding van de ter inzage ligging zijn zienswijzen ingediend door: Naam
adres
1
postcode
plaats
ontvangst 6 mei 2020
Ontvankelijkheid De zienswijzen van de personen genoemd onder nummer 1 zijn binnen de termijn van ter inzage legging bij de raad ingekomen dan wel tijdig aan dit bestuursorgaan verzonden. Indeling van deze nota Hieronder zijn de ingediende zienswijzen samengevat en direct aansluitend, per onderdeel, (in cursief) beantwoord (deel I). Per zienswijze is afgesloten met een conclusie, waarin ook de consequenties voor het bestemmingsplan zijn aangegeven . Vervolgens volgt een overzicht van de wijzigingen in het plan (deel II), waarbij onderscheid is gemaakt naar wijzigingen in de toelichting, regels en op de verbeelding na zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. Tenslotte staat in de conclusie (deel III) het voorstel aan de raad hoe met de zienswijzen rekening gehouden zou kunnen worden bij vaststelling van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Nieuwe Peeldijk 36, fase 3, America, zienswijzenrapport
2
I SAMENVATTING VAN DE INGEDIENDE ZIENSWIJZEN Reclamant 1 Samenvatting thema 1 – strijd met goede ruimtelijke ordening Reclamant stelt dat het ontwerp-bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De uitbreiding van het bedrijf in de richting van de bedrijfslocatie van reclamant en haar bedrijfswoning aan de Hoebertweg 15 te America mag de bedrijfsvoering, vergunde rechten en ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijf van reclamant namelijk met zekerheid niet in de weg staan. Volgens reclamant biedt het ontwerp-bestemmingsplan hiertoe nog onvoldoende borging. Reclamant wijst erop dat de initiatiefnemer de mogelijkheid wordt geboden om het bedrijf volledig uit te breiden tot aan de grens (en tot aan het bouwvlak) met het bedrijf van reclamant. Het is naar het oordeel van reclamant niet gewenst dat tot aan haar perceelsgrenzen kassen gerealiseerd kunnen worden, met de gevolgen van dien. Reactie gemeente Gelet op het hierna volgende is naar ons oordeel wel degelijk sprake van een goede ruimtelijke ordening. Samenvatting thema 2a – Geurbelasting ten gevolge van Hoebertweg 15, America Reclamant stelt dat in het ontwerp-bestemmingsplan onvoldoende is onderzocht of er ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon-, werk- en leefklimaat en of haar bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden niet onevenredig worden geschaad.
Reclamant wijst erop dat zij primair van mening is dat kassen wel geurgevoelige objecten zijn; dit onder andere mogelijk afhankelijk van de wijze van gebruik. De jurisprudentie biedt hierover echter nog geen eenduidig antwoord, aldus reclamant. Desondanks concludeert reclamant op basis van vaste jurisprudentie omtrent geurgevoeligheid van de Afdeling dat kassen mogelijk wél geurgevoelig zijn. Ook de Commissie m.e.r. heeft volgens reclamant in het verleden reeds geoordeeld dat kassen mogelijk geurgevoelig zijn. In de kassen zullen immers mensen werken. Reclamant wijst op de volgende jurisprudentie: - ABRS 3 juli 2013, 201205798/1/R4 - VzABRS 14 oktober 2009, 200902795/5/R3 - ABRS 11 maart 2009, 200801961/1 - ABRS 28 januari 2009, 200802497/1 In het beoogde kassencomplex aan de Nieuwe Peeldijk 36 zullen mensen gaan werken, zo vervolgt reclamant. Hoe de kassen worden uitgevoerd, bijvoorbeeld met onderlinge luchtverbindingen, kan volgens haar relevant zijn voor of het aangemerkt worden als zijnde één of meerdere gebouwen. In de kassen zullen echter mensen werken, zoals in de toelichting bovendien wordt onderschreven. Verder wijst reclamant op het volgende. De ontwikkeling van Nieuwe Peeldijk 36, fase 2, America is reeds onderwerp van discussie geweest bij de Afdeling. De Afdeling heeft hierover uitspraak gedaan op 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1763).
