CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

07c Toelichting

Gemeenteraad 8 juni 2026, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: BIJLAGEN9.905 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM omgevingsplan Afhangweg ong. en Melatenweg ong., Horst

Kadastrale gegevens

Gemeente Sectie Nummer

: : :

Opgesteld door

:

Referentie

:

Horst M 3713

2024/708510

Inhoudsopgave 1.

Beschrijving bestaande situatie ...................................................................... 6

1.1.

Aanleiding en doel ........................................................................................ 6

1.2.

Ligging en begrenzing ................................................................................... 6

1.3.

Vigerend omgevingsplan ............................................................................... 6

1.4.

Leeswijzer ................................................................................................... 8

2.

Planbeschrijving ........................................................................................... 9

2.1.

Huidige situatie ............................................................................................ 9

2.2.

Beoogde situatie .......................................................................................... 9

2.3.

Mogelijkheden omgevingsplan voor beoogde ontwikkeling ................................10

3.

Beleidskader ...............................................................................................12

3.1.

Inleiding .....................................................................................................12

3.2.

Rijksbeleid ..................................................................................................12

3.2.1. Nationale omgevingsvisie .............................................................................12 3.2.1. Ladder duurzame verstedelijking ...................................................................12 3.2.2. M.e.r.-beoordeling .......................................................................................13 3.3.

Provinciaal beleid ........................................................................................14

3.3.1. Provinciale omgevingsvisie Limburg ...............................................................14 3.3.2. Omgevingsverordening Limburg ....................................................................15 3.4.

Regionaal beleid ..........................................................................................16

3.4.1. Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 ..............................................16 3.5.

Gemeentelijk beleid .....................................................................................17

3.5.1. Structuurvisie ‘Horst aan de Maas .............. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 4.

Omgevingsaspecten .....................................................................................19

4.1.

Bodem .......................................................................................................19

4.2.

Bedrijven en milieuzonering ..........................................................................19

4.3.

Geur ..........................................................................................................20

4.4.

Luchtkwaliteit .............................................................................................21

4.5.

Gezondheid ................................................................................................23

4.6.

Geluid ........................................................................................................24

4.7.

Externe veiligheid ........................................................................................24

4.8.

Archeologie ................................................................................................25

4.9.

Flora en Fauna ............................................................................................27

4.9.1. Gebiedsbescherming ....................................................................................27 4.9.2. Soortenbescherming ....................................................................................27 4.10. Landschappelijke inpassing ...........................................................................28 4.11. Waterparagraaf ...........................................................................................29

4.11.1.

Relevant waterbeleid ............................................................................29

4.11.2.

Provinciaal waterplan Limburg ...............................................................29

4.11.3.

Waterschapsverordening .......................................................................30

4.11.4.

Toekomstige waterhuishoudkundige situatie ............................................30

4.12. Spuitzone ...................................................................................................30 4.13. Mobiliteit en parkeren ..................................................................................31 5.

Financieel - economische uitvoerbaarheid .......................................................32

5.1.

Economische haalbaarheid ............................................................................32

5.2.

Economische uitvoerbaarheid ........................................................................32

5.3.

Kostenverhaal .............................................................................................32

5.4.

Nadeelcompensatie......................................................................................32

6.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ..................................................................33

6.1.

Participatie .................................................................................................33

6.1.1. Omgevingsdialoog .......................................................................................33 6.2.

Vastellingsprocedure ....................................................................................33

7.

Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties? .............................34

Bijlage(n) Bijlage 1: Vooronderzoek Bodem Bijlage 2: Akoestisch onderzoek Bijlage 3: Archeologisch onderzoek Bijlage 4: Stikstofonderbouwing Bijlage 5: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 6: Landschappelijke inpassing Bijlage 7: Aanvullend onderzoek Flora en Fauna

1. Beschrijving bestaande situatie 1.1.

Aanleiding en doel

Voorliggende toelichting is opgesteld omdat initiatiefnemer voornemens is om het kadastrale perceel Horst M 3713 te splitsen en op de locatie een tweetal woningen te realiseren. Om dit mogelijk te maken is het noodzakelijk om een ruimtelijke procedure te doorlopen.

1.2.

Ligging en begrenzing

Het plangebied op de hoek van de Afhangweg en de Melatenweg in Horst in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas direct aansluitend aan de kern van Horst. Zowel aan de overzijde van de Melatenweg als de Afhangweg bevindt zich de kern van Horst. Daarnaast zijn aan de westzijde van de Melatenweg in de afgelopen jaren diverse woonbestemmingen toegevoegd waardoor ook hier een lintbebouwing aansluitend bij de kern van Horst is ontstaan.

Afbeelding 1. Topografisch kaart.

1.3.

