CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

07c.2 Quickscan Flora en Fauna

Gemeenteraad 8 februari 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van bestemmingsplan Vondersestraat 57-59 Horst.13.241 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA GROOTE MOLENBEEK NOORD TE HORST

Rapportage quickscan flora en fauna Groote Molenbeek Noord te Horst Opdrachtgever

Adviesbureau Brouwers Postbus 245 6040 AE Roermond

Rapportnummer Versienummer

10438.004 D1

Status

Eindrapportage

Datum

5 november 2019

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

S. Westbroek, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

A.M.L. Thomissen, MSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 10 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 13 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Vaatplanten..................................................................................................................... 15

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8

Broedvogels .................................................................................................................... 16 Vleermuizen .................................................................................................................... 17 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 18 Amfibieën en vissen ....................................................................................................... 20 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 22

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 23 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 23 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 24

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 25

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 26

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 10438.004

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Adviesbureau Brouwers opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna ter plaatse van een plangebied aan de Groote Molenbeek Noord te Horst. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herinrichting van het terrein en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 1 van 28

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 2 ha) ligt aan de Melderloseweg en afrit 11, rechts van de A73, circa 1 kilometer ten zuidoosten van de kern van Horst. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 202.595, Y = 384.555.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

Het plangebied is momenteel grotendeels in gebruik als bosschage. Aan de noordoostzijde is verharding aanwezig in de vorm van een (doodlopende) asfaltweg. Vanaf de asfaltweg loopt langs de oostzijde een wandelpad. Rondom het wandelpad bevindt zich een grasveld. Aan de westzijde van het plangebied stroomt de Groote Molenbeek die via duikers onder de Meldersloseweg en de A73 doorloopt. De onderzoekslocatie is onbebouwd, maar in het verleden heeft hier een zoutloods gestaan. De locatie van de voormalige zoutloods bestaat in de huidige situatie uit braakliggend terrein.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 2 van 28

Directe omgeving Ten noorden van de onderzoekslocatie bevindt zich de Meldersloseweg met aangrenzend akkers, weilanden en bomenlanen. Aan de westzijde grenst de onderzoekslocatie aan afrit 11 van de A73. Aan de zuidoostzijde zijn diverse poelen aanwezig met daaromheen vegetatie in de vorm van riet, pitrus en lisdodde. Aangrenzend bevindt zich bedrijventerrein. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie (wit omlijnd) en directe omgeving.

Figuur 3. Wandelpad aan oostzijde onderzoekslocatie.

Rapport 10438.004 versie D1

Figuur 4. Braakliggend terrein (voormalige zoutloods).

Figuur 5. Foto vanaf zuidwestelijke oever Groote Molenbeek, richting A73.

Pagina 3 van 28

Figuur 6. Foto vanaf noordoostelijke oever Groote Molenbeek.

2.2

Figuur 7. Duiker met faunapassage onder A73.

Figuur 8. Poel ten oosten, buiten onderzoekslocatie.

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens om de Groote Molenbeek te verleggen om een meer natuurlijk karakter te creëren (zie figuur 9). Behalve een nieuwe loop van de beek zullen er ook een nevengeul en drassige oevers worden gerealiseerd. De hoofdgeul zal ten oosten van de huidige geul worden gerealiseerd. De toekomstige nevengeul zal ter plaatse van de huidige geul worden aangelegd. Daarnaast wordt aan de noordzijde van het terrein, parallel aan de Meldersloseweg een carpoolterrein gerealiseerd. Ten behoeve van de voorgenomen plannen vinden onder andere graafwerkzaamheden plaats en worden bomen gekapt en ondergroei verwijderd.

