05m AAA BBT Toelichting
Tekst van het document
BBT-conclusies Intensieve veehouderij Toelichting bij BBT-conclusies intensieve veehouderij versie 2 november 2017 Inleiding en status
Op 21 februari 2017 heeft de Europese Commissie de BBT-conclusies voor intensieve veehouderij gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (hierna: BBT-conclusies) In dit document .
wordt een toelichting gegeven op deze BBT-conclusies. Doel van dit document is het ondersteunen van het bevoegd gezag bij het toepassen van de BBT-conclusies bij vergunningverlening voor intensieve veehouderijen die vallen onder de Richtlijn Industriële Emissies (Rie) Dit document heeft een informerende status en is bedoeld als hulpmiddel voor het bevoegd gezag .
om:
a) b)
te toetsen of bestaande voorschriften van vergunningen die zijn verleend voor IPPCinstallaties voldoen aan deze nieuwe BBT-conclusies, en deze BBT conclusies toe te passen bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies zien.
BBT-conclusies en BREF BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Rie. De BBT-conclusies vormen de referentie voor toetsing en vaststelling van vergunningsvoorschriften en actualisatie van deze voorschriften. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. De BBT-conclusies zijn gebaseerd op de BREF intensieve veehouderij 2017. De BREF zelf heeft geen wettelijke status maar biedt achtergrondinformatie. BBT-conclusies en reikwijdte Er wordt rekening gehouden met volgende BBT-conclusies
Categorie in bijlage 1 RIE Deze BBT-conclusies hebben betrekking op activiteiten die vallen onder categorie 6. 6 van bijlage I bij de Rie. Het gaat om de volgende categorieën: * 6. 6a: veehouderijen met meer dan 40. 000 plaatsen voor pluimvee; * 6. 6b: veehouderijen met meer dan 2. 000 plaatsen voor mestvarkens van meer dan 30 kg; * 6. 6c: veehouderijen met meer dan 750 plaatsen voor zeugen. Belangrijkste BBT-conclusies BBT conclusies voor intensieve varkens- of pluimveehouderij Van belang zijnde BBT-conclusies / BREF’s BREF op en overslag bulkgoederen (BREF ESB) • • BREF Energie-efficiëntie
Toelichting per BBT-conclusie De BBT-conclusies bevatten de beste beschikbare technieken voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij. Deze zijn onderverdeeld in algemene BBT-conclusies die voor zowel de varkenshouderij als de pluimveehouderij gelden (hoofdstuk 1) en specifieke BBT-conclusies voor de
varkenshouderij (hoofdstuk 2) en specifieke BBT-conclusies voor de pluimveehouderij (hoofdstuk 3) Van alle technieken die zijn genoemd in de BBT-conclusies is in hoofdstuk 4 van de BBTconclusies een omschrijving gegeven, waarbij ook voorbeelden zijn genoemd. .
Per onderdeel zijn de BBT-conclusies hieronder kort toegelicht. Daar waar Nederlandse wet- en regelgeving of een in Nederland normale landbouwpraktijk geldt, is hiernaar verwezen.
Gelijkwaardig niveau Voor alle in de BBT-conclusies genoemde technieken geldt dat de technieken die zijn opgesomd en beschreven, niet verplicht of uitputtend zijn. Er mogen andere technieken worden gebruikt die ten minste een gelijkwaardig niveau van milieubescherming garanderen. Economische haalbaarheid In de BBT-conclusies is diverse malen vermeld dat een of meer van de genoemde technieken moeten worden gebruikt. Dat impliceert dat niet alle technieken hoeven te worden toegepast, mits het doel van de BBT wordt bereikt. Bij een aantal technieken is vermeld dat hoge uitvoeringskosten of economische redenen een argument kunnen zijn om een techniek niet toe te passen. De financiële situatie van het bedrijf kan nooit een reden zijn om technieken niet toe te passen. Wel kan sprake zijn van buitensporig hoge kosten in relatie tot de milieuvoordelen (de kosteneffectiviteit) Deze kosteneffectiviteit kan wel reden zijn om een bepaalde techniek niet te gebruiken. .
BBT documenten Milieuzorg BBT 1: milieubeheersystemen
Conclusie BBT1 De inrichting heeft diverse, uitgebreide, verplichtingen op grond van hoofdstuk VI van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, voor de registratie van productie, aan- en afvoer en het gebruik van meststoffen. Deze administratie moet aan de Minister (LNV) worden verstrekt en 5 jaar op het bedrijf worden bewaard. Deze registratie omvat ook een registratie van het aantal dieren per diercategorie. Een vergelijkbare registratieplicht is ook opgenomen in artikel 3. 120 Activiteitenbesluit. Genoemde registraties dienen als basis voor het milieubeheerssysteem en worden aangevuld met gegevens over energieverbruik, waterverbruik, scholing en instructie en afvoer van afval. Voor luchtwassers zijn gedragsvoorschriften verplicht op grond van artikel 3. 125 Activiteitenbesluit. Deze eisen gelden ook voor IPPC-bedrijven.
Goede landbouwpraktijk BBT 2: goede bedrijfspraktijken BBT is om alle in de tabel genoemde technieken toe te passen. Een deel hiervan volgt al uit het Activiteitenbesluit of de Wet milieubeheer. Afhankelijk van de activiteiten kunnen voorschriften in de omgevingsvergunning nodig zijn.
A
Techniek De installatie/boerderij en de activiteiten zo te situeren dat: het vervoer van dieren en materialen (met inbegrip van mest) beperkt wordt; voldoende afstand wordt gehouden tot gevoelige receptoren die bescherming behoeven;
Toepasbaarheid Niet toepasbaar bij een bestaande situatie
rekening wordt gehouden met de klimatologische omstandigheden (bv. wind en neerslag) ; rekening wordt gehouden met de mogelijke toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de boerderij; Personeel voorlichten en opleiden, met name inzake: de relevante regelgeving, veehouderij, diergezondheid en dierenwelzijn, mestbeheer, veiligheid van werknemers; het vervoeren en uitrijden van mest; de planning van de activiteiten; noodplannen en crisisbeheer; Een noodplan opstellen voor het aanpakken van onverwachte emissies en incidenten zoals de verontreiniging van waterlichamen. Dit kan het volgende omvatten: een plattegrond van de inrichting met daarop drainagesystemen en de oorsprong van het water en het -
B
C
Algemeen toepasbaar
Algemeen toepasbaar
afvalwater actieplannen met de reactie op bepaalde incidenten bij bijvoorbeeld brand, lekkages en/of instorting beschikbare uitrusting om een verontreinigingsincident aan te pakken, denk hierbij aan afsluiten drainagebuizen, afdammen greppels en/of olieschermen Het regelmatig controleren, herstellen en onderhouden van constructies en uitrusting zoals: drijfmestreservoirs (controle op tekenen van beschadiging, aantasting, lekkage) ; drijfmestpompen, -mixers, -scheiders, -irrigatoren; systemen voor de toevoer van water en voeder; ventilatiesystemen en temperatuursensoren; silo's en transportuitrusting (bv. kleppen, leidingen) ; luchtzuiveringssystemen (bv. door regelmatige -
D
inspecties)
E
Algemeen toepasbaar
.
Hieronder kunnen ook de hygiëne van de boerderij en plaagbestrijding vallen. Het zodanig opslaan van dode dieren dat emissies worden voorkomen of verminderd.
Algemeen toepasbaar
Conclusie BBT2 Een aantal genoemde technieken onder a zijn onderdeel van het beoordelingskader bij een aanvraag omgevingsvergunning. Scholing en instructie van personeel (b) is standaard bedrijfspraktijk. Het opstellen van een noodplan (c) valt onder Titel 17. 1 van de Wet Milieubeheer “Maatregelen bij een ongewoon voorval”. Voor controle en onderhoud (d) is onderhoud van huisvestingssystemen geregeld in artikel 3. 123 Activiteitenbesluit en specifiek voor luchtwassers in artikel 3. 125 Activiteitenbesluit. Deze eisen gelden ook voor IPPC-bedrijven. Onderhoud van andere installaties vanwege het voorkomen of beperken van nadelige gevolgen voor het milieu is onderdeel van de zorgplicht in artikel 2. 1 Activiteitenbesluit. Deze zorgplicht geldt alleen voor zover de activiteiten zijn geregeld in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. Voor het opslaan van dode dieren (e) is paragraaf 3 van de Regeling dierlijke producten van toepassing. Binnen de inrichting wordt voldaan aan BBT2 voor zover toepasbaar.
