CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

06c Toelichting

Gemeenteraad 20 december 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Zwanenweg 7 te Tienray.14.973 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ontwerp Bestemmingsplan ‘Zwanenweg 7, Tienray’ NL.IMRO.1507.TRZWANENWEG7.BPO1

Document:

Bestemmingsplan “Zwanenweg 7 Tienray”

IDN:

NL.IMRO.1507.TRZWANENWEG7-BPO1

Status:

Ontwerp

Datum:

15 september 2022

Aanvrager:

De heer C. Pingen

Auteur:

ing. N.A.H. van den Ekker

Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE

1.

2.

3.

4.

5.

6.

INLEIDING..............................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4

1.3

Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................4

1.4

Leeswijzer .....................................................................................................................................................5

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1

Algemeen ......................................................................................................................................................6

2.2

Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................6

2.3

Functionele structuur ...................................................................................................................................7

2.4

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................8

BELEID ...................................................................................................................................................................9 3.1

Algemeen ......................................................................................................................................................9

3.2

Rijksbeleid .....................................................................................................................................................9

3.3

Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 11

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 16

PLANBESCHRIJVING ...................................................................................................................................... 17 4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 17

4.2

Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten............................................................................................ 18

SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 19 5.1

Inleiding ...................................................................................................................................................... 19

5.2

Milieuaspecten........................................................................................................................................... 19

5.3

Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 30

5.4

Kabels en leidingen................................................................................................................................... 31

5.5

Natuur ......................................................................................................................................................... 31

5.6

Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 33

5.7

Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 34

UITVOERBAARHEID ........................................................................................................................................ 36 6.1

Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 36

6.2

Handhaving................................................................................................................................................ 36

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 38

Ontwerp

1

6.4 7.

Procedure................................................................................................................................................... 38

JURIDISCHE TOELICHTING ........................................................................................................................... 39 7.1

Planstukken ............................................................................................................................................... 39

7.2

Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 39

7.3

Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 40

BIJLAGEN Bijlage 1: AERIUS Calculator berekening Separate bijlagen: ▪ Verkennend bodemonderzoek (HMB Groep) ▪ Flora- en fauna inspectie (Faunaconsult)

Ontwerp

2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Aan de Zwanenweg 7 in Tienray was tot voor kort geleden een aannemersbedrijf gevestigd. Initiatiefnemer is voornemens om als burger hier te gaan wonen waardoor de bedrijfsactiviteiten in dat kader volledig zullen worden beëindigd. In dat kader wenst initiatiefnemer tevens de bedrijfsbebouwing te slopen. Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Kern Tienray” is het gebruiken van de bedrijfswoning als burgerwoning niet toegestaan. De locatie is namelijk bestemd als ‘Bedrijven B’. Binnen deze bestemming is bewoning uitsluitend toegestaan in een bedrijfswoning.

Afbeelding 1. Ligging locatie Zwanenweg 7 Tienray (rood omcirkeld)

Wil initiatiefnemer hier als burger kunnen wonen dient de bedrijfsbestemming omgezet te worden naar een woonbestemming. Hiermee worden bedrijfsactiviteiten formeel beëindigt en voor de toekomst uitgesloten. Daarnaast wordt de bedrijfswoning feitelijk omgezet naar een burgerwoning. Bij de gemeente Horst aan de Maas is door initiatiefnemer een verzoek ingediend om de bedrijfsbestemming om te zetten in een woonbestemming zodat de bedrijfswoning kan worden gebruikt als burgerwoning. De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 juli 2020 aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt de beoogde nieuwe situatie juridisch-planologisch vastgelegd door de bedrijfsbestemming te wijzigen in een woonbestemming. De bedrijfswoning wordt in dat kader omgezet naar een burgerwoning.

Ontwerp

3

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

De locatie is gelegen in het zuidoostelijke deel van de kern Tienray, aan de Zwanenweg 7. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Meerlo, sectie C en perceelnummer 1630. Betreffende perceel heeft een oppervlakte van 1.680 m² en wordt in dit bestemmingsplan aangeduid als “het plangebied”. De Zwanenweg betreft een zijweg van de Nieuwe baan en de Swolgenseweg. De Swolgenseweg betreft de historische verbindingsweg tussen de kernen Tienray en Swolgen. De Nieuwe Baan loopt in noordelijke richting over in de Kloosterstraat, deze weg vormt de directe verbinding tussen de kernen Tienray en Meerlo.

