06c Toelichting vastgesteld
Tekst van het document
Vastgesteld bestemmingsplan “Griendtsveenseweg 41, America” IMRO-code: NL.IMRO.1507.AMGRNDTSVEENSEWG41-BPV1
Document:
Bestemmingsplan “Griendtsveenseweg 41 America”
IDN:
NL.IMRO.1507.AMGRNDTSVEENSEWG41-BPV1
Status:
Vastgesteld
Datum:
26 januari 2021
Aanvrager:
C.H. Twaalfhoven
Auteur:
ing. P.W.M. van de Ligt
Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl
INHOUDSOPGAVE
1.
2.
3.
4.
5.
INLEIDING..............................................................................................................................................................3 1.1
Aanleiding en doel van het wijzigingsplan .................................................................................................3
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4
1.3
Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................4
1.4
Leeswijzer .....................................................................................................................................................5
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1
Algemeen ......................................................................................................................................................6
2.2
Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................7
2.3
Functionele structuur ...................................................................................................................................7
2.4
Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................8
BELEID ................................................................................................................................................................ 10 3.1
Algemeen ................................................................................................................................................... 10
3.2
Rijksbeleid .................................................................................................................................................. 10
3.3
Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 12
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 15
PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................................... 21 4.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 21
4.2
Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 21
4.3
Landschappelijke inpassing ..................................................................................................................... 22
SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 23 5.1
Inleiding ...................................................................................................................................................... 23
5.2
Milieuaspecten........................................................................................................................................... 23
5.3
Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 32
5.4
Kabels en leidingen................................................................................................................................... 34
5.5
Natuur ......................................................................................................................................................... 35
5.6
Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 36
5.7
Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 37
5.8
Volksgezondheid ....................................................................................................................................... 38
5.9
Spuitzones ................................................................................................................................................. 38
Vastgesteld
1
6.
7.
UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................................ 40 6.1
Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 40
6.2
Handhaving................................................................................................................................................ 40
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 42
6.4
Procedure................................................................................................................................................... 42
JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................................... 43 7.1
Planstukken ............................................................................................................................................... 43
7.2
Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 43
7.3
Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 44
BIJLAGEN Bijlage 1: Principebesluit gemeente Bijlage 2: Berekeningen voorgrondbelasting Bijlage 3: Berekening achtergrondbelasting Bijlage 4: AERIUS-berekening
Vastgesteld
2
1. INLEIDING
1.1 Aanleiding en doel van het wijzigingsplan Op de locatie Jacob Poelsweg 22 in America is het agrarisch bedrijf gevestigd van de heer C.H. Twaalfhoven. Dit agrarisch bedrijf is gericht op het kweken van bloembollen en vaste planten, in hoofdzaak in de volle grond. Alhoewel de heer C.H. Twaalfhoven voorlopig nog volledig werkzaam zal zijn voor het agrarisch bedrijf, is de overname door de zoon inmiddels in gang gezet. Het is daarbij de bedoeling dat de zoon al op korte termijn zal gaan wonen in de bij het agrarisch bedrijf behorende bedrijfswoning. Achter het agrarisch bedrijf heeft de heer C.H. Twaalfhoven, samen met zijn dochter, de woning Griendtsveenseweg 41 verworven met de intentie de woning te splitsen en er samen met zijn dochter, elk in een separate woning, te gaan wonen op korte afstand van zijn bedrijf.
Afbeelding 1. Ligging woning Griendtsveenseweg 41 (rood omcirkeld) in relatie tot het agrarisch bedrijf (blauw omcirkeld)
De woning Griendtsveenseweg 41 is bestemd als ‘Wonen’ en betreft zodoende een burgerwoning. Woningsplitsing van een bestaande woning is conform het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” niet toegestaan. Conform de bestemming ‘Wonen’ is namelijk maar één woning toegestaan. De gemeente Horst aan de Maas heeft echter bij brief van 23 maart 2020 aangegeven in dit specifieke geval medewerking te willen verlenen aan de woningsplitsing middels het doorlopen van een bestemmingsplanprocedure (zie bijlage 1). Om de woningsplitsing in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van dit bestemmingsplan wordt het bestemmingsvlak ‘Wonen’ opgedeeld in twee separate delen zodat de huidige woning formeel wordt gesplitst tot twee woningen.
