CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05k AAA Ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraad 9 april 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het instemmen met het afgeven van een ontwerpverklaring van geen bedenkingen voor het gewijzigd uitvoeren van een luchtwasser/luchtkanaal op de locatie Hazenhorstweg 1-3, Sevenum.28.522 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING HAZENHORSTWEG 3 TE SEVENUM omgevingsvergunning

-

Oostwijk 5

_

5406 XT Uden

Postbus 511 5400 AM Uden

0413 33 68 00 infoAdlvadvies.nl

www.dlvadvies.nl

-

nl

nd

[ADVIES

= sl

&RESULTAAT

Ruimtelijke onderbouwing Hazenhorstweg 3 te Sevenum Ruimtelijke onderbouwing bij omgevingsvergunning

Directeur

(geanonimiseerd) EN (geanonimiseerd) (oreiectleider en gemachtigde) NN Adviseur

Ruimtelijke Ordening (geanonimiseerd) Ne) (geanonimiseerd)

DE

Datum: 8 mei 2023

2

Inhoudsopgave Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1 1. 1 1. 2 1. 3 1. 4 Hoofdstuk 2 2. 1 2. 2 Hoofdstuk 3 3. 1 3. 2 3. 3 Hoofdstuk 4 4. 1 4. 2 4. 3

Inleiding Aanleiding voor het project Projectlocatie Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer Projectbeschrijving Huidige situatie Gewenste situatie Beleidskader Rijksbeleid Provniciaal beleid Gemeentelijk beleid Ruimtelijke- en milieuaspecten Milieu Ecologie Archeologie en cultuurhistorie 4. 4 Verkeer en parkeren 4. 5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5. 1 Economische uitvoerbaarheid 5. 2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5. 3 Handhavnig

Bijlagen Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage Bijlage

5 6 6 8 9 14 15 15 16 20 20 22 27 29 29 40 45 47

48 51 51 51 52

53 1 2 3 4 5

6 7

Situatietekening op schaal Landschappelijk inrichtingsplan Resultaten geurberekeningen verschillende situaties Resultaten ISL3a berekening Notitie geluidhinder Resultaten berekeningen Aerius Calculator Verslag dialoog met de omgeving, inclusief reacties op eerder verslag

54 56 61 107 120 136 179

3

4

Ruimtelijke onderbouwing

5

Hoofdstuk 1 1. 1

Inleiding

Aanleiding voor het project

Voorliggende ruimtelijke onderbouwing betreft een afwijking van de regels uit het bestemmingsplan " Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas " en de herziening daarop, het bestemmingsplan " Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020," van gemeente Horst aan de Maas ten behoeve van het oprichten van een luchtwasser en een luchtkanaal deels buiten het bouwvalk van het agrarisch bedrijf aan de Hazenhorstweg 3 te Sevenum. In het hoofdstuk " Projectbeschrijvnig " (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer voert een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij uit aan de Hazenhorstweg 1 en 3 te Sevenum. De initiatiefnemer is in 2006 gestart met een aanvraag voor de uitbreiding van het bedrijf met een nieuwe velesvarkensstal. Het besluit op de aanvraag uit 2006 is vernietigd door de Raad van State in 2008 vanwege het feit dat de locatie op Hazenhorstweg 1 naar mening van de rechter één inrichting vormde met de locatie op Hazenhorstweg 3. Naar aanleiding van het vernietigde besluit is in maart 2009 een nieuwe aanvraag gedaan, waarbij de beide locaties voor wat betreft de Wet milieubeheer als één inrichting zijn aangemerkt.

Planologisch is wel sprake van twee aparte bedrijfslocaties, elk met een eigen bouwvalk. Voor deze aanvraag is op 31 januari 2011 een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer verleend, welke door de rechter op 21 november 2012 in stand is gehouden. Voor het aanvragen van het onderdeel bouwen van de vergunning diende eerst een wijziging van het geldende bestemmingsplan plaats te vniden ten behoeve van een vergroting van het bouwvalk van de locatie op Hazenhorstweg 1. Het besluit om het daarvoor ingediende wijzigingsplan vast te stellen is op 19 maart 2013 genomen. Echter is dit besluit door de rechtbank op 29 januari 2014 vernietigd, waarmee het bestemmingsplan niet in werking is getreden en het bouwdeel daarmee niet kon worden vergund. De verleende milieuvergunning uit 2011 kon daarmee niet in werking treden.

Gezien het lange geschiedenis voor de gewenste uitbreiding van het bedrijf en het feit dat er nog steeds geen definitieve vergunning is verkregen voor de bouw van de gewenste stal is derhalve toen gekozen voor een nieuwe aanvraag omgevnigsvergunning in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevnigsrecht, waarbij uitsluitend een vergunning nodig was voor het onderdeel bouw en het onderdeel milieu. Er is dus bij de nieuwe aanvraag geen sprake meer van een strijdigheid met het geldende bestemmingsplan, waardoor dit onderdeel niet langer noodzakelijk was in de aanvraag. Dit betekende echter wel dat het aangevraagde luchtkanaal en de luchtwasser op de stal op de locatie Hazenhorstweg 3 (stal 2 op de milieutekening) aan de andere zijde moesten worden opgericht dan oorspronkelijk aangevraagd zodat deze binnen het bouwvalk kwamen te liggen. Daarbij is destijds gekozen voor een luchtkanaal op het dak van de stal met de luchtwasser aan het eind van de stal, wat in die tijd de beste oplossing leek te zijn.

