08c Toelichting
Tekst van het document
4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten Binnen het bouwvlak is thans aan de noordelijke zijde van de olietransportleiding een glastuinbouwbedrijf gerealiseerd. Inmiddels heeft de gemeente Horst aan de Maas een omgevingsvergunning verleend om aan de zuidelijke zijde van de olietransportleiding de kas uit te breiden met een oppervlakte van 4,7 ha. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt het bouwvlak vergroot zodat aan de zuidelijke zijde van de olietransportleiding nog extra 5,7 ha kas kan worden gerealiseerd. Ten zuiden van de olietransportleiding
Vastgesteld
23
worden uitsluitend kassen gerealiseerd daar de ondersteunende functies (loods, erf en waterbassin) reeds zijn gerealiseerd ten noorden van de olietransportleiding. De vergroting van het glastuinbouwbedrijf vindt plaats in een glastuinbouwgebied, waardoor er in de directe omgeving reeds meerdere grootschalige kassencomplexen liggen. Functioneel gezien is de vergroting van het glastuinbouwbedrijf op deze locatie logisch en passend te noemen. Door de ligging in een glastuinbouwgebied en daar de vergroting uitsluitend aan de achterzijde plaatsvindt, heeft de vergroting, zowel op de korte als op langere termijn, geen negatieve ruimtelijke, stedenbouwkundige of landschappelijke effecten op de omgeving.
4.3 Landschappelijke inpassing Voor de vergroting van het glastuinbouwbedrijf is een landschappelijk inpassingsplan2 opgesteld, waarmee is gegarandeerd dat de ontwikkeling van het plangebied op een passende wijze onderdeel uitmaakt van het omringende landschap. Uitvoering van het gestelde in het landschappelijk inpassingsplan is als verplichting opgenomen in de planregels als voorwaardelijke bepaling en tevens als zodanig vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente. Het plangebied wordt grotendeels omgeven door buurkassen en landbouwpercelen aan de zuidzijde met daarachter een varkenshouderij met mestverwerking. Aan de zijde Nieuwe Peeldijk ligt de zware laan met bestaande bedrijven/erven en groen, de overige zijden grenzen aan de bestaande kassen. Vanuit het landschappelijke beleid (Landschapskader Noorden Midden-Limburg, Landschapsontwikkelingsplan Horst aan de Maas en Structuurvisie Horst aan de Maas) wordt aangegeven dat groene compensatie van (nieuwe) bedrijven in de concentratiegebieden gezocht moet worden aan de randen van het gebied, dus niet tussen de glasopstanden. Beschreven staat dat de aanwezige lanen de groene aders door het gebied zijn. Eventuele groencompensaties dienen bij voorkeur plaats te vinden in het dal van de Kabroekse beek ten noorden van de Reindonk.
De Nieuwe Peeldijk is een aantrekkelijke groene as en vormt het visitekaartje van het glastuinbouwbedrijf. De andere zijden vormen de functionele zijden van het bedrijf en dienen ook zo ingericht te worden. Hier zijn landschappelijke beplantingen dan ook niet aan de orde. Het streefbeeld is een aanwinst voor de invulling van het glastuinbouwgebied. Dus een zware nadruk op de zijde Nieuwe Peeldijk, waar de beplanting bijdraagt aan de aantrekkelijke groene as. De overige zijden vormen grenzen langs bestaande en toekomstige glastuinbouwbedrijven, waarbij de aanleg van groen geen item is vanuit het landschappelijk beleid. Ten behoeve van de landschappelijke inpassing zijn er ook andere uitgangspunten die het landschappelijk inpassingsplan mede vormgeven. Voor deze ontwikkeling betreft dit: ▪ Gezien de slechte infiltratiemogelijkheden ter plaatse wordt al het hemelwater afgevoerd naar het waterbassin en hergebruikt in de kassen. De reguliere voorwaarde om 1/3 van het hemelwater te infiltreren is hier niet aan de orde. ▪ De Nieuwe Peeldijk vormt de zware laan door het gebied en moet als zodanig ook de entree vormen. ▪ De olieleiding door het plangebied zorgt dat het nieuwe glastuinbouwbedrijf in twee fasen wordt opgezet. ▪ Zijde Nieuwe Peeldijk wordt rust, groen, visitekaartje en eenheid.
▪ Zijde Hoebertweg is potentieel uitbreidingsgebied van het glastuinbouwgebied (ook voorzien met een bouwvlak, nog onbebouwd). ▪ Ruimte tussen nieuwe kas en watergang westzijde is beperkt en belast met Keur van het waterschap. 2 IKL, Landschapsplan fase 3 Vissers Aardbeiplanten BV locatie Reindonk, 9 september 2019
Vastgesteld
24
▪ ▪
Zijde Reindonkerweg grenst direct aan buurkassen. In- en uitrit, maar ook manoeuvreerruimte vanuit de nieuwe loods is belangrijk als uitgangspunt.
De landschappelijke inpassing geeft weer wat vanuit de analyse van het gebied en beleid en de andere uitgangspunten is voortgekomen gericht op de vestiging van het nieuwe bedrijf en tevens de kwaliteit van het landschap te verbeteren op maat van de locatie. A. Aanplant gemengde Limburgse hagen aan de voorzijde, lengte circa 430 meter De gemengde haag geeft een gevarieerd kader met minimaal een hoogte van 1,3 meter, zodat zicht eroverheen behouden blijft. Met een juist beheer vormt dit een strakke, aantrekkelijke haag. B. Aanplant knotwilgen langs bassin, lengte circa 110 meter (22 stuks) Ter aankleding van het waterbassin, dat niet te veel overlast geeft worden hier 22 knotwilgen aangeplant. C. Aanleg kruidenrijk grasveld met enkele fruitbomen De overhoeken aan de zijde van de Nieuwe Peeldijk worden ingericht met een gras-kruidenmengsel en tevens worden er enkele fruitbomen geplant. De voorkeur kersenbomen, daar deze het minste snoeiwerk vergen. Om het terrein zo te beheren dat het ook een meer natuurlijkere uitstraling krijgt hoeft het niet te intensief gemaaid te worden. De fruitbomen geven ook een mooie aankleding van de harde, te realiseren glaswand.