Afbeelding 2. Luchtfoto van het plangebied en omgeving

De Zwanenweg betreft een uitloper van het bedrijventerrein Tienray waardoor aan deze weg meerdere kleine bedrijven zijn gelegen. Aan de Zwanenweg was voorheen sprake van een kleinschalig bedrijventerrein. De bedrijvigheid is echter afgenomen en sinds 2007 is ten noordoosten van de Zwanenweg het woningbouwgebied “Zwanenberg” in ontwikkeling ter vervanging van de bedrijvigheid Het plangebied wordt in het noorden begrensd door de woningen Zwanenweg 9 en Trambaan 20. In het oosten grenst de locatie aan de Zwanenweg met aan de overzijde de locatie Zwanenweg 16. In het zuiden grenst het plangebied aan de woning Zwanenweg 5 en de bedrijfslocatie Zwanenweg 3.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Kern Tienray” (vastgesteld d.d. 1 april 2005) en is hierin bestemd als ‘Bedrijven B’ en voorzien van een bouwvlak met de functieaanduiding ‘Uitsluitend bedrijven van categorie 2 toegestaan’. Ter plaatse van de bedrijfswoning is de locatie tevens voorzien van de functieaanduiding ‘bedrijfswoning toegestaan’.

Ontwerp

4

De voor ‘Bedrijven B’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van bedrijven met in dit specifieke geval een bedrijf van categorie 2. Bedrijfswoningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding ‘bedrijfswoning toegestaan’ en per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan.

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan met plangebied rood omlijnd

Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het gebruiken van de bedrijfswoning als burgerwoning niet toegestaan. Burgerwoningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding ‘burgerwoning toegestaan’ welke ter plaatse niet aanwezig is.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: in hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven. Het initiatief zelf wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.

Ontwerp

5

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt de ligging van het plangebied beschreven. Ook wordt er ingegaan op de aanwezige ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en de omgeving. Daarnaast komt kort de historische ontwikkeling aan bod. Het plangebied is gelegen in het zuidoosten van de kern Tienray. Tienray is gelegen in het noordoosten van de gemeente Horst aan de Maas. Ruim 1.000 inwoners bevolken de kern.

Afbeelding 4. Luchtfoto huidige situatie van het plangebied

De locatie is in het noorden bebouwd met de bedrijfswoning met daaraan vast een aanbouw en garage. In het zuidwesten is de locatie bebouwd met een loods, waar de bedrijfsactiviteiten plaats vonden. Aan de voorzijde van de loods, ten zuiden van de woning, zijn nog enkele bijgebouwen behorende bij de woning gelegen. Het gebied tussen de woning, loods en bijgebouwen is volledig voorzien van erfverharding.

2.2

Ruimtelijke structuur

De bebouwingsstructuur van Tienray bestaat uit een aantal historische bebouwingslinten met daartussen planmatig aangelegde woonbuurten. De hoofdstructuur van Tienray wordt dan ook gevormd door de historische linten Spoorstraat, Kloosterstraat, Swolgenseweg, Burgemeester van den Berghlaan en Nieuwe Baan. De kern is vervolgens voornamelijk in het noordoosten en het zuidwesten uitgebreid door het aanleggen van planmatige woonwijken tussen de bestaande linten.

Ontwerp

6

Afbeelding 3. Impressie plangebied

Afbeelding 4. Impressie Zwanenweg

Het plangebied is gelegen in het zuidoostelijke deel van de kern van Tienray aan de Zwanenweg. De Zwanenweg betreft een uitloper van het bedrijventerrein Tienray waardoor aan deze weg sprake is van een kleinschalig bedrijventerrein. Door de uitbreiding van de kern is de bedrijvigheid afgenomen. In het zuidoostelijke deel van de kern is sinds 2007 dan ook het woningbouwgebied “Zwanenberg” in ontwikkeling ter vervanging van de voormalige bedrijvigheid. Dit woningbouwgebied voorziet in 50-60 woningen die gefaseerd worden gerealiseerd. De eerste fase voorzag in woningbouw aan de bestaande linten van de Swolgenseweg en de Leembergweg. De tweede fase voorziet in woningbouw aan de Trambaan en de derde fase voorziet in woningen aan de Trambaan en Zwanenweg.