Voedingsbeheer BBT 3: stikstofuitscheiding en de bijbehorende BBT 24 Monitoring BBT 4: fosforuitscheiding en de bijbehorende BBT 24 Monitoring
A
B
C
D
Techniek Het gehalte aan ruwe eiwitten verminderen door een Nevenwichtig dieet op basis van de energiebehoeften en verteerbare aminozuren. Meerfasevoedering met een aan de specifieke eisen van de productieperiode aangepaste dieetformule Toevoeging van gecontroleerde hoeveelheden essentiële aminozuren aan voeding met een laag gehalte aan ruwe eiwitten
Het gebruik van toegestane toevoegmiddelen voor diervoeding die zorgen voor een verlaging van de totale
Toepasbaarheid Algemeen toepasbaar
Algemeen toepasbaar De toepasbaarheid is mogelijk beperkt wanneer voeder met een laag eiwitgehalte niet economisch beschikbaar is. Synthetische aminozuren zijn niet toepasbaar op de biologische dierlijke productie Algemeen toepasbaar
stikstofuitscheiding Conclusie BBT 3 en 4 De uitstoot van mineralen uit mest, waar dit aspect betrekking op heeft, is geïmplementeerd in de Meststoffenwet en behoeft in de omgevingsvergunning geen verdere toets. Vanuit deze toegepaste normale landbouwpraktijk wordt voldaan aan deze BBT. Monitoring vindt op landelijk niveau plaats. Hier hoeven geen verdere voorschriften over opgenomen te worden in deze beschikking. Voor wat betreft samenstelling diervoerders geldt de Wet dieren/ Regeling diervoerders 2012, hier behoeven verder geen voorschriften gesteld te worden. Water BBT 5: efficiënt gebruik van water Om efficiënt om te gaan met water, is de BBT een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken.
A B
C D
Techniek Een register bijhouden van het watergebruik. Waterlekken opsporen en repareren. Hogedrukreinigers gebruiken voor het reinigen van stallen en uitrusting. Geschikte uitrusting selecteren en gebruiken (bv. drinknippelsystemen, ronde drinksystemen, watertroggen) voor de specifieke diercategorie en tegelijkertijd zorgen voor de beschikbaarheid van water (ad libitum) De kalibratie van de drinkwateruitrusting controleren en (zo nodig) regelmatig aanpassen. Niet-vervuild hemelwater hergebruiken als reinigingswater.
Toepasbaarheid Algemeen toepasbaar Algemeen toepasbaar Algemeen toepasbaar Algemeen toepasbaar
.
E F
Algemeen toepasbaar Wegens de hoge kosten mogelijk niet toepasbaar op bestaande boerderijen. De
toepasbaarheid is mogelijk beperkt door risico's voor de bioveiligheid.
BBT 6: productie afvalwater Om de productie van afvalwater te verminderen, is de BBT een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken.
A B
C
Techniek De vervuilde zones van het erf zo klein mogelijk houden. Zo weinig mogelijk water gebruiken. Niet-verontreinigd hemelwater scheiden van het te zuiveren
Toepasbaarheid Algemeen toepasbaar Algemeen toepasbaar Algemeen toepasbaar
afvalwater. BBT 7: emissies via afvalwater Om emissies van afvalwater in water te verminderen, is de BBT één of een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken Techniek A B
C
Afvalwater afvoeren naar een speciale opvangbak of naar een drijfmestreservoir. Afvalwater zuiveren Verspreiding van afvalwater over het land door bijvoorbeeld gebruik te maken van een irrigatiesysteem zoals sproeiers, mobiele sproei-installaties, tankers of navelstrenginjectoren.
Toepasbaarheid Algemeen toepasbaar Algemeen toepasbaar De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door de beperkte beschikbaarheid van geschikte grond die aan de boerderij grenst. Alleen toepasbaar op afvalwater waarvan is aangetoond dat het slechts in geringe mate is vervuild.
Conclusie BBT 5-6-7 In deze BBT's worden een aantal waterbesparende maatregelen en afvalwater beperkende technieken beschreven. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het gebruik van hogedrukreinigers welke zuiniger zijn bij het schoonspuiten van stallen, het ijken, controleren en onderhouden van de drinkwaterinstallatie, het bijhouden van het waterverbruik en de vervuilde zones van het erf zo klein mogelijk te houden. Hiervoor zijn de voorschriften zoals deze zijn opgenomen in het Activiteitenbesluiten rechtstreeks werkend. Het betreft de onderstaande paragrafen: het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het uitwendig wassen van motorvoertuigen en • werktuigen, paragraaf 3. 3. 2 (artikelen 3. 23a tot en met 3. 25) ; het lozen van het spuiwater uit een luchtwassysteem, artikel 3. 126; • het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het reinigen van dierenverblijven, artikel 3. 127. • Een aantal technieken zijn onderdeel van deze normale landbouwpraktijk. Voor het uitrijden van afvalwater gelden eveneens de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en voor het lozen van afvalwater met meststoffen geldt het Besluit gebruik meststoffen.
De voorschriften voor het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het inwendig reinigen van veewagens gelden in samenhang met de voorschriften voor het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij het uitwendig wassen van motorvoertuigen en werktuigen uit het Activiteitenbesluit. Het inen uitwendig reinigen van de veewagens gebeurt immers boven dezelfde reinigings- en ontsmettingsplaats voor veewagens. Het spoelwater wordt opgevangen in een bufferput. Het spuiwater van de luchtwasser wordt afgevoerd naar de spuitwateropslag. De inrichting beschikt over 3 spuiwateropslagen van ieder 50 m 3 Hierna wordt het spuiwater afgevoerd naar een erkend verwerker. Het bedrijf beschikt in de beoogde situatie over een infiltratievijver voor hemelwater en met een overloop in de naastgelegen loop. .
Energie BBT 8: energiebesparing Om efficiënt om te gaan met energie op een boerderij, is de BBT een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken.
A
Techniek Hoogrenderende verwarmings-, koel- en ventilatiesystemen.
B
Optimalisering van verwarmings-, koel- en ventilatiesystemen
Toepasbaarheid Mogelijk niet toepasbaar op bestaande installaties Algemeen toepasbaar
en het beheer daarvan, met name wanneer
C
D E
F
G
luchtzuiveringssystemen worden gebruikt. Isolatie van de muren, vloeren en/of plafonds van de stallen
Het gebruik van energie-efficiënte verlichting. Het gebruik van warmtewisselaars. Een van de volgende systemen kan worden gebruik: 1. Lucht-lucht 2. Lucht-water 3. Lucht-grond Het gebruik van warmtepompen voor warmteterugwinning.
Warmteterugwinning met verwarmd en gekoeld, van strooisel voorzien vloeroppervlak (combideck systeem) Toepassen van natuurlijke ventilatie. .
H
Is mogelijk niet toepasbaar op installaties waar natuurlijke ventilatie wordt gebruikt. Isolatie is mogelijk niet toepasbaar op bestaande installaties op grond van structurele beperkingen. Algemeen toepasbaar Lucht-grond-warmtewisselaars zijn alleen toepasbaar indien er ruimte beschikbaar is omdat zij een grote grondoppervlakte vereisen. De toepasbaarheid van warmtepompen op basis van de terugwinning van geothermische warmte is beperkt wanneer wegens de beschikbare ruimte horizontale buizen worden gebruikt. Niet toepasbaar op installaties voor varkens. Niet toepasbaar op installaties met een gecentraliseerd ventilatiesysteem.