Afbeelding 17. Landschappelijke inpassing van het plangebied
Het landschappelijk inpassingsplan geeft weer wat er aangeplant zal worden om er een mooi geheel van te maken. Hiermee is ook duidelijk dat voor fase III hierbinnen past en hier geen nieuwe aanplant aan de orde is gezien de ligging midden in glastuinbouwconcentratiegebied.
Vastgesteld
25
5. SECTORALE ASPECTEN
5.1 Inleiding Bij de vergroting van het glastuinbouwbedrijf dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en met (milieu-)aspecten op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de ontwikkeling voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur en landschap, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.
5.2 Milieuaspecten 5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de vergroting dient te worden beoordeeld of de uiteindelijke bodemkwaliteit van de uitbreidingsgronden uit oogpunt van volksgezondheid en milieu aan zekere kwaliteitsnormen voldoet om te voorkomen dat op verontreinigde grond wordt gebouwd. In dat kader is ter plaatse een historisch vooronderzoek3 uitgevoerd. Er zijn geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een bodemverontreiniging op de uitbreidingsgronden te verwachten. Nader bodemonderzoek is om die reden niet benodigd. 5.2.2 Geluid Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidsgevoelige objecten (zoals bijvoorbeeld woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van een weg, spoor of gezoneerd industrieterrein akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. De voorgenomen ontwikkeling behelst de vergroting van een glastuinbouwbedrijf. Een glastuinbouwbedrijf betreft geen geluidsgevoelig object. Vanuit de Wgh bestaan er wat dat betreft geen belemmeringen voor de vergroting van het glastuinbouwbedrijf. Industrielawaai In het kader van een goede ruimtelijke ordening vindt afstemming van een nieuwe functie in de omgeving plaats door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG.
Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met milieuaspecten als geur-, stof en gevaarhinder, maar ook voor wat betreft geluidhinder. In paragraaf 5.2.5 wordt de toetsing aan alle richtafstanden beschreven, in deze paragraaf wordt louter ingegaan op geluidhinder. Voor het glastuinbouwbedrijf (Kassen zonder verwarming) geldt dat op basis van de indicatieve bedrijvenlijst 10 meter moet worden aangehouden voor geluid. Binnen een afstand van 10 meter uit de grens van het te vergroten bouwvlak bevindt zich uitsluitend het bouwvlak van het bedrijf gevestigd aan de Hoebertweg 15. Afstand tussen de grens van het te vergroten 3
Econsultancy bv, Vooronderzoek Nieuwe Peeldijk 36 te America, 7 juli 2016, rapportnummer: 1502.001 D2
Vastgesteld
26
bouwvlak tot aan het bouwvlak van het bedrijf Hoebertweg 15 bedraagt 8 meter. Dit bedrijf beschikt over een omgevingsvergunning om aan de zijde van het plangebied twee grote varkensstallen te bouwen. Deze vergunde varkensstallen betreffen geen geluidsgevoelige objecten. Alhoewel de richtafstand van geluid zeer beperkt over het bouwvlak heen ligt van het bedrijf Hoebertweg 15, leidt de vergroting van het glastuinbouwbedrijf niet tot geluidoverlast bij het naastgelegen bedrijf. 5.2.3 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden. Als een ontwikkeling ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd, draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen.
De Regeling NIBM van het Ministerie van VROM stelt regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2. infrastructuur 3. kantoorlocaties 4. woningbouwlocaties De Regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: a. akker- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt b. inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 2 hectare (3% criterium) e. kinderboerderijen Er worden in dit geval uitsluitend permanente en niet-verwarmde opstanden van glas opgericht voor het telen van gewassen. Ongeacht de omvang draagt een dergelijke inrichting NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen.
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland
Vastgesteld
27
geen knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse 10,7 µg/m³, de concentratie PM10 ter plaatse 17,5 µg/m³ en de concentratie NO2 14,4 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 gesteld op 25 µg/m³ en voor PM10 op 40 µg/m³. Voor NO2 is de jaargemiddelde grenswaarde eveneens gesteld op 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor een goed woon- en leefklimaat. 5.2.4 Geur Het bouwvlak wordt uitgebreid in de richting van het bedrijf gelegen aan de Hoebertweg 15, zijnde een varkenshouderij waar tevens op regionale schaal mest wordt verwerkt. Vanuit het bedrijf Hoebertweg 15 wordt geur geëmitteerd. Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico's met zich mee. Geurhinder kan leiden tot lichamelijke klachten, zoals hoofdpijn, misselijkheid, verstoorde ademhaling en verstoorde hartslag. Ook kan geur psychische klachten veroorzaken, bijvoorbeeld spanningen, structurele onvrede over het woon- en leefklimaat en vermindering van activiteiten buitenshuis.
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen daarom te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten in relatie tot geur afkomstig van veehouderijen. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Horst aan de Maas beschikt niet over een dergelijke geurverordening. Alleen een geurgevoelig object wordt in het kader van de Wgv tegen geurhinder beschermd. Onder geurgevoelig object wordt verstaan: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt (artikel 1 Wet geurhinder en veehouderij). De vraag is of de op te richten kassen binnen het nieuwe bouwvlak geurgevoelig objecten betreffen en dat er getoetst moet worden aan de Wgv. De definitie bestaat uit vier onderdelen: 1. Het object is een gebouw Het moet gaan om een gebouw. Aan een terrein wordt in de Wgv geen bescherming (meer) geboden.
In de bouwregelgeving is een gebouw elk bouwwerk dat a) een voor mensen toegankelijke, b) overdekte, c) geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Als gebouw kunnen woningen, woonboten of woonwagens (met vast standplaats) worden aangemerkt, maar ook andere gebouwen zoals kantines of kantoren, mits uiteraard ook aan de drie andere onderdelen van de definitie van een geurgevoelig object wordt voldaan. 2. Het gebouw is bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf Een gebouw moet niet alleen feitelijk voor wonen of verblijven zijn bedoeld maar die functie ook juridischplanologisch toestaan. Gebouwen die in strijd met het bestemmingsplan worden gebruikt, zoals sommige permanent bewoonde recreatiewoningen, worden niet tegen geurhinder beschermd.