2.3

Functionele structuur

In de bebouwde kom van Tienray overheerste de woonfunctie. De woningen bestaan uit één of twee bouwlagen afgewerkt met een kap. De woningvoorraad bestaat grotendeels uit eengezinswoningen van het type geschakeld, twee-onder-één-kap of vrijstaand. Het woningbouwgebied ‘Zwanenberg’ bestaat naast reeds genoemde woningtypologieën tevens uit levensloopbestendige woningen, waarmee dit uitbreidingsgebied geschikt is voor meerdere doelgroepen. In het zuidwestelijke deel van Tienray ligt het bedrijventerrein van Tienray. In het zuidoostelijke deel van Tienray, aan de Zwanenweg, ligt een uitloper van dit bedrijventerrein. Aan de Zwanenweg zijn van oorsprong dan ook diverse bedrijven gelegen, waardoor aan deze weg sprake is van een kleinschalig bedrijventerrein. In 2018 is gestart met de uitbreiding van bedrijventerrein Tienray aan de Boerenovenweg. De uitbreiding bestaat in totaal uit 14 bedrijfsunits, in de eerste fase wordt gestart met het realiseren van zeven bedrijfsunits. Met de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein en met de ontwikkeling van woningbouwgebied “Zwanenberg” zijn aan de Zwanenweg steeds meer bedrijven beëindigd al dan niet verplaatst naar het feitelijke bedrijventerrein. De bedrijfsfunctie in de omgeving van de Zwanenweg heeft dan ook steeds meer plaats gemaakt voor de woonfunctie.

Afbeelding 5. Impressie woningbouwgebied :”Zwanenberg”

Afbeelding 6. Impressie bedrijvigheid aan de Zwanenweg

Verspreid over de kern liggen de dorpse voorzieningen van Tienray bestaande uit onder andere een kerk, een supermarkt en enkele horecavoorzieningen.

Ontwerp

7

Het plangebied ligt op korte afstand van het buitengebied, waar de agrarische functie overheerst. In het buitengebied liggen dan ook diverse agrarische bedrijven en glastuinbouwbedrijven. Verspreid over het buitengebied liggen enkele burgerwoningen. Ten oosten van Tienray ligt een bosgebied waardoor tevens de natuurfunctie prominent aanwezig is.

2.4

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

Tienray is ontstaan als een middeleeuwse ontginning. Het dorp staat ook wel bekend als ‘Klein Lourdes’. Het dorp heeft deze naam gekregen doordat omstreeks 1877 een nieuw kapel is gebouwd met hoekstenen afkomstig uit de grot van Lourdes. Dit kapel is omstreeks 1888 voorzien van een Lourdesgrot als variant op de grot van Lourdes. En sinds de 19e eeuw mag het dorp zich officieel Klein Lourdes noemen waarmee het dorp een ware bedevaartsplaats is geworden.

Afbeelding 7. Uitsnede historische kaart 1897

Afbeelding 8. Uitsnede historische kaart 1989

De bebouwing van Tienray concentreerde zich hoofdzakelijk rond de kerk en de vijfsprong. De kern is vervolgens gegroeid door bebouwing aan de belangrijkste wegen; de Burgemeester van den Berghlaan, de Kloosterstraat, de Swolgenseweg en de Spoorstraat. De kern is in de loop der jaren verder ontwikkeld door woningbouw tussen de bestaande linten. Omstreeks 1970 is de kern in het noordoosten uitgebreid door woningbouw tussen de Bernadettelaan en de Swolgenseweg. Omstreeks 1990 is de kern in zuidwestelijke richting uitgebreid. En sinds 2007 is het woningbouwontwikkelingsgebied “Zwanenberg” in ontwikkeling.