Bij installaties voor varkens is dit mogelijk niet toepasbaar op:
stalsystemen met van strooisel voorziene vloeren in een warm klimaat; stalsystemen zonder van strooisel voorziene vloeren of zonder overdekte, geïsoleerde boxen (bv. kennels) in een koud klimaat. Bij installaties voor pluimvee is dit mogelijk niet toepasbaar: tijdens de eerste fase van het fokken, met uit zondering van de eendproductie; als gevolg van extreme klimaatomstandigheden. -
Conclusie BBT 8 Om te voldoen aan deze BBT-conclusie kan worden aangesloten bij de eisen in artikel 2. 15 Activiteitenbesluit. Energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar zijn verplicht bij een energieverbruik van meer dan 50. 000 kilowattuur aan elektriciteit of 25. 000 kubieke meter aardgasequivalenten aan brandstoffen. In bijlage 10 van de Activiteitenregeling zijn voor de agrarische sector erkende maatregelen opgenomen. Deze maatregelen geven een meer gedetailleerde invulling aan de technieken in deze BBT-conclusie. In bijlage is aangegeven welke energiebesparende systemen worden toegepast. In de vergunning wordt een voorschrift toegevoegd dat het bedrijf na realisatie van de aangevraagde situatie een energiebesparingsonderzoek moet maken waarbij gekeken wordt of naast de reeds toegepaste technieken nog ander technieken toepasbaar zijn.
Geluid BBT 9: geluidbeheersplan Om geluidsemissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de BBT het opzetten en uitvoeren van een geluidsbeheersplan, als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) dat de volgende elementen omvat: i. een protocol met passende acties en tijdschema's; ii. een protocol voor de monitoring van geluid; iii. een protocol voor de reactie op geconstateerde geluidsgebeurtenissen; iv. een programma voor geluidsvermindering om bv. de bron (nen) op te sporen, de geluidsemissies te monitoren, de bijdragen van de bronnen te karakteriseren en maatregelen voor de eliminatie en/of vermindering van geluidsemissies te nemen; v. een herziening van de historische geluidsincidenten en corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geluidsincidenten. ,
Toepasbaarheid
BBT 9 is alleen toepasbaar in gevallen waar geluidshinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd.
Conclusie BBT 9 Het is BBT om een geluidsbeheerplan op te zetten en na te leven en om één of een combinatie van de technieken te gebruiken om geluidsemissies te voorkomen of te beperken. Een geluidsbeheersplan is alleen van toepassing wanneer geluidshinder wordt verwacht of is aangetoond. Dit is geïmplementeerd in de vergunningverlening door de toetsing de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (handreiking) Wanneer niet aan de vergunningvoorschriften wordt voldaan, die volgen uit de toetsing aan de handreiking, wordt daarop gehandhaafd. .
Uit de bijgevoegde geluidnotitie die is opgesteld door het bedrijf en onderdeel uitmaakt van de aanvraag blijkt dat aan de normen wordt voldaan. Het opstellen van een geluidsbeheerplan is daarom niet nodig. Door het volgen van de Handreiking en voldoen aan de gestelde geluidsvoorschriften wordt aan deze BBT voldaan. BBT 10: geluidsemissies Om geluidsemissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de BBT één of een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken.
A
Techniek Voldoende afstand in acht nemen tussen
installatie/inrichting en gevoelige receptoren
Omschrijving Bij de planning van de installatie/inrichting wordt voldoende afstand tussen de installatie/inrichting en de gevoelige receptoren gewaarborgd door het toepassen van de minimale
Toepasbaarheid Mogelijk niet algemeen toepasbaar op bestaande
installaties/inrichtingen
standaardafstanden B
Locatie van de uitrusting
C
Operationele maatregelen
Het geluidsniveau kan worden verminderd door: 1. de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger te vergroten (door de uitrusting zo ver mogelijk van de gevoelige receptoren te plaatsen 2. de lengte van ed voederdistributiepijpen zo klein mogelijk houden 3. voederbakken en – silo’s zo te plaatsen dat voertuigbewegingen op de inrichting tot een minimum te beperken Hieronder vallen maatregelen zoals: 1. indien mogelijk deuren en grote openingen van het
Voor de bestaande installaties zijn de mogelijkheden voor het verplaatsen mogelijk beperkt door het gebrek aan ruimte of buitensporige kosten.
Algemeen toepasbaar
D
Geluidsarme uitrusting
E
Uitrusting voor lawaaibeheersing
F
Lawaaibestrijding
gebouw sluiten, met name tijdens voederen 2. uitrusting laten bedienen door ervaren personeel 3. indien mogelijk lawaaierige activiteiten ’s nachts en tijdens weekend vermijden 4. maatregelen treffen voor lawaaibeheersing tijdens onderhoudswerkzaamheden 5. transportbanden en transportschroeven zo veel mogelijk gevuld gebruiken 6. de te schrapen buitenoppervlakken zo klein mogelijk houden om zoveel mogelijk lawaai van trekkers met schuiven te beperken Het gaat hierbij onder meer om uitrusting zoals: 1. hoogrenderende ventilatoren wanneer natuurlijke ventilatie niet mogelijk of voldoende is 2. pompen en compressoren 3. voedersysteem waarmee eetstimulans wordt verminderd (bv vultrechters, passieve ad libitum voedering, compacte voerinstallatie Het gaat hierbij onder meer om: 1. lawaaibeperkende maatregelen 2. trillingsinstallatie 3. afscherming van lawaaierige uitrusting (bv molens, pneumatische transportbanden 4. geluidsisolatie van gebouwen
De verspreiding van lawaai kan worden verminderd door obstakels tussen zender en ontvanger te plaatsen
Conclusie BBT 10 Uit de geluidnotitie die is opgesteld door het bedrijf en onderdeel uitmaakt van
BBT7. d. iii is algemeen toepasbaar op installaties voor varkens Passieve ad libitum voederinstallaties zijn alleen toepasbaar indien de uitrusting nieuw is of vervangen wordt, of wanneer dieren niet aan beperkte voedering zijn onderworpen. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt door eisen inzake beschikbare ruimte alsmede gezondheidsen veiligheidskwesties Niet toepasbaar op geluidsabsorberende materialen die de doeltreffende reiniging van de installatie verhinderen.
Om bioveiligheidsredenen mogelijk niet algemeen toepasbaar
de aanvraag en gezien er geen geluidsklachten bekend zijn wordt voldaan aan BBT 10. BBT 11: stofemissies
Om stofemissies van elke stal te verminderen, is de BBT één of een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken.
A
Techniek De stofproductie in de stallen verminderen. Hiertoe kan een combinatie van de volgende technieken worden gebruikt: 1. grover strooisel gebruiken (bijvoorbeeld lang stro of houtkrullen in plaats van gehakseld stro) ; 2. vers strooisel aanbrengen door toepassing van een techniek die weinig stof veroorzaakt (bv. met de
Toepasbaarheid 1. Lang stro is niet toepasbaar bij drijfmestsystemen 2 t/m 5. Algemeen toepasbaar. 6. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt om redenen van dierenwelzijn.
hand) ; 3. 4.
B
ad libitum-voedering toepassen; vochtig voeder of voeder in pellets gebruiken of olieachtige grondstoffen of bindmiddelen toevoegen in droogvoersystemen; 5. stofafscheiders installeren in opslagruimten voor droog diervoeder die pneumatisch worden gevuld; 6. het interne ventilatiesysteem ontwerpen voor en gebruiken met lage luchtsnelheden. De stofconcentratie binnen verminderen door een van de volgende technieken toe te passen: 1. waterverneveling; 2. olieverneveling; 3. ionisatie;
1. De toepasbaarheid is mogelijk beperkt doordat de dieren tijdens de verneveling een temperatuurdaling ondervinden, met name tijdens levensfasen waarin zij kwetsbaar zijn en/of in het geval van een koud en/of vochtig klimaat. De toepasbaarheid is mogelijk ook beperkt voor vastemestsystemen aan het einde van de opfokperiode wegens te hoge ammoniakemissies. 2. Alleen toepasbaar op pluimvee-installaties met dieren ouder dan ongeveer 21 dagen. De toepasbaarheid voor installaties voor legkippen is mogelijk beperkt wegens het risico van verontreiniging van de in de stal aanwezige uitrusting. 3. Om technische en/of economische redenen mogelijk niet toepasbaar op
C
varkensinstallaties of bestaande pluimveeinstallaties. 1. Alleen toepasbaar op installaties met een tunnelventilatiesysteem. 2. Alleen toepasbaar op pluimvee-installaties met een tunnelventilatiesysteem. 3 t/m 6. Deze techniek is mogelijk niet algemeen toepasbaar wegens de hoge uitvoeringskosten. Alleen toepasbaar op bestaande installaties waar een centraal ventilatiesysteem wordt gebruikt. 7. Alleen toepasbaar op
Behandeling van afvoerlucht door een luchtzuiveringssysteem zoals: 1. watervanger; 2. droge filter; 3. waterwasser; 4. natte zure wasser; 5. biowasser (of biotricklingfilter) ; 6. twee- of drietrapsluchtzuiveringssysteem; 7. biofilter.
drijfmestinstallaties. Vereist een voldoende grote oppervlakte buiten de stal voor het filterpakket. Deze techniek is mogelijk niet algemeen toepasbaar wegens de hoge uitvoeringskosten. Alleen toepasbaar op bestaande installaties waar een centraal ventilatiesysteem wordt gebruikt.