Vastgesteld
28
3. Het gebouw is blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf Hiermee wordt voorkomen dat bijvoorbeeld een half ingestorte woning nog beschermd wordt voor geurhinder. 4. Het gebouw wordt permanent, of op een vergelijkbare wijze van gebruik voor menselijk wonen of menselijk verblijf gebruikt De mens is gevoelig voor geurhinder, maar de gebouwen, waar de mens woont of verblijft, worden aangemerkt als geurgevoelig object. Het is niet relevant of het verblijf wordt uitgeoefend door hetzelfde individu of door verschillende personen. Ook de omvang van de groep mensen, die op de locatie verblijft, bepaalt niet of een object geurgevoelig is. De verblijfsduur is bepalend. Dat heeft als consequentie dat, voorzover de totale verblijfsduur overeenkomt, de kortdurende aanwezigheid door meerdere mensen is gelijkgesteld met de langdurige aanwezigheid door één of enkele mensen. Permanent staat voor ‘niet tijdelijk, voortdurend, niet veranderend, steeds doorgaande en bedoeld om te blijven’. ‘Bedoeld om te blijven’, of anders gezegd: ‘bedoeld om te wonen of te verblijven’, impliceert dat in het gebouw een mens structureel moet wonen of verblijven, gezien de aard van het gebouw. Indien geen sprake is van permanent gebruik moet worden beoordeeld of sprake is van ‘een vergelijkbare wijze van gebruik’.
Binnen het te vergroten bouwvlak wordt het uitsluitend toegestaan een kas te realiseren. Andere gebouwen zijn niet toegestaan binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – uitsluitend kassen toegestaan’. De kas betreft met zekerheid wel een gebouw, het is immers met wanden omgeven en afgedekt met een dak. Het gebouw is echter niet specifiek bestemd voor menselijk verblijf. De kas vormt een beschermde barrière van glas tussen de buitenlucht – een oncontroleerbare atmosfeer – en de wel controleerbare atmosfeer binnen. Hierdoor kunnen de aardbeiplanten worden gekweekt onder omstandigheden die optimaal zijn voor de planten. Het gebouw is derhalve bestemd om gunstigere teeltomstandigheden te creëren voor de planten, niet om mensen te laten verblijven. Het menselijk verblijf in de kas is ondergeschikt aan de teelt van planten en bestaat uit gewasverzorging, planten, oogsten, herplanten en opnieuw oogsten. De planten zouden wat dat betreft, onder minder gunstige omstandigheden, ook in de buitenlucht gekweekt kunnen worden. Het menselijk handelen blijft in dat geval identiek. Het maakt voor de mens immers niet uit of ze werken in de kas of in de buitenlucht.
Met het werken in de buitenlucht is er met zekerheid vast te stellen dat de mensen niet worden blootgesteld aan geuroverlast omdat de akker waarop ze dan werkzaam zouden zijn geen geurgevoelig object betreft (want is per definitie geen gebouw). Door de akker als het ware te voorzien van een glazen omhulsel betreft het ineens wel een gebouw. Het gebouw is echter bedoeld als teeltondersteunende voorziening en daarmee niet primair bestemd voor menselijk verblijf. Gelet op de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie biedt de Wgv daarnaast enkel bescherming tegen langdurige blootstelling aan geur. Zoals blijkt uit de Handreiking bij de Wgv, zijn er een aantal criteria die relevant zijn om te betrekken in de beoordeling of sprake is van een geurgevoelig object. In de eerste plaats gaat het daarbij om de verblijfsduur van menselijk wonen of verblijf. Van belang is de verblijfsduur op een dag, maar ook het aantal dagen per jaar dat sprake is van wonen of verblijf is van belang. In de tweede plaats dient bij de beoordeling of sprake is van een geurgevoelig object rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van dagelijks dezelfde personen of steeds wisselende personen. In de derde plaats dient rekening gehouden te worden met de mogelijkheid dat er mensen ook in de nachtperiode in het object verblijven.
Het aantal personen in de kas is maar zeer beperkt, het grootste gedeelte van het jaar zijn er in de kas zelfs geen personen aanwezig. Hierna volgt een schematische beschrijving van het teeltproces in deze kas, zoals deze door Vissers Plant Innovators wordt gebruikt c.q. gebruikt zal gaan worden.
Vastgesteld
29
De te planten moederplanten worden in februari aangeleverd in de loods aan de Nieuwe Peeldijk. In de loods worden de moederplanten in een pot met voedingsbodem gezet. De potten worden per volle kar de kas ingereden. Een medewerker neemt vervolgens de pot van de kar en zet deze op een teeltgoot. Tijdens het planten bevinden zich zo’n 25 personen op de gehele locatie. Deze personen bevinden zich echter grotendeels in de loods. In de kas bevinden zich 5 medewerkers voor het neerzetten en vervoeren van de potten. Het planten neemt in totaal 5 tot 7 dagen in beslag voor de gehele kas (dus een kas met een oppervlakte van 16,7 ha). De moederplant produceert na het planten uitlopers (ranken) die worden geoogst vanaf half juni. Dit gebeurt op een omgekeerde wijze als het planten. Een medewerkers snijdt machinaal de ranken van de moederplant waarna deze in een kar vallen. De kar vervoerd de ranken naar de loods. In de loods worden de ranken gesorteerd en grotendeels afgevoerd naar de hoofdlocatie aan de Midden Peelweg. Er bevinden zich dan zo’n 70 personen op de locatie, grotendeels in de loods. In de kas bevinden zich 5 medewerkers voor het oogsten en vervoeren van de ranken. Het oogsten neemt per ha kas in totaal 2 tot 3 dagen in beslag. Tijdens deze oogstperiode verblijven in fase III van de kas (met een oppervlakte van 5,7 ha) 5 personen voor een maximale periode van 18 dagen.
Een deel van de geoogste ranken wordt herplant in daarvoor bestemde trays. Begin juli worden de trayplanten vanuit de loods in de kas neergezet. Dit betreft de drukste periode van het jaar in de kas. Tijdens de herplantperiode wordt er met 50 personen in de kas gewerkt voor een periode van enkele weken. Eind november worden de trayplanten geoogst. De medewerkers kloppen de trays leeg in een kar. De kar vervoerd de trayplanten naar de loods. In de loods worden de trayplanten of gesorteerd of meteen afgevoerd naar de hoofdlocatie aan de Midden Peelweg. Er bevinden zich dan zo’n 50 personen op de locatie, grotendeels in de loods. In de kas bevinden zich 5 medewerkers voor het leegkloppen van de trays en het vervoeren van de trayplanten. Het oogsten neemt enkele weken in beslag. Reguliere werkzaamheden in de kas bestaat uit gewasverzorging in de periode februari t/m november (buiten deze periode staat de kas leeg). Gewasverzorging gebeurt zo veel mogelijk geautomatiseerd (spuiten, irrigatie). Hierdoor zijn op normale dagen in de kas maar een zeer beperkt aantal personen aanwezig. Ten slotte wordt specifiek opgemerkt dat er uitsluitend tijdens kantooruren mensen in de kas zullen verblijven, er is geen sprake van nachtverblijf in de kas.