Afbeelding 9. Uitsnede historische kaart 1980 (plangebied rood omlijnd)

Afbeelding 10. Uitsnede historische kaart 2005 (plangebied rood omlijnd)

De Zwanenweg betreft een uitloper van het bedrijventerrein van Tienray. Aan deze weg zijn van oorsprong dan ook diverse bedrijven gelegen, waardoor aan deze weg sprake is van een kleinschalig bedrijventerrein. Het plangebied is gelegen in dit kleinschalig bedrijventerrein, aan de Zwanenweg 7. De locatie is omstreeks 1975 bebouwd met de huidige bedrijfswoning en is een later stadium bebouwd met de loods (omstreeks 2003).

Ontwerp

8

3.

BELEID

3.1

Algemeen

In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daarop volgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling

Ontwerp

9

van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.

Op basis van de vier verschillende prioriteiten zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Met het saneren van de bedrijfsbestemming en het daarvoor in de plaats realiseren van een woonbestemming wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen.

Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer.

Ontwerp

10

Met het initiatief worden geen van de andere belangen geschaad. In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, het initiatief is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 april 2016, zaak nr. ECLI:NL:RVS:2016:1075), is een planologische functiewijziging geen stedelijke ontwikkeling. Hiervan is met onderhavig initiatief sprake. Onderhavig initiatief heeft immers betrekking op de functiewijziging van bedrijfswoning naar een burgerwoning. Er hoeft in het kader van het initiatief dan ook niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). De omgevingsvisie is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de omgevingsvisie zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen. In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven.

Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn

Ontwerp

11

daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren.

Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving.

De omgevingsvisie bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden- en Zuid-Limburg. De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad.

Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er

Ontwerp

12

ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Samen met hun partners wil de provincie een voortreffelijk woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelf gekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen. Dit doet de provincie door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn. De provincie faciliteert daarbij flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diversere groep mensen tegemoet gekomen kan worden, in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw.

In de POVI geeft de provincie aan dat ze alle woonwensen willen vervullen, waarbij een voortreffelijke woonen leefomgeving leidend zijn. Door middel van onderhavig initiatief wordt een bedrijf beëindigd wat in het algemeen bijdraagt aan een beter woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de woonwensen van initiatiefnemer ingewilligd, zonder daarbij fysiek een nieuwe woning te realiseren. Het initiatief voldoet daarmee aan de provinciale beleidskaders, zoals gesteld in het POVI. 3.3.2 Omgevingsverordening Limburg 2021 Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor een ieder gelden of voor specifieke doelgroepen. De volgende regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2021 zijn in dit geval van toepassing: ▪ Overstromingskansgebieden E ▪ Wonen, werken en recreëren Overstromingskansgebieden E Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast.

De omgevingswaarden geven de maximaal toelaatbare kans op overstroming per jaar van aangewezen gebieden aan. Ze zijn gericht op extreme situaties: neerslag- en afvoersituaties die niet vaak voorkomen. In totaal zijn vijf gebieden opgenomen met de specificatie voor dat gebied en de gemiddelde overstromingskans per jaar.

Ontwerp

13

Tabel 1. Overstromingskans per jaar per gebied gespecificeerd

Gebied

Specificatie

Overstromingskansgebieden A

1. Natuurnetwerk Limburg 2. Groenblauwe mantel langs alle natuurbeken en langs omgevingsgerichte wateren binnen beekdalen en natte laagten Groenblauwe mantel langs omgevingsgerichte wateren buiten natte laagten 1. Overige landbouwgebieden, recreatieparken 2. Bebouwing in bebouwde kernen langs beken en in droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg Glastuinbouwgebieden

Overstromingskansgebieden B Overstromingskansgebieden C

Overstromingskansgebieden D Overstromingskansgebieden E

Bebouwing in bebouwde kernen behalve langs beken en in droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg

Gemiddelde overstromingskans per jaar Geen kans aangegeven

1:10

1:25

1:50 1:100

Het plangebied ligt in overstromingskansgebieden E. Voor dit gebied is een gemiddelde overstromingskans per jaar 1:100. De norm is uitgedrukt als maximale overstromingskans per jaar. Een norm van 1:100 geeft aan dat de kans per jaar 1:100 is dat een overstroming plaats vindt. Anders gezegd: een overstroming komt statistisch gezien niet vaker voor dan gemiddeld eens per 100 jaar. Gesteld kan worden dat de kans op wateroverlast binnen het plangebied zeer klein is, zodoende kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Wonen, werken en recreëren In de Omgevingsverordening Limburg 2021 is opgenomen dat de motivering bij een plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. Sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. Over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio NoordLimburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d.