Conclusie BBT 11 Van BBT 11 is alleen deel a van toepassing om die reden is 11 b en c niet weergegeven. De afdelingen worden elke ronde schoongemaakt om ophoping van stof in de afdeling te voorkomen. De toepassing van luchtwassers op bijna het gehele bedrijf zorgt voor maximale reductie van emissie van fijn stof naar de omgeving.
Geur BBT 12: geurbeheersplan inclusief bijbehorende monitoring BBT 26 Om geuremissies van een boerderij te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de BBT, als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) een geurbeheersplan opzetten, uitvoeren en regelmatig evalueren met daarin de volgende elementen: i. een protocol met passende acties en tijdschema's; ii. een protocol voor de monitoring van geur; iii. een protocol voor de reactie op geconstateerde geurhinder; iv. een programma voor de voorkoming en eliminatie van geur om bijvoorbeeld de bron (nen) op te sporen, de geuremissies te monitoren (zie BBT 26) de bijdragen van de bronnen te karakteriseren en maatregelen voor de eliminatie en/of vermindering van geuremissies te ,
,
nemen; v. een herziening van de historische geurincidenten en corrigerende maatregelen en de verspreiding van kennis over geurincidenten. De bijbehorende monitoring is te vinden in BBT 26.
BBT 12 is alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd.
Conclusie BBT 12 Het bedrijf heeft met de gemeente vastgelegd in een bindende afspraak dat de overbelaste situaties voor 31-12-2025 worden opgelost door het toepassen van extra luchtwassers op het bedrijf. De bindende afspraak met boetebeding word vastgelegd in de omgevingsvergunning. Door deze afspraak is er dadelijk geen sprake meer van een overbelaste situatie en hoeft er geen geurbeheersplan te worden opgesteld. BBT 13 geuremissies voorkomen Om geuremissies en/of geureffecten van een boerderij te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de BBT een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken.
A
B
C
Techniek Voldoende afstand in acht nemen tussen de boerderij/installatie en de gevoelige receptoren. Een stalsysteem gebruiken dat één of een combinatie van de volgende beginselen hanteert: de dieren en oppervlakken droog en schoon houden (bv. vermijden dat voeder wordt gemorst, het vermijden van mest in ligruimtes met gedeeltelijke roostervloer) ; het emitterend mestoppervlak verkleinen (bv. gebruikmaken van metalen of kunststofroosters, kanalen met een beperkt blootgesteld mestoppervlak) ; mest regelmatig afvoeren naar een externe (overdekte) mestopslagplaats; de temperatuur van de mest (bv. door drijfmestkoeling) en de binnentemperatuur verlagen; de luchtstroming en -snelheid over het mestoppervlak verminderen; het strooisel in systemen op basis van strooisel droog en onder aerobe omstandigheden houden. De wijze waarop afvoerlucht uit de stallen wordt verwijderd optimaliseren door één of een combinatie van de volgende technieken te gebruiken: de hoogte van de afvoerbuis vergroten (bv. de lucht boven de dakhoogte afvoeren, schoorstenen, luchtafvoer door de nok in plaats van door het lage deel van de
muren) ; -
de verticale afvoersnelheid verhogen; aan de buitenzijde efficiënte barrières (bv. vegetatie) plaatsen om turbulentie in de afvoerluchtstroom te
creëren;
Toepasbaarheid Mogelijk niet algemeen toepasbaar op bestaande
boerderijen/installaties. Om redenen van dierenwelzijn is het verlagen van de temperatuur van de binnenlucht en het verminderen van de luchtstroming en -snelheid mogelijk niet toepasbaar. De verwijdering van drijfmest door spoelen is wegens geurpieken niet toepasbaar op varkensbedrijven in de nabijheid van gevoelige receptoren. Zie toepasbaarheid voor stallen in BBT 30, BBT 31, BBT 32, BBT 33 en BBT 34. De aanpassing van de oriëntatie van de as van de nok is niet toepasbaar op bestaande installaties.
de afvoeropeningen in het lage deel van de muren uitrusten met deflectoren om de afvoerlucht naar de grond te leiden; de afvoerlucht lozen aan de stalzijde die van de gevoelige receptor is afgewend; de as van de nok van een natuurlijk geventileerd gebouw dwars op de overheersende windrichting oriënteren. Een luchtzuiveringssysteem gebruiken zoals: 1. biowasser (of biotricklingfilter) ; 2. biofilter 3. twee- of drietrapsluchtzuiveringssysteem -
D
Deze techniek is mogelijk niet algemeen toepasbaar wegens de hoge uitvoeringskosten. Alleen toepasbaar op bestaande installaties waar een centraal ventilatiesysteem wordt gebruikt. Een biofilter is alleen toepasbaar op
drijfmestinstallaties. Een biofilter vereist een voldoende grote oppervlakte buiten de stal voor de
filterpakketten. E
F
G
Voor de opslag van mest één of een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken: 1. opgeslagen drijfmest of vaste mest afdekken; 2. de locatie van de opslagplaats bepalen rekening houdend met de algemene windrichting en/of maatregelen nemen ter vermindering van de windsnelheid rond en boven de opslagplaats (bv. bomen, natuurlijke barrières) ; 3. het roeren van drijfmest tot een minimum beperken. Mest verwerken door middel van een van de onderstaande technieken om geuremissies tijdens (of voor) het uitrijden tot een minimum te beperken: 1. aerobe vergisting (door beluchting) van drijfmest; 2. compostering van vaste mest; 3. anaerobe vergisting. Voor het uitrijden van mest één of een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken: 1. rijenbemesters, ondiepe of diepe drijfmestinjectoren; 2. mest zo snel mogelijk onderwerken.
1. Zie toepasbaarheid van BBT 16. b voor drijfmest. Zie toepasbaarheid van BBT 14. b voor vaste mest. 2. Algemeen toepasbaar 3. Algemeen toepasbaar
1. 2. 3. 1.
2.
Zie toepasbaarheid van BBT 19. d. Zie toepasbaarheid van BBT 19. f. Zie toepasbaarheid van BBT 19. b Zie toepasbaarheid van BBT 21. b, BBT 21. c of BBT 21. d. Zie toepasbaarheid van BBT 22.
Conclusie BBT 13 Als voldoende afstand aanwezig is tussen veehouderij en geurgevoelige objecten wordt voldaan aan de eerstgenoemde techniek. Beoordeeld moet worden welke andere technieken voor die specifieke situatie aanvullend nodig zijn. Een aantal van de genoemde technieken zijn ook onderdeel van emissiearme huisvestingssystemen en reduceren zowel ammoniak als geur. Alternatieve gelijkwaardige technieken kunnen management- of ventilatiemaatregelen zijn. Een ventilatiemaatregel heeft effect op de invoergegevens van V-stacks waardoor de verspreiding van geur verbetert. Denk aan het verhogen of verplaatsen van het emissiepunt of het verhogen van de
uittreesnelheid. Deze technieken worden toegepast op de luchtwassers op het bedrijf Het bedrijf verwerkt geen mest op locatie dus is niet van toepassing op deze situatie. Aangezien de inrichting stalsystemen toepast die genoemd zijn in de Regeling geurhinder en veehouderij wordt voldaan aan deel B van BBT 13. .