Op basis van dit productieproces zijn er de volgende aantallen dagen mensen in de kas (uitgaande van een worst-case scenario): ▪ planten van aardbeiplanten: 7 dagen per jaar ▪ oogsten en vervoeren van ranken: 18 dagen per jaar ▪ herplanten van aardbeiplanten: 14 dagen per jaar ▪ oogsten van aardbeiplanten: 14 dagen per jaar ▪ gewasverzorging van aardbeiplanten: 14 dagen per jaar. De kas betreft daarom conform de Wgv geen geurgevoelig object. De arbeidsintensiteit is laag en 3x per jaar wordt er tijdens de plant- en oogstperiode met 5 personen gewerkt en 1x per jaar tijdens de herplantperiode met 50 personen. Daarnaast bevinden de personen zich als een groep tijdens deze korte periode telkens in een bepaald deel van de kas. De plek van deze groep wijzigt steeds, waardoor de groep zich maar een moment in een bepaald deel van de kas bevindt.
Vastgesteld
30
Op basis van voorgaande motivatie wordt de op te richten kas niet bestempeld als een geurgevoelig object. Doordat met de vergroting van de kassen er geen sprake is van de oprichting van een geurgevoelig object, behoeven de geurveroorzakende bedrijven ter plaatse van het plangebied niet te toetsen aan het aspect geur. Het aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor (de ontwikkelingsmogelijkheden van) de omliggende geurveroorzakende bedrijven. Om te borgen dat geen andere teelten of activiteiten worden ontplooid in de kas die wel als geurgevoelig kunnen worden aangemerkt is aan III de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – geurzone’ toegekend. Door deze gebiedsaanduiding is het niet toegestaan de kas meer dagen te gebruiken dan aangegeven. De aanwezigheid van het bedrijf gevestigd aan de Hoebertweg 15 vormt derhalve geen belemmering voor de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf en andersom brengt de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf geen beperkingen teweeg voor de ontwikkelingsmogelijkheden van dat bedrijf. 5.2.5 Bedrijven en milieuzoneringen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering.
Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype.
De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de richtafstandenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype gemengd gebied door de ligging tussen glastuinbouwbedrijven, andere agrarische bedrijven en woningen. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG publicatie - zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat - met één afstandsstap worden verkleind. De uit te breiden activiteit richting de omgeving Een glastuinbouwbedrijf (Kassen zonder verwarming, SBI-code 011, 012, 013) valt onder categorie 2. De richtafstand voor geluid bedraagt 30 meter en de richtafstanden voor geur, stof en gevaar bedragen 10 meter. Vanwege de ligging in een gemengd gebied kan de afstand met een afstandsstap worden verkleind tot 10 meter voor geluid en 0 meter voor geur, stof en gevaar. Alleen het aspect geluid is derhalve voor het glastuinbouwbedrijf aan de orde. Binnen een afstand van 10 meter uit de grens van het te vergroten bouwvlak bevindt zich uitsluitend het bouwvlak van het bedrijf gevestigd aan de Hoebertweg 15.
Afstand tussen de grens van het te vergroten
Vastgesteld
31
bouwvlak tot aan het bouwvlak van het bedrijf Hoebertweg 15 bedraagt 8 meter. Dit bedrijf beschikt over een omgevingsvergunning om aan de zijde van het plangebied twee varkensstallen te bouwen. Deze vergunde varkensstallen betreffen geen geluidsgevoelige objecten. Alhoewel de richtafstand van geluid net over het bouwvlak ligt van het bedrijf Hoebertweg 15, leidt de vergroting van het glastuinbouwbedrijf niet tot geluidoverlast bij het bedrijf Hoebertweg 15. Het voor glastuinbouwbedrijven geldende Activiteitenbesluit kent geen afstandsregels meer. In het (inmiddels vervallen) Besluit glastuinbouw waren afstanden opgenomen die aangehouden moeten worden ten opzichte van objecten, waarbij onderscheid gemaakt werd in objecten categorie I (50 meter) en categorie II (25 meter). Objecten uit categorie I zijn aaneengesloten woningen en gebouwen geschikt voor dag- en verblijfsrecreatie en objecten uit categorie II zijn woningen van derden en restaurants. In de omgeving van het plangebied is sprake van categorie II objecten. De bouwregels zijn zodanig vormgegeven dat er een afstand van minimaal 25 meter tot nabijgelegen woningen van derden wordt gehanteerd (in het verlengde van het Besluit glastuinbouw en het vigerende bestemmingsplan). Bestaande activiteiten richting het plangebied In de omgeving van het te vergroten bouwvlak bevinden zich voornamelijk andere glastuinbouwbedrijven.
Andersoortige bedrijvigheid in de omgeving van de vergroting betreffen de volgende bedrijven: ▪ Hoebertweg 15, veehouderij met mestverwerking, er is voor dit bedrijf een omgevingsvergunning verleend voor nieuwe varkensstallen, afstand bedraagt van plangebied tot betreffend bouwvlak 8 m Een varkenshouderij (Fokken en houden van varkens, SBI-code 0146) valt onder categorie 4.1. De richtafstanden bedragen 200 meter voor geur, 30 meter voor stof, 50 meter voor geluid en 0 meter voor gevaar. Vanwege de ligging in een gemengd gebied kunnen deze afstanden met een afstandsstap worden verkleind tot 100 meter voor geur, 10 meter voor stof, 30 meter voor geluid en 0 meter voor gevaar. De mestverwerking (Mestverwerking / korrelfabriek, SBI-code 382) valt onder categorie 5.1. De richtafstanden bedragen 500 meter voor geur, 10 meter voor stof, 100 meter voor geluid en 10 meter voor gevaar. Vanwege de ligging in een gemengd gebied kunnen deze afstanden met een afstandsstap worden verkleind tot 300 meter voor geur, 0 meter voor stof, 50 meter voor geluid en 0 meter voor gevaar. Het plangebied valt daarmee binnen de richtafstanden voor geur, stof (van uitsluitend de varkenshouderij) en geluid. Zoals blijkt uit paragraaf 5.2.4 moet in het geval van geur worden getoetst aan de bepalingen uit de Wet geurhinder en veehouderij.