In de plantoelichting van fase 2 is destijds geoordeeld dat de geurbelasting, conform de ten tijde van de vaststelling van het plan (juli 2018) geldende Regeling geurhinder en veehouderij op de rand van het bouwvlak van fase 2 niet hoger was dan de geurnorm van 14,0 OU E /m3. In rechtsoverweging 61.4 van de uitspraak van de Afdeling is daarom geoordeeld dat in deze casus de vraag of het kassencomplex kan worden aangemerkt als een geurgevoelig object als bedoeld in de Wvg
Bestemmingsplan Nieuwe Peeldijk 36, fase 3, America, vaststellingsrapport
3
geen bespreking meer behoeft. Er is door de Afdeling dus nog geen oordeel geveld over of kassencomplexen al dan niet geurgevoelige objecten zijn. Ten opzichte van fase 2 is de Regeling geurhinder en veehouderij intussen geactualiseerd, aldus reclamant. Er dient volgens haar dan ook rekening te worden gehouden met de geactualiseerde (hogere) emissiegegevens van geur voor veehouderijen. Bovendien is het bouwvlak ten opzichte van fase 3 verder in de richting van reclamant gepositioneerd. In fase 2 werd geoordeeld dat er slechts net sprake was van een aanvaardbare situatie (er werd net voldaan aan een geurnorm van 14,0 OU E /m3). Gelet op de gewijzigde omstandigheden (o.a. nieuwe Regeling geurhinder en veehouderij) kan dit volgens reclamant nu niet meer als zodanig worden geoordeeld. Ter plaatse van fase 3 is volgens reclamant dus met zekerheid te zeggen dat er geen sprake is van een aanvaardbaar woon-, werk- en leefklimaat vanwege het aspect geurbelasting. Dientengevolge worden volgens reclamant haar bedrijfsbelangen en ontwikkelingsmogelijkheden geschaad. Daarom kan de ontwikkeling volgens haar geen doorgang vinden. Tot slot wijst reclamant erop dat volgens haar, gelet op het bovenstaande, ook voor de nog niet gebouwde kassen uit fase 2 een volledige heroverweging dient plaats te vinden, gebaseerd op de huidige situatie en regelgeving.
Daarbij dient volgens haar uiteraard ook de geurbelasting ten gevolge van de aanwezige mestverwerking te worden beoordeeld. Reactie gemeente In de toelichtingen van de bestemmingsplannen voor fase 1 en 2 en in de toelichting van het ontwerp-bestemmingsplan “Nieuwe Peeldijk 36 (fase 3) America” is al uitgebreid gemotiveerd en toegelicht, dat het productieoppervlak van de tuinderskas van inrichtingshouder op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) niet hoeft te worden aangemerkt als een geurgevoelig object. Wij zijn van mening dat dit hier nu geen nieuwe aanvullende beschouwing of weerlegging vraagt. Daarvoor verwijzen we naar de uitgebreide beschouwing in de toelichting van het nu voorliggende ontwerp-bestemmingsplan. Ook een tussentijdse wijziging van de geuremissiefactoren voor combiwassers in de Rgv hoeft voor het productie-oppervlak van de kas (fase 3) geen belemmering te betekenen. Omdat voor dit gedeelte van de kas (fase 3) geen sprake is van een geurgevoelig object, zijn er ten aanzien van geur ook geen beperkingen voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderij van reclamant. Wij herkennen ons dan ook niet in de vrees van reclamant dat het bestemmingsplan een belemmering inhoudt voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor zowel de veehouderij als de mestverwerkingsinstallatie binnen het bedrijf van reclamant.