Opslag vaste mest BBT 14: emissies naar lucht Om emissie van de opslag van vaste te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de BBT een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken.
B
Techniek De verhouding tussen het emitterend oppervlak en het volume van de mesthoop verkleinen. Mesthopen afdekken
C
Gedroogde vaste mest opslaan in een schuur
A
Toepasbaarheid Algemeen toepasbaar. Algemeen toepasbaar wanneer de vaste mest in de stallen wordt gedroogd of voorgedroogd. Mogelijk niet toepasbaar op niet-gedroogde mest als de mesthoop vaak wordt aangevuld. Algemeen toepasbaar.
Conclusie BBT 14 Het Activiteitenbesluit bevat voldoende voorschriften om ammoniakemissie naar de lucht en emissies naar bodem en water vanwege het opslaan van vaste mest te voorkomen. Deze voorschriften uit hoofdstuk 3 van het AB zijn ook van toepassing op IPPC-bedrijven. BBT 15: emissies naar water en bodem Om emissie naar water en bodem van de opslag van vaste te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de BBT een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken. Techniek A B
C
D
E
Gedroogde vaste mest opslaan in een schuur Een betonnen silo gebruiken voor de opslag van vaste mest. Vaste mest opslaan op een dichte, ondoordringbare vloer die is uitgerust met een drainagesysteem en een verzameltank voor het afvloeivocht. Een opslaginstallatie kiezen met voldoende capaciteit om de vaste mest te bewaren tijdens perioden waarin niet kan worden uitgereden. Vaste mest opslaan op mesthopen die verwijderd zijn van boven- en/of ondergrondse waterlopen waarin het afvloeivocht zou kunnen terechtkomen.
Toepasbaarheid Algemeen toepasbaar Algemeen toepasbaar Algemeen toepasbaar
Algemeen toepasbaar
Alleen toepasbaar op tijdelijke mesthopen die elk jaar worden verplaatst.
Conclusie BBT 14 en BBT 15 Het Activiteitenbesluit bevat voldoende voorschriften om ammoniakemissie naar de lucht en emissies naar bodem en water vanwege het opslaan van vaste mest te voorkomen. Deze voorschriften uit hoofdstuk 3 van het AB zijn ook van toepassing op IPPC-bedrijven. De vaste mest wordt opgeslagen op een vloeistofdichte mestplaat. Deze mestplaat is uitgerust met een afvoer van het vocht naar de mestkelder.
Opslag drijfmest BBT 16: emissies naar lucht Om ammoniakemissies in de lucht uit drijfmestreservoirs te verminderen, is de BBT een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken.
A
Techniek Het drijfmest reservoir correct ontwerpen en beheren door toepassing van een combinatie van de volgende technieken: 1. De verhouding tussen het emitterend oppervlak en de inhoud van het drijfmestreservoir verkleinen 2. De windsnelheid en de uitwisseling van lucht op het oppervlak van de drijfmest te verminderen door een lager drijfmestniveau in het reservoir te handhaven 3. Het roeren van drijfmest tot een minimum beperken
Toepasbaarheid 1. Mogelijk niet algemeen toepasbaar op bestaande reservoirs. Buitensporige hoge drijfmestreservoirs zijn wegens de hoge kosten en
veiligheidsrisico’s 2.
B
Het drijfmestreservoir afdekken. Hiertoe kan een van de volgende technieken worden gebruikt. 1. Harde afdekking 2. Flexibele afdekking 3. Drijvende afdekkingen zoals: -
3. 1.
Kunststofkorrels Lichte bulkmaterialen Drijvende flexibele afdekkingen
Geometrische kunststofregels Opblaasbare afdekking
2.
Natuurlijke korst stro
3.
mogelijk niet toepasbaar Mogelijk niet algemeen toepasbaar op bestaande reservoirs. Algemeen toepasbaar Is mogelijk niet toepasbaar op bestaande installaties om economische redenen en wegen structurele beperkingen om de extra belasting te kunnen dragen Flexibele afdekkingen zijn niet toepasbaar in gebieden waar de weersomstandigheden de structuur ervan kunnen beschadigen Kunststofkorrel, lichte bulkmaterialen en geometrische kunststoftegels zijn niet toepasbaar op drijfmest waarop zich een natuurlijke korst vormt. Bewegingen in de drijfmest tijdens roeren, vullen en legen kunnen het gebruik van bepaalde
drijvende materialen verhinderen, omdat deze sedimentatie of verstoppingen in de pompen kunnen veroorzaken. Natuurlijke korstvorming is mogelijk niet toepasbaar op reservoirs waar het roeren, bijvullen en/of
aftappen van drijfmest C
Aanzuren van drijfmest
de korst instabiel maakt Algemeen toepasbaar
BBT 17: emissies uit lagune Om ammoniakemissies in de lucht uit een drijfmestlagune te verminderen, is de BBT een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken A B
Techniek Het roeren van drijfmest tot een minimum te beperken De drijfmestlagune afdekken met een flexibele en/of drijvende afdekking zoals: Flexibele kunststof zeilen Lichte bulkmaterialen Natuurlijke korst stro
Toepasbaarheid Algemeen toepasbaar. Kunststofzeilen zijn om structurele redenen mogelijk niet toepasbaar op grote bestaande lagunes. Stro en licht bulkmateriaal zijn mogelijk niet toepasbaar op grote lagunes waar het door de speling van de wind niet mogelijk is de lagune volledig afgedekt te houden. Lichte bulkmaterialen en geometrische kunststoftegels zijn niet toepasbaar op drijfmest waarop zich een natuurlijke korst vormt. Bewegingen in de drijfmest tijdens roeren, vullen en legen kunnen het gebruik van bepaalde drijvende materialen verhinderen, omdat deze sedimentatie of verstoppingen in de pompen kunnen veroorzaken. Natuurlijke korstvorming is mogelijk niet toepasbaar op in koude klimaten en/of bij
drijfmest met een laag drogestof gehalte.
B
Mesthopen afdekken
C
Gedroogde vaste mest opslaan in een schuur
Natuurlijke korstvorming is mogelijk niet toepasbaar op lagunes waar het roeren, bijvullen en/of aftappen van drijfmest de korst instabiel maakt Algemeen toepasbaar wanneer de vaste mest in de stallen wordt gedroogd of voorgedroogd. Mogelijk niet toepasbaar op niet-gedroogde mest als de mesthoop vaak wordt aangevuld. Algemeen toepasbaar.
BBT 18: emissies naar water en bodem Om emissies in de bodem en het water te vermijden als gevolg van het verzamelen van drijfmest, het transport ervan via leidingen of de opslag ervan in een reservoir en/of een lagune, is de BBT een combinatie van de onderstaande technieken gebruiken. A B
C
D E
F
Techniek Reservoirs die bestand zijn tegen mechanische, chemische en thermische invloeden Een opslaginstallatie kiezen met voldoende capaciteit om de drijfmest te bewaren tijdens perioden wanneer het niet kan worden uitgereden. Lekvrije installaties bouwen en lekvrije uitrusting gebruiken voor het verzamelen en transporteren van drijfmest (bv. Putten, kanalen, drainagebuizen en pompstations) Drijfmest opslaan in lagunes met ondoordringbare bodem en wanden, bv bekleed met klei of kunststof (of dubbel bekleed) Het lekdetectie installeren, bv bestaande uit een geomembraan, een drainagelaag en een systeem van drainagebuizen De structurele dichtheid en stabiliteit van de reservoirs minimaal één keer per jaar controleren
Toepasbaarheid Algemeen toepasbaar. Algemeen toepasbaar.
Algemeen toepasbaar.
Algemeen toepasbaar op lagunes Algemeen toepasbaar op nieuwe installaties Algemeen toepasbaar.
Conclusie BBT 16-17-18 De voorschriften in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit omvatten eisen om emissies naar lucht, water en bodem vanwege het opslaan van drijfmest te voorkomen. Deze voorschriften zijn ook van toepassing op IPPC-veehouderijen. Er is geen lagune aanwezig op de locatie. De mest wordt opgeslagen in de mestkelders onder de stallen.