Het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. Realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Onderhavig initiatief is hierboven getoetst aan het rijksbeleid en het provinciaal beleid en wordt hieronder getoetst aan het regionale en gemeentelijk beleid. Uit de toetsing blijkt dat het omzetten van de bedrijfswoning naar burgerwoning uit beleidsmatig oogpunt passend is.

Ontwerp

14

3.3.4 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Horst aan de Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie NoordLimburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Horst aan de Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen NoordLimburg’ een reductieopgave van 0 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde regionale woonvisie blijkt dat de gemeente Horst aan de Maas de gestelde opgave heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.

Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.

▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Middels onderhavig initiatief wordt een bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. De behoefte aan de woning is niet direct af te leiden uit de Regionale Woonvisie, maar blijkt wel uit het feit dat initiatiefnemer de woning wil gaan bewonen. De woning wordt niet specifiek ingericht voor starters of ouderen. Toch wil de gemeente Horst aan de Maas medewerking aan dit initiatief verlenen omdat een bedrijfslocatie wordt gesaneerd en er geen sprake is van nieuwe woningen. Tevens vervult het initiatief wel het de directe woonwens van de initiatiefnemer.

Ontwerp

15

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) zijn gemeenten verplicht om, ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, een structuurvisie vast te stellen voor het gehele grondgebied van de gemeente. Een structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van een gebied, evenals de hoofdlijnen van het door de gemeente te voeren beleid. De gemeente Horst aan de Maas heeft haar regie op de uitvoering van het ruimtelijk beleid vormgegeven in de Structuurvisie Horst aan de Maas. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. De structuurvisie is op 9 april 2013 vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. Na deze evaluatie is er in 2016 een aanpassing gedaan (vastgesteld op 18 oktober 2016) en is er in 2018 wederom een evaluatie uitgevoerd. De structuurvisie biedt het kader voor de gemeente om uitspraken te doen over de wenselijkheid van (ruimtelijke) ontwikkelingen. Het gemeentelijke grondgebied is om die reden ingedeeld in diverse deelgebieden. Het plangebied is gelegen in deelgebied 6B ‘Woondorpen’. Hier geldt voor nieuwe (solitaire) woningbouw een meedenkende grondhouding.

Bij een meedenkende grondhouding is sprake van een maatwerkbeoordeling, waarbij aspecten als onderscheidend vermogen en de locatie van belang zijn. Een initiatief kan pas rekenen op planologische medewerking op het moment dat een passende kwaliteitsverbetering gegarandeerd is.

Afbeelding 8. Uitsnede gemeentelijke structuurvisie

Het Limburgs Kwaliteitsmenu van de provincie heeft zijn uitwerking naar gemeentelijk niveau gekregen in de structuurvisie. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. Het doel van het Gemeentelijke Kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering. Het gemeentelijk kwaliteitsmenu is voor solitaire woningbouw niet van toepassing in het geval van het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Met onderhavig initiatief is sprake van het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. De locatie is geschikt voor de bestemmingswijziging omdat er geen negatieve consequenties zijn voor omliggende (bedrijfs) functies en aan alle eisen uit milieukundig oogpunt wordt voldaan. Daar het aantal woningen ter plaatse niet wijzigt en het bouwvlak aanzienlijk wordt verkleind, worden de bouwmogelijkheden ter plaatse ingeperkt. Daarnaast wordt de voormalige bedrijfsbebouwing, zijnde de loods, volledig gesloopt. Het initiatief sluit aan bij de sanering / ontmanteling van het voormalige bedrijventerrein aan de Zwanenweg en is daarmee passend in de Structuurvisie Horst aan de Maas.