Vastgesteld
3
1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied De woning Griendtsveenseweg 41 ligt in het buitengebied van America, ten zuidwesten van de bebouwde kom. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Horst, sectie F, nummers 2983, 2999, 3000 en 3001. Deze percelen worden in dit bestemmingsplan aangeduid als “het plangebied”. Het plangebied is gelegen aan en wordt ontsloten via de Griendtsveenseweg, welke een directe verbinding verzorgt tussen de kernen America en Griendtsveen. De Griendtsveenseweg ligt parallel aan de spoorlijn Eindhoven – Venlo. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan de Griendtsveenseweg, met aan de overzijde van de weg de spoorlijn. Voor het overige grenst het plangebied aan landbouwpercelen, welke voor een groot deel in gebruik zijn door het agrarisch bedrijf van de heer C.H. Twaalfhoven. Aan de zuidelijke zijde van de Griendtsveenseweg is sprake van een transparant bebouwingslint, waarvan de woning binnen het plangebied onderdeel uitmaakt. In westelijke richting wordt het bebouwingslint gevormd door voornamelijk woningen, in oostelijke richting bevindt zich tussen de woningen nog twee kleinschalige agrarische bedrijven.
1.3 Vigerend bestemmingsplan De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” (vastgesteld d.d. 19 december 2017) en is hierin bestemd als ‘Wonen’. Het bestemmingsvlak heeft een oppervlakte van circa 6.200 m2. Tevens geldt voor het plangebied ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – kampen’.
Afbeelding 2. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan
Vastgesteld
4
De als ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in een woning, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen. Een woning betreft een gebouw dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Bij de woning zijn bijbehorende bouwwerken en bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven, toegestaan. Per bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan. Op basis van de bestemming ‘Wonen’ is woningsplitsing niet toegestaan. Wel is in de woonbestemming een bevoegdheid opgenomen voor het bevoegd gezag (College van Burgemeester en Wethouders) om af te wijken van het bestemmingsplan om ter behoud van een monumentaal of karakteristiek pand een woningsplitsing mogelijk te maken. In dit geval is echter geen sprake van een monumentaal of karakteristiek pand. Van de afwijkingsbevoegdheid kan in dit geval daarom geen gebruik worden gemaakt.
1.4 Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 is het beleidskader geschetst, waarbinnen de planvorming plaatsvindt. Met name het planologisch beleid op provinciaal en gemeentelijk niveau komt aan bod. In hoofdstuk 4 wordt de planbeschrijving gegeven. Vervolgens komen in hoofdstuk 5 de betreffende milieuhygiënische en planologische aspecten aan bod. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid en de planstukken en het vooroverleg aan de orde.
Vastgesteld
5
2. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
2.1 Algemeen Het plangebied is gelegen ten zuidwesten van het dorp van America. Het dorp maakt onderdeel uit van de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. Ongeveer 2.000 bevolken het dorp. Het dorp is ontstaan en gelegen aan de spoorlijn Eindhoven – Venlo. Evenwijdig aan de spoorlijn ligt de Griendtsveenseweg welke America verbindt met het dorp Griendtsveen. Direct ten zuiden van de spoorlijn, aan de Griendtsveenseweg, ligt het plangebied.
Afbeelding 3. Luchtfoto plangebied en omgeving
Aan de zuidelijke zijde van de Griendtsveenseweg is sprake van de aanwezigheid van een transparant bebouwingslint door de diverse woningen en (kleinschalige) agrarische bedrijven. Één van de woningen in dit bebouwingslint betreft de woning Griendtsveenseweg 41. Deze woning is gelegen op een ruim perceel (circa 6.200 m2) en ligt wat verder van de weg af gesitueerd. De woning is gevestigd in een langgerekt pand, dakrichting evenwijdig aan de weg, met aan beide uiteinden een haaks daarop gerealiseerde uitbouw. Achter het pand zijn eveneens twee identieke uitbouwen aanwezig. Het pand is wit gekleurd en de kap is bedekt met rode dakpannen. Het pand bestaat uit één bouwlaag met een tweede bouwlaag onder kap. De bij de woning behorende gronden zijn in gebruik als tuin. Het perceel wordt nagenoeg aan alle zijden omzoomd door een opgaande houtsingel.
Vastgesteld
6
Afbeelding 4. Voorgevel huidige woning
Afbeelding 5. Achtergevel huidige woning
2.2 Ruimtelijke structuur De spoorlijn Eindhoven – Venlo is de belangrijkste structuurdrager van het omliggende landschap. Ten zuiden van de spoorlijn is sprake van een kleinschalig landschap; het kampenlandschap. Kampontginningen zijn ontstaan door individuele boeren die zich op een plek vestigden en vervolgens die plek voor zichzelf hebben ontgonnen. De percelen werden omgeven door houtwallen om het vee buiten de akkers te houden. Door de aanwezigheid van bebouwing en veel opgaande beplanting c.q. kleinschalige landschapselementen is het landschap te typeren als kleinschalig. De afwisseling in kleinschaligheid is kenmerkend. De schaal en maat loopt sterk uiteen. Aan de overzijde van de spoorlijn is het landschap veel grootschaliger ontgonnen. Hierdoor is het landschap hier veel opener en wijdser. Tussen het open ontginningslandschap en de spoorlijn is het bosgebied het Putbos met de visvijver de Put gelegen. Deze visvijver bevindt zich tegenover het plangebied, aan de overzijde van de spoorlijn.