Samenvatting thema 2b – Geurbelasting ten gevolge van Hoebertweg 15, America Reclamant stelt secundair dat in de toelichting van het ontwerp -bestemmingsplan wordt onderbouwd waarom er in de onderhavige situatie geen sprake zou zijn van geurgevoelige objecten. Dit op basis van een (schematische) beschrijving van het teeltproces. Ten eerste is volgens reclamant niet uitgesloten dat met dit teeltproces en de beschreven werkzaamheden de rechter van oordeel zou zijn dat hier inderdaad geen sprake is van een geurgevoelig object. Het moet voor reclamant echter voldoende toetsbaar, controleerbaar en handhaafbaar zijn en blijven dat er zeker geen geurgevoelige objecten binnen haar geurcontour en kunnen komen. Ten tweede zijn volgens reclamant de uitgangspunten waarom er mogelijk geen sprake is van geurgevoelig objecten op geen enkele wijze juridisch geborgd op de verbeelding en in de regels. De toelichting van het bestemmingsplan heeft in zove rre geen rechtsgeldige status bij de bedrijfsuitvoering of ontwikkeling. Met het voorgestelde plan is daarom niet uitgesloten dat
Bestemmingsplan Nieuwe Peeldijk 36, fase 3, America, zienswijzenrapport
4
ter plaatse een wijziging in de bedrijfsvoering plaatsvindt, waardoor alsnog sprake is (of wordt) van geurgevoelige objecten. Gelet op de bedrijfsbelangen van reclamant dient volgens haar dus tenminste te worden verzekerd dat er geen sprake is van geurgevoelige objecten binnen haar geurcontouren en dat haar bedrijfsbelangen en ontwikkelingsmogelijkheden hierdoor niet worden beperkt. Dit zowel voor geur afkomstig uit de veehouderij als van de mestverwerking. In de toelichting van het ontwerp-bestemmingsplan wordt volgens reclamant toegelicht dat fase 3 van deze ontwikkeling binnen de geurcontour van het bedrijf van reclamant word t gerealiseerd. Gelet hierop, en doordat elke vorm van borging in de regels ontbreekt, is volgens reclamant met het plan onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat er geen sprake is van onevenredige beperkingen voor de bedrijfsvoering, geldende rechten en ontwikkelingsmogelijkheden. Ditzelfde geldt volgens reclamant bovendien voor alle binnenplanse mogelijkheden die in het plan worden geboden, bijvoorbeeld ten aanzien van nevenfuncties. Met de huidige planregeling is volgens reclamant geen sprake van een goede ruimtelijke ordening en zijn er wel beperkingen voor haar ontwikkelingsmogelijkheden. Reactie gemeente In het bestemmingsplan is wel degelijk geborgd dat er geen sprake is van geurgevoelige objecten.
Dit blijkt uit onderstaande uitsnede uit de verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan. Binnen het uitgelichte gebied geldt de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – uitsluitend kassen toegestaan’.
Op grond van artikel 3, lid 3.2.1, onder d van het ontwerpbestemmingsplan zijn te r plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – uitsluitend kassen toegestaan' uitsluitend gebouwen toegestaan in de vorm van kassen. Dit deel van de kas (fase 3) wordt uitsluitend als productieoppervlak voor de teelt van planten gebruikt en niet als verblijfsruimte waarbinnen enige vorm van menselijk verblijf aanwezig is (zoals kantine, kantoor, sorteerruimte, e.d.). Een kas is volgens de begripsbepaling bij de regels ‘een gebouw, bestaande uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal dienend tot het kweken of
Bestemmingsplan Nieuwe Peeldijk 36, fase 3, America, vaststellingsrapport
5
trekken van bomen, vruchten, bloemen of planten’. De in fase 3 bestemde kas is dus niet bedoeld als kantine, kantoor, sorteerruimte etc., en dus ook niet aan te merken als een ruimte voor menselijk verblijf. Nogmaals duiden wij er op dat een dergelijk deel van de kas dan ook niet als een geurgevoelig object moet worden aangemerkt. Voor wat betreft de opmerking dat er vanwege de afwijkingsbevoegdheden problemen zouden kunnen ontstaan in de bedrijfsvoering van reclamant merken wij op dat wi j bij het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht altijd moeten overwegen of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Indien daarvan geen sprake is, kunnen wij de afwijkingsbevoegdheid niet toepassen. Het al dan niet beperken van de bedrijfsvoering van reclamant maakt onderdeel uit van de toets of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en zal dus altijd door ons betrokken moeten worden in de overweging. Hierdoor is reclamant dan ook beschermd tegen eventuele onaanvaardbare ruimtelijke ontwikkelingen. Samenvatting thema 3 – Berekeningen fijnstof Reclamant wijst erop dat de uitgevoerde berekeningen voor fijnstof voor de bedrijfslocatie van reclamant niet meer actueel zijn, daar er o.a. gerekend is met rekenjaar 2018.