Verwerking van mest op de boerderij BBT 19: toepassen mestverwerkingstechnieken
Om emissies stikstof-, fosfor- en geuremissies en ziekteverwekkers naar lucht en bodem te verminderen. Als mestverwerking plaatsvindt, dan zijn de genoemde technieken in ieder geval BBT. Als een andere techniek wordt toegepast, dan moet ten minste een gelijkwaardig niveau van emissies worden bereikt. A
Techniek Mechanisch scheiden van drijfmest. Dit omvat bijvoorbeeld: - scheiding d. m. v. schroefpers; - scheiding d. m. v. decanteercentrifuge; -
coagulatie-flocculatie;
-
scheiding d. m. v. zeven;
-
filterpersen.
B
Anaerobe vergisting van mest in een biogasinstallatie.
C
Gebruik van een externe tunnel voor het drogen van mest.
D
Aerobe vergisting (door beluchting) van drijfmest.
E
Nitrificatie-denitrificatie van drijfmest.
Toepasbaarheid Alleen toepasbaar indien: - een vermindering van het stikstof- en fosforgehalte nodig is omdat slechts een beperkte landoppervlakte beschikbaar is voor het op- of inbrengen van mest; - mest niet kan worden uitgereden tegen redelijke kosten. Polyacrylamide is mogelijk niet toepasbaar als vlokmiddel wegens het risico van de vorming van acrylamide. Anaerobe vergisting van mest in een biogasinstallatie. Deze techniek is mogelijk Alleen toepasbaar op mest van installaties voor legkippen. Niet toepasbaar op bestaande installaties zonder mestbanden. Alleen toepasbaar wanneer pathogeen- en geurvermindering vóór het uitrijden belangrijk is. In een koud klimaat kan het moeilijk zijn gedurende het winterseizoen het vereiste niveau van beluchting te handhaven. Alleen toepasbaar op nieuwe installaties/boerderijen. Alleen toepasbaar op bestaande
installaties/boerderijen wanneer de verwijdering van
stikstof noodzakelijk is omdat
F
Compostering van vaste mest.
slechts een beperkte landoppervlakte beschikbaar is voor het op- of inbrengen van mest. Alleen toepasbaar indien:
-
-
-
de mest niet kan worden uitgereden tegen redelijke kosten; pathogeen- en geurvermindering vóór het uitrijden belangrijk zijn; er voldoende ruimte op de boerderij is om zwaden aan te leggen.
Conclusie BBT 19 Er vindt binnen de inrichting geen mestverwerking plaats, toets aan BBT 19 niet van toepassing. Mest uitrijden BBT 20: voorkomen stikstof en fosforemissie BBT 21: ammoniakemissie BBT 22: onderwerken mest De regels voor het uitrijden van mest zijn opgenomen in het Besluit gebruik meststoffen.
Conclusie BBT 20-21-22 De regels voor het emissiearm uitrijden van mest zijn opgenomen in het Besluit gebruik meststoffen, welke is gebaseerd op de Wet bodembescherming. Door deze regels is de toepassing van BBT gewaarborgd. Overigens is het uitrijden van mest geen onderdeel van de inrichting, zodat hiervoor geen eisen kunnen worden gesteld in de omgevingsvergunning van deze inrichting.
Gehele productieproces BBT 23: berekenen ammoniakemissie
Om de ammoniakemissies uit het gehele productieproces van varkenshouderij (met inbegrip van zeugen) te verminderen, is de BBT de vermindering van de ammoniakemissies uit het gehele productieproces ramen of berekenen door middel van de op de boerderij geïmplementeerde BBT. In paragraaf 3. 4. 7 van het Activiteitenbesluit worden eisen gesteld aan de opslag van agrarische bedrijfsstoffen. Deze eisen gelden ook voor de opslag van bijvoedermiddelen die niet verpompbaar zijn. Doordat deze paragraaf een rechtstreekse werking heeft worden voor de opslag van niet verpompbare bijproducten geen voorschriften in de vergunning opgenomen. Binnen de inrichting wordt gebruik gemaakt van mengvoeders.
,
Geur brijvoer
In de inrichting wordt geen gebruik gemaakt van brijvoer.
Conclusie BBT 23 Gezien het bovenstaande en de registraties uit BBT 1 is het niet noodzakelijk verder eisen te stellen om te voldoen aan BBT 23.
Monitoring BBT 24: monitoring voedingsbeheer De BBT is de totaal uitgescheiden stikstof en fosfor in mest met ten minste de hieronder vermelde frequentie monitoren door een van de onderstaande technieken te gebruiken. Techniek
Frequentie
Toepasbaarheid
A
Berekening aan de hand van de massabalans van stikstof en fosfaat op basis van de voederinname, het gehalte aan ruwe eiwitten in het dieet, het totale fosforgehalte en de prestaties van de dieren. Raming van het totale stikstof- en fosforgehalte op basis van mestanalyse
B
Eenmaal per jaar voor elke diercategorie
Algemeen toepasbaar
Eenmaal per jaar voor elke diercategorie
Algemeen toepasbaar
Conclusie BBT 24 Zie BBT 3 en BBT 4 BBT 25: monitoring ammoniak De BBT is ammoniakemissies in de lucht met ten minste de hieronder vermelde frequentie monitoren door een van de onderstaande technieken te gebruiken. A
B
C
Techniek Raming aan de hand van de massabalans op basis van de uitscheiding en de totale stikstof (of totale ammoniumstikstof) die in elke fase van het mestbeheer aanwezig is Berekening aan de hand van de ammoniakconcentratie en de ventilatiesnelheid op basis van ISO-, nationale of internationale standaardmethoden of andere methoden die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt
Frequentie Eenmaal per jaar voor elke diercategorie
Toepasbaarheid Algemeen toepasbaar
Telkens wanner zich aanzienlijke wijzigingen voordoen in ten minste 1 van de volgende parameters: het type op de boerderij gefokte dieren het stalsysteem
Raming op basis van emissiefactoren
Eenmaal per jaar voor elke diercategorie
Alleen toepasbaar op emissies van elke stal Niet toepasbaar op installaties waar in luchtzuiveringssysteem is geïnstalleerd. In dat geval is BBT 28 toepasbaar Wegens de kosten van de metingen is deze techniek mogelijk niet algemeen toepasbaar Algemeen toepasbaar
Conclusie BBT 25 De emissiefactoren voor ammoniak zijn opgenomen in de Rav. De Rav wordt circa 2 maal per jaar gewijzigd. Wanneer er nieuwe stalsystemen zijn of nieuwe wetenschappelijke milieutechnische inzichten, worden deze verwerkt. Op basis van het aantal dieren en deze emissiefactoren kan de emissie van ammoniak worden berekend. Zolang de veehouderij in werking is binnen zijn omgevingsvergunning, is er geen reden om jaarlijks opnieuw de emissie te berekenen. Bij periodieke milieucontroles wordt het aantal dieren gecontroleerd. BBT 26: geur monitoren De BBT is geuremissies in de lucht periodiek monitoren.
Omschrijving Geuremissies kunnen worden gemonitord: aan de hand van EN-normen (bv. door middel van dynamische olfactometrie conform EN 13725 om de geurconcentratie te bepalen) .
-
Indien alternatieve methoden worden gebruikt waarvoor geen EN-normen beschikbaar zijn (bv. om de blootstelling aan geur te meten/ramen of het effect van geur te ramen) kunnen ,
ISO-normen, nationale of andere internationale normen worden gebruikt die waarborgen dat
gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt. 21. 2. 2017 NL Publicatieblad van de Europese Unie L 43/253
Toepasbaarheid BBT 26 is alleen toepasbaar in gevallen waar geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht en/of is onderbouwd.
Conclusie BBT 26
BBT 26 is gekoppeld aan BBT 12 welke eerder is behandeld. BBT 27: stof monitoren De BBT is de stofemissies van elke stal met ten minste de hieronder vermelde frequentie monitoren door een van de onderstaande technieken te gebruiken.