2.3 Functionele structuur Van oorsprong bestond de bebouwing aan de Griendtsveenseweg uit bebouwing met een agrarische functie. De agrarische bedrijvigheid aan de Griendtsveenseweg is nagenoeg volledig verdwenen. Voormalige boerderijen zijn in gebruik gen behoeve van de burgerbewoning en tussen de boerderijen zijn door de jaren heen diverse woningen gebouwd. Tussen de woningen bevinden zich thans nog maar enkele kleinschalige agrarische bedrijven, waaronder veehouderijen. Ten oosten van het plangebied bevinden zich twee van dergelijke kleinschalige agrarische bedrijven. Ten westen grenst het plangebied uitsluitend aan andere woningen. Onbebouwde gronden tussen de bebouwing heeft een agrarisch gebruik. Deze landbouwpercelen zijn in gebruik als akker- of als weiland.
Vastgesteld
7
2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie Aan het eind van 19e eeuw wordt de spoorlijn Eindhoven – Venlo aangelegd om de Brabantse en Limburgse steden aan te sluiten op het spoorwegennet. Voor de aanleg van deze spoorlijn waren grote hoeveelheden zand nodig. Dit zand werd in grote hoeveelheden direct tegen de spoorlijn gewonnen, waardoor een plas ontstond. Zo is visvijver de Put ontstaan. De Midden Peelweg (N277) loopt midden door het Peelgebied van Kessel naar Ysselsteyn en verder. De weg werd aangelegd tussen 1924 en 1940 en maakt daarbij onderdeel uit van de grootschalige ontginning van de heidegronden van de Peel. Het dorp America begon in deze periode als nederzetting te groeien. America werd in de 19e eeuw voor het eerst genoemd als Peelkolonie aan de toen pas gerealiseerde spoorlijn. Sinds vermoedelijk de 15e/16e eeuw tot in de 20e eeuw werden de heidegronden gebruikt voor het steken van turf. De turf werd gebruikt als brandstof voor de bewoners in de bestaande nederzettingen. De naam “America” zou zijn afgeleid van Am Erika (Op de heide). De naam America is mogelijk ook te verklaren doordat de nederzetting door de geïsoleerde ligging werd vernoemd naar het werelddeel Amerika. De nederzetting ontstond nadat de toenmalige gemeente Horst in 1819 toestemming kreeg om de heidegronden in ontginning te nemen.
Afbeelding 6. Historische kaart 1930, plangebied bebouwd met een boerderij, Griendtsveenseweg was nog niet aangelegd
Vanuit America liepen allerlei paden de Peel in. Een belangrijk pad liep evenwijdig aan de spoorlijn en verzorgde een verbinding, door de Peel, naar Deurne (de huidige Jacob Poelsweg). Toen de turfwinning steeds belangrijker werd en het dorp Griendtsveen werd gesticht, werd evenwijdig aan de spoorlijn een nieuwe weg aangelegd; de huidige Griendtsveenseweg. Allerlei boerenfamilies claimden daarna een eigen stukje grond aan de Griendtsveenseweg en begonnen zo hun agrarische bedrijfjes. Van deze agrarische bedrijfjes zijn er
Vastgesteld
8
nog maar weinig als zodanig in gebruik. De meeste boerderijen zijn inmiddels allemaal als burgerwoning in gebruik. Ook de woning binnen het plangebied is in het begin van de 20e eeuw gebouwd als boerderij, als een van de eerste boerderijen in de omgeving. De boerderij is echter maar kort als agrarisch bedrijf gebruikt, daarna is het altijd gebruikt voor woondoeleinden. Het pand is daarbij reeds in gebruik geweest voor twee woningen. In het pand waren voorheen dus al twee woningen gevestigd. Later zijn deze twee woningen weer samengevoegd tot één woning.
Vastgesteld
9
3. BELEID
3.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.
3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) door de Rijksoverheid vastgesteld ter vervanging van de Nota Ruimte (2004). In de SVIR staan de nationale plannen voor ruimte en mobiliteit. In de SVIR schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR drie Rijksdoelen geformuleerd: ▪ De concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; ▪ De bereikbaarheid verbeteren; ▪ Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De provincies en gemeenten krijgen in het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Provincies en gemeenten zijn volgens het Rijk beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren.
Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebiedsof projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan. Slechts één nationaal belang heeft betrekking op onderhavig initiatief. Voor een goede milieukwaliteit moet de kwaliteit van bodem, water en lucht minimaal voldoen aan de (internationaal) geldende norm(en). De gezondheid van de burgers dient te worden beschermd tegen negatieve milieueffecten.