Figuur 9. Ontwerp voor toekomstige situatie.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 4 van 28

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 16 oktober 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 5 van 28

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:   

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 6 van 28

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:     

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 7 van 28

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 8 van 28

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Op de rand van bebouwde kom en buitengebied kunnen dit zijn: huismus, huiszwaluw, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, steenuil, kerkuil, roek, ransuil, havik en boomvalk. Vanwege het ontbreken van geschikte nestmogelijkheden kunnen nestplaatsen van gebouw bewonende soorten zoals de huismus, huiszwaluw en kerkuil op voorhand worden uitgesloten. Ook nestplaatsen van de steenuil worden binnen de onderzoekslocatie niet verwacht. De steenuil broedt voornamelijk in natuurlijke holtes in wilgen op kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes, knoestige bomen, nestkasten en in de nok van grotere schuren. Een dergelijk habitat is op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart nestelt doorgaans vlakbij stromend water in een nis in een muur of onder een brug, tussen boomwortels of in brokkelige oevers. De onderzoekslocatie vormt geschikt leefgebied voor de grote gele kwikstaart. Het is niet uit te sluiten dat de grote gele kwikstaart broedplaatsen heeft binnen de onderzoekslocatie (zie hoofdstuk 6). Roek Roeken zijn echte koloniebroeders. De kolonies bestaan meestal uit enkele tientallen tot een honderdtal nesten.

In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen waarnemingen bekend van dergelijke broedkolonies. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van roeken aangetroffen. Aanwezigheid van broedplaatsen van een roekenkolonie kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Boomvalk, havik en ransuil Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 10 jaar in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van de boomvalk, ransuil en havik. De hoge bomen op en rondom de onderzoekslocatie vormen geschikte nestplaatsen voor deze soorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen grote nesten waargenomen die dienst kunnen doen als broedplaats voor de boomvalk, havik of ransuil. Echter konden de bomen door de aanwezigheid van een dicht bladerdek niet volledig worden onderzocht op de aan- of afwezigheid van nesten van roofvogels en de ransuil. Hierdoor is de aanwezigheid van dergelijke nesten niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6).

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 9 van 28

5.1.2

Overige broedvogels

De beplanting op de onderzoekslocatie evenals het braakliggend terrein kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals kleine plevier, scholekster, merel, heggenmus, winterkoning, roodborst en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn er in de omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen bekend van de ijsvogel, oeverzwaluw, buizerd en sperwer. Deze vogels zijn voldoende flexibel om binnen hun territoria een nieuw nest te bouwen en hun nestplaatsen zijn daardoor (in de provincie Limburg) niet jaarrond beschermd. Wel geldt voor deze soorten dat zij dusdanig kwetsbaar zijn dat de functionaliteit van het leefgebied niet achteruit mag gaan. In de zuidwestelijke oever van de Groote Molenbeek zijn steilwanden aanwezig die door oeverzwaluwen en ijsvogels kunnen worden gebruikt om nestgangen in te maken. Tijdens het veldbezoek van de quickscan zijn dergelijke holtes niet waargenomen in de oever, maar mogelijk kunnen deze soorten zich het volgende broedseizoen wel vestigen binnen de onderzoekslocatie. De hoge bomen op en rondom de onderzoekslocatie vormen geschikte nestplaatsen voor de buizerd en de sperwer.

Tijdens het veldbezoek konden de bomen door de aanwezigheid van een dicht bladerdek niet volledig worden onderzocht op de aan- of afwezigheid van nesten van roofvogels. Hierdoor is de aanwezigheid van dergelijke nesten niet uit te sluiten. Om deze redenen maakt de onderzoekslocatie mogelijk deel uit van het leefgebied van de ijsvogel, oeverzwaluw, buizerd en sperwer. De voorgenomen plannen (het verleggen van de Groote Molenbeek om een meer natuurlijk karakter te creëren), waarbij de grote bomen grotendeels behouden blijven, zullen niet leiden tot een afname van het functionele leefgebied van deze soorten. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een gebied waar de gewone dwergvleermuis en watervleermuis in het verleden zijn waargenomen. Volgens de gegevens van het Natuurhistorisch Genootschap Limburg en de Zoogdiervereniging (Huizinga et al. 2010) zijn binnen enkele kilometers van de onderzoeklocatie de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis en watervleermuis waargenomen. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, waardoor aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten kan worden uitgesloten. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, wat kan dienen als potentiële vaste rusten verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen zoals de ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 10 van 28

Echter konden de bomen door de aanwezigheid van een dicht bladerdek niet volledig worden onderzocht. Hierdoor is de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen niet uit te sluiten (zie hoofdstuk 6). In de bomen die wel onderzocht konden worden is tijdens het veldbezoek een enkele holte aangetroffen die potentieel geschikt is als vleermuisverblijfplaats voor boombewonende vleermuizen (zie figuur 10). Bij kap van bomen met holtes of loszittende schors, of als er extra verlichting nabij deze bomen wordt aangebracht, kunnen eventuele verblijfplaatsen ongeschikt raken. In dat geval is nader onderzoek nodig om te bepalen of er al dan geen vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn (zie hoofdstuk 6).