Vigerend omgevingsplan

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende omgevingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.5. Per 1 januari 2024 is de nieuwe omgevingswet in werking getreden. Dit brengt met zich mee dat elke gemeente slechts één omgevingsplan voor haar gehele grondgebied dient vast te stellen. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om alle regels voor de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Bij inwerkingtreding van de omgevingswet 6

hebben alle gemeenten direct een bestemmingsplan van rechtswege. Het tijdelijke deel van de het omgevingsplan bestaat uit: - (ruimtelijke) regels uit verschillende vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen; - Rijksregels over activiteiten (bruidsschat). Het nieuwe deel van het omgevingsplan is eerst nog leeg. De regels in het nieuwe deel komen tot stand door bestaande regels uit het tijdelijke deel om te zetten naar het nieuwe deel. Daarnaast neemt de gemeente in het nieuwe deel ook nieuwe regels op voor ruimtelijke ontwikkelingen en beleid. Het wijzigen/vaststellen van een omgevingsplan kan ook thematisch gebeuren. Voor het plangebied zijn de volgende regels van toepassing uit het bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas (vastgesteld 19-12-2017), Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020 (vastgesteld 08-09-2020) en Herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied Horst aan de Maas 2023 (vastgesteld 10-09-2024). Waarbij de locatie de navolgende bestemmingen en aanduidingen kent: • • • • • • •

Enkelbestemming: Wonen Enkelbestemming: Agrarisch met waarden Dubbelbestemming: Waarde - Archeologie 3 Gebiedsaanduiding: Milieuzone- grondwaterbeschermingsgebied Venloschol Gebiedsaanduiding: overige zone -kampen Gebiedsaanduiding: overige zone -ontwikkelingsgebied glastuinbouw Gebiedsaanduiding: overige zone – ontwikkelingsgebied glastuinbouw vervallen (Herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied Horst aan de Maas 2023)

Afbeelding 2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan.

7

1.4.

Leeswijzer

De voorliggende onderbouwing voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • • • • • • •

8

plan- en gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; het actuele beleid met betrekking tot de milieuwetgeving en ruimtelijke ordening met toetsing aan het ruimtelijke beleid, hoofdstuk 3; Toetsing aan milieuwetgeving met betrekking tot bestaande of potentiële belemmeringen in de omgeving van het plangebied (milieuaspecten, ruimtelijke aspecten, flora en fauna en waterparagraaf), hoofdstuk 4; De economisch uitvoerbaarheid van het planvoornemen, hoofdstuk 5; De maatschappelijke uitvoerbaarheid, hoofdstuk 6; Evenwichtige toedeling van functies aan locaties, hoofdstuk 7; De bij het plan behorende bijlagen.

2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plangebied weergegeven voor zowel de huidige als beoogde situatie opgenomen. Vervolgens zijn de mogelijkheden in het omgevingsplan voor de beoogde ontwikkeling beschreven.

2.1.

Huidige situatie

De locatie Afhangweg 37 betreft een kadastraal perceel behorende bij de reeds aanwezige woning op de locatie. De locatie is deels ingericht als tuin behorende bij de woning Afhangweg 37 en deels als weilanden (achter de reeds bestaande woningen aan de Melatenweg). De locatie heeft deels de enkelbestemming Wonen en deels de enkelbestemming Agrarisch met waarden.

Afbeelding 3. Luchtfoto huidige situatie plangebied.

2.2.

Beoogde situatie

Zoals reeds eerder benoemd zijn initiatiefnemers voornemens op de locatie een tweetal nieuwe woningen te realiseren op de locatie. De eerste woning wordt gerealiseerd aan de Afhangweg en de tweede woning wordt gerealiseerd aansluitend aan de reeds bestaande

9

lintbebouwing aan de Melatenweg. Hetgeen in onderstaande indicatieve weergave van de landschappelijke inpassing is weergegeven.

Afbeelding 4. Uitsnede landschappelijke inpassing.

2.3. Mogelijkheden omgevingsplan voor beoogde ontwikkeling In onderhavig voornemen wordt 1 woning gerealiseerd op gronden met de enkelbestemming “Agrarisch met Waarden”. Het vigerende bestemmingsplan “buitengebied Horst aan de Maas” kent middels artikel 3.8.5 Wijzigen in de bestemming 'Wonen' de mogelijk tot het wijzigen van de bestemming van “Agrarisch met waarden” naar “Wonen”. Echter kan in onderhavig voornemen niet voldaan worden aan alle voorwaarden zoals gesteld in artikel 3.8.5. Het 2e kavel wordt gerealiseerd op gronden welke reeds de enkelbestemming “Wonen” hebben. Echter is binnen dit bestemmingsvlak reeds een woning aanwezig en kent de locatie geen aanduiding “Maximum aantal wooneenheden”. Hoewel het realiseren van de woonkavels binnen het bestaande bestemmingsplan niet rechtstreeks toegestaan is zien initiatiefnemers de locatie wel als een geschikte locatie voor het toevoegen van woningen. Het gebied was van oudsher een tuinbouwgebied waar later de eerste (verwarmde) kassen in Horst werden gebouwd. Daarna heeft dit tuinbouwgebied zich verder ontwikkeld tot het moment dat het gebied werd geclaimd als uitleglocatie van woningbouw voor Horst. De (grootschalige) glastuinbouw heeft zich toen verplaatst naar het Meterikse veld.