Ontwerp

16

4. PLANBESCHRIJVING Aan de Zwanenweg 7 in Tienray was tot voor kort geleden een aannemersbedrijf gevestigd. De locatie is dan ook bestemd voor bedrijfsdoeleinden en is in de huidige situatie bebouwd met de bedrijfswoning met aanbouw en garage, een loods, en enkele bijgebouwen. De bedrijfsactiviteiten vonden met name plaats in de aanwezige loods.

Afbeelding 11. Impressie Zwanenweg 7 Tienray met rood de te slopen loods en groen de te behouden bebouwing.

Initiatiefnemer is voornemens om de locatie Zwanenweg 7 te gaan bewonen. Wil initiatiefnemer hier als burger kunnen wonen dan dient de bedrijfsbestemming omgezet te worden naar een woonbestemming. Initiatiefnemer is in dat kader voornemens om de bedrijfsbestemming om te zetten naar een woonbestemming, de voormalige bedrijfsbebouwing, zijnde de loods, te slopen en de bedrijfswoning te gaan benutten als burgerwoning. De bijgebouwen wil initiatiefnemer behouden als bijgebouwen bij de woning.

4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het formeel beëindigen van de bedrijfsfunctie op de locatie Zwanenweg 7 in Tienray en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Bij de opstelling van het onderhavige bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Binnen het plangebied wordt de bestemming ‘Bedrijven B’ gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’, in dat kader wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning; ▪ Binnen de woonbestemming is een nieuw bouwvlak opgenomen met de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum aantal wooneenheden: 1’, ‘maximum goothoogte: 4 m’ en ‘maximum bouwhoogte: 8 m’; ▪ De bestaande loods dient volledig gesloopt te worden; ▪ Aan het plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen ten bescherming van de archeologische waarden in de bodem;

Ontwerp

17

▪

Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst aan de Maas dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het meest recente bestemmingsplan voor de kern van Tienray, zijnde “Kern Tienray”.

Deze uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied bestemd is als ‘Wonen’. Binnen de woonbestemming is een bouwvlak opgenomen met de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum aantal wooneenheden: 1’, ‘maximum goothoogte: 4 m’ en ‘maximum bouwhoogte: 8 m’. Binnen het plangebied is daarnaast de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen.

4.2

Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten

Initiatiefnemer is voornemens om de bedrijfsactiviteiten aan de Zwanenweg 7 te beëindigen, de bedrijfsbebouwing te slopen en de bedrijfswoning om te zetten naar een burgerwoning. Er wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd Fysiek gezien wijzigt er ten opzichte van de huidige situatie niets. Er is geen sprake van een fysieke wijziging van de woning. Deze bestemmingswijziging heeft louter betrekking op de functionele wijziging ten behoeve van de woonfunctie. Met het initiatief wordt tevens een loods gesloopt. Hiermee is sprake van een kwaliteitsverbetering aangezien dit bij draagt aan de ontstening van het plangebied. De Zwanenweg betreft een uitloper van bedrijventerrein Tienray. Aan deze weg zijn van oorsprong dan ook diverse bedrijven gelegen, waardoor sprake is van een kleinschalig bedrijventerrein. Met de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein en met de woningbouwontwikkelingen in de omgeving worden steeds meer van de bedrijven aan de Zwanenweg beëindigd al dan niet verplaatst naar het feitelijke bedrijventerrein. Met het initiatief wordt dan ook aangesloten bij deze ontwikkelingen. De bedrijvigheid binnen het plangebied wordt beëindigd en met het initiatief wordt aangesloten bij de woonfunctie in de omgeving.

Ontwerp

18

5.

SECTORALE ASPECTEN

5.1

Inleiding

Met de bestemmingswijziging dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.2

Milieuaspecten

5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Bij de toetsing of een initiatief uitvoerbaar is moet worden nagegaan of er mogelijk sprake is van bodemverontreiniging. Bij functiewijzigingen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom te worden bekeken of de bodemkwaliteit past binnen het toekomstige gebruik van de bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat bij een functiewijziging van, in dit geval een bedrijf naar woondoeleinden, het aspect bodemkwaliteit onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. Voor de woonbestemming is derhalve een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' stand houdt. In de bovengrond is een lichte verontreiniging met PAK aangetoond en in de ondergrond zijn lichte verontreinigingen minerale olie en PAK aangetoond. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetoond. De verontreiniging met PAK in de grond is mogelijk te relateren aan de baksteenresten die verspreid over de onderzoekslocatie zijn aangetroffen. Voor de verontreinigingen met minerale olie en PAK in de ondergrond zijn geen duidelijke bronnen en/of oorzaken naar voren gekomen.