Vastgesteld
10
Het Rijk beschermt en verbetert de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en door handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere Rijksbelangen. Gevolgen en effecten op de kwaliteit van bodem, water en lucht zijn afgewogen in het licht van de woningsplitsing (zie hoofdstuk 5). Uit de beoordeling blijkt dat de woningsplitsing geen nadelige effecten heeft op of ondervindt van bodem, water en lucht. Verder heeft de ontwikkeling uitsluitend betrekking op provinciale en gemeentelijke belangen. De woningsplitsing is op nationaal niveau van een ondergeschikte omvang. Vanuit de SVIR bestaan er derhalve geen belemmeringen, provinciale belangen zijn vastgelegd in het POL2014. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De SVIR (zie hiervoor) bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Met het Barro geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen. Doel van dit besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken.
Door middel van het Barro worden voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gesteld ten behoeve van de verwerking in bestemmingsplannen. In het SVIR is aangegeven wat het nationale belang is van het stellen van regels voor deze onderwerpen. Het Barro stelt in eerste instantie regels voor het project Mainportontwikkeling Rotterdam, het kustfundament, grote rivieren, de Waddenzee en het Waddengebied, defensie en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Op een later moment zal het besluit worden aangevuld met andere onderwerpen uit de SVIR. De algemene regels in het Barro hebben vooral een conserverend / beschermend karakter waardoor geformuleerde nationale belangen niet belemmerd worden door ontwikkelingen die middels bestemmingsplannen mogelijk worden gemaakt. Voor een aantal onderwerpen geeft het Barro de opdracht dan wel de mogelijkheid aan provincies om bij provinciale verordening regels te stellen. Met de splitsing van de bestaande woning worden geen van de genoemde belangen geschaad. In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, de woningsplitsing is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd.
De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”.
Vastgesteld
11
De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL: RVS:2015:2921, r.o. 4.3). Gelet op de kleinschaligheid (betreft slechts het toevoegen van één woning), betreft onderhavig initiatief geen stedelijke ontwikkeling. Er hoeft in het kader van de woningsplitsing dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.
3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend m.e.r., de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld. Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak de van de Rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal.
Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Het landelijk gebied in Limburg is heel aantrekkelijk. Dat wil de provincie graag zo houden. Niet voor niets is een leidend principe in dit POL ‘meer stad, meer land’. Reden om bijzonder terughoudend te zijn met nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied.
Het landelijk gebied wordt geconfronteerd met een aantal stevige opgaven en vraagstukken die in het POL om antwoord vragen zoals de klimaatopgave (die zich vertaalt in vraagstukken op het gebied van hoogwaterveiligheid en regionale wateroverlast én van watertekorten en droogte), biodiversiteitsopgave, waterkwaliteitsopgave en opgaven in de watervoorziening. Belangrijk is ook om ruimte te bieden aan de economische sectoren die nauw met dat landelijk gebied verbonden zijn. De land- en tuinbouw, deels intensief
Vastgesteld
12
en grootschalig, deels juist kleinschalig met een tendens naar verbreding met niet-agrarische nevenfuncties. En daarnaast ook onderdelen van de vrijetijdseconomie. Ook het leegstandsvraagstuk speelt nadrukkelijk in het landelijk gebied, vooral in Noord- en Midden-Limburg. Daar wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. De kwaliteit van (de activiteiten in) het landelijk gebied draagt bij aan een aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de steden en dorpen. Het aantrekkelijker en toegankelijker maken van het landelijk gebied voor toerisme en recreatie betekent overigens niet alleen dat agrariërs rekening houden met toeristen / burgers, maar zeker ook dat burgers worden aangesproken op begrip voor de bedrijfsvoering van agrariërs.
Afbeelding 7. Zonering POL2014 met plangebied rood omcirkeld
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, is in het POL2014 het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden (tabel 1), elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Tabel 1.Essenties van de zones
Bebouwd gebied
Landelijk gebied
Vastgesteld
Zone Stedelijk centrum
Overig bebouwd gebied Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone
Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter) nationale betekenis.
13
Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone Buitengebied
Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.
Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied in de zone ‘buitengebied’. Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijfslocaties landbouw; ▪ Terugdringen milieubelasting vanuit landbouw; ▪ Faciliteren landschap en cultuurhistorie; ▪ Kwaliteit en functioneren ondergrond. De woningsplitsing past binnen de provinciale uitgangspunten zoals gesteld in het POL2014. De ligging in de zone ‘buitengebied’ betekent dat er sprake is van een sterke functiemenging, waarbij de agrarische functie de boventoon voert. De agrarische functie is dan ook de belangrijkste functie binnen deze zone. Een verdere functiemenging en aansluiting bij de bestaande woonfuncties is toegestaan binnen deze zone, mits geen afbreuk wordt gedaan aan de agrarische waarden. Hiervan is geen sprake, zo blijkt uit hoofdstuk 5. 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Naast het POL2014 is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 op 12 december 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven.