De kleinere agrarische bedrijven, waaronder ook enkele in die sector actief zijnde dienstverlenende, zijn ter plaatse gebleven en zijn successievelijk door de schaalvergroting inmiddels verdwenen. Aan de Melatenweg zijn daarnaast een aantal (onder andere Ruimte voor Ruimte) woningen gerealiseerd. Het gewenste plangebied ligt dan ook ingesloten tussen deze (Ruimte voor Ruimte) woningen en “De Afhang”. De gronden hebben op dit moment de 10

gebiedsaanduiding “overige zone – ontwikkelingsgebied glastuinbouw”. De gronden zijn door deze ligging niet meer geschikt als glastuinbouwgebied. Door de gemeente is op 1009-2024 het bestemmingsplan “Herbegrenzing glastuinbouwconcentratiegebied Horst aan de Maas 2023” in vastgesteld. Het plangebied is gelegen binnen de in dit plan genoemde “Overige zone - ontwikkelingsgebied glastuinbouw vervallen”. Hiermee vervalt de “overige zone – ontwikkelingsgebied glastuinbouw”. In onderhavig planvoornemen wensen initiatiefnemers twee woningen te realiseren in het voormalig gelegen “overige – zone ontwikkelingsgebied glastuinbouw”. Eén woning wordt in de beoogde situatie gerealiseerd middels een wijziging van de bestemming van “Agrarisch met waarden” naar de functie “wonen”. De locatie van de tweede woning heeft reeds een functie “wonen”. Daarnaast ligt het gewenste plangebied ingesloten tussen woningen en “De Afhang”, waar de regeling Ruimte voor Ruimte regelmatig is toegepast.

11

3. Beleidskader 3.1.

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het planvoornemen op Europees, nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor deze omgevingsplanactiviteit en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.

3.2.

Rijksbeleid

3.2.1. Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •

•

•

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied en past binnen de prioriteiten van de NOVI. 3.2.1. Ladder duurzame verstedelijking In artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat de instructieregel dat de Ladder moet worden toegepast bij een stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een 12

zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Het artikel 5.129g wordt niet vastgelegd wanneer een ontwikkeling voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak over de Lader duurzame verstedelijking. In deze uitspraak worden geen harde ondergrenzen gesteld, wel worden er grenzen aangegeven waarbij een ontwikkeling ‘in beginsel’ niet als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste rechtspraak dat, in beginsel sprake geen is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er minder dan 11 woningen gerealiseerd worden. Bij andere stedelijke functies in de vorm van een terrein is de ondergrens ‘in beginsel’ minder 500m2. De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.

Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat wanneer het om een functiewijziging gaat, moet worden beoordeeld of er sprake is van een naar aard en omvang zodanige functiewijziging, dat desalniettemin gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij moet ook het ruimtebeslag betrokken worden. De ladder van duurzame verstedelijking is van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De onderhavige planlocatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Mede hierdoor is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Echter is de locatie direct gelegen aan de kern van Horst, mocht er hierdoor toch uitgegaan worden van een stedelijke ontwikkeling, dan is er in onderhavig planvoornemen sprake van het toevoegen van 2 woningen. Zoals bovenstaand reeds benoemd wordt een ontwikkeling van minder dan 11 woningen niet aangeduid als een stedelijke ontwikkeling. Dit is een dermate kleinschalige wijziging dat er niet gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 3.2.2. M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

Bij nieuwe ontwikkeling moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. In bijlage V van het Omgevingsbesluit is een opsomming van de projecten waarop een mer-beoordeling van toepassing kan zijn opgenomen. In de eerste kolom van de bijlage staat de omschrijving van een project. In de tweede kolom is de projectomvang opgenomen voor de gevallen waarin de milieueffectenrapportage-plicht geldt. Wanneer een ontwikkeling voorkomt in de eerste kolom geldt dat er een project-merbeoordeling moet worden uitgevoerd. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde waarde in tweede kolom dient er een milieueffectrapport te worden opgesteld. De beoogde ontwikkeling is niet beschreven in de eerste kolom van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 13

Voor de beoogde ontwikkeling zijn er geen verplichtingen met betrekking tot de m.e.r..

3.3.

Provinciaal beleid

3.3.1. Provinciale omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1.

Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; b. In landelijk gebied; 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; 3. Klimaat adaptieve en energietransitie; De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: •

Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; • Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. De Omgevingsvisie is een visie in tekst en bevat geen specifiek kaartmateriaal. De begrenzingen van de zoneringen en andere werkingsgebieden die voortkomen uit de Limburgse principes en de uitwerkingen in de thema’s in deze Omgevingsvisie, zullen verankerd worden in het kaartmateriaal behorende bij de Omgevingsverordening Limburg. Daarna dienen deze tevens ter ondersteuning van deze visie. De kaarten bij de Omgevingsverordening zijn zoneringskaarten. Dit betekent dat zones over bouwblokken, gebouwen, wegen, paden en ander grondgebruik, anders dan beoogt in de betreffende zonering, geprojecteerd zijn. Het landelijke gebied wordt in het POVI onderverdeeld in 3 categorieën: o o o

Groenblauwe mantel Natuurnetwerk Limburg (incl. Natura2000 gebieden) Buitengebied

Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van 14

de verouderde en niet courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diversere wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving.

De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. 3.3.2. Omgevingsverordening Limburg De provincie Limburg heeft de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld op 16 december 2021. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: • •

Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen.