Voor de lichte verontreiniging met barium in het grondwater is eveneens geen duidelijke bron of oorzaak aan het licht gekomen. Het aantreffen van verhoogde gehalten metalen (waaronder barium) in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreiniging in het grondwater een verhoogd achtergrondgehalte betreft. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering of beperking voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.

1 HMB Groep, verkennend bodemonderzoek Zwanenweg 7 Tienray, 14 april 2022, kenmerk: 22229301A

Ontwerp

19

5.2.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. De huidige bedrijfswoning betreft reeds een geluidsgevoelig object. Door de bestemmingswijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning is er dus geen sprake van een nieuw geluidsgevoelig object. De woning blijft zoals aanwezig in stand. Er hoeft derhalve niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek naar (spoor)wegverkeerslawaai is daarom niet benodigd. 5.2.3 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).

Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Ontwerp

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

20

Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. In dit geval is geen sprake van nieuwe woningen. Er is uitsluitend sprake van een bestaande woning waarvan alleen het soort bewoning wijzigt. In plaats van dat de woning wordt gebruikt als bedrijfswoning zal deze worden gebruikt als burgerwoning. De bestemmingswijziging valt daarom onder de 3% norm. De bestemmingswijziging draagt zodoende ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,8 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,0 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 10,5 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor het gebruik als woning. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal ook -in vergelijking met het huidige gebruik als bedrijf- geen extra verkeersaantrekkende werking met zich meebrengen.

Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.2.4 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige

Ontwerp

21

objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woningen betreffen derhalve geurgevoelig objecten. Op 30 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is bepaald dat voor woongebieden, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 3,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 10,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Individuele geurbelasting De woning zou geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. Binnen een straal van 500 meter rondom het plangebied bevindt zich maar één veehouderij: ▪ Een paardenhouderij aan de Donkerhofsteeg 11, afstand tot het plangebied 360 meter. Voor een aantal diersoorten zijn in de Wet geurhinder en veehouderij geen emissiefactoren opgenomen, maar gelden vaste afstanden. Dit geldt onder andere voor een melkrundveehouderij en paardenhouderij.

De afstand tussen deze veehouderijen en een voor geurhinder gevoelig object moet minstens 100 meter bedragen voor objecten binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. Aan deze afstandsnormen wordt voor de paardenhouderij ruimschoots voldaan. Dit betekent dat de paardenhouderij geen negatieve effecten heeft op het woon- en leefklimaat in de woning. Cumulatieve geurbelasting Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In navolgende tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Nummer Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Middelpunt

X-coördinaat 204 267 204 273 204 320 204 328 204 298

Y-coördinaat 389 594 389 562 389 550 389579 389 572

Berekende waarde 6,5 6,4 6,4 6,5 6,5

De cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied varieert tussen 6,4 en 6,5 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale cumulatieve geurbelasting toegestaan van 10,0 OU/m3. Er wordt daarmee ruimschoots aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting.

Ontwerp

22

Effect voor veehouderijen in de omgeving Hierboven is gemotiveerd dat, om een acceptabel woon- en leefklimaat te garanderen, de afstand tussen een grondgebonden veehouderij en een geurgevoelig object in de bebouwde kom minimaal 100 meter dient te bedragen. Indien geurgevoelige objecten dichter dan 100 meter bij een veehouderij worden opgericht zullen deze geurgevoelige objecten de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden binnen een agrarisch bouwvlak van betreffende veehouderij belemmeren. De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden, tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 100 meter. Aan de geureisen uit de Wgv voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten welke in de directe omgeving van de intensieve veehouderijen zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. 5.2.5 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12105672/1