De aanvraag voor de gewijzigde opzet is op 7 maart 2014 ingediend en hierop is een definitief besluit tot verlenen van de vergunning genomen op 31 augustus 2016. De rechtbank heeft de vergunning op 4 juli 2017, hetzij met een aanpassing, in stand gehouden. Ook de Raad van State heeft de vergunning, wederom met een kleine aanpassing, op 11 december 2019 in stand gehouden. Daarmee is de vergunning definitief in werking getreden. De verkregen en in werking getreden omgevnigsvergunning laat de bouw van een luchtwasser aan de stal toe met daarbij het luchtkanaal op het dak van de stal. Vanwege een misverstand bij uitvoering (een verkeerde tekening) maar daarnaast ook om bedrijfstechnische en esthetische redenen, is het luchtkanaal en de luchtwasser aan de linkerzijde en achterzijde van de reeds bestaande stal (stal 2 op de milieutekening) geplaatst. ,

Om deze reden wil de initiatiefnemer, in afwijking van de reeds verkregen omgevnigsvergunning, de luchtwasser en het luchtkanaal dan ook graag vergund zien aan de linkerzijde en de achterzijde van de reeds bestaande stal (stal 2 op de milieutekening) Hiervoor wordt een nieuwe aanvraag omgevnigsvergunning gedaan, waarvan de voorliggende ruimtelijke onderbouwing deel uitmaakt. .

6

Zoals gesteld zijn er voor de initiatiefnemer bedrijfstechnische en esthetische redenen voor de gewijzigde uitvoering.

Bedrijfstechnische reden: In figuur 1 staan twee afbeeldingen van de ventilatiedeskundige. De eerste afbeelding is de gewenste (en reeds gerealiseerde) uitvoering (in afwijking van de vergunde situatie) Hierbij wordt de verste koudere lucht (blauwe pijl in de afbeelding) over de afdeling verspreid zodat alle gehouden varkens verse lucht krijgen. De rode pijlen in de afbeelding geven de opstijgende warmte van de gehouden dieren aan waarbij de warme lucht en de verse koudere lucht worden gemengd voordat deze weer bij de dieren komt. De lucht wordt aan de andere zijde afgezogen. .

In de tweede afbeelding (in figuur 1) is de vergunde (en dus niet gerealiseerde) situatie weergegeven. Daarin komt de lucht aan de zijde binnen waar ook de lucht wordt afgezogen. Ook hier geven de rode pijlen in de afbeelding de opstijgende warmte van de gehouden varkens aan. Doordat de koude lucht aan dezelfde zijde de afdeling in komt als de plek waar de lucht ook wordt afgezogen bestaat de kans op kortsluiting, waarbij de verse lucht meteen wordt afgezogen voordat deze bij de dieren kan komen. Hierdoor is er een groot risico dat de dieren die aan de achterzijde van de afdeling gehouden worden geen verse lucht meer krijgen, zoals de pijlen in de afbeelding ook aangeven. Het risico dat de dieren achter in de afdeling dan uit onbehagen op het rooster gaan liggen en daarbij de dichte ligvoler bevuilen is daarmee extra groot. Dit leidt tot een extra emissie van geur en ammoniak welke er niet is bij een goed klimaat in de stal. Deze situatie leidt daarmee tot een slecht klimaat in de stal voor zowel mens als dier. Daarnaast leidt deze situatie tot een hogere geuroverlast aan de omgevnig en een hogere emissie van ammoniak. De gewijzigde (en reeds gerealiseerde) opzet leidt dus tot een verbeterde situatie voor mens en dier, zowel in de stal als in de omgevnig.

Figuur 1: Ventilatie gewjizigde (en reeds gerealiseerde) opzet (bovenste afbeelding) en vergunde situatie

(onderste afbeelding)

.

Bron: Ventilatiedeskundige. 7

Esthetische reden: De plaatsing van het luchtkanaal aan de linkerzijde van het gebouw is esthetisch mooier dan plaatsing op de rechterzijde van het gebouw, waar het als een soort immense dakkapel de oorspronkelijke vorm van het relatief lage gebouw aantast. Door de plaatsing van het luchtkanaal aan de zijkant blijft de vorm van het gebouw gehandhaafd en verandert er niets aan de verschijningsvorm in het landschap ter plaatse.

Ook door het plaatsen van de luchtwasser aan de achterzijde van het gebouw staat deze verschillen achter het gebouw, uit het zicht, en is daarmee minder prominent aanwezig dan naast het gebouw. Ook de omwonenden geven aan dat prettiger en mooier te vniden. In de gewenste (en reeds gerealiseerde) situatie, met de luchtwasser en het luchtkanaal aan de linkerzijde van de reeds bestaande stal, is de voorgenomen uitbreiding van de stal die daarvoor nodig is buiten het ter plaatse toegekende bouwvalk komen te vallen. Dit is op basis van de bouwregels uit het geldende bestemmingsplan echter niet zomaar toegestaan.

Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken is het voor de initiatiefnemer wenselijk bij de aanvraag omgevnigsvergunning voor de bouw en het aspect milieu eveneens een afwijking van het geldende bestemmingsplan conform artikel 2. 12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevnigsrecht aan te vragen, waarmee de bouw van de noodzakelijke staluitbreiding voor de luchtwasser en het luchtkanaal buiten het bouwvalk mogelijk kan worden gemaakt. In een later stadium zal de gewijzigde situatie, bijvoorbeeld bij een algehele herziening van het geldende bestemmingsplan, in het bestemmingsplan worden opgenomen. Daarbij zal het huidige bouwvalk dan van vorm worden veranderd. Er zal daarmee geen sprake zijn van een uitbreiding van het maximale bouwvolume van de betreffende veehouderij. Middels voorliggende ruimtelijke onderbouwing wordt aangetoond dat met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zal zijn van onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch valk.