De volgende regels uit de Omgevingsverordening 2021 zijn in dit geval van toepassing: • •

Venloschol Wonen, werken en recreëren.

Venloschol Het is in het gebied Venloschol beneden de 5 meter NAP verboden: • • • • •

Zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren; Een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te hebben; Een boorput te hebben; De grond te roeren; Werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermde werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten.

Onderhavig planvoornemen voorziet in het toevoegen van 2 woningen. Daar de locatie op 27 meter boven NAP ligt en er voor de realisatie van woningen niet dieper als 5 meter de grond geroerd wordt en ook de overige activiteiten niet plaatsvinden voldoet het initiatief aan de omgevingsverordening. 15

3.4.

Regionaal beleid

3.4.1. Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De Regionale woonvisie Noord-Limburg, is op 8 september 2020 vastgesteld door de gemeente Horst aan de Maas en is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. Het is de 2e visie die door de 8 Noord-Limburgse gemeenten in gezamenlijkheid is opgesteld. De structuurvisie heeft de status van intergemeentelijke structuurvisie op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee heeft het document een juridische status met een zelfbindend karakter. Het opheffen van de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad is één van de centrale opgaven uit de visie. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: • • • • • •

Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; Gekeken dient te worden naar koppelkansen; Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen.

Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd: •

•

• •

Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen

In onderhavig plan worden 2 woningen toegevoegd aan de woningvoorraad van Horst aan de Maas en deze wordt gerealiseerd binnen de reeds bestaande bebouwingslinten aan de Melatenweg en Afhangweg, direct aansluitend aan de kern van Horst in een gebied dat zich de laatste jaren ontwikkeld heeft tot de rand van de kern van Horst.

16

3.5.

Gemeentelijk beleid

3.5.1. Omgevingsvisie Horst aan de Maas 2040 De Omgevingsvisie Horst aan de Maas vormt het strategisch kader voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente. De visie richt zich op het realiseren van een gezonde, toekomstbestendige en leefbare omgeving, waarbij zorgvuldig wordt omgegaan met de beschikbare ruimte. De gemeente differentieert daarbij per gebied, zodat ontwikkelingen aansluiten bij de specifieke kwaliteiten en opgaven van elke locatie. Een belangrijke pijler van de omgevingsvisie is het versterken van een gezonde leefomgeving. Dit betekent dat ontwikkelingen die bijdragen aan meer groen, biodiversiteit, beweging en recreatie positief worden benaderd, met name in en rondom de dorpskernen. De gemeente streeft naar een leefomgeving waarin functies logisch zijn gesitueerd, hinder wordt beperkt en de kwaliteit van lucht, water en bodem wordt verbeterd. Wonen wordt geconcentreerd in en direct rondom de kernen om de vitaliteit van de dorpen te behouden en te versterken. De gemeente zet in op zowel inbreiding als uitbreiding, waarbij een gevarieerd woningaanbod wordt gerealiseerd dat aansluit bij de lokale behoefte en rekening houdt met de druk vanuit de regio Eindhoven en Nijmegen. Compacte en eventueel gestapelde bouwvormen worden mogelijk gemaakt wanneer deze passen binnen het dorpse karakter.

Door zorgvuldig te bouwen ontstaat ruimte voor een groene openbare ruimte die ontmoeting, beweging en wateropvang faciliteert. Zorg en voorzieningen worden zoveel mogelijk in de kernen behouden en waar nodig geconcentreerd om de kwaliteit te waarborgen. Op economisch vlak richt de gemeente zich op kwalitatieve groei. De agribusiness, vrijetijdseconomie en zorgsector vormen belangrijke pijlers. Nieuwe bedrijventerreinen zijn schaars; daarom ligt de nadruk op verduurzaming, circulariteit en een efficiënte inrichting van bestaande terreinen. Het OV-knooppunt Horst-Sevenum wordt verder ontwikkeld als een integrale leer-werk-leefomgeving. Voor de agrarische sector wordt een toekomstbestendig perspectief geboden. De gemeente zet in op verduurzaming, het sluiten van kringlopen, het verminderen van emissies en een evenwichtige balans tussen intensivering en extensivering. Deze ambities worden in samenwerking met de sector uitgewerkt in omgevingsprogramma’s. De vrijetijdseconomie wordt versterkt door toerisme voor plezierzoekers te concentreren in De Peelbergen, terwijl rustzoekers worden gespreid over het landschap. De gemeente benut hierbij de aanwezige cultuurhistorische landschappen en zorgt voor een goede toegankelijkheid van aantrekkelijke gebieden, zodat deze uitnodigen tot bewegen en beleven.

Daarnaast wordt ingezet op het versterken van groen-blauwstructuren binnen en buiten de kernen. Water- en bodemkwaliteit vormen hierbij belangrijke uitgangspunten. In gebieden zoals De Peelen en langs beeklopen wordt de natuur versterkt, terwijl rond De Peel een natuurbuffer bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. Recreatie wordt gespreid via routestructuren en Eikpunten om kwetsbare natuur te ontzien. De gemeente werkt toe naar een klimaatneutraal en klimaatbestendig Horst aan de Maas in 2050. Lokale opwek van zonne-energie, slimme energie-infrastructuur en duurzame mobiliteit spelen hierin een belangrijke rol. Inwoners worden gestimuleerd vaker te lopen, fietsen of gebruik te maken van het openbaar vervoer, zodat leefbaarheid, natuur en duurzaamheid elkaar versterken.