Figuur 10. Boom met holte.

Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de herinrichting van de onderzoekslocatie en de onderlinge afstand tot de bebouwing en bomen in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk ruige dwergvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen. De onderzoekslocatie zal na de voorgenomen herinrichting weer geschikt zijn als foerageergebied voor vleermuizen. Daarnaast is in de directe omgeving meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft onder andere de bosschages en het openbaar groen in de omgeving van de onderzoekslocatie. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De Groote Molenbeek en omliggende bosschages en bomenrijen maken mogelijk onderdeel uit van essentiële vliegroutes van vleermuizen.

Er worden geen nadelige effecten op deze potentiele vliegroutes verwacht als de bosschages en bomenrijen, die als vliegroute kunnen fungeren, hun aaneengesloten karakter behouden en een toename van verlichting, ook van strooilicht, wordt voorkomen. Dit omdat vleermuizen zeer gevoelig zijn voor verlichting. Indien een toename van verlichting op de potentiële vliegroute niet kan worden voorkomen, is nader onderzoek nodig om de functie van de onderzoekslocatie voor vleermuizen te bepalen (zie hoofdstuk 6).

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 11 van 28

5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et. al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, eekhoorn, das, bever en waterspitsmuis. Steenmarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Dit kunnen verblijfplaatsen in bebouwing zijn, maar bijvoorbeeld ook in boomholtes, takkenhopen of dichte struwelen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door deze soort. Bij intensief gebruik van een locatie door deze soort zijn dergelijke sporen vrij eenvoudig aan te treffen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat de onderzoekslocatie niet in gebruik is als vaste verblijfplaats door de steenmarter. Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn.

De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het dichte bladerdek niet goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten, zodat de aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van de eekhoorn niet kan worden uitgesloten (zie hoofdstuk 6). Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen burchten, pijpen, loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Dassen zullen eerder hun leefgebied hebben in de nabij gelegen natuurgebieden en weilanden. Verstoring ten aanzien van de das als gevolg van de voorgenomen ingreep is niet aan de orde. Bever Het leefgebied van de bever bestaat uit bos met jong hout, diep water (minstens vijftig centimeter) en oevers die over land moeilijk bereikbaar zijn. Er zijn diverse waarnemingen van de bever bekend langs de Groote Molenbeek aan de overzijde (zuidwestzijde) van de A73. Tijdens het veldbezoek zijn op verschillende locaties binnen de onderzoekslocatie, langs de oever van de Groote Molenbeek beverwissels / opgangen (een door een bever gevormd pad) aangetroffen (zie figuren 11 en 12). Er zijn geen vraatsporen aan bomen, of vaste verblijfplaatsen van de bever waargenomen (burchten, holen of legers).

Mogelijk eet de bever incidenteel van de kruidachtige vegetatie binnen de onderzoekslocatie. Vanwege het ontbreken van vraatsporen en vaste rust- en verblijfplaatsen zoals burchten en holen, maakt de onderzoekslocatie geen essentieel onderdeel uit van het leefgebied van de bever. In de omgeving van de onderzoekslocatie blijft (langs de Groote Molenbeek) voldoende alternatief foerageergebied voorhanden. Bovendien zal de onderzoekslocatie in de nieuwe situatie weer een geschikt leefgebied vormen voor deze soort.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 12 van 28

Figuur 11. Beveropgangen vanuit Groote Molenbeek.

Figuur 12. Beveropgang vanuit Groote Molenbeek.

Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Binnen de onderzoekslocatie zijn langs de oevers van de Groote Molenbeek waarnemingen bekend van de waterspitsmuis (NDFF). De Groote Molenbeek en zijn begroeide oevers vormen geschikt leefgebied voor de waterspitsmuis. Aanwezigheid van deze soort binnen het plangebied kan daarom, op basis van de quickscan, niet met voldoende zekerheid worden uitgesloten. Bij de voorgenomen werkzaamheden kan sprake zijn van verstoring en vernietiging van een vaste rust- en verblijfplaats van desbetreffende soort (zie hoofdstuk 6). Overige streng beschermde soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel, mol en rosse woelmuis. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van konijnen en muizen worden vergraven (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Volgens verspreidingsgegevens van RAVON is de onderzoekslocatie gelegen in het verspreidingsgebied van de levendbarende hagedis. De onderzoekslocatie vormt potentieel geschikt habitat voor de levendbarende hagedis, vanwege de diversiteit aan biotoopovergangen (bosschages en grasland). De omringende terreinen, bestaande uit bedrijventerrein, autosnelweg en intensieve landbouw, vormen echter geen geschikte verbindingszone voor de levendbarende hagedis. Er bevinden zich diverse antropo-

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 13 van 28

gene barrières tussen de onderzoekslocatie en de gebieden waar levendbarende hagedissen voorkomen. Het voorkomen van de levendbarende hagedis op de onderzoekslocatie kan daarmee worden uitgesloten. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor overige reptielensoorten aanwezig. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF en RAVON zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar de volgende streng beschermde soorten waargenomen: Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker. De Groote Molenbeek vormt, vanwege de relatief hoge stroomsnelheid, geen geschikt voortplantingsbiotoop voor deze streng beschermde amfibieënsoorten. De Alpenwatersalamander maakt voor de voortplanting gebruik van allerlei typen water, zolang het niet te snel stromend of rijk is aan vis. De kamsalamander maakt gebruik van matig voedselrijke tot voedselrijke stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie. De poelkikker is een kritische soort die houdt van voedselarm en schoon water. Daarnaast heeft de soort een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bosen heidegebieden op de hogere zandgronden. De poelen direct ten westen, net buiten de onderzoekslocatie, vormen wel geschikt voortplantingsbiotoop voor de Alpenwatersalamender, kamsalamander en poelkikker.

Het struikgewas, struweel en grasland binnen de onderzoekslocatie kan daardoor onderdeel uitmaken van het landbiotoop / overwinteringsbiotoop van deze streng beschermde amfibieënsoorten (zie hoofdstuk 6). De onderzoekslocatie maakt daarnaast mogelijk deel uit van het habitat voor algemene amfibieënsoorten als kleine watersalamander, bruine kikker en gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigte. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten. Voor deze algemene soorten geldt een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming, waardoor een ontheffing bij verstoring ten aanzien van deze soorten niet noodzakelijk is. Het is echter bij de voorgenomen werkzaamheden wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht (zie hoofdstuk 6). Vissen In de Groote Molenbeek worden op basis van verspreidingsgegevens, habitatkenmerken en de aard van de locatie geen beschermde vissoorten verwacht. De beek biedt mogelijk wel leefgebied en voortplantingshabitat voor in het wild voorkomende (algemene) vissoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat algemene vissen worden gedood of verwond (zie hoofdstuk 6). 5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Essentieel leefgebied van beschermde soorten is op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 14 van 28

in natuurterreinen zijn te vinden. Geschikte waardplanten voor beschermde vlindersoorten als sleedoornpage (sleedoorn), iepenpage (iep) en kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Vaatplanten

Het plangebied is momenteel grotendeels in gebruik als bosschage met boomsoorten als els, gewone es, berk, eik en populier. De ondergroei bestaat onder andere uit braam, opschot van jonge bomen, gewone lijsterbes en hop. Langs de oevers van de Groote Molenbeek en rondom het wandelpad aan de oostzijde van de onderzoekslocatie bevindt zich een grasveld met soorten als riet, pitrus, hondsdraf, brandnetels en braam. Op het braakliggend terrein groeien soorten als speerdistel, harig knopkruid, zwarte nachtschade en ridderzuring. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde vaatplanten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 15 van 28