1. 2

Projectlocatie

De locatie is gelegen aan de Hazenhosteweg 3 te Sevenum en ligt aan de zuidkant van Sevenum in het landelijk gebied van de gemeente Horst aan de Maas. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Sevenum, sectie V, nummers 413 en 414. In figuur 2 is de topografische ligging van de locatie weergegeven.

8

DLV ADVIES &RESULTAAT

ä

Figuur 2: Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: (geanonimiseerd) www opentopo.nl. B

1.3

Geldende

bestemmingsplannen

Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas" van de gemeente Horst aan de Maas, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 19 december 2017, onverkort van toepassing. Zoals te zien in figuur 3 zijn ter

plaatse de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ en de dubbelbestemmingen Waarde Archeologie 6' en Waarde Zone bronsgroene landschapszone' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwdak’, intensieve veehouderij’, ‘milieuzone hydrologische beschermingszone’, ‘overige zone beekdal’ en ‘reconstructiewetzone extensiveringsgebied' van toepassing. -

-

-

-

-

Figuur 3: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www. ruimtelijkeplannen. nl. Daarnaast is het bepaalde in de herziening op het bestemmingsplan " Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas," het bestemmingsplan " Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020," zoals is vastgesteld door de gemeenteraad op 8 september 2020, voor zover relevant, van toepassing. De bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen op de locatie zijn in de herziening op het geldende bestemmingsplan niet gewijzigd. De gewenste situatie is op de volgende punten in strijd met het geldende bestemmingsplan: Vanuit artikel 3. 2. 1, onder c mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde uitsluitend binnen een bouwvalk worden gebouwd. In artikel 3. 2. 1 onder d zijn daarop enkele uitzonderingen opgenomen. De gewenste staluitbreiding voor de luchtwasser en het luchtkanaal in de gewijzigde situatie is niet als uitzondering opgenomen, waarmee de gewenste staluitbreiding niet buiten het bouwvalk kan worden gebouwd. Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling zal op de voorgaande strijdigheden een omgevnigsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan worden aangevraagd conform artikel 2. 12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevnigsrecht.

Omdat de gewenste bebouwing in een later stadium, bij een volgende algehele herziening van het gemeentelijke bestemmingsplan, zal worden opgenomen in een bestemmingsplan zal daarbij een vormverandering van het huidige bouwvalk plaatsvniden. De oppervalkte, en daarmee de maximale bouwmogelijkheden, van het huidige bouwvalk zal daarmee niet toenemen. In artikel 3. 8. 2 van het geldende bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor vormverandering en/of vergroting van het bouwvalk van een agrarisch bedrijf. In de herziening op het geldende bestemmingsplan is deze wijzigingsbevoegdheid niet gewijzigd. Deze wijzigingsbevoegdheid biedt een goed toetsingskader voor de gewenste ontwikkeling. Derhalve is eveneens aan de voorwaarden van deze wijzigingsbevoegdheid getoetst. Deze voorwaarden luiden als volgt: 10

" 3.8.2 Verandering en/of vergroting bouwvlak Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wjizigen ten behoeve van het veranderen van de vorm en/of het vergroten van een bouwvlak, met dien verstande dat: a. de vormverandering en/of vergroting ter plaatse noodzakelijk is voor de continuïteit en/of ontwkikeling van het agrarische bedrijf; b. uitbreiding van een bouwvlak van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' niet is toegestaan; c. de uitbreiding van een bouwvlak niet is toegestaan op gronden die mede zijn bestemd als Waarde Zone goudgroene natuurzone of Waarde - Zone zilvergroene natuurzone; d. vergroting of verandering van het bouwvlak op het perceel Kleefsedijk 9 te Sevenum niet is toegestaan; e. de oppervlakte van het bouwvlak na wjiziging niet meer bedraagt dan 1, 5 ha, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw ' een maximum van 3 ha geldt. In uitzondering hierop gelden voor bedrijven met een aanduiding 'glastuinbouw ' op gronden ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - ontwkikelingsgebied glastuinbouw ' geen maximum oppervlakte; f. de waarden en belangen ter plaatse van de aanduidingen zoals die zijn opgenomen in artikel 47 niet onevenredig worden aangetast; g.

indien de wjiziging ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beekdal' plaatsvindt, vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij het waterschap en de Keur van het waterschap in acht dient te worden genomen; h. door middel van een inrichtingsplan is aangetoond dat zorg gedragen wordt voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing of landschappelijke compensatie; i. wordt voldaan aan de bepalingen ingevolge de Wet geluidhinder indien de bedrijfswoning wordt verplaatst; j. de wjiziging, gelet op de ligging, aard en omvang ten opzichte van de in de nabijheid gelegen functies, een zodanig beperkte (milieu) hinder veroorzaakt dat daardoor de belangen van deze functies niet in onevenredige mate worden geschonden; k. is aangetoond dat geen sprake is van onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwkikelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwnig; l. het woon- en leefklimaat op omliggende percelen niet onevenredig wordt aangetast; m. er is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in het gemeentelijk Kwaliteitsmenu; n. het bepaalde in lid 3. 5. 2 van toepassing is; o. er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij het waterschap en de Keur van het waterschap in acht genomen dient te worden. " Ad. artikel 3. 8.