De op te richten kassen betreffen geen geurgevoelige objecten en vormen daarmee geen belemmering bij eventuele ontwikkelingen van de inrichting Hoebertweg 15, er hoeft op dat moment dus niet getoetst te worden op het aspect geur. De op te richten kassen betreffen eveneens geen geluidgevoelige objecten en vormen daarmee geen belemmering bij eventuele ontwikkelingen van de inrichting Hoebertweg 15, er hoeft op dat moment dus niet getoetst te worden op het aspect geluid ter plaatse van de nieuw op te richten kas. Ten slotte is het effect van fijn stof, afkomstig van de veehouderij, berekend op de grens van het te vergroten bouwvlak. Het programma ISL3a berekend de gemiddelde jaarconcentratie aan fijnstof PM10 veroorzaakt door enerzijds de vergunde activiteiten ter plaatse van de varkenshouderij en anderzijds de maximale planologische vergunde activiteiten. Deze waarden zijn exclusief een zeezoutcorrectie, welke voor deze omgeving is gesteld op 1 µg/m³, en 2 overschrijdingsdagen. De concentratie zoals deze uit de ISL3a berekening komen moet zodoende aangepast worden middels het aftrekken van deze zeezoutcorrectie (1 µg/m³ en 2 dagen). De fijnstof norm is maximaal 40 µg/m³ exclusief zeezout, en het aantal overschrijdingsdagen op jaarbasis betreft maximaal 35 dagen.
Vastgesteld
32
De belasting op de grens van het bouwvlak komt uit op maximaal 18,1 µg/m³ en 22,8 µg/m³. Er wordt derhalve (ruimschoots) voldaan aan de norm. Het aantal overschrijdingsdagen komt op de grens van het bouwvlak uit op 6,3 en 10,5 dagen exclusief zeezoutcorrectie, 4,3 en 8,5 dagen inclusief zeezoutcorrectie. Ook aan deze norm wordt voldaan. Voor PM2,5 geldt de volgende grenswaarde: 25 µg/m³, als jaargemiddelde concentratie. Voor de veehouderijsector zijn hierin nog geen emissiefactoren voor PM2,5 vastgesteld. Uit analyses van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) blijkt dat wanneer vanaf 2011 aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, er naar verwachting in 2015 ook aan de grenswaarde voor PM2,5 zal worden voldaan. Dit betekent dat wanneer uit het luchtonderzoek blijkt dat zich in de onderzochte zichtjaren geen overschrijdingen van de jaar- en 24-uursgemiddelde grenswaarden voor PM10 voordoen, op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten aangenomen mag worden dat in het onderzoeksgebied geen overschrijdingen zullen optreden van de jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 vanaf 2015 (bron: Handreiking rekenen aan luchtkwaliteit 2011). Uit de ISL3a berekening blijkt dat voldaan wordt aan de grenswaarden voor PM10. Naar verwachting wordt er dan ook voldaan aan de grenswaarde voor PM2,5.
Gelet op bovenstaande zijn er geen negatieve gevolgen te verwachten voor het aspect fijn stof afkomstig van de naastgelegen inrichting. 5.2.6 Externe veiligheid Het algemene beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor (beperkte) kwetsbare objecten vanwege: het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens. Kwetsbare objecten betreffen woningen, verblijfsgebouwen (zoals scholen, ziekenhuizen, bejaardenhuizen), gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn (zoals kantoorgebouwen met een oppervlakte van meer dan 1.500 m² bvo en winkelcentra met meer dan 5 winkels) en kampeer- en recreatieterreinen voor meer dan 50 personen. Beperkt kwetsbare objecten betreffen overige bedrijfsgebouwen en dezelfde functies, maar dan kleiner van formaat of met minder mensen. Met de vergroting van het glastuinbouwbedrijf wordt de mogelijkheid gecreëerd de kassen uit te breiden. De kassen betreffen in dit geval geen (beperkt) kwetsbare object. De betreffende teelt van de planten is dermate arbeidsextensief, dat uitsluitend met het planten, herplanten en de oogst grotere aantallen personen in de kas verblijven.
Het beleid is onder andere verankerd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichting (Revi) en verder uitgewerkt / toegelicht in o.a. de Handleiding Externe Veiligheid Inrichtingen en de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is het beleid gebaseerd op de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS). Op basis van deze nota geldt het Basisnet Vervoer voor zowel wegen, spoorlijnen als vaarwegen. Hiermee moet voorkomen worden dat zich externe veiligheidsknelpunten zullen gaan voordoen langs spoor- en waterwegen en het hoofdwegennet. Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi.
Vastgesteld
33
De opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik is gereguleerd in de circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Hierin worden veiligheidsafstanden gegeven ten opzichte van inrichtingen waar dergelijke stoffen opgeslagen worden. De gemeente is verplicht deze afstanden binnen het bestemmingsplan aan te houden. Dit geldt ook voor veiligheidsafstanden ten behoeve van de opslag van vuurwerk, welke in het Vuurwerkbesluit zijn vastgelegd. In het externe veiligheidsbeleid staan twee doelen centraal: de bescherming van individuen tegen de kans op overlijden als gevolg van een ongeluk en de bescherming van de samenleving tegen het ontwrichtende effect van een ramp met een groter aantal slachtoffers; respectievelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico van een bepaalde activiteit is de kans per jaar op een bepaalde plaats, dat een continu daar aanwezig gedacht persoon die onbeschermd is, komt te overlijden als gevolg van een mogelijk ongeluk met die activiteit. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep mensen van een bepaalde omvang komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico is geen norm gesteld. Uit het vigerende beleid, zoals onder andere vastgelegd in het Bevi, geldt een verantwoordingsplicht.