17

Tot slot streeft de gemeente naar een veilige en overzichtelijke mobiliteitsstructuur in 2040. Wegen worden duidelijker en verkeersveiligheid neemt toe voor alle verkeersdeelnemers. Voorzieningen blijven goed bereikbaar, waardoor een evenwichtige balans ontstaat tussen bereikbaarheid en leefbaarheid in en rondom de dorpen. Het beoogede initiatief betreft het toevoegen van nieuwe woningen aan de rand van de kom van Horst. Hierbij wordt rekening gehouden met de bestaande ruimtelijke structuur, de landschappelijke inpassing en wordt er rekening gehouden met de lokale behoefte. Hiermee sluit het planvoornemen aan bij de Omgevingsvisie Horst aan de Maas.

18

4. Omgevingsaspecten Het omgevingsplan dient te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor onderhavig initiatief betekent dit dat onderzocht moet worden hoe dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden. Hiervoor dienen zowel de effecten van het initiatief op de fysieke leefomgeving als de effecten van de omgeving op het initiatief onderzocht te worden. In de volgende paragrafen wordt het initiatief getoetst aan relevante milieu- en planologische aspecten.

4.1.

Bodem

Via de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet worden de regels voor de bodem onderdeel gemaakt van de omgevingswet. Het wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: 1. Het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie) 2. Het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies) 3. Het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen) Elke pijler kent zijn eigen instrumenten die ontleend worden uit de omgevingswet. De nieuwe regels komen in de plaats van de voormalige regels voor het beheer van de bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Voor onderhavig initiatief is met name pijler 2 van belang, in paragraaf 5.1.4.5. van het Bkl heeft het rijk instructieregels vastgelegd voor het toelaten van bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelig gebouw betreft een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover het aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Door HMB B.V. is voor de locatie een historisch vooronderzoek uitgevoerd.

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat de onderzoekslocatie als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is. Ter plaatse wordt, met uitzondering van de bekende verhoogde achtergrondgehalten, geen bodemverontreiniging verwacht. Daarom wordt, conform het gemeentelijk beleid, de uitvoering van een bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Hiermee vormt het onderdeel bodem geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.2.

Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, stof en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen:

19

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

De opgenomen richtafstanden betreffen de indicatief aan te houden afstand tussen hinder veroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt, kan hiervan afgeweken worden. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een ‘gemengd gebied’ wordt gedefinieerd als: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.” In zo’n geval is het ruimtelijke aanvaardbaar dat de richtafstanden met één stap worden verlaagd. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen.

Bedrijven en milieuzonering

Afhangweg 41

Agrarisch bedrijf

2

Afhangweg 12

Bedrijf, opslag, max cat. 2

2

Agrarisch Hulpbedrijf, Loonbedrijf

3.1

Geur:30 Stof: 10 Geluid:30 Gevaar:10 Geur:10 Stof: 10 Geluid:30 Gevaar:10 Geur:0 Stof:0 Geluid:30 Gevaar:10 Geur:30 Stof: 10 Geluid:50 Gevaar:10

Feitelijke afstand tot plangebied(m)

2

Afstanden Categorie 3(m)

Functie Champignonkwekerij

Afhangweg 51

Milieucategorie

Locatie Afhangweg 45

118

58

146

155

Aangezien op de locatie 2 woningen toegevoegd worden waarvan 1 woning reeds binnen een woonbestemming gelegen is voor de feitelijke afstand gemeten van het dichtstbij gelegen punt van de gezamenlijke nieuwe woonbestemmingen voor de woningen. Zoals wordt aangetoond in tabel 1 wordt voldaan aan de richtafstanden.

4.3.

Geur

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet. Gemeentes kunnen geurregels opnemen voor veehouderijen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving 20

(Bkl) staat met instructieregels voor gemeenten beschreven hoe ze de geurregels in het omgevingsplan op moeten nemen. Deze instructieregels staan in paragraaf 5.1.4.6.3 ‘Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf’. In Artikel 22.3.6 van het Omgevingsplan heeft de gemeente regels omtrent geur vastgelegd. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Horst aan de Maas van toepassing is. Daar de locatie gelegen is aan de rand van de kern van Horst, te midden van diverse woonbestemmingen en er in de nabijheid van de locatie geen veehouderijen gelegen zijn vormt het onderdeel geur geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.4.