2, sub a: De luchtwasser en het luchtkanaal zijn noodzakelijk om de milieuhinder van het bedrijf en de kans op verspreiding van ziektekiemen te minimaliseren. Zonder de luchtwasser en het luchtkanaal kan het bedrijf niet voldoen aan de strenge eisen die vanuit de overheid worden gesteld aan veehouderijbedrijven. De gewenste locatie aan de linkerzijde van de reeds bestaande stal biedt de meest efficiënte en doelgerichte werking van de luchtwasser en het luchtkanaal en biedt daarmee het grootste resultaat. Derhalve is de voorgenomen wijziging van het bouwvalk noodzakelijk voor een doelmatige en volwaardige bedrijfsvoering en de continuïteit van het bedrijf. Daarnaast is de plaatsing van het luchtkanaal aan deze zijde van het gebouw esthetisch mooier dan op het gebouw waar het als een soort immense dakkapel de oorspronkelijke vorm van het relatief lage gebouw aantast. Door de plaatsing van het luchtkanaal aan de zijkant blijft de vorm van het gebouw gehandhaafd en veranderd er niets aan de verschijningsvorm in het landschap ter plaatse.

Ook door het plaatsen van de luchtwasser aan de achterzijde van het gebouw staat deze achter het gebouw verscholen en wat minder prominent aanwezig dan naast het gebouw. Tevens komt de wasser verder van de dichtstbijzijnde woning te staan. Ad. artikel 3. 8. 2, sub b: 11

De locatie is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied'. Binnen deze gebieden is de uitbreiding van een bouwvalk van een intensieve veehouderij niet toegestaan. Bij de gewenste ontwikkeling zal geen sprake van een uitbreiding van het bouwvalk van een intensieve veehouderij, omdat wanneer in een later stadium de aangevraagde afwijking zal worden vastgelegd in een bestemmingsplan het bouwvalk van vorm zal worden veranderd. Ad. artikel 3. 8. 2, sub c: De locatie is niet gelegen in een gebied met de dubbelbestemming 'Waarde - Zone goudgroene natuurzone' en/of de dubbelbestemming 'Waarde - Zone zilvergroene natuurzone'. Ad. artikel 3. 8. 2, sub d: De locatie is niet gelegen aan de Kleefsedijk 9 te Sevenum. Ad. artikel 3. 8. 2, sub e: Het huidige bouwvalk ter plaatse heeft een oppervalkte van ongeveer 0, 46 hectare. Bij de gewenste wijziging zal de oppervalkte van het bouwvalk niet toenemen. Daarmee is geen sprake van een bouwvalk van meer dan 1, 5 hectare. Er is geen sprake van een bedrijf met de nadere aanduiding 'glastuinbouw' en/of van de ligging van de locatie in een gebied met de aanduiding 'overige zone - ontwikkelingsgebied glastuinbouw'. De uitzonderingen zijn daarmee niet van toepassing op de locatie. Ad. artikel 3. 8.

2, sub f: De locatie is gelegen in een gebied met de nadere aanduidingen 'overige zone - beekdal' en 'milieuzone hydrologische beschermingszone'. In artikel 47 zijn voor beide van deze gebieden aanvullende voorwaarden opgenomen. Voor het beekdal geldt dat de cultuurhistorische waarden van dit gebied niet onevenredig mogen worden aangetast. Bij de gewenste ontwikkeling is sprake van een kleinschalige ontwikkeling bij een bestaand agrarisch bedrijf. Omdat het maximale ruimtebeslag niet zal toenemen (omdat het bouwvalk uiteindelijk alleen van vorm verandert en niet wordt vergroot) zal de impact op het landschap minimaal zijn. De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap. Daarmee is geen sprake van een mogelijke aantasting van de cultuurhistorische waarden van het beekdal. Binnen de hydrologische beschermingszone is het beleid er mede op gericht om de verdrogingsgevoelige natuurgebieden hydrologisch te beschermen. Dit houdt in dat ontwikkelingen die effect hebben op de voor verdroging gevoelige natuurgebieden moeten worden voorkomen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Het watergebruik zal door de voorgenomen ontwikkeling niet onevenredig toenemen. De bouwwerken zijn reeds vergund, alleen worden deze op een andere plaats gebouwd.

Daarnaast is, zoals nader aangetoond en omschreven in de paragraaf " Wateraspecten " (paragraaf 4. 5) geen sprake van nadelige effecten op de waterhuishouding en/of van verontreinigingen. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling geen effect hebben op de waterhuishouding, waarmee de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen zal hebben op de voor verdroging gevoelige natuurgebieden. ,

Ad. artikel 3. 8. 2, sub g: Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf " Wateraspecten " (paragraaf 4. 5) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op de waterhuishouding en is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Ad. artikel 3. 8. 2, sub h: Zoals nader omschreven in de paragraaf " Landschappelijke inpassing " (paragraaf 2. 2. 2) is ten behoeve van de eerder vergunde situatie door een landschapsdeskundige een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Hierin is onderbouwd en omschreven op welke wijze ter plaatse wordt voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. De verplichting voor het realiseren van deze 12