Bovendien is enkel fijnstof inzichtelijk gemaakt wegens de stallen en niet wegens de overige bedrijfsactiviteiten. Reactie gemeente Door GS van Limburg is voor de inrichting van reclamant (Hoebertweg 15) op 14 mei 2020 een omgevingsvergunning milieu (fase 1) verleend. Daarbij zijn de effecten van alle bedrijfsactiviteiten (voor zowel het veehouderijgedeelte als de industriële bronnen op de luchtkwaliteit (o.a. fijn stof) nabij de omliggende beoordelingspunten bepaald. Het betreft hier een zogenaamde fase 1-vergunning die, vanwege het nog ontbreken van een fase 2vergunning, nog niet in werking is getreden. Desondanks zijn we uit de aan deze fase 1-vergunning ten grondslag liggende fijn stofberekeningen, nagegaan in welke mate de vergunde bedrijfsactiviteiten van de inrichting Hoebertweg 15, effecten hebben op de luchtkwaliteit nabij de omliggende gevoelige objecten. We hebben daarbij geconstateerd, dat uit de bij de vergunning behorende fijn stofberekeningen (gebaseerd op het jaar 2018) is gebleken, dat in de fase 1-situatie ruimschoots ter plaatse van de omliggende relevante beoordelingspunten voldaan wordt aan de geldende normen voor fijn stof (PM 10 en PM2,5 ). Zo blijkt voor het veehouderijgedeelte uit die berekeningen dat met een fijn stofimmissie (PM 10) van 18-19 μg/m³ ter plaatse van de omliggende beoordelingspunten rekening moet worden gehouden.
Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m³. Uit die berekeningen volgt verder dat met de berekende 6 overschrijdingsdagen ook ruimschoots voldaan wordt aan norm van 35 overschrijdingsdagen (waarbij de 24uurgemiddelde concentratie hoger is dan 50 μg/m³). Verder bleek dat ook de jaargemiddelde concentratie van PM 2,5 ruimschoots verdoet aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 μg/m³. Ook met betrekking tot de industriële bronnen (verkeer, mestverwerking) is in de vergunning vastgesteld dat de jaargemiddelde bijdrage PM 10 op de achtergrondconcentratie ter plaatse van de beoordelingspunten minimaal is (ca. 0,09 μg/m³). Aan de norm voor de jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m³ wordt ook vanwege het minimale aandeel hier ruimschoots voldaan. Met 6 overschrijdingsdagen wordt ook ruimschoots voldaan wordt aan de norm van 35 dagen. Uit de berekeningen blijkt verder dat het aandeel van de industriële bronnen nagenoeg volledig bepaald wordt door de ter plaatse aanwezige achtergrondconcentratie (ca. 20 μg/m³).
Bestemmingsplan Nieuwe Peeldijk 36, fase 3, America, zienswijzenrapport
6
In deze (nog niet in werking getreden) fase 1-vergunning is echter nog geen rekening gehouden met de nu in procedure zijnde uitbreiding van Nieuwe Peeldijk 36 (fase III). Ook zijn beoordelingspunten opgenomen, die allen op een iets grotere afstand van de inrichting Hoebertweg 15 zijn gelegen. Formeel kan nog geen rekening worden gehouden met deze niet in werking getreden vergunning, zodat teruggevallen dient te worden op de daarvoor laatste verleende onderliggende (vigerende) omgevingsvergunning milieu. Omdat de voorgenomen uitbreiding van Nieuwe Peeldijk 36 (fase III) op iets kortere afstand tot de inrichting Hoebertweg 15 is gelegen, is een nieuwe fijn stofberekening uitgevoerd Daarbij is gebruik gemaakt van het laatst geactualiseerde verspreidingsmodel van ISL3a, versie 2020_1, Rekenhart Release 2 april 2020 (zie bijgaande berekening van 12-6-2020). Met deze berekening is nagegaan of de fijn stofimmissie (PM 10 ) van de inrichting Hoebertweg 15, als ‘worst-case’ uitgevoerd (uitgaande van de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan toelaat), ter plaatse van de projectlocatie van het ontwerp-bestemmingsplan Nieuwe Peeldijk 36 (fase III) niet leidt tot een overschrijding van de geldende concentratiegrenswaarden. Daarbij is voor de invoervariabele gebruik gemaakt van de onderliggende vergunningssituatie van Hoebertweg 15.