Luchtkwaliteit

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt eisen aan de concentratie van emissie van verontreinigende stoffen vanuit bedrijven naar de lucht: de emissiegrenswaarden. Er geldt een waarde en ondergrens per stofklasse. Voor kleine bronnen met een jaarlijkse emissie beneden de ondergrens gelden de emissiegrenswaarden niet. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan rijksomgevingswaarden voor lucht. Om de risico’s van luchtverontreiniging voor mens en natuur te beperken, zijn op Europees niveau normen vastgelegd. De Europese richtlijnen Luchtkwaliteit en Gevaarlijke stoffen in de lucht stellen grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de lucht beïnvloeden. Deze zijn als rijksomgevingswaarden vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl. Voor fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) zijn er aparte aandachtsgebieden. Daar zijn de concentraties relatief hoog. Draagt een activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging dan is het niet nodig om de omgevingswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide te toetsten. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bedraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Als de 3 % grens voor fijn stof of stikstofdioxide niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. In artikel 5.54 van het Bkl is geregeld dat binnen de getalsmatige grenzen een plan altijd NIBM is. Indien een plan boven de getalsmatige grenzen uitkomt is een plan in betekenende mate (IBM), tenzij alsnog aannemelijk te maken is dat de bron minder dan 3% bijdraagt aan de concentratie. De beoogde ontwikkeling is wat betreft aard en omvang van een kleinschaligere omvang dan een ontwikkeling van 1.500 woningen (grenswaarde NIBM). Hierdoor draagt het plan naar verwachting niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het planvoornemen betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig Achtergrond Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN 2022) ligt de concentratie PM10 ter plaatse op 16,7 μg/m³ en de PM2,5 op 9,2 μg/m³, zie afbeelding 6 en 7. Daarnaast ligt de concentratie NO2 ter plaatse op 12,7 μg/m³, zie afbeelding 8. In artikel 2.5 van het Bkl is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 10 40 μg/m³ en voor PM2,5 25 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 21

volgens artikel 2.4 van het Bkl eveneens 40 μg/m³. Volgens de is de luchtkwaliteit ter plaatse dan ook voldoende.

Afbeelding 5. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM10).

Afbeelding 6. Uitsnede plangebied kaart fijnstof (PM2,5).

22

Afbeelding 7. Uitsnede plangebied kaart stikstofoxide (NO2).

4.5.

Gezondheid

Veehouderijen stoten (fijn)stof uit naar de omgeving. Pluimveehouderijen stoten meer (fijn) stof uit dan varkenshouderijen. Varkenshouderijen stoten weer meer uit dan andere veehouderijtakken. Endotoxine is een van de stoffen die wordt verspreid in de omgeving van veehouderijen. Het Endotoxinerapport en het gezondheidsonderzoek van het RIVM (VGO) tonen aan dat gezondheidsrisico’s kleven aan de verspreiding van stoffen uit stallen. Op grond van het onderzoek Intensieve-veehouderij en Gezondheid (IVG: de voorloper van het VGO-onderzoek) ziet de Gezondheidsraad endotoxine als een goede indicator voor de blootstelling van omwonenden aan stoffen uit stallen die een negatieve invloed hebben op luchtwegen. Dit inzicht was voor de Gezondheidsraad aanleiding om voor de algemene bevolking een gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine van maximaal 30 EU/m³ (Endotoxin Units) vast te stellen. De Gezondheidsraad is het adviesorgaan voor het Rijk aangaande complexe gezondheidsvraagstukken. Binnen gemeente Horst aan de Maas worden ruimtelijke ontwikkelingen tevens getoetst aan het endotoxine toetsingskader. Uitgangspunt hierbij is het voorkomen dat bestaande overschrijdingen groter worden en het voorkomen van nieuwe overschrijdingen. Van de endotoxinen-norm gaat ook een omgekeerde werking uit.

Dit betekent concreet dat voor de ontwikkeling aan de Afhangweg/Melatenweg bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat endotoxines moeten worden meegewogen en dat wordt gemotiveerd of deze ontwikkeling geen extra belemmeringen oplevert voor omliggende veehouderijen i.v.m. hun endotoxines-uitstoot Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat geitenhouderijen de grootste bron voor endotoxine uitstoot zijn en dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Niet onomstotelijk is aangetoond dat de verhoging van het aantal gevallen van longontsteking een direct gevolg is van de aanwezigheid van geitenhouderij bedrijven, echter is het vanuit het voorzorgsprincipe wenselijk om hieraan te toetsen. In een omtrek van 2 kilometer rond het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen, hiervoor is de kernregistratie dierverblijven van de 23

provincie Limburg geraadpleegd. Op basis hiervan is aan te nemen dat de aanwezigheid van geitenhouderijen geen belemmeringen vormen voor het initiatief. In de omgeving van het plangebied zijn geen pluimvee of varkenshouderijen gelegen. Vanuit het aspect gezondheid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.6.

Geluid

In de fysieke leefomgeving hebben veel functies te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidsgevoelige gebouwen en functies. In het omgevingsplan is het aspect geluid opgenomen in paragraaf 22.3.4. Hierin zijn de regels opgenomen voor geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegestaan. In afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels van toepassing op beheersing van geluid een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 van Bkl). Er wordt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidsproductieplafond als omgevingswaarden en bronnen meet een basisgeluidsemissie. Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed omgeving. Het geluid van deze bronnen moet worden beoordeeld bij geluidsgevoelige gebouwen. Voor een aantal geluidsgevoelige gebouwen heeft het rijk specifieke regels gesteld. De regels voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidsgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden. Bij de aanwijzing is de functie bepalend, de instructieregels zijn onder andere geldend voor functies zoals wonen, onderwijs en zorg. Voor de locatie is door HMB B.V. een akoestisch onderzoek toelaten geluidgevoelig gebouw uitgevoerd.