In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro (ladder duurzame verstedelijking). Onderhavig initiatief is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zie paragraaf 3.2.3. Er is sprake van het toevoegen van slechts één nieuwe woning. Bij het toevoegen van één woning, is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ladder niet van toepassing is. In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw. Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande.
De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. De gemeente Horst aan de Maas heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de 'Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg'. In paragraaf 3.3.3 wordt hier nader op ingegaan.
Vastgesteld
14
Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening blijkt overigens dat het plangebied niet ligt binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. 3.3.3 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg De Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg, vastgesteld op 5 april 2016, is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. De structuurvisie heeft de status van intergemeentelijke structuurvisie op grond van artikel 2.1, lid 3 Wro. Daarmee heeft het document een juridische status met een zelfbindend karakter. Samen met alle woonpartners zijn vijf inhoudelijke pijlers geïdentificeerd die de kern vormen van de visie. De pijlers rusten idealiter op een stevig fundament: krachtige gemeenten en een sterke regio. De inhoudelijke pijlers zijn: 1. Een gezonde woningmarkt in balans: nieuwbouw naar behoefte; 2. De juiste woning op de juiste plek en dynamisch voorraadbeheer; 3. Goed wonen voor iedereen, maar met extra aandacht voor onder andere arbeidsmigranten; 4. Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal; 5. Een levensloopvriendelijke en duurzame regio.
Volgens de structuurvisie zijn er in de gemeente Horst aan de Maas in de periode 2015-2030 nog 1.295 woningen nodig om de huishoudensgroei te kunnen opvangen. Tevens is er sprake van een bestaande plancapaciteit (harde en zachte plannen) van 1.234 woningen. Er bestaat bovenop deze plancapaciteit dus nog ruimte voor de ontwikkeling van 61 woningen. Wat betreft de kwalitatieve woningbehoefte is sprake van een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen in de nabijheid van voorzieningen. Onderhavige woningsplitsing is niet opgenomen in de bestaande plancapaciteit voor de gemeente Horst aan de Maas (bijlage 5 bij de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg). Door de splitsing van de woning Griendtsveenseweg 41 wordt van één grote en dure woning in het buitengebied, waar in de praktijk minder behoefte aan blijkt te zijn (betreffende woning heeft ruim één jaar te koop gestaan zonder concrete belangstelling), twee kleinere, betaalbare woningen gemaakt. Één van de woningen wordt daarbij levensloopbestendig ingericht (de woning waar de heer Twaalfhoven zelf gaat wonen). Beide woningen voldoen daarmee aan de woningbehoefte in America en passen derhalve binnen de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: ▪ De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn; ▪ De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; ▪ De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld.
Vastgesteld
15
De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst.
Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied.
Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: 1. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 2. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 3.
De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied;
Vastgesteld
16
4. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. Het plangebied is gelegen in deelgebied 2B ‘Recreatief-agrarisch gebied’. Voor nieuwe woningen in deelgebied 2B geldt een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij). Bij een voorwaardelijke grondhouding kan een ontwikkeling enkel doorgang vinden, wanneer voldaan wordt aan strikte voorwaarden die een ontwikkeling alsnog acceptabel maken.
Afbeelding 8. Gebiedsindeling gemeentelijke structuurvisie met plangebied rood omcirkeld
In het kader van de evaluatie van de structuurvisie is een bijlage opgesteld waarin de voorwaarden voor het toevoegen van woningen in de gemeente Horst aan de Maas zijn opgenomen. Op basis van deze voorwaarden kan in het buitengebied alleen een woning toegevoegd worden als gebruikt wordt gemaakt van één van de volgende instrumenten: ▪ Buitenkans (gemeentelijke Ruimte voor Ruimteregeling) ▪ Ruimte voor Ruimte van de provincie Limburg ▪ Module solitaire woningbouw uit de structuurvisie, waarbij een knelpunt dient te worden opgelost Betreffende woning wordt niet gerealiseerd door Buitenkans of Ruimte voor Ruimte. Er zal dus gebruik gemaakt worden van de module woningbouw uit de structuurvisie. Op 18 oktober 2016 heeft de gemeenteraad de evaluatie van de structuurvisie nog op twee punten herzien voor wat betreft de module solitaire woningbouw, waarbij de eis voor het oplossen van een knelpunt is losgelaten. Er wordt uitsluitend nog gewerkt met een kwaliteitsbijdrage. Het grondprincipe van het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is, dat bepaalde ontwikkelingen ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, hetgeen dient te worden gecompenseerd door een kwaliteitsbijdrage. De kwaliteitsbijdrage wordt ingezet om de omgevingskwaliteit en leefbaarheid te versterken. Het doel is dat per