A
B
Techniek Berekening aan de hand van de meting van de stofconcentratie en de ventilatiesnelheid op basis van ISO-, nationale of internationale standaardmethoden of andere methoden die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt
Frequentie Eenmaal per jaar
Raming op basis van emissiefactoren
Eenmaal per jaar
Toepasbaarheid Alleen toepasbaar op stofemissie van elke stal Niet toepasbaar op installaties waar in luchtzuiveringssysteem is geïnstalleerd. In dat geval is BBT 28 toepasbaar. Wegens de kosten van de metingen is deze techniek mogelijk niet algemeen toepasbaar Wegens de kosten van de metingen is deze techniek mogelijk niet algemeen toepasbaar
Conclusie BBT 27 Een jaarlijkse raming op basis van emissiefactoren is een genoemde techniek om aan deze BBTconclusie te voldoen. Wanneer er nieuwe wetenschappelijke milieutechnische inzichten zijn worden deze met de updates verwerkt. Op basis van het aantal dieren en deze emissiefactoren kan de emissie van fijn stof worden berekend. Zolang de veehouderij in werking is binnen zijn omgevingsvergunning, is er geen reden om jaarlijks opnieuw de emissie te berekenen Bij periodieke milieucontroles wordt het aantal dieren gecontroleerd. BBT 28: monitoren van ammoniak en fijn stof emissies bij stallen met luchtzuiveringsinstallaties De BBT is de ammoniak-, stof- en/of geuremissies van elke met een luchtzuiveringssysteem uitgeruste stal met ten minste de hieronder vermelde frequentie monitoren door alle onderstaande technieken te gebruiken. Techniek A
Controle van de prestaties van het luchtzuiveringssysteem door het meten van ammoniak, geur en/of stof onder reële boerderijomstandigheden volgens een voorgeschreven meetprotocol waarbij EN-
Frequentie eenmalig
Toepasbaarheid Niet van toepassing indien het luchtzuiveringssysteem is gecontroleerd in combinatie met een
standaardmethoden of andere methoden (ISO-normen, nationale of internationale normen) worden gebruikt die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt B
Controle van de doeltreffende werking van het luchtzuiveringssysteem (bv door het
soortgelijk stalsysteem in soortgelijke omstandigheden
Dagelijks
Algemeen toepasbaar
continu registeren van de operationele parameters of door alarmsystemen te gebruiken
Conclusie BBT 28 Het is BBT om een luchtzuiveringsinstallatie te bemeten volgens een protocol en daarnaast de werking van het systeem te monitoren. De controle van luchtzuiveringsinstallaties volgt uit de eisen in het Activiteitenbesluit, waaronder monitoring. Voor luchtwassers zijn monitoringseisen opgenomen in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit. Dit geldt ook voor IPPC-bedrijven. Daarnaast gelden voor alle luchtzuiveringsinstallaties, stalbeschrijvingen, waarin monitoringseisen zijn opgenomen om een goede werking van het systeem te garanderen. Op grond van het Activiteitenbesluit moet aan deze stalbeschrijvingen worden voldaan. Er wordt hiermee voldaan aan BBT 28. BBT 29: monitoren overige parameters De BBT is de onderstaande procesparameters ten minste eenmaal per jaar monitoren.
A
Parameter Waterverbruik
Omschrijving Registratie bv. door middel van geschikte meters of op basis van facturen. De belangrijkste waterverbruikende processen in de stallen
(schoonmaken, voederen enz. ) kunnen afzonderlijk worden B
Elektriciteitsverbruik
gemonitord. Registratie bv. door middel van geschikte meters of op basis van facturen. Het elektriciteitsverbruik van stallen wordt afzonderlijk van de andere boerderijinstallaties gemonitord. De belangrijkste energieverbruikende processen in de stallen (verwarming, ventilatie, verlichting enz. ) kunnen
Toepasbaarheid De belangrijkste waterverbruikende processen
afzonderlijk
monitoren is mogelijk niet toepasbaar op bestaande boerderijen, afhankelijk van de opstelling van het waterleidingnet.
De belangrijkste elektriciteitsverbruikende processen
afzonderlijk
monitoren is mogelijk niet toepasbaar op bestaande boerderijen, afhankelijk van de opstelling van het elektriciteitsnet.
afzonderlijk worden C
Brandstofverbruik
D
E
Aantal binnenkomende en uitgaande dieren, in voorkomend geval met inbegrip van geboorten en sterfgevallen Voederconsumptie
F
Mestproductie
gemonitord. Registratie bv. door middel van geschikte meters of op basis van
Algemeen toepasbaar
facturen. Registratie bv. in bestaande registers.
Algemeen toepasbaar
Registratie bv. op basis van facturen of in bestaande registers. Registratie bv. in bestaande registers.
Algemeen toepasbaar
Algemeen toepasbaar
Conclusie BBT 29 Het is BBT om diverse parameters ten minste jaarlijks te registreren. Dit kan ook als onderdeel van het milieubeheerssysteem onder BBT 1 worden gedaan. BBT 30: BBT conclusies voor intensieve varkenshouderij Het is BBT om de ammoniakemissies in de lucht te verminderen door één of een combinatie van de genoemde technieken te gebruiken. Daarnaast moet elke stal voldoen aan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN's) Vermeld is dat het BBT-GEN mogelijk niet geldt voor biologische dierlijke productie. In Nederland zijn de BBT-GEN’s opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Als een emissiearme techniek wordt toegepast die is opgenomen in de Rav en waarvan de emissiefactor lager is dan de maximale emissiewaarde wordt voldaan aan deze BBT-conclusie. .
Conclusie BBT 30 In de bijlage bij de aanvraag is dit verder uitgewerkt en getoetst en het bedrijf voldoet aan de gestelde criteria. De Richtlijn Industriële Emissies (2010/75/EU) is sinds 1 januari 2013 verwerkt in de Nederlandse weten regelgeving. Bijlage I van de richtlijn geeft aan wanneer het een IPPC-installatie betreft. De IPPC richtlijn beoogt een geïntegreerde preventie en beperking van verontreiniging door industriële activiteiten tot stand te brengen. Grotere agrarische bedrijven vallen hier ook onder. De grens voor een vleesvarkensbedrijf ligt op 2. 000 vleesvarkens en of 750 zeugen. Volgens de IPPC-richtlijn moeten de best beschikbare technieken worden toegepast en er mag geen belangrijke verontreiniging worden veroorzaakt.
Op 25 juni 2007 is de “Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij” vastgesteld. De “Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij” is bedoeld als handreiking voor het uitvoeren van de omgevingstoetsing die op grond van de IPPC-richtlijn ten aanzien van de ammoniakemissie vanuit veehouderijen dient te worden uitgevoerd. Deze verplichting is overgenomen in de onlangs gewijzigde Wet ammoniak en veehouderij. Met behulp van de beleidslijn kan het bevoegde gezag beslissen of en in welke mate vanwege de lokale milieuomstandigheden strengere emissie-eisen in de milieuvergunning moeten worden opgenomen dan de eisen die volgen uit de toepassing van ‘beste beschikbare technieken’ (BBT) .
Voornoemde uitgangspunten zijn als volgt in de beleidslijn uitgewerkt.
Ten aanzien van uitbreiding van een IPPC-veehouderij geldt de volgende beleidslijn: Bij uitbreiding kan worden volstaan met toepassing van BBT zolang de emissie niet meer bedraagt dan 5. 000 kg ammoniak per jaar. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding bij toepassing van BBT meer dan 5. 000 kg, dan dient boven het meerdere een extra reductie ten opzichte van BBT te worden gerealiseerd. De hoogte daarvan hangt af van de uitgangssituatie (de mate waarin BBT de ammoniakemissie reduceert) en de beschikbaarheid van verdergaande technieken in de betreffende diercategorie. Bedraagt de jaarlijkse ammoniakemissie na uitbreiding met toepassing van BBT (tot 5. 000 kg) en verdergaande technieken dan BBT (vanaf 5. 000 kg) daarna nog meer dan 10. 000 kg, dan dient boven het meerdere een reductie van circa 85% te worden gerealiseerd. In de hierna volgende tabel is voor de verschillende diercategorieën waarvoor in het Besluit emissiearme huisvesting een maximale emissiewaarde is vastgesteld (BBT/AMvB) aangegeven welke emissiegrenswaarden in het segment tussen 5. 000 en 10. 000 kg (BBT > = strenger dan BBT) en in het segment boven 10. 000 kg (BBT >> = veel strenger dan BBT) worden geadviseerd. Tussen haakjes is daarbij aangegeven hoeveel reductie daarbij wordt gerealiseerd.