Uit dit onderzoek komt naar voren dat: • • • •

dat voor elke geluidbronsoort voldaan wordt aan de standaardwaarde; dat geen aanvullende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de eisen aangaande de gevelgeluidwering; dat de nieuwe woningen geen inbreuk doen op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; dat sprake blijft van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’.

Vanuit het aspect geluid zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.7.

Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. De regels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 zijn van toepassing op het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit als bedoeld in die paragrafen die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

24

De aanwezige risico’s zijn zeer afhankelijk van het brontype. De relevante typen zijn: bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen (per spoor, over de weg, het water), hoogspanningslijnen en (ondergrondse) buisleidingen.

Afbeelding 8 Uitsnede plangebied Atlas Leefomgeving.

In de omgeving van het plangebied zijn blijkens de Risicokaart Nederland geen risicovolle inrichtingen, transportlijnen of buisleidingen gelegen. De meest nabij gelegen risicovolle inrichtingen zijn een propaantank aan de Rotvenweg te Horst (op circa 490 m afstand), een propaantank aan de Americaanseweg 57 te Horst (op circa 790 m afstand) en een tweetal propaantanks aan de Speulshofbaan 24 te Meterik (op circa 1.040 m afstand). De afstand tot de transportroute over de N556 bedraagt meer dan 1.400 m. De afstand tot de meest nabij gelegen buisleiding bedraagt circa 1.000 m. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8.

Archeologie

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Omgevingswet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Bij het opstellen van het Omgevingsplan houdt de gemeente rekening met archeologische waarden. Ook maakt de gemeente meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen in een omgevingsplan ook: - Regels worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden; en

25

-

Gevallen worden aangewezen waarin kan worden afgezien van onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie of het opleggen van plichten met die strekking. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. De gemeente Horst aan de Maas beschikt over een actueel archeologiebeleid dat onderdeel uitmaakt van het bredere erfgoedprogramma onder de Omgevingswet. Dit beleid vormt het uitgangspunt voor een zorgvuldige omgang met archeologische waarden binnen de fysieke leefomgeving. De gemeente heeft haar archeologische kennisbasis geactualiseerd, waardoor de aanwezige en te verwachten archeologische waarden op een betrouwbare manier kunnen worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het grondgebied van Horst aan de Maas kent een lange bewoningsgeschiedenis. In de ondergrond bevinden zich sporen uit verschillende perioden, variërend van prehistorische vindplaatsen langs de Maas en in de beekdalen tot resten van middeleeuwse nederzettingen en activiteiten in de Peel. Deze variatie maakt dat in grote delen van de gemeente sprake is van een middelhoge tot hoge archeologische verwachting.

De gemeente verlangt daarom dat bij ruimtelijke ingrepen zorgvuldig wordt beoordeeld of archeologische waarden aanwezig kunnen zijn en of deze door de ontwikkeling kunnen worden verstoord. In het kader van de Omgevingswet geldt dat archeologische waarden moeten worden beschermd en, waar mogelijk, behouden in situ. Wanneer behoud in de bodem niet mogelijk is, dient voorafgaand onderzoek plaats te vinden om de aanwezige waarden te documenteren. De gemeente hanteert hiervoor een systematiek van verwachtings- en beleidskaarten, waarin per gebied is aangegeven welke onderzoeksplicht geldt. Ontwikkelingen moeten aantonen dat zij passen binnen deze kaders en dat eventuele archeologische risico’s op een verantwoorde manier zijn ondervangen. In deze ruimtelijke motivering wordt daarom beoordeeld of de voorgenomen ontwikkeling gevolgen kan hebben voor archeologische waarden. Indien uit de geldende beleidskaart blijkt dat sprake is van een onderzoeksplicht, wordt dit opgepakt conform de gemeentelijke richtlijnen. Wanneer uit onderzoek blijkt dat geen archeologische waarden worden verwacht of dat deze niet worden aangetast, kan de ontwikkeling zonder aanvullende maatregelen doorgang vinden. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke ambitie om archeologie op een zorgvuldige en toekomstbestendige manier te integreren in ruimtelijke besluitvorming.

In het kader van het planvoornemen om twee woningen toe te voegen binnen het plangebied. Uitgaande van de kaart Kb8 Beleidscategorieën van het Programma Erfgoed, gemeente Horst aan de Maas komt naar voren dat binnen het plangebied de archeologische waarden 2, 3 en 4 bevinden. Op of in de voor ‘waarde 2’ aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 30 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst of de bestaande oppervlakte met niet meer dan 100 m² wordt uitgebreid. Daarnaast kent het plangebied de dubbelbestemming waarde Archeologie -3: Op of in de voor ‘Waarde – Archeologie – 3’ aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst of de bestaande oppervlakte met niet meer dan 500 m² wordt uitgebreid.

26

Onderhavig planvoornemen kan niet voldoen aan de voorwaarden, de bestaande oppervlakte met niet meer dan 100 m² wordt uitgebreid, zoals hierboven beschreven, omdat de oppervlakte van het plangebied 1000 m² bedraagt per nieuwe woning. Derhalve is op locatie door Archeopro een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Hieruit komt naar voren dat: “De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot het adviseren van archeologisch vervolgonderzoek. In alle gevallen blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren om dit te doen bij de gemeente Horst aan de Maas”. Vanuit het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.9.