landschappelijke inpassing blijft in stand. De huidige aanvraag heeft betrekking op het positief bestemmen van een luchtwasser met luchtkanaal aan de andere zijde van de stal dan in de vgierende vergunning is aangevraagd. Het betreft slechts een zeer geringe afwijking waarbij de luchtwasser en het luchtkanaal alleen een andere positie krijgen. De stal blijft verder gelijk. Het bebouwde oppervalk zal daarbij (nagenoeg) niet toenemen. De impact op het landschap is daarmee (nagenoeg) nihil, waardoor voor de voorliggende aanvraag geen aanvullende landschappelijke inpassing is vereist. Het in stand houden van de ter plaatse verplicht gestelde landschappelijke inpassing ten behoeve van de reeds vergunde situatie zorgt in voldoende mate voor een goede landschappelijke inpassing van het erf, ook in de gewenste situatie. Ad. artikel 3. 8. 2, sub i: Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het verplaatsen van een bedrijfswoning. Ad. artikel 3. 8. 2, sub j: Zoals nader omschreven in de paragraaf " Milieu " (paragraaf 4. 1) leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een onevenredige milieuhinder aan de omgevnig. De voorgenomen wijziging leidt daarnaast tot een vermindering van de milieuhinder. De voorgenomen luchtwasser vermindert de uitstoot van mogelijk hinder veroorzakende stoffen. Daarmee zal de milieuhinder afnemen. De luchtwasser en het luchtkanaal zijn reeds vergund.

Echter zullen deze op een andere plaats worden gerealiseerd dan waarvoor de vergunning is verleend. De alternatieve plaats zal echter leiden tot een verbeterde efficiëntie en werking van de installatie. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee in vergelijking tot de huidige en vergunde situatie niet leiden tot een verslechtering van de milieusituatie, maar tot een verbetering. Ad. artikel 3. 8. 2, sub k: Met de voorgenomen ontwikkeling worden, zoals nader aangetoond in de paragraaf " Milieuzonering " (paragraaf 4. 1. 1) geen van de omliggende functies in de (ontwikkelings) mogelijkheden beperkt. ,

Ad. artikel 3. 8. 2, sub l: Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van een luchtwasser en een luchtkanaal. Deze zijn reeds vergund, maar worden op een alternatieve, meer efficiënte plaats gerealiseerd. Met de realisatie van de luchtwasser en het luchtkanaal wordt daarmee een afname van de milieuhinder bereikt. Daarmee zal het woon- en leefklimaat verbeteren. Er zal een afname van de hinder zijn en dus een verbetering van het woon- en leefklimaat. Gezien de luchtwasser en het luchtkanaal zijn vergund kan dit worden gezien als de huidige vergunde situatie. Ten aanzien van de huidige vergunde situatie is echter geen sprake van een toename van de uitstoot van mogelijk milieuhinder veroorzakende stoffen. Het woonen leefklimaat in de omgevnig zal dan ook niet verslechteren, maar verbeteren met de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast is in de paragraaf " Milieu " (paragraaf 4. 1) waar nodig met berekeningen, aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de normen vanuit de milieuwetgevnig en niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat in de omgevnig. ,

Ad. artikel 3. 8. 2, sub m: De voorgenomen ontwikkeling is, zoals nader omschreven in de paragraaf " Structuurvsiie Horst aan de Maas " (paragraaf 3. 3. 1) getoetst aan het gemeentelijk Kwaliteitsmenu, dat deel uitmaakt van de gemeentelijke structuurvsiie. ,

Ad. artikel 3. 8. 2, sub n: In artikel 3. 5. 2 is opgenomen dat een toename van de depositie van ammoniak en stikstof op de daarvoor gevoelige gebieden niet is toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal de emissie van ammoniak en stikstof niet toenemen. Door de realisatie van de luchtwasser en het luchtkanaal zal de emissie juist afnemen. Omdat de luchtwasser en het luchtkanaal al zijn vergund kan dit worden gezien als de huidige 13

vergunde situatie. Omdat bij de voorgenomen ontwikkeling uitsluitend sprake is van het oprichten van de luchtwasser en het luchtkanaal op een iets andere plaats dan is vergund, maar wel op de betreffende stal waarop deze is vergund, zal de emissie van ammoniak en stikstof en daarmee de depositie daarvan op de daarvoor gevoelige gebieden in vergelijking met de huidige vergunde situatie niet toenemen. Om dit aan te tonen is, zoals nader omschreven in de paragraaf " Gebiedsbescherming " (paragraaf 4. 2. 1. 1) ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een berekening gemaakt met het rekenprogramma Aerius Calculator, waaruit blijkt dat de emissie en depositie van ammoniak en stikstof niet zal toenemen in vergelijking met de huidige vergunde situatie. ,

Ad. artikel 3. 8. 2, sub o: Zoals nader omschreven en aangetoond in de paragraaf " Wateraspecten " (paragraaf 4. 5) zal de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige effecten hebben op de waterhuishouding en is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Zoals blijkt uit het voorgaande kan met de voorgenomen ontwikkeling worden voldaan aan de in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden. Hiermee is de gewenste afwijking gemotiveerd mogelijk te maken.

1. 4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijvnig van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van het project van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vgierende beleidskaders. Hierin wordt het project van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provnicie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het project aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het project. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhavnig.

14

Hoofdstuk 2 2. 1

Projectbeschrijving

Huidige situatie

De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Horst aan de Maas. De omgevnig van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische graslanden en landbouwgronden met verschillende groenstructuren. De verkavelingsstructuur betreft een gemengde met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgevnig van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen. Daarnaast is in de omgevnig een voorziening voor verblijfsrecreatie in de vorm van een groepsaccommodatie aanwezig.