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1

Broedvogels Jaarrond beschermde nesten

Grote gele kwikstaart De nesten van de grote gele kwikstaart zijn het gehele jaar beschermd en vallen in de provincie Limburg onder beschermingscategorie 2 van vogelnesten. Dit zijn nesten van zeer plaatsgetrouwe broedvogels of broedvogels die afhankelijk zijn van bebouwing. Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van de grote gele kwikstaart te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van grote gele kwikstaart aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Om vast te stellen of er broedgevallen van deze soort op de onderzoekslocatie aanwezig zijn, dient een nader onderzoek uitgevoerd te worden conform te telrichtlijnen van Sovon, tijdens het broedseizoen van de soort. Het aanvullend onderzoek naar de grote gele kwikstaart bestaat uit twee gerichte ochtendbezoeken in de periode 10 april t/m 20 juni. Boomvalk, havik en ransuil De nesten van de boomvalk, havik en ransuil zijn het gehele jaar beschermd en vallen in de provincie Limburg onder beschermingscategorie 3 van vogelnesten. Dit zijn nesten van zeer plaatsgetrouwe broedvogels of broedvogels die ieder jaar terugkeren naar specifieke nesten.

Volgens artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming is het verboden nesten van deze soorten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen. Bij de voorgenomen werkzaamheden worden mogelijk jaarrond beschermde nesten verstoord of vernietigd. Een aanvullende nestencheck in het bladerloze seizoen is noodzakelijk om aan- of afwezigheid van roofvogelnesten aan te tonen. Indien potentiele nesten van boomvalk, havik of ransuil worden aangetroffen is een nader onderzoek nodig in het broedseizoen om vast te stellen of deze daadwerkelijk door deze soorten in gebruik zijn. Indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn, zal er ten aanzien van de ingreep een alternatievenafweging gemaakt moeten worden. Als jaarrond beschermde nesten worden aangetast, zijn mitigerende en / of compenserende maatregelen noodzakelijk. Deze maatregelen zullen opgenomen worden in een activiteitenplan dat ter goedkeuring dient te worden voorgelegd aan de provincie Limburg middels een ontheffingsaanvraag.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 16 van 28

6.1.2

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. Vestiging van de oeverzwaluw in het werkgebied kan worden voorkomen door ervoor te zorgen dar er in de broedtijd van de oeverzwaluw (half april - half september) geen steilwanden in zandlichamen op het terrein aanwezig zijn (houdt 60 graden aan om nestelen te voorkomen).

Mocht er toch sprake zijn van broedgevallen, dan wordt met de werkzaamheden gewacht totdat nestholtes niet meer in gebruik zijn. Voorbelast en braakliggend terrein kan aantrekkelijk zijn voor soorten als de scholekster en kleine plevier. De scholekster en kleine plevier zijn pionierssoorten die als broedvogel snel kunnen verschijnen op braakliggend terrein. Het voorkomen van broedgevallen van deze soorten is vrijwel onmogelijk. Als er sprake is van een broedgeval, dan wordt met de werkzaamheden op en rondom die locatie gewacht totdat eieren uitgekomen zijn. Indien binnen het broedseizoen ontwikkelingen plaatsvinden moet voorafgaand hieraan de locatie worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog. Als bij de controle nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. 6.2

Vleermuizen

Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Een aantal bomen op de onderzoekslocatie is mogelijk geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De kap van deze bomen, of het aanbrengen van extra verlichting zou in geval van aanwezigheid van een verblijfsfunctie van vleermuizen kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Een aanvullende check op aanwezigheid van geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen in het bladerloze seizoen is noodzakelijk om aan- of afwezigheid van vleermuisgeschikte holtes en spleten aan te tonen. Bij aantasting van bomen met potentiele verblijfplaatsen, wordt aangeraden om in eerste instantie een endoscopisch onderzoek uit te laten voeren om de geschiktheid van de aanwezige holtes voor vleermuizen in kaart te brengen. Indien uit het endoscopisch onderzoek blijkt dat aanwezigheid van