Vastgesteld
17
saldo daarmee de kwaliteit toeneemt. De kwaliteitsbijdrage voor het toevoegen van een woning wordt onafhankelijk van het woningtype berekend. Voor het toevoegen van een woning in het buitengebied is een afdracht van toepassing van € 165.000,=. Aangezien sprake is van een volledig inpandige ontwikkeling en het toevoegen van een woning niet leidt tot extra verstening en / of verdichting van het buitengebied wordt in dit geval maatwerk toegepast door aan te sluiten bij de afdracht voor het toevoegen van een woning in de bebouwde kom (€ 40.000,=). Door deze kwaliteitsbijdrage kan echter niet gestuurd worden op de gewenste samenstelling van de woningvoorraad. Daarom heeft de gemeente Horst aan de Maas de structuurvisie wat dat betreft herzien in september 2019. Indien voldaan wordt aan het Lokaal Afwegingskader en dus een woning wordt toegevoegd waaraan op basis van het gemeentelijk woonbeleid behoefte is, behoeft de kwaliteitsbijdrage van € 40.000,= niet voldaan te worden. Dit wordt bepaald middels een puntensysteem. Er zijn zowel ruimtelijke als volkshuisvestelijke criteria waarop punten gescoord kunnen worden. Indien een initiatief 8 of meer punten scoort binnen het Lokaal Afwegingskader dan is er sprake van een juiste woning op een juiste plek.
Met de woningsplitsing wordt volkshuisvestelijk voldaan aan het realiseren van kleinere woningen waarvan er één levensloopbestendig ingericht wordt in bestaand vastgoed. Er is in de samenleving behoefte aan dergelijke woningen. De woningsplitsing biedt de initiatiefnemer de kans in de eigen buurtgemeenschap te blijven wonen. De splitsing van de woning biedt in de toekomst de mogelijkheid voor mantelzorg, kinderen kunnen daardoor voor hun ouders zorgen. Er ontstaat zo een meergeneratiewoning waarbij grootouders, kinderen en kleinkinderen dicht bij elkaar kunnen wonen (1 punt conform ad 7 van het afwegingskader). Het plangebied is tevens slechts 600 meter van de kern gelegen, de voorzieningen in America zijn dichtbij. Doordat sprake is van een volledig inpandige ontwikkeling is er sprake van inbreiding (2 punten conform ad 1 van het afwegingskader). De te splitsen woning staat ondanks de goede markt al ruim 1 jaar te koop. Hieruit blijkt dat de kleine vraag naar grote woningen in het buitengebied. Met de woningsplitsing vindt een transformatie plaats binnen de bestaande bouwmassa van de woning. Transformatie van één grote woning naar twee woningen middels splitsing, zonder extra verstening. Er is sprake van hergebruik van het bestaand vastgoed met behoud van het pand en is er geen sprake van kapitaalvernietiging (3 punten conform ad 2 van het afwegingskader).
Eén van de twee woningen zal levensloopbestendig worden ingericht met alle basisvoorzieningen op de begane grond (2 punten conform ad 4 van het afwegingskader). Aan de hand van deze motivatie is aangetoond dat het initiatief 8 punten behaald heeft. Een afdracht in het kader van de structuurvisie is in dit geval niet aan de orde. 3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2016-2021, dat in juni 2016 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord Limburg. De beleidsopgaven zoals genoemd in het Masterplan Wonen betreffen de volgende: 1. Een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde Een woningbouwprogramma dat toereikend is in aantal en gedifferentieerd is in eigendom, type en prijs. Dit gedifferentieerde woningbouwprogramma sluit aan bij de vraag en de financiële mogelijkheden van starters, kleine huishoudens, gezinnen en senioren en bevordert de doorstroming. 2. Een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn Een woningaanbod, dat veilig en toegankelijk is en in de nabijheid van voorzieningen. Een dergelijk aanbod maakt zorg op maat mogelijk en biedt mogelijkheden voor ontmoeting en sociale activiteiten, zodat alle inwoners zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en in de samenleving kunnen functioneren.
Vastgesteld
18
3. Aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en dorpen door verduurzaming in brede zin Een aantrekkelijke en behaaglijke woonomgeving waarborgen door beheer en waar nodig herstructurering, in samenhang met het woningbouwprogramma op inbreidings- en herontwikkelingslocaties. Daarmee wordt de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit versterkt en ontstaat er een gedifferentieerd woningaanbod. Deze beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen: ▪ Streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van onze huidige en toekomstige inwoners. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente (doorstroming) en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw. ▪ Ter bevordering van een evenwichtige bevolkingsopbouw wordt extra aandacht besteed aan woningen (huur en koop) voor jongeren, starters en senioren. ▪ Voor senioren is het van belang dat de woning zorggeschikt is en zij daar kunnen blijven wonen ook als ze zorg behoeven. ▪ In de bestaande particuliere woningvoorraad kan nog een flinke slag gemaakt worden op het gebied van duurzaamheid en het toekomst bestendig maken. Met name woningen uit de periode 1950-1985 vragen om (energetische) verduurzaming om deze toekomstbestendig en courant te houden.