Uit die berekening blijkt dat ter plaatse van de projectlocatie een jaargemiddelde concentratie (PM 10) van ten hoogste 22,79 μg/m³ wordt berekend met 10 overschrijdingsdagen. Daarmee wordt dus nog steeds ruimschoots voldaan aan geldende norm van 40 μg/m³ voor de jaargemiddelde concentratiegrenswaarde en 35 overschrijdingsdagen. Voor wat betreft de overige (industriële) bronnen zijn wij van mening dat de invloed daarvan (ook blijkens de uitgevoerde berekeningen t.b.v. de nog niet in werking getreden fase 1vergunning) geen in betekenende mate bijdrage vormt voor de ter plaatse aanwezige achtergrondconcentratie. Met een jaargemiddelde concentratiebijdrage van 0,09 μg/m³ op het ter plaatse aanwezige achtergrondniveau leiden deze bronnen nauwelijks tot een significante toename van het achtergrondniveau en een overschrijding van de norm 40 μg/m³. Op grond hiervan hebben we vastgesteld dat de uitkomst van de geactualiseerde fijn stofberekening (2020), zelfs bij een ‘worst-case’-benadering, geen belemmering hoeft te vormen voor het ontwerp-bestemmingplan Nieuwe Peeldijk 36 (fase III). Samenvatting thema 4 – Quickscan Flora en Fauna Reclamant wijst er op dat de uitgevoerde quickscan flora en fauna dateert uit 2016. Deze is volgens reclamant zodoende niet meer actueel en dus niet meer te gebruiken als onderbouwing voor de onderhavige ontwikkeling.
Een quickscan is immers een momentopname en is in deze situatie dus reeds circa 4 jaar geleden, aldus reclamant. De feitelijke situatie ter plaatse komt niet meer overeen met de situatie als beoordeeld in 2016 volgens reclamant. Bovendien is het wettelijk beschermingsregime voor flora en fauna intussen gewijzigd. Er dient volgens reclamant dan ook hernieuwd onderzoek te worden uitgevoerd. Reactie gemeente Reclamant merkt terecht op dat er sprake is van een nieuw wettelijk beschermingsregime en dat de quickscan gelet op de datum niet meer als actueel kan worden aangemerkt. Naar aanleiding van deze zienswijze is er dan ook een nieuwe quickscan uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden. Met deze quickscan is dan ook aangetoond dat er op voorhand geen sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming.
Bestemmingsplan Nieuwe Peeldijk 36, fase 3, America, vaststellingsrapport
7
Samenvatting thema 5 – Voldoende afstand tot bomen Reindonckerkleiweg Op de Reindonckerkleiweg, kadastraal perceelnummer 303, zijn volgens reclamant een aantal monumentale bomen aanwezig (> 100 jaar oud). Met het plan wordt voorzien in de ontwikkel ing van kassen tot aan deze bomen. Deze ontwikkeling (met o.a. het bouwen, leidingwerk e.d.) zorgt volgens reclamant voor het schaden van deze bomen. Het bouwvlak dient hier volgens reclamant gedeeltelijk te worden verkleind, zodat er voldoende afstand tot de bomen kan worden gehouden om schade te voorkomen. Reactie gemeente De constatering van reclamant is terecht. Er is inderdaad sprake van een aa ntal monumentale bomen die vanwege hun monumentale status bescherming moeten genieten teneinde deze te kunnen behouden. In het ontwerp bestemmingsplan was deze bescherming inderdaad niet afdoende geregeld. Om die reden zijn de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan aangepast. Zo is op de verbeelding aan de binnen de groeizone van de aangrenzende monumentale bomenrij gelegen delen van het plangebied de aanduiding ‘waardevolle boom’ toegekend. Op grond van de regels is het binnen deze zone niet toegestaan te bouwen ter bescherming van de monumentale bomenrij. Hiermee is de bescherming van de monumentale bomen afdoende juridisch geborgd.
Samenvatting thema 6 – Huisvesting arbeidsmigranten In artikel 3.4.4 van de regels is de huisvesting van arbeidsmigranten opgenomen. Hierbij is bepaald dat huisvesting plaats kan vinden in onder andere bedrijfsgebouwen. Reclamant wijst erop dat hierbij uitgesloten moet worden dat de huisvesting kan plaatsvinden in kassen, die ook als bedrijfsgebouwen moeten worden aangemerkt. Het dient volgens reclamant in ieder geval te worden uitgesloten dat op het deel met de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch – uitsluitend kassen toegestaan” arbeidsmigranten mogen worden gehuisvest. Dit onder andere vanwege de geurbelasting afkomstig van het bedrijf van reclamant. Reactie gemeente In verband met de nieuwe beleidsregels uit 2019 over de huisvesting van arbeidsmigranten en het ter inzage leggen van het ontwerp paraplubestemmingsplan “Huisvesting Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021” zijn de regels rondom huisvesting van arbeidsmigranten geschrapt. Het paraplubestemmingsplan zal later worden vastgesteld dan het onderhavige bestemmingsplan en daarmee zullen de regels van dit paraplubestemmingsplan van toepa ssing worden op het plangebied van het onderhavige bestemmingsplan. Deze zijn daarmee dan actueel en conform het meest recente beleid. De zienswijze van reclamant is in dat licht beschouwd daarom nu niet relevant.