Op de locatie is momenteel een intensieve veehouderij, zijnde een varkenshouderij gevestigd. Het bedrijf wordt vanuit de milieuwetgevnig gezien als één inrichting gezamenlijk met het bedrijf aan de Hazenhorstweg 1 te Sevenum. De ter plaatse gehouden dieren worden gehuisvest in de aanwezige stallen. Verder zijn ter plaatse een bedrijfswoning met bijgebouwen en een loods aanwezig. Op de locatie is onlangs een vergunning verleend voor het oprichten van een luchtwasser met luchtkanaal bij de ter plaatse aanwezige varkensstal (stal 2 op de milieutekening) Vanwege een misverstand bij de uitvoering (een verkeerde tekening) is het luchtkanaal en de luchtwasser aan de linkerzijde en achterzijde van de reeds bestaande stal geplaatst, waarmee er sprake is van bebouwing buiten het bouwvalk. Dit is echter niet in overeenstemming met de verkregen vergunning en het geldende bestemmingsplan. .

Ter plaatse is een bouwvalk toegekend. Het huidige bouwvalk is ongeveer 0, 46 hectare groot. In figuur 4 is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie. Het bouwvalk is daarin rood omlijnd en uitgelicht weergegeven.

15

Figuur 4: Luchtfoto huidige situatie ter plaatse, met bouwvlak aangegeven. Bron: www. ruimtelijkeplannen. nl.

2. 2

Gewenste situatie

Ruimtelijke structuur 2. 2. 1 De initiatiefnemer is voornemens de luchtwasser met het luchtkanaal, welke aan de linker- en achterzijde van de stal is geplaatst, positief te bestemmen. Het is uiteindelijk de bedoeling dat de afwijkende situering in een algehele herziening van het gemeentelijk bestemmingsplan planologisch kloppend wordt meegenomen, waarbij in dat stadium een vormverandering van het bouwvalk zal plaatsvniden. Er zal geen sprake zijn van een verdere uitbreiding van de veehouderij en/of van de bedrijfsgebouwen. De luchtwasser met het luchtkanaal zijn reeds vergund, maar zijn op een andere plaats gebouwd dan volgens de vergunning is toegestaan. Voor de gewijzigde opzet vraagt de initiatiefnemer een omgevnigsvergunning voor het afwijken van het geldende bestemmingsplan aan conform artikel 2. 12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevnigsrecht (Wabo) .

De luchtwasser en het luchtkanaal zijn noodzakelijk om de milieuhinder van het bedrijf en de kans op verspreiding van ziektekiemen te minimaliseren. Zonder de luchtwasser en het luchtkanaal kan het bedrijf 16

DLV ADVIES &RESULTAAT

niet voldoen aan de strenge eisen die vanuit de overheid worden gesteld aan veehouderijbedrijven. De gewenste locatie aan de linkerzijde van de reeds bestaande stal biedt de meest efficiënte en doelgerichte werking van de luchtwasser en het luchtkanaal en biedt daarmee het grootste resultaat. Derhalve is de voorgenomen gewijzigde situatie noodzakelijk voor een doelmatige en volwaardige bedrijfsvoering en de continuïteit van het bedrijf. Daarnaast is de

plaatsing van

het

gebouw gebouw aantast.

het als

Door de plaatsing veranderd er niets

van

waar

aan

een

het luchtkanaal soort

immense

aan

deze

dakkapel

zijde van het gebouw esthetisch mooier dan oorspronkelijke vorm van het relatief lage

op

de

het luchtkanaal aan de zijkant blijft de de verschijningsvorm in het landschap

het

vorm

van

ter

plaatse.

gebouw gehandhaafd

en

Ook

door het plaatsen van de luchtwasser aan de achterzijde van het gebouw verscholen en wat minder prominent aanwezig dan naast het verder van de dichtstbijzijnde woning (Hazenhorstweg 6) te staan. De

gebouw staat deze achter het gebouw. Tevens komt de wasser wasser komt wel WM (geanonimiseerd) de te tot deze woningen voldoende groot (ruim 150 woningen aan het Broek liggen. Echter is de afstand meter) en zijn deze woningen al (geanonimiseerd) BW het bedrijf aan de Hazenhorstweg 1 gelegen, waarmee deze woningen niet verder zullen worden beperkt en geen sprake zal zijn van een toenemende hinder. Daarmee is in vergelijking met de vergunde situatie sprake van beter rendement door de luchtwasser met het luchtkanaal

een

een

verbetering

aan

de linker-

en

een betere werking en achterzijde van de stal te

en

plaatsen. In figuur 5 is de schaal

is als

gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.

Een

volledige situatietekening

op

Figuur 5: Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies.

2. 2. 2

Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgevnig niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste.

Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgevnig is bij de eerdere aanvraag door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in figuur 6 weergegeven. De landschappelijke inpassing die is uitgewerkt zal met de gewijzigde opzet en uitvoering niet wijzigen.

18

Figuur 6: Tekening landschappelijke inpassing. Bron: Plattelandscoöperatie Peel en Maas. Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de eerdere ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze onderbouwing. De landschappelijke inpassing en de verplichting daartoe om deze te realiseren wordt met de voorgenomen aanvraag in stand gehouden. De voorgenomen ontwikkeling is zeer kleinschalig van aard en zal niet leiden tot een impact op het landschap, waarmee een aanvullende landschappelijke inpassing niet noodzakelijk wordt geacht. Met de instandhouding van de verplichting tot realisatie en behoud van de landschappelijke inpassing uit de eerdere procedure zal ter plaatse sprake zijn van een passende landschappelijke inpassing van het erf. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.