Flora en Fauna

4.9.1. Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000- gebieden. Op grond van artikel 2.43 van de Omgevingswet zijn de instandhoudingsdoelstelling vastgelegd. Gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Met betrekking tot gebiedsbescherming is de situering ten opzichte van beschermde gebieden (Natura2000 gebieden en beschermde natuurmonumenten) van belang. Ten westen van de initiatieflocatie is het Natura2000 gebied Deurnesche Peel en Mariapeel gelegen. De afstand tussen het plangebied en dit Natura 2000-gebied bedraagt 7,3 kilometer. Beoordeeld moet worden of het planvoornemen significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. Gezien de afstand en de beperkte omvang van het initiatief is het niet te verwachten dat de ontwikkeling leidt tot verstoring, oppervlakteverlies, verontreiniging of andere negatieve effecten op het natura2000-gebied. Een ander belangrijk aspect voor natuur is stikstof.

Om het effect van de ontwikkeling op de stikstofdepositie in beeld te brengen is een AERIUS-berekening van het projecteffect gemaakt. Uit deze Aeriusberekeningen van zowel de realisatiefase als de gebruiksfase blijkt dat onderhavig planvoornemen geen significant negatieve effecten heeft op de nabijgelegen Natura2000-gebieden. Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.9.2. Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Omgevingswet. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende diersoorten en vaatplanten. Hiervoor geldt een algemene zorgplicht die inhoudt dat schade aan flora en fauna zoveel mogelijk voorkomen dient te worden. In afdeling 11.2 van het Bal zijn regels opgenomen voor activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name de regels de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.4 van belang. 27

•

•

•

Paragraaf 11.2.2 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Paragraaf 11.2.3 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning soorten habitatrichtlijn. Dit zijn soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn. Paragraaf 11.2.4 Flora- en fauna-activiteiten: omgevingsvergunning andere soorten. Dit zijn alle in Nederland in het wild levende soorten waaronder zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zoals genoemd in het Bal, bijlage IX.

Om de instandhouding van de wettelijke beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Bij de totstandkoming van een planvoornemen waarbij functies gewijzigd worden, moet worden voorkomen dat conflicten met beschermde dier- en plantensoorten ontstaan en dient dus vooraf een beoordeling plaats te vinden. Door BNL Advies is op de locatie een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Uit deze Quickscan komt naar voren dat in de aanwezige begroeiing mogelijk jaarrond beschermde nesten en boombewonende vleermuizen aanwezig zijn. Daar op de locatie ten behoeve van de bouw van de woningen een aantal bomen gekapt worden zal in een daarvoor geschikte periode vervolgonderzoek plaats vinden op de aanwezigheid van deze nesten en vleermuizen in de te kappen bomen. Het vervolgonderzoek is uitgevoerd en toegevoegd in de bijlagen. Vanuit het aspect gebiedsbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.10.

Landschappelijke inpassing

De landschappelijke inpassing van het beoogde initiatief is afgestemd op de kwaliteiten en kenmerken van het landschap in de omgeving van het plangebied. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt voldaan aan de eisen voor kwaliteitsverbetering vanuit de provincie en gemeente. In afbeelding 11 is het beplantingsplan weergegeven, voor het volledige landschappelijke inpassingsplan wordt verwezen naar bijlage 4.

28

Afbeelding 9 Landschappelijk inpassingsplan.

4.11.

Waterparagraaf

4.11.1.

Relevant waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. Per 18 maart 2022 is het Nationaal Waterprogramma 20222027 vastgesteld. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de Stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. De wateropgaven waar Nederland voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor de 3 hoofdambities van het NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta; • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta; • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. 4.11.2.

Provinciaal waterplan Limburg

Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 20162021. Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de Provincie de komende planperiode willen bereiken op 29

het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit. De provincie Limburg legt de belangrijkste functies van de oppervlaktewatersystemen vast. Zij onderscheidt hoofd- en nevenfuncties, waarbij in geval van functiecombinaties de eisen die aan het watersysteem vanuit de hoofdfunctie gesteld worden bepalend zijn en de eisen vanuit overige functies ondergeschikt. Als hoofdfuncties onderscheidt de provincie Limburg de natuurfunctie voor de natuurbeken en de (grond)waterafhankelijke natuur en de algemeen ecologische functie voor de overige waterlopen, daarnaast de mensgerichte functies drinkwaterwinning en agrarisch water. Naast regelgeving hanteert de provincie een ontwikkelingsgerichte strategie. Het ordenend principe van water vormt daarbij een essentiële bouwsteen voor het provinciale omgevingsbeleid. Zo is de positionering, de huidige en potentiële ecologische kwaliteit, de kwetsbaarheid en herstelmogelijkheden van, maar ook de veiligheid vanuit de watersystemen voor haar een belangrijk uitgangspunt en stimuleert ze de kansen die water biedt om de kwaliteit van de leefomgeving te vergroten. De watertoets gebruikt ze hierbij als afwegingskader bij ruimtelijke ingrepen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16933368/1