Conclusie De zienswijze is deels gegrond (bescherming monumentale bomen en actuele quickscan Flora en fauna) en voor het overige ongegrond. Het bestemmingsplan is naar aanleiding van de zienswijze op een aantal punten gewijzigd. Daarmee staat er niet meer aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg.
Bestemmingsplan Nieuwe Peeldijk 36, fase 3, America, zienswijzenrapport
8
II
OVERZICHT VAN DE WIJZIGINGEN IN HET PLAN
A. Wijzigingen n.a.v. ingebrachte zienswijzen De ingediende zienswijzen hebben op de volgende punten consequenties gehad voor het bestemmingsplan. Wijzigingen in de toelichting van het bestemmingsplan a. In het ontwerp-bestemmingsplan was nog uitgegaan van een quickscan Flora en fauna uit 2016. Deze was mede vanwege een nieuwe wettelijke regeling op dit gebied niet meer actueel. Daarom is er een nieuwe quickscan Flora en fauna gedaan. In p aragraaf 5.5.1 Flora en fauna van de toelichting is de tekst volledig herschreven op basis van de conclusies van de nieuwe quickscan. b. In het ontwerp bestemmingsplan was de bescherming van de monumentale bomenrij op het aangrenzende perceel kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie L, nummer 303 niet voldoende gewaarborgd. Om die reden zijn de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan aangepast. Dit is in de toelichting beschreven in de paragraaf 4.1. Wijzigingen in de regels a.
In verband met de bescherming van de monumentale bomenrij op het aangrenzende perceel, kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie L, nummer 241, is in artikel 3.1 een letter k toegevoegd waarin is bepaald dat de gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden” ter plaatse van de aanduiding ‘waardevolle boom’ zijn bestemd voor de bescherming en het behoud van de naastgelegen monumentale bomenrij met dien verstan de dat dit niet geldt indien de monumentale bomenrij grenzend aan perceel kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie L, nummer 241 afsterft zoals blijkt uit een Boom effect analyse (BEA) . Daarnaast is in artikel 3.2.1, letter c bepaald dat binnen de aanduiding ‘waardevolle boom” geen gebouwen zijn toegestaan.
Wijzigingen op de verbeelding a. In verband met de bescherming van de monumentale bomenrij op het aangrenzende perceel, kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie L, nummer 241, is op de verbeelding aan de binnen de groeizone van de aangrenzende monumentale bomenrij gelegen delen van het plangebied de aanduiding ‘waardevolle boom’ toegekend.
Bestemmingsplan Nieuwe Peeldijk 36, fase 3, America, vaststellingsrapport
9
B. Ambtshalve wijzigingen Ambtshalve worden de volgende wijzigingen voorgesteld. Wijzigingen in de toelichting van het bestemmingsplan a. Vanwege de langere doorlooptijd van de bestemmingsplanprocedure en het feit dat de fijnstofberekeningsmodule (ISL3a) jaarlijks wordt geactualiseerd (vanwege een veranderende achtergrondconcentratie) is ervoor gekozen om voor de ‘worst-casebenadering’ ook een berekening met de laatst actuele rekenmodule (2020) uit te voeren. Hiermee wordt onderbouwd dat ook in de meest actuele situatie nog steeds ruimschoots voldaan wordt aan de geldende concentratienormen. In paragraaf 5 .2.5 Bedrijven en milieuzonering zijn de uitkomsten van de berekening opgenomen. Wijzigingen in de regels a. Artikel 3.4.5 Huisvesting arbeidsmigranten is geschrapt. Wijzigingen op de verbeelding N.v.t.
Bestemmingsplan Nieuwe Peeldijk 36, fase 3, America, zienswijzenrapport
10
III
CONCLUSIE
Op grond van de hoofdstukken I en II wordt voorgesteld de zienswijzen deels gegrond en deels ongegrond te verklaren en het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen.
Bestemmingsplan Nieuwe Peeldijk 36, fase 3, America, vaststellingsrapport
11