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 17 van 28

vleermuisverblijfplaatsen niet is uit te sluiten, is een aanvullend vleermuisonderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijke functie van de holte voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Deze informatie is benodigd om vast te kunnen stellen of overtredingen van de Wet natuurbescherming aan de orde zijn. De vleermuissoorten die in dat geval onderzocht dienen te worden zijn gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Een dergelijk aanvullend onderzoek dient te worden uitgevoerd conform het protocol voor vleermuisonderzoek (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Dit houdt in dat afhankelijk van de potentiële functies er in de periode april tot en met september een aantal veldbezoeken uitgevoerd dient te worden. Vervolgens kan aan de hand van de onderzoeksresultaten worden vastgesteld of er overtredingen plaats zullen vinden bij de uitvoering van het project. Bij het aantreffen van verblijfplaatsen van vleermuizen in te kappen bomen is bij de voorgenomen werkzaamheden overtreding van de Wet natuurbescherming naar verwachting niet te vermijden en is daarom een ontheffingsaanvraag aan de orde. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats behouden moeten worden en zal schade aan individuen moeten worden voorkomen.

Deze maatregelen, omschreven in een activiteitenplan, dienen vervolgens ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de provincie Limburg, middels een ontheffingsaanvraag. Vliegroutes Voor vleermuizen geldt dat naast verblijfplaatsen ook aspecten als vliegroute en foerageergebied beschermd zijn. De Groote Molenbeek en bosschages eromheen de functioneren mogelijk als vliegroute. Door de voorgenomen plannen kan de verlichting in de omgeving toenemen of kunnen onderbrekingen ontstaan in de potentiele vliegroutes, waardoor de functionaliteit van de eventuele vliegroute voor vleermuizen verloren kan gaan. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de potentiele vliegroutes van vleermuizen is te voorkomen door de potentiele vliegroutes intact te laten en de verlichting op deze eventuele vliegroutes niet toe te laten nemen. Mocht dit niet mogelijk zijn dan wordt geadviseerd om een protocollair vleermuizenonderzoek uit te voeren, zodat de functie van de bosschages en Groote Molenbeek als vliegroute kan worden vastgesteld dan wel uitgesloten. 6.3 6.3.1

Overige zoogdieren Eekhoorn

In de bomen op de onderzoekslocatie zijn mogelijk voortplantings- en winternesten van de eekhoorn aanwezig. De eekhoorn is een nationaal beschermde soort krachtens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Met ingang van de Wet natuurbescherming (2017) gelden binnen de provincie Limburg voor de eekhoorn algemene vrijstellingsperiodes: Vrijgesteld in maart-april en juli t/m november, buiten voorplantingsperiode eekhoorn De eekhoorn maakt jaarlijks op een ander plek een nest voor het grootbrengen van de jongen. De nesten zijn beschermd in de periode dat het nest gebruikt wordt voor de verzorging van de jongen. De voortplantingsperiode van de eekhoorn begint al in december. In december en mei worden de jongen geboren die vervolgens 10 weken worden gezoogd. Aan het eind van de herfst worden een aantal winternesten gebouwd om de winter in door te brengen. Elk jaar worden ook de winternesten op een

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 18 van 28

andere plek gebouwd. De winternesten zijn alleen beschermd als deze in gebruik zijn voor de overwintering. In de winterperiode is de eekhoorn afhankelijk van een veilige schuilplaats en van de wintervoorraad, die verstopt is in de nabijheid van de winterverblijven. Door te werken conform een goedgekeurde gedragscode en door het zorgvuldig handelen kan de gunstige staat van instandhouding van de eekhoorn gegarandeerd worden en wordt overtreding van de Wet natuurbescherming voorkomen. Indien dit niet mogelijk is, is een check op de aanwezigheid van eekhoornnesten nodig in het bladerloze seizoen. Als rust- en verblijfplaatsen van de eekhoorn aanwezig zijn en de werkzaamheden niet conform een goedgekeurde gedragscode kunnen worden uitgevoerd, is een ontheffing mogelijk noodzakelijk. Voor het verkrijgen van een ontheffing dient door het treffen van maatregelen de functionaliteit van het leefgebied te worden behouden en zal schade aan individuen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Tabel I. Geschiktheid periodes voor uitvoeren werkzaamheden voor wat betreft eekhoorns werkzaamheden

jan.

febr.

maart

april

mei

juni

juli

aug.

sept.

okt.

nov.

dec.