▪ Realiseren van de nieuwbouw hoofdzakelijk binnen de bestaande bebouwing en in vrijkomend vastgoed in de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden. ▪ Het stimuleren van de starters naar de bestaande voorraad, de realisatie van tijdelijke huurwoningen en de bewustwording van langer zelfstandig wonen. Volgens de bevolkingsprognoses groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.295. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Een aantrekkelijk woningbouwprogramma betekent ook: ▪ flexibiliteit in het woningontwerp, waardoor bewoners tot uitbreiding of aanpassing van de woning kunnen komen; ▪ consumentgericht bouwen, waarbij de bewoner inspraak heeft bij het ontwerp, de indeling en uitrusting; ▪ particulier opdrachtgeverschap, waarbij de bewoner bepaalt wat en hoe er gebouwd wordt. Voor het woningbouwprogramma zijn de volgende afspraken gemaakt: ▪ In alle kernen is voor de lange en de korte termijn een passend woningaanbod aanwezig, ook met betrekking tot (sociale en markt) huurwoningen. Per kern is een ambitie opgenomen voor vergroting van het aantal huurwoningen in 2021.
▪ Er wordt gebouwd voor de concrete behoefte, deze wordt samen met de dorpen bepaald. ▪ Er wordt ingezet op innovatieve concepten. ▪ Inbreidingslocaties en herontwikkeling vrijkomend vastgoed gaan voor nieuwe uitbreidingslocaties woningbouw. De opgave voor de kern America in de periode 2015-2025 bedraagt 40 woningen. In America voorzien twee woningbouwlocaties (Lisdodde en Wouterstraat) in de opgave met een totale capaciteit van 36 woningen. Dit betekent dat er nog ruimte is voor 4 nieuwe woningen in America. Het toevoegen van één woning past derhalve binnen de kwantitatieve behoefte van de kern America, zoals bepaald in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas. Uit kwantitatief oogpunt blijkt met name behoefte aan levensloopbestendige woningen en woningen voor jongeren (starterswoningen). Met de woningsplitsing wordt aan beide behoeften voldaan. Een van de twee woningen in het bestaand pand zal levensloopbestendig worden uitgevoerd. De andere woning betreft een reguliere gezinswoning. Toekomstige bewoners van de
Vastgesteld
19
gezinswoning (dochter initiatiefnemer) wonen thans echter in een starterswoning in de kern van America. Door te verhuizen naar betreffende gezinswoning komt deze starterswoning weer beschikbaar voor starters. Ten slotte is met de splitsen van de bestaande woning sprake van een volledig inpandige ontwikkeling en dus van inbreiding c.q. optimaal gebruik bestaand vastgoed. Dit wordt door het Masterplan Wonen Horst aan de Maas toegejuicht. 3.4.3 Reserve bovenwijkse voorzieningen De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft in de vergadering van 7 maart 2017 de Nota reserve bovenwijkse voorzieningen 2017 vastgesteld. Met de nota reserve bovenwijkse voorzieningen 2017 worden op basis van de huidige inzichten bovenwijkse voorzieningen in kaart gebracht die conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voor kostenverhaal in aanmerking komen. Dit zijn voorzieningen van infrastructurele aard die in de periode tot en met ongeveer 2027 voorzien zijn en die meer dan een wijk bedienen. Anderzijds wordt op basis van de gebiedsontwikkelingen die in de periode 2027 voorzien zijn berekend wat de afdracht aan de reserve dient te zijn om deze bovenwijkse voorzieningen voor zover ze toe te rekenen zijn aan die gebiedsontwikkeling, te bekostigen. De afdracht bovenwijkse voorzieningen is voor onderhavig initiatief vastgesteld op € 3.000,=.