Afbeelding 18. Uitsnede risicokaart
Plaatsgebonden risico Bij het inventariseren van de aanwezige risicobronnen in de omgeving van het plangebied is, tenzij anders vermeld, gebruik gemaakt van de risicokaart (www.risicokaart.nl). Volgens deze risicokaart liggen in de directe omgeving van het te vergroten deel van het bouwvlak geen risicovolle inrichtingen. Het dichtstbijzijnde risicovolle object betreft de varkenshouderij met mestverwerking op het bedrijf aan de Hoebertweg 15, vanwege
Vastgesteld
34
de opslag van propaan. De afstand van de propaanopslag tot de grens van het plangebied bedraagt circa 115 meter. De plaatsgebonden risicocontour van de propaanopslag bedraagt 25 meter en reikt derhalve niet tot aan het plangebied. Daarnaast geeft de risicokaart aan dat dwars door het bestaande bouwvlak een ondergrondse buisleiding ligt en er tevens ten zuiden voor de spoorlijn Eindhoven – Venlo een andere ondergrondse buisleiding ligt. De dwars door het bouwvlak gelegen buisleiding betreft een buisleiding van de Rotterdam-Rijn Pijpleidingmaatschappij waardoor olie wordt vervoerd. Dit betreft een 36” transportleiding met licht ontvlambare producten van de K1-categorie onder hoge druk (43 bar). De plaatsgebonden risicoafstand voor deze leiding is gesteld op 45,2 meter in het Bevb. Deze leiding is in onderhavig bestemmingsplan opgenomen middels een hartlijn en een bijbehorende dubbelbestemming (Leiding – Brandstof). De dubbelbestemming is opgenomen om een bebouwingsvrije afstand vast te leggen. Deze bedraagt 5 meter aan weerszijden van de hartlijn van de buisleiding. Binnen deze zone is het oprichten of in gebruik nemen van nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten niet toegestaan. De buisleiding evenwijdig aan de spoorlijn gelegen betreft eveneens een buisleiding van de Rotterdam-Rijn Pijpleidingmaatschappij waardoor olie wordt vervoerd.
Dit betreft een 24” transportleiding met licht ontvlambare producten van de K1-categorie onder hoge druk (62 bar). Afstand van deze leiding tot de grens van het plangebied bedraagt 325 meter. De plaatsgebonden risicoafstand voor deze leiding is gesteld op 23,6 meter in het Bevb en valt derhalve niet over het plangebied. Het spoortracé Eindhoven – Venlo is gelegen ten zuiden van het plangebied. De afstand tot de spoorlijn bedraagt circa 450 meter. Uit gegevens van ProRail blijkt dat er over dit spoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor valt onder de Circulaire RNVGS. In juni 2010 is voor het bedrijventerrein “Trade Port Noord Venlo” een MER opgesteld. In deze MER is een plaatsgebonden risicocontour uitgevoerd met het risicoberekeningsmodel RBM II. Deze resultaten zijn ook toepasbaar ter hoogte van het onderhavige plangebied, het betreft namelijk dezelfde spoorlijn zonder dat in de tussentijd goederen kunnen worden gelost of geladen. Uit de berekening blijkt dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Eindhoven – Venlo een plaatsgebonden risicocontour oplevert van 5 meter. Het plangebied ligt dus ruimschoots buiten de plaatsgebonden risicocontour van de spoorlijn. Groepsrisico Het aantal personen binnen het plangebied neemt niet toe, waardoor het groepsrisico met de ontwikkeling niet wijzigt.
5.2.7 M.e.r.-beoordeling Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een zuidelijke uitbreiding van het betreffende glastuinbouwbedrijf. Voor de uitbreidingsgronden geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas”. Dit bestemmingsplan bevat een wijzigingsbevoegdheid voor een uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf (artikel 3, lid 3.8.2). Op basis van deze wijzigingsbevoegdheid kan een glastuinbouwbedrijf worden uitgebreid, waarbij geen maximum oppervlakte geldt voor glastuinbouwbedrijven ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – ontwikkelingsgebied glastuinbouw’, waarvan ter plaatse sprake is. Het vigerende bestemmingsplan voorziet derhalve met een wijzigingsbevoegdheid in een uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf. Op basis van de uitspraak van de Raad van State van 28 mei 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD2641) wordt het vigerend bestemmingsplan aangemerkt als een gemengd bestemmingsplan. Het vigerende bestemmingsplan vormt daarmee een besluit als bedoeld in kolom 4 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Hieruit volgt dat bij de totstandkoming van het vigerend bestemmingsplan niet een m.e.r. voor plannen uit kolom 3 maar een m.e.r. voor besluiten uit kolom 4 diende
Vastgesteld
35
te worden uitgevoerd die betrekking had op het gehele project. Voor het vigerend bestemmingsplan is dan ook een m.e.r. uitgevoerd. Daardoor reeds een m.e.r. voor besluiten is uitgevoerd, en onderhavig plan past in het vigerend bestemmingsplan door middel van een wijzigingsbevoegdheid, is de m.e.r.-plicht voor de functie glastuinbouw voldoende uitgewerkt. Er geldt geen nieuwe m.e.r.-plicht. 5.2.8 Directe ammoniakschade Directe ammoniakschade is de schade van ammoniakuitstoot uit (intensieve) veehouderijen aan gewassen van derden. In 1981 heeft het Instituut voor Plantenziektenkundig Onderzoek het rapport “Stallucht en Planten” opgesteld. Uit het rapport blijkt dat minimumafstanden aan te raden zijn om directe ammoniakschade te voorkomen: ▪ 50 meter tussen stallen en coniferen ▪ 25 meter tussen stallen en tuinbouwgewassen ▪ 0 meter tussen stallen en akkerbouwgewassen en grasland Het te vergroten bouwvlak grenst aan een locatie waar een varkenshouderij is gevestigd. Hier is ammoniakschade aan gewassen niet uit te sluiten. De afstand tot andere in de omgeving van het plangebied gelegen stallen of mestverwerking bedraagt meer dan 50 meter. Deze hebben derhalve geen directe ammoniakschade voor gewassen tot gevolg. In de nieuw op te richten kassen zullen aardbeiplanten gekweekt worden. Volgens initiatiefnemer zijn aardbeiplanten niet gevoelig voor ammoniakschade vanuit stallen.