19

Hoofdstuk 3 3. 1

Beleidskader

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie 3. 1. 1 Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevnigsvsiie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvsiie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgevnig in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevnigskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgevnig.

De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.

Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgevnig moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vtialiteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter) nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgevnig. 3.

Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevgie impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 20

aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vtiale landbouw als belangrijke drager van het platteland.

Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgevnig te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenlevnig, stevgi te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen. Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provnicie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI.

Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet.

Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgevnig, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevnigsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevnigsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provnicies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provnicies en gemeenten. De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf " Besluit algemene regels ruimtelijke ordening " (paragraaf 3. 1.

2) De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vnidt plaats aan het provniciaal beleid. .

.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3. 1. 2 Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvsiie Infrastructuur en Ruimte compleet. .

,

In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: " Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 21

gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit. " Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en " vermindering van de bestuurlijke drukte." Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgevnig voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvalkken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgevnig van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.

In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de projectlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.

3. 1. 3

Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3. 1. 6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijvnig te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. ,

Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: " ruimtelijke ontwkikeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwolcaties of andere stedelijke voorzieningen. " Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.

3. 2

Provinciaal beleid

3. 2. 1

Provinciale Omgevingsvisie Limburg De provnicie Limburg heeft op 1 oktober 2021 de Provniciale Omgevnigsvsiie Limburg vastgesteld, waarin de beleidsuitgangspunten voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn opgenomen. In de omgevnigsvsiie is onderscheid gemaakt in verschillende thema's en deelgebieden. In de omgevnigsvsiie is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'groenblauwe mantel'. Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen vormen samen de groenblauwe mantel. De gebieden liggen als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waarin er goede combinatiemogelijkheden zijn voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies. De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en de Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. De provnicie wil de kenmerkende kwaliteiten en afwisseling van het Limburgse landschap behouden en versterken in combinatie met de ruimtelijke opgaven en transities die spelen. De uitdaging is, om met het landschap als drager, kwaliteit toe te voegen aan de verschillende transitieopgaven in de provnicie. 22

De voorgenomen ontwikkeling vnidt plaats aangrenzend aan een bestaand bouwperceel ter plaatse van een bestaand bedrijf. Het bebouwde oppervalk ter plaatse zal in vergelijking met de huidige (vergunde) situatie niet of nagenoeg niet toenemen. De impact op het landschap is daarmee nagenoeg nihil. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf " Landschappelijke inpassing " (paragraaf 2. 2. 2) ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteiten in het gebied.

,

Gezien het voorgaande zullen de landschappelijke waarden van het gebied niet onevenredig worden geschaad en zal een bijdrage worden geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen voor ontwikkelingen in de bronsgroene landschapszones. Verder streeft de provnicie naar het terugdringen van emissies en het verbeteren van de omgevnigskwaliteit en leefbaarheid rondom (intensieve) veehouderijen. De luchtwasser en het luchtkanaal zijn noodzakelijk om de milieuhinder van het bedrijf en de kans op verspreiding van ziektekiemen te minimaliseren. De gewenste locatie aan de linkerzijde van de reeds bestaande stal biedt de meest efficiënte en doelgerichte werking van de luchtwasser en het luchtkanaal en biedt daarmee het grootste resultaat. De voorgenomen wijziging leidt daarmee tot een vermindering van de milieuhinder. De voorgenomen luchtwasser vermindert de uitstoot van mogelijk hinder veroorzakende stoffen. Daarmee zal de milieuhinder afnemen. De luchtwasser en het luchtkanaal zijn reeds vergund. Echter zullen deze op een andere plaats worden gerealiseerd dan waarvoor de vergunning is verleend. De alternatieve plaats zal echter leiden tot een verbeterde efficiëntie en werking van de installatie, waarmee de emissies nog verder afnemen.

De voorgenomen ontwikkeling voorziet daarmee in een voorziening voor het terugdringen van de emissies vanuit veehouderijen. Dit past binnen de uitgangspunten voor agrarische bedrijven in het landelijk gebied.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Omgevnigsvsiie Limburg van de provnicie Limburg. 3. 2. 2 Omgevingsverordening Limburg Op 12 december 2014 heeft de provnicie Limburg de Omgevnigsverordening Limburg vastgesteld. Deze omgevnigsverordening is meerdere keren gewijzigd en geactualiseerd. De meest recente versie is op 22 november 2019 geconsolideerd en in werking getreden. De omgevnigsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de provniciale omgevnigsvsiie naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvsiie van de provnicie juridisch is verankerd. De locatie is gelegen in het landelijk gebied, waarbij de locatie nader is aangemerkt als bronsgroene natuurzone. Met betrekking tot de bronsgroene zones is, in artikel 2. 7. 2, opgenomen dat een ontwikkeling in een bronsgroene zone gepaard moet gaan met een nadere motivatie van de in het projectgebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten zijn het groene karakter, het vsiueel ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf.

De kernkwaliteiten met betrekking tot het groene karakter en het vsiueel ruimtelijk karakter zijn vervolgens opgenomen in het Landschapskader Noord- en Midden Limburg. Vanuit het landschapskader is de locatie gelegen in een beekdal. Het beekdallandschap omvat die gronden die vanuit het natuurlijk fundament aangeduid worden als beekdal. Binnen deze kenmerkende beekdalen liggen verschillende soorten beken (beken met nog een natuurlijke loop, rechtgetrokken beken, aangelegd in moeraszones, in Maasmeanders, etc. ) Daarnaast kan per beek een bovenloop, middenloop en een benedenloop onderscheiden worden. Belangrijker echter zijn de overeenkomsten tussen de verschillende beken in Noord- en Midden-Limburg. Dit is de bijzondere structurerende werking, met name binnen de dekzandgebieden tussen de Peel en de Maas. Hier liepen en lopen de belangrijkste beken met hun bijbehorende dalen en afzettingen. .