Alle reductiepercentages zijn daarbij bepaald ten opzichte van traditionele huisvestingssystemen die aan de dierenwelzijnseisen voldoen (varkens) ,
.
Overzicht emissiegrenswaarden voor diercategorieën waarvoor een maximale emissiewaarde is vastgesteld (in kg NH3/dierplaats/jaar) Rav Diercategorie Tradit. BBT+ BBT++ BBT/AMvB D 1. 2 Kraamzeugen 8, 3 2, 9 (65%) 2, 5 (70%) 1, 25 (85%) 1. 3 2 2, 6 2, 3 0, 63 (85%) D Guste/dragende zeugen 4, (38%) (45%) D 3 3, 0 1, 5 (60%) 1, 1 (69%) 0, 45 (85%) Opfokzeugen/vleesvarkens D 1. 1 0, 69 0, 21 (70 %) 0, 21 (72%) 0, 10 (85 %) Gespeende biggen .
In de bijlage bij de aanvraag is dit verder uitgewerkt en getoetst en het bedrijf voldoet aan de gestelde criteria.
BREF Op- en overslag bulkgoederen (BREF ESB) De BREF ESB is van toepassing op de opslag, het transport en de verlading van vloeistoffen, vloeibare gassen en vaste stoffen bij IPPC-installaties onafhankelijk van de sector of industrie. Deze horizontale BREF gaat in op de emissies naar de lucht, bodem, water, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de emissies naar de lucht. De informatie met betrekking tot emissies van de opslag, handling en transport van vaste stoffen is toegespitst op stof. In de scope (reikwijdte) van deze BREF en de bijbehorende oplegnotitie is aangegeven dat deze BREF ingaat op alle soorten op- en overslag en dat deze relevant is voor nagenoeg alle RIEcategorieën en overige installaties wanneer de maatregelen in een redelijke verhouding staan tot de schaal van de installatie, zoals bij tank op- en overslagbedrijven. Verder is deze BREF primair gericht op de emissie ten gevolge van opslag van gevaarlijke stoffen in bulk. Aangezien bij familie van de Goor sprake is van een veehouderij en geen sprake van de grootschalige bulkopslag van milieugevaarlijke stoffen hebben wij hier bij de toetsing aan de in de BREF genoemde maatregelen rekening gehouden.
Daarnaast wordt in de oplegnotitie bij de BREF ingegaan op de relatie tussen de BREF op- en overslag en andere BREF's. In deze BREF's zijn ook technieken opgenomen voor op- en overslag. Die technieken zijn dan specifiek voor die branche. Daarbij is aangegeven dat deze specifieke maatregelen (de maatregelen uit de primaire BREF's) de voorkeur verdienen boven generieke maatregelen uit de andere BREF's) .
In het bijzonder komen voor de opslag van vloeistoffen en vloeibare gassen aan de orde de volgende tank types: • open top tank; • externe drijvende daktank; vaste daktank; • • bovengrondse horizontale opslagtank (atmosferisch) ; • verticale opslagtank (druk) ; bollen (druk) ; • • rechtopstaande opslagtank (druk) ; • lifter dak (variabele damp spatie) tank; gekoelde opslagtank • • ondergrondse opslagtank
Specifiek voor vaste stoffen komen de volgende opslagen aan de orde: • • • •
hopen; zakken en big bags; silo's en bunkers; verpakte, gevaarlijke vaste stoffen.
De andere opslagvoorzieningen die worden beschouwd zijn: • containers en de opslag van containers; bassins en lagunes; • • mijnen (atmosferisch en/of onder druk) ; • zoutkoepels; vlottende opslag. • Voor het transport en handling van vloeistoffen en vloeibare gassen worden beschouwd technieken zoals: pijpleidingen en apparatuur voor lading en verlading, zoals: kleppen, pompen, compressoren, flenzen en afdichtingen etc. Voor het transport en handling van vaste stoffen worden beschouwd technieken zoals: mobiele lasapparatuur, grijpers, dumpkuilen, vulpijpen, valriemen, transportbanden en voeders en in het geval de emissiebronnen zijn geïdentificeerd.
Opslag, transport en handling van vloeistoffen in bulk Voor de onderhavige inrichting dient op grond van de stofclassificatie en hieraan verbonden R-zinnen (in lijn met hoofdstuk 2. 1 van deze BREF) alleen de opslag van dieselolie en zwavelzuur in bovengrondse tanks te worden beschouwd. Voor wat betreft de opslag van dierlijke mest en spuiwater is geen sprake van een (milieu) gevaarlijke stof in de zin van deze BREF, zijn geen R-zinnen aan verbonden, en is daarnaast ook geen sprake van de opslag in tanks. Dit sluit aan bij de specifieke maatregelen die zijn beschreven en genoemd als BBT-maatregelen in de BREF IV voor de opslag van varkensmest. Zoals reeds eerder genoemd hebben deze specifieke maatregelen uit de primaire BREF de voorkeur boven generieke maatregelen uit de andere
BREF's) Daarbij is in de BREF Intensieve pluimvee en varkenshouderij geconcludeerd dat het voldoen aan de voorschriften uit het Activiteitenbesluit betekent toepassing van BBT voor de opslag .
van vloeibare mest.
In de onderhavige situatie vallen deze opslagen vanwege de omvang niet onder de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit, voor het stellen van voorschriften kan aansluiting worden gezocht bij de eisen uit het Activiteitenbesluit, zie ook BBT 23. In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten op het bedrijf ten minste de in aanmerking komende Best Beschikbare Technieken (BBT) worden toegepast. Voor de vergunde en aangevraagde activiteiten zijn voor een goede invulling van BBT de onderstaande in de bij de Mor behorende bijlage opgenomen Nederlandse informatiedocumenten van toepassing: NRB (Nederlandse richtlijn bodembescherming) • Verder zijn wij van mening dat de in het BREF genoemde eisen ten aanzien van het design van opslagtanks, middelen ten behoeve van inspectie en handhaving en eisen aan de locatie en kleur van de tanks in de bovenstaande paragrafen niet als BBT worden genoemd voor onderhavige situatie. BREF ESB vloeistoffen Voor het ontwerp van de opslagtanks, leidingwerk en apparatuur voor lading en verlading (o. a. kleppen, pompen en afdichtingen) voor (milieu) gevaarlijke vloeistoffen maakt familie van de Goor gebruik van daartoe gespecialiseerde en bevoegde leveranciers die, op grond van de nieuwste stand der techniek, zorg dragen voor het ontwerp en constructie hiervan.
In het ontwerptraject geeft familie van de Goor de voor het ontwerp benodigde gegevens aan bij de leverancier zoals specifieke stofgegevens en de beoogde bedrijfsvoering. In samenspraak met de leverancier worden vervolgens zaken als de materiaalkeuze en de benodigde randvoorzieningen gedefinieerd waarbij alles binnen de relevante wettelijke normen blijft. Daarbij wordt rekening gehouden dat het materiaal van de installatieonderdelen specifiek voor de te transporteren stof gemaakt is en niet gevoelig is voor corrosie en/ of daartegen beschermd.
Al het onderhoud van de opslagtanks, leidingwerk apparatuur voor lading en verlading (o. a. kleppen, pompen en afdichtingen) voor (milieu) gevaarlijke vloeistoffen wordt bewaakt middels een geautomatiseerde systeem. Hierin is voor alle installaties opgenomen wanneer deze toe zijn aan controles, inspecties en onderhoud. Verdere processturing en veiligheidsbewaking van de opslagtanks, leidingwerk en apparatuur voor lading en verlading (o. a. kleppen, pompen en afdichtingen) vindt plaats via een geautomatiseerd systeem. Aangaande eventuele noodsituaties zijn maatregelen genomen zoals een lekbak. Bij de opslag van dieselolie en zwavelzuur in horizontaal bovengrondse tanks is geen sprake van de opslag van vluchtige stoffen.