Reeds op diverse plekken worden in de open lucht aardbeiplanten gekweekt langs of bij een stal. Dit levert in de praktijk geen belemmering op voor de kweek en leidt dus niet tot een kwaliteitsafname van het gewas. De gronden die grenzen aan de naastgelegen varkenshouderij zijn voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – verzuringsgevoelige gewassen’ zodat juridisch-planologisch is geborgd dat ter plaatse geen verzurgingsgevoelige gewassen mogen worden gekweekt om zo de rechten van de varkenshouderij te respecteren.
5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van het waterschap, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:
Vastgesteld
36
▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas.
Afbeelding 19. Uitsnede kaart GHG
De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Conform deze kaarten gelden er voor het plangebied geen waterkundige waarden. Wel zijn beide watergangen aan weerszijden van het plangebied aangeduid als beek met ‘Algemeen ecologische functie’ en bevatten derhalve geen specifieke natuurwaarden.
Vastgesteld
37
5.3.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte varieert tussen 26,9 en 27,1 meter +NAP. De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland (kaartblad 52 West) uit een beekeerd- en gooreerdgronden welke voornamelijk zijn opgebouwd uit lemig fijn zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel. Tectonisch gezien ligt de locatie op de Peelhorst. Deze horst wordt aan de zuidwestzijde begrensd door de Peelrandbreuk en aan de noordoostzijde door de Tegelenbreuk. Beide breuken zijn noordwest-zuidoost gericht. De freatisch grondwater bevindt zich naar verwachting op circa 50 cm-mv. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart (TNO, kaartblad 52 West) in oostelijke richting.
Afbeelding 20. Uitsnede kaart bodemdoorlatendheid (k-waarde)
Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt het plangebied een zeer slechte bodemdoorlatendheid te hebben van 0,03 tot 0,15 m/dag. Ter plaatse van het plangebied en omgeving varieert de grondwatertrap globaal tussen grondwatertrap III en V. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand voor het grootste deel tussen 40-80 cm-mv is gelegen. Oppervlaktewater Het plangebied grenst aan de westelijke zijde aan de watergang Hoebert en aan de oostelijke zijde aan de watergang Reindonk. De feitelijke watergangen liggen echter buiten het plangebied. Ten noorden van de
Vastgesteld
38
Nieuwe Peeldijk ligt evenwijdig daaraan de primaire watergang Nieuwe Peeldijk. Dit betreffen primaire watergangen van het Waterschap Limburg. De Keur van het waterschap is hierop van toepassing. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 5 meter van de insteek van deze watergangen niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Waar de Keur van het waterschap van toepassing is, is in onderhavig bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Profiel van vrije ruimte’ toegekend. Afvalwater / riolering Het vuilwater is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Binnen het plangebied bevinden zich twee geregistreerde grondwaterputten.
Afbeelding 21. Uitsnede Legger waterschap Limburg
5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Dit bestemmingplan heeft tot doel het vergroten van het agrarisch bouwvlak van 15 ha tot 21 ha zodat een groter oppervlak kas kan worden gebouwd. De ontwikkeling leidt dus tot een toename van het verhard oppervlak. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald.
Vastgesteld
39
Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en / of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Bij de laatste optie mag de landbouwkundige afvoernorm van 2 l/s/ha niet worden overschreden. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van een ontwikkeling, geen sprake zijn van een structurele verlaging van de grondwaterstand.
Afbeelding 22. Het betreffende waterbassin (gelegen achter de silo)
Het hemelwater, afkomstig van de (erf)verharding aan de voorzijde van de loods, wordt geborgen en vertraagd afgevoerd naar de Hoebert via de bergingsvoorziening, gerealiseerd evenwijdig aan de weg. Het Waterschap Limburg heeft deze vorm van afkoppeling vergund in het kader van de verleende omgevingsvergunning voor fase I. Het hemelwater, afkomstig van de kassen en de loods, wordt geborgen in het hemelwaterbassin, gesitueerd in de noordoostelijke hoek van het plangebied. De capaciteit van het hemelwaterbassin bedraagt 23.051 m3. Het hemelwater in dit bassin wordt hergebruikt als irrigatiewater in de kassen. Een overstort op de Reindonk is daarbij gerealiseerd (1 l/s/ha). Het Waterschap Limburg heeft deze vorm van afkoppeling en de overstort op de Reindonk geaccepteerd voor een totaaloppervlak verharding van circa 11,5 ha (loods 4.480 m2, kas 1 5,2 ha
Vastgesteld
40
(vergund en gerealiseerd), kas 2 1,1 ha (vergund, maar nog niet gerealiseerd) en kas 3 4,7 ha (vergund, maar nog niet gerealiseerd). Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de oppervlakte van het bouwvlak uitgebreid van 15 naar 21 ha zodat aan de overzijde van de ondergrondse olieleiding een kas met een oppervlakte van 10,4 ha kan worden gerealiseerd, in plaats van 4,7 ha. Het oppervlakte kas wordt derhalve met 5,7 ha uitgebreid. Waterschap Limburg schrijft inmiddels voor dat per elke hectare verharding minimaal 1.000 m3 geborgen dient te worden in het hemelwaterbassin. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de mogelijke verharding, af te koppelen op het hemelwaterbassin, uitgebreid van 11,5 naar 17,2 ha. Het hemelwaterbassin dient voor de uitbreiding van de kas minimaal een inhoud te hebben van 1.000 * 5,7 = 5.700 m3. De oppervlakte van de bestaande en vergunde kassen bedraagt 500 (oude norm) * 11,5 = 5.750 m3. De minimale inhoud van het waterbassin bedraagt derhalve 5.700 + 5.750 = 11.450 m3. Aan deze eis wordt met een inhoud van 23.051 m3 ruimschoots voldaan. Behorende bij het hemelwaterbassin is een overloop op de primaire watergang Reindonk. De overloop mag conform eis waterschap niet meer bedragen dan 2 l/s/ha.
Reeds door het waterschap geaccepteerd is dat per uur een volume van circa 42.000 liter geloosd wordt in een worst-case scenario (indien het verhard oppervlak 11,5 ha bedraagt en het hemelwaterbassin compleet vol is). In de nieuwe situatie bedraagt het te lozen volume circa 124.000 m3 per uur (indien het verhard oppervlak 17,2 ha bedraagt en het hemelwaterbassin compleet vol is). In de praktijk zal het hemelwaterbassin echter nooit vol zijn gezien het gigantische inhoudsvolume. De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Concluderend kan gesteld worden dat door de ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding. Op 24 december 2019 heeft het waterschap Limburg een positief wateradvies afgegeven op de voorgenomen wijze van het omgaan met water binnen het plangebied (zie bijlagen).