Vanuit het groene karakter zijn in het beekdal de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden: 23

Een belangrijke kwaliteit van dit landschapstype wordt gevormd door de doorgaande natte structuur, waardoor de beekdalen voor veel organismen functioneren als ecologische verbindingszone. Daarnaast vormen de vele gradiënten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van oude geulen, maar vooral het hoogteverschil loodrecht op de beek van de lage beek naar de verder weg gelegen hogere gronden, een belangrijke kwaliteit. Met name de beekbegeleidende, veelal natte gronden zijn bijzonder. Deze gronden bestaan voornamelijk uit hooilanden, diverse moerastypen en moerasbossen. Vanuit het vsiueel ruimtelijk karakter zijn in het beekdal de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden: De beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap, met name op de zandgronden. Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn de beekdalen echter in veel gevallen nog nauwelijks herkenbaar. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevnidt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap vsiueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol. Er worden drie typen beekdalen onderscheiden. Het halfopen kamertjes type, het besloten bostype en het open grazige type.

De voorgenomen ontwikkeling vnidt plaats aangrenzend aan een bestaand bouwperceel ter plaatse van een bestaand bedrijf. Het bebouwde oppervalk ter plaatse zal in vergelijking met de huidige (vergunde) situatie niet of nagenoeg niet toenemen. De impact op het landschap is daarmee nagenoeg nihil. Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf " Landschappelijke inpassing " (paragraaf 2. 2. 2) ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteiten in het gebied.

,

Voor de cultuurhistorische waarden geldt dat bestaande historische en archeologische waarden niet mogen worden aangetast. Zoals nader omschreven in de paragraaf " Archeologie en cultuurhistorie " (paragraaf 4. 3) zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een onevenredige aantasting van cultuurhistorisch waardevolle en/of archeologische waarden. Voor het reliëf geldt dat zichtbaar reliëf in het landschap zoveel mogelijk behouden en versterkt dient te worden. De voorgenomen ontwikkeling betreft een kleinschalige ontwikkeling op een bestaand erf. Tevens is er geen sprake van een toename van de bebouwde oppervalkte. Het landschap, en daarmee het reliëf daarvan, zal met de voorgenomen ontwikkeling daarmee niet worden geschaad. Voor intensieve veehouderijen gelden vanuit artikel 2. 11 van de verordening aanvullende regels. Vanuit artikel 2. 11. 2 geldt dat nieuwvestiging van een intensieve veehouderij alleen is toegestaan in de daarvoor aangewezen gebieden en dat uitbreiding (vergroting van het bouwvalk) van een intensieve veehouderij niet is toegestaan binnen de extensiveringsgebieden intensieve veehouderij. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een nieuwvestiging en/of uitbreiding van een veehouderij, waarmee de regels uit artikel 2. 11. 2 niet van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. In artikel 2. 11.

3 is in het eerste lid opgenomen dat vormverandering van een bouwvalk van een intensieve veehouderij in beginsel niet mogelijk is in gebieden die zijn aangemerkt als extensiveringsgebied intensieve veehouderij. De locatie is gelegen in een extensiveringsgebied intensieve veehouderij, waarmee de voorgenomen vormverandering in beginsel niet mogelijk is. Echter is in het tweede lid van artikel 2. 11. 3 opgenomen dat het verbod op vormverandering van een bouwvalk van een intensieve veehouderij in een extensiveringsgebied niet van toepassing is als de bestaande bouwmogelijkheden binnen het bouwvalk uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn, en de vormverandering per saldo geen negatieve involed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken, in het bijzonder landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, woon-, werk- en leefklimaat en economische structuur. Zoals nader aangetoond in de paragraaf " Milieuzonering " (paragraaf 4. 1. 1) heeft de voorgenomen vormverandering geen negatieve involed op de landbouw en/of overige omliggende functies en bedrijven. Zoals nader omschreven in de paragraaf " Ecologie " (paragraaf 4. 2) leidt de voorgenomen ontwikkeling eveneens niet tot een negatieve involed op natuur- en/of bosgebieden.

Daarnaast wordt, zoals nader omschreven in de paragraaf " Landschappelijke inpassing " (paragraaf 2. 2. 2) ter plaatse voorzien in een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de landschappelijke kwaliteiten in het gebied. Omdat sprake is van een ontwikkeling op een bestaand terrein ,

24

en de bebouwde oppervalkte (nagenoeg) niet toeneemt is de impact op het landschap (nagenoeg) nihil. Daarmee zal de voorgenomen ontwikkeling ook geen involed hebben op de recreatieve waarden en/of belevnig van het gebied. Zoals in het voorgaande omschreven en aangetoond in de paragraaf " Milieu " (paragraaf 4. 1) leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot een onevenredige milieuhinder aan de omgevnig, maar zal de milieuhinder door de luchtwasser met luchtkanaal en de betere werking daarvan door de aangepaste plaatsing leiden tot een verbetering van de situatie op het gebied van milieu door een afname van de emissies en daarmee tot een verbetering van het woon- en leefklimaat. Tevens zal de voorgenomen

ontwikkeling, zoals nader is omschreven in de paragraaf " Wateraspecten " (paragraaf 4. 5) niet leiden tot nadelige gevolgen voor de waterhuishouding en