Gevoelige periodes voor werkzaamheden in bosschage vrijstellingsperiode werkzaamheden zijn mogelijk als de aanwezigheid van eekhoornnesten kan worden uitgesloten in het bladerloze seizoen

6.3.2

Waterspitsmuis

De waterspitsmuis is een nationaal beschermde soort krachtens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De voorgenomen plannen zouden in geval van aanwezigheid van leefgebied van de waterspitsmuis kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Aangezien de aanwezigheid van de waterspitsmuis op basis van de quickscan flora en fauna niet op voorhand kan worden uitgesloten, wordt aangeraden om aantoonbaar te werken conform een goedgekeurde gedragscode. Voorbeelden van maatregelen die genomen worden bij het werken conform een goedgekeurde gedragscode zijn: -

Het vergraven van oevers buiten de kwetsbare voortplantingsperiode (april t/m september). Oevers ongeschikt maken voorafgaand aan de werkzaamheden, zodat eventuele waterspitsmuizen het plangebied verlaten. Ongeschikt maken gebeurt door losliggend materiaal te verwijderen en de opgaande vegetatie kort te maaien (maximaal 10 cm hoog) voordat met de graafwerkzaamheden wordt begonnen.

Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden conform een goedgekeurde gedragscode uit te voeren, wordt aanvullend onderzoek geadviseerd om de aanwezigheid van de waterspitsmuis vast te stellen dan wel uit te sluiten. Dit kan onderzocht worden door het plaatsen en controleren van inloopvallen conform de ‘IBN-methode’ (Bergers, 1997) in de periode augustus-oktober. Aan de hand van het aanvullend onderzoek kan worden beoordeeld of overtreding van de Wet natuurbescherming plaatsvindt. Indien de waterspitsmuis gebruik maakt van de onderzoekslocatie en de werkzaamheden niet conform een goedgekeurde gedragscode kunnen worden uitgevoerd, is een ont-

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 19 van 28

heffing mogelijk noodzakelijk. Voor het verkrijgen van een ontheffing dient door het treffen van maatregelen de functionaliteit van het leefgebied te worden behouden en zal schade aan individuen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Tabel II. Geschiktheid periodes voor uitvoeren werkzaamheden voor wat betreft de waterspitsmuis werkzaamheden

jan.

febr.

maart

april

mei

juni

juli

aug.

sept.

okt.

nov.

dec.

Gevoelige periodes

werkzaamheden zijn mogelijk indien gewerkt wordt conform een goedgekeurde gedragscode ongunstigste periode om werkzaamheden aan de oevers / watergang uit te voeren

6.3.3

Algemene zoogdieren

Voor de te verwachten algemene soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten algemene soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.4 6.4.1

Amfibieën en vissen Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker

De Alpenwatersalamander is een nationaal beschermde soort krachtens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. De kamsalamander en poelkikker zijn beschermde inheemse diersoorten krachtens artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Ze zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang, die strikt moeten worden beschermd. Het voortplantingswater noch verblijfplaatsen mogen opzettelijk worden beschadigd of vernield. Ook mogen individuen niet opzettelijk worden gedood. De voorgenomen plannen zouden in geval van aanwezigheid van leefgebied (landbiotoop / overwinteringsgebied) van de Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Aangezien de aanwezigheid van landbiotoop / overwinteringsgebied van de Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker op basis van de quickscan flora en fauna niet op voorhand kan worden uitgesloten, wordt aanvullend onderzoek conform de soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus (versie juli 2017) geadviseerd om de aanwezigheid van deze soorten vast te stellen dan wel uit te sluiten.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 20 van 28

Aanvullend onderzoek naar de Alpenwatersalamander bestaat uit twee veldbezoeken in de periode maart - augustus, met een periode van minimaal twee weken tussen de twee veldbezoeken. Tijdens deze veldbezoeken worden de poelen ten oosten, net buiten de onderzoekslocatie, bemonsterd met een schepnet. Een andere methode is om speciale fuiken deels onder water in de poelen te plaatsen en die ten minste 3 maal om de dag of om de 2 dagen te controleren. Onderzoek naar de kamsalamander kan op verscheidende manieren uitgevoerd worden. Allereerst kunnen er twee tot vier veldbezoek in de periode april - augustus uitgevoerd worden, waarbij de poelen bemonsterd worden met een schepnet. Hierbij moet een periode van minimaal twintig dagen tussen de veldbezoeken zitten en moet het ter plaatse van het water windstil zijn. Hierbij zal tevens in de periode april - juni de vegetatie worden gecontroleerd op eieren (met name op moerasvergeet-mij-nietje en mannagras) en zullen de poelen in de avond en nacht twee keer worden beschenen met een zaklamp (om lucht happende dieren waar te nemen). Een andere methode is om in de periode mei - juni speciale fuiken deels onder water in de poelen te plaatsen en die ten minste 3 maal om de dag of om de 2 dagen te controleren.