5.4 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van desbetreffende leiding gewaarborgd. Binnen het plangebied bevinden zich twee ondergrondse buisleidingen. De dwars door het plangebied gelegen buisleiding betreft een buisleiding van de Rotterdam-Rijn Pijpleidingmaatschappij waardoor olie wordt vervoerd. Dit betreft een 36” transportleiding met licht ontvlambare producten van de K1-categorie onder hoge druk, geconstrueerd in een belemmerende leidingstrook van 5 m ter weerszijden van de leiding. Ter beveiliging van deze ondergrondse leiding is rond deze leiding in onderhavig bestemmingsplan een beschermingszone opgenomen (dubbelbestemming ‘Leiding – Brandstof’). Deze dubbelbestemming is bedoeld ter bescherming van de leiding voor invloeden van buitenaf. Het betreft een strook waar de leiding vernieuwd kan worden en onderhoud aan de leiding gepleegd kan worden.
Vastgesteld
41
De buisleiding in het zuidelijke gedeelte van het plangebied betreft een waterleiding van Waterleidingmaatschappij Limburg (WML). Aan weerszijden van deze leiding geldt een belemmerende leidingstrook van 5 meter. Ter beveiliging van deze ondergrondse leiding is rond deze leiding in onderhavig bestemmingsplan een beschermingszone opgenomen (dubbelbestemming ‘Leiding – Waterf’). Deze dubbelbestemming is bedoeld ter bescherming van de leiding voor invloeden van buitenaf. Het betreft een strook waar de leiding vernieuwd kan worden en onderhoud aan de leiding gepleegd kan worden. Blijkens kaarten van Gasunie en TenneT bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen andere belangrijke (ondergrondse) leidingen. Eveneens zijn er geen straalpaden of laagvliegroutes die beperkingen stellen aan de bouwhoogten.
5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.5.1 Flora en fauna Het plangebied is onderzocht op het voorkomen van beschermde flora en fauna4. Door het literatuuronderzoek van de quickscan flora en fauna is aangetoond dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen (zie inventarisatie Natuurloket). In de nabijheid van het plangebied zijn tijdens het veldbezoek in oktober 2020 echter geen waarnemingen gedaan van schaarse soorten. Ook rondom het plangebied zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder Huismussen, Gierzwaluwen en vleermuisssoorten). Het veldonderzoek, uitgevoerd in de dagperiode op 21 oktober 2020, is buiten het broedvogelseizoen uitgevoerd. Daarom is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten en hun kuikens, achtergebleven nestmaterialen, vraatsporen en uitwerpselen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Het veldonderzoek kan daarom als vrij uitvoerig worden beschouwd.
Door inventarisaties door de provincie Limburg zijn in 2014 en 1993 waarnemingen gedaan van de Kievit, Geelgors en Grasmus in de nabijheid van het plangebied. Het plangebied is voor genoemde soorten minder geschikt vanwege de regelmatige bewerking van het akkerland en het ontbreken van deugdelijke begroeiing. In de omgeving zijn namelijk voldoende mogelijkheden voor deze vogels om als broed- of foerageergebied te gebruiken. Bij de inventarisatie is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en nestmogelijkheden in het gebied. Ook in de bomen in de omgeving is degelijk onderzoek uitgevoerd op o.a. toegangsmogelijkheden en verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde soorten zoals Huismussen en Gierzwaluwen. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. 4
M & A Advies, Quickscan flora en fauna Nieuwe Peeldijk 36 America, 21 oktober 2020, rapportnummer: 220-APe36-nw-v1
Vastgesteld
42
Volgens het Natuurnetwerk Nederland zijn er geen ecologische verbindingszones in de nabijheid van het plangebied gesitueerd. Ook is het plangebied niet gesitueerd in een waardevol gebied qua natuurwaarden. Door de uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf, wordt het karakter van het gebied niet significant beïnvloed. Het open karakter in de omgeving blijft gehandhaafd. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van de quickscan gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden. Met de quickscan is aangetoond dat er op voorhand geen sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming. 5.5.2 Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied betreft de Deurnsche- en Mariapeel, gelegen op een afstand van 2,0 kilometer van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 2,0 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting.
Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Als gevolg van onderhavig initiatief kan de emissie van stikstof vanuit het plangebied toenemen vanwege, in dit geval, het gebruik van de kas en de toename van verkeer van en naar de locatie. Ook tijdens de bouw van de kas zal tijdelijk sprake zijn van de emissie van stikstof door het bouwverkeer van en naar de locatie en van bouwmaterieel. Bouwfase De bouwtijd van de uit te breiden kas zal in totaliteit circa 4 maanden bedragen (85 bouwdagen). De bouw van de kas heeft een bepaalde verkeersgeneratie tot gevolg.
Dagelijks zullen gemiddeld 5 vrachtwagens allerlei bouwmaterialen aanvoeren (zoals cement, zand, staal en glas). Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 3 bestelbusjes. Voor overige bezoekers zijn eveneens 3 bestelbusjes aangehouden per dag. Deze worst-case scenario is ingevoerd in AERIUS Calculator, bestaande uit 5 zware voertuigen en 6 middelzware voertuigen per etmaal tijdens de bouwfase.
Vastgesteld
43
Voor het bepalen van de emissie afkomstig van de mobiele werktuigen op de bouwplaats tijdens de bouwfase is gebruik gemaakt van de ervaringen van de aannemer. De aannemer geeft aan dat alle mobiele werktuigen samen tijdens de bouw van 1 ha kas circa 1.500 liter diesel verbruiken. Dit betrekken lichte en zware werktuigen, zoals heftrucks en laadschoppen. Het bouwvlak wordt met 5,7 ha uitgebreid, dit zal volledig met kas worden bebouwd. De mobiele werktuigen zullen zodoende in totaliteit 8.550 liter diesel verbruiken. In AERIUS Calculator is uitgegaan van een worst-case scenario waarbij 8.550 liter diesel wordt verbruikt door een zwaar werktuig van het oudst mogelijke bouwjaar (laadschop van 450 kW, bouwjaar vanaf 2002). Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat de emissie NOx met 158 kg/jaar toeneemt tijdens de bouw van 5,7 ha kas.