Vastgesteld
20
4. PLANBESCHRIJVING Het agrarisch bedrijf van de heer C.H. Twaalfhoven is sinds 1989 gevestigd op de locatie Jacob Poelsweg 22. Dit agrarisch bedrijf is gericht op het kweken van bloembollen en vaste planten, in hoofdzaak in de volle grond. Alhoewel initiatiefnemer voorlopig nog volledig werkzaam zal zijn voor het agrarisch bedrijf, is de overname door de zoon inmiddels in gang gezet. Een geleidelijke bedrijfsovername is in dit geval de enige optie, waarbij de zoon alle aansturing en hulp moet krijgen die hij nodig heeft. Het is daarbij de bedoeling dat de zoon al op korte termijn zal gaan wonen in de bij het agrarisch bedrijf behorende bedrijfswoning. Initiatiefnemer is daarom op zoek gegaan naar een passende woning in de directe nabijheid van het bedrijf. De korte afstand tot het bedrijf is van levensbelang om, indien nodig, direct aanwezig te kunnen zijn voor werkzaamheden, hulp of bij incidenten. De woning Griendtsveenseweg 41 stond al een tijdje te koop. Deze woning ligt direct achter het agrarisch bedrijf aan de Jacob Poelsweg. Tussen het agrarisch bedrijf en deze woning liggen zelfs uitsluitend landbouwpercelen, welke in gebruik en in eigendom zijn van het agrarisch bedrijf. Deze woning is dus ideaal voor initiatiefnemer om betrokken te blijven bij zijn agrarisch bedrijf. De woning betreft echter een voormalig boerderijpand en is daarom ruim van opzet.
Het is voor één gezin nagenoeg niet haalbaar het pand te onderhouden. Toen de dochter van initiatiefnemer ook geïnteresseerd bleek om op deze locatie te wonen is het idee ontstaan het pand te splitsen tot twee woningen. Omdat het pand in het verleden reeds in gebruik was als twee woningen zijn nauwelijks aanpassingen nodig aan het pand. Als de woning is gesplitst ontstaat één volwaardige gezinswoning (hier komt de dochter te wonen) en één levensloopbestendige woning (hier gaat initiatiefnemer wonen). Door de woningsplitsing kan initiatiefnemer op geringe afstand betrokken blijven bij de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf en kan de zoon de huidige bedrijfswoning bewonen en het agrarisch bedrijf in de toekomst geheel overnemen. Ook woont daarmee de zoon op korte afstand zodat deze, indien nodig, op termijn in staat is mantelzorg te kunnen verlenen.
4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk te maken de woning Griendtsveenseweg 41 te splitsen tot twee volwaardige woningen. Het bestemmingsvlak ‘Wonen’ dient daarvoor in tweeën gesplitst te worden zodat twee bestemmingsvlakken met de bestemming ‘Wonen’ ontstaan. Per bestemmingsvlak is het daarna toegestaan de gronden te benutten voor één woning. De nieuwe woning wordt conform de structuurvisie levensloopbestendig ingericht. Om dit te borgen wordt deze woning voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – levensloopbestendige woning’.
4.2 Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten Het pand Griendtsveenseweg 41 bestond in het verleden reeds uit twee aparte woningen, welke later zijn samengevoegd tot één woning. Met het opnieuw splitsen van het pand wijzigt er fysiek gezien ten opzichte van de huidige situatie niets, het enige wat toegevoegd wordt is een aparte oprit voor de nieuwe woning.
Vastgesteld
21
De bestemmingswijziging heeft louter betrekking op het planologisch splitsen van het bestaande pand tot twee woningen en heeft daardoor geen stedenbouwkundige of ruimtelijke impact op de omgeving.
4.3 Landschappelijke inpassing De woningsplitsing vindt volledig inpandig plaats, landschappelijke waarden worden door het initiatief niet aangetast. Een landschappelijk inpassingsplan ter compensatie van het verlies van landschappelijke waarden of om een kwaliteitsverbetering te bewerkstelligen is daarmee in dit geval overbodig.
Vastgesteld
22
5. SECTORALE ASPECTEN
5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bevat een inventarisatie van de verschillende omgevingsaspecten die van invloed zijn op de woningsplitsing. Daarbij komen onder meer de volgende sectorale aspecten aan de orde: milieu (geluid, bodem, bedrijfshinder en zonering, luchtkwaliteit), waterhuishouding (riolering en watertoets), externe veiligheid, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en vervoer, kabels, leidingen en overige belemmeringen, alsmede natuur.
5.2 Milieuaspecten 5.2.1 M.e.r.-beoordeling Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20091. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.
Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of het project voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D Middels dit bestemmingsplan wordt een bestaande woning gesplitst tot twee woningen. Dit project komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r.-procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
1
HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland)
Vastgesteld
23
Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.2 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’. Aangezien het initiatief in dit geval per saldo betrekking heeft op het toevoegen van één woning (andere woning is een bestaande woning) valt het initiatief ruimschoots onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, zodoende is er geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven.
Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r. nodig is. Die beoordeling is vormvrij. Uit deze toelichting blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een gevoelig gebied en het initiatief geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en het initiatief leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en / of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Uit deze toelichting blijkt kortom dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie 1. Het splitsen van een woning komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er hoeft dus geen m.e.r. te worden opgesteld; 2. De activiteit (stedelijk ontwikkelingsproject) valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij deze categorie genoemde ‘drempelwaarden’ bij lange na niet worden overschreden; 3.