Tot slot kan het landbiotoop worden onderzocht door het omkeren van op de grond liggend materiaal (zoals herpetoplaatjes) om eronder schuilende exemplaren te vinden. Onderzoek naar de poelkikker bestaat uit twee veldbezoeken in de periode mei-juli, waarbij geluisterd wordt naar kooractiviteit. Tussen deze twee veldbezoeken dient een periode van tien dagen te zitten, het moet warm en vochtig zijn en start vanaf een uur voor zonsondergang. Daarnaast is er de methode om in de periode mei-september twee veldbezoeken uit te voeren, waarbij de poel of watergang gecontroleerd wordt met een schepnet en de gevangen individuen worden gedetermineerd door middel van de zogeheten ‘strekproef’. Bij deze methode dient eveneens een periode van tien dagen tussen de veldbezoeken te zitten. Bij aanwezigheid van de soorten in de nabijgelegen poelen mag worden aangenomen dat de bosschages binnen het plangebied in gebruik zijn als landbiotoop / overwinteringsgebied door deze soorten. Als bij de voorgenomen plannen het leefgebied van de poelkikker en kamsalamander wordt aangetast, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Ten aanzien van de Alpenwatersalamander kan worden volstaan met het werken conform een goedgekeurde gedragscode.

Voor het verkrijgen van een ontheffing en bij het werken conform een goedgekeurde gedragscode dient door het treffen van maatregelen de functionaliteit van het leefgebied te worden behouden en zal schade aan individuen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. 6.4.2

Algemene amfibieën en vissen

Voor de te verwachten algemene amfibieën en vissen geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om al het redelijkerwijs mogelijke te doen om het doden en verwonden te voorkomen en schade door de werkzaamheden te voorkomen. In het kader van de algemene zorgplicht wordt er tijdens de werkzaamheden aan de watergangen geadviseerd maatregelen te nemen om negatieve effecten tot een minimum te beperken. De te nemen maatregelen kunnen worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. De maatregelen kunnen kort samengevat worden als: 1. Werkzaamheden aan de watergang laten plaatsvinden buiten de kwetsbare voortplantingsperiode van amfibieën en vissen en vóór de kwetsbare winterperiode voor vissen. Dit wil zeggen dat werkzaamheden aan de watergangen het beste kunnen plaatsvinden in de periode september-februari, maar enkel bij watertemperaturen boven 4 graden Celsius. Tabel III geeft de

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 21 van 28

meest gunstige periode weer voor het aanleggen van de natuurvriendelijke oevers en werkzaamheden aan de watergang. 2. Werkzaamheden gefaseerd uitvoeren en in één richting uitvoeren om de aanwezige vissen en amfibieën de mogelijkheid te geven veilig weg te vluchten. 3. In het geval van baggerwerkzaamheden wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden het aanwezige bagger op de kant te deponeren en eventueel aanwezige individuen terug te plaatsen in een nabijgelegen watergang, bij voorkeur in een deel waar geen werkzaamheden plaatsvinden. Tabel III. Geschiktheid periodes voor uitvoeren werkzaamheden aan de watergang. werkzaamheden

jan.

febr.

maart

april

mei

juni

juli

aug.

sept.

okt.

nov.

dec.

Gevoelige periodes voor werkzaamheden aan de watergang minst ongunstige periode om werkzaamheden aan de watergang uit te voeren werkzaamheden zijn mogelijk, inden watertemperaturen boven de 4 graden Celsius ongunstigste periode om werkzaamheden aan de watergang uit te voeren

6.5

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

Rapport 10438.004 versie D1

Pagina 22 van 28

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen voor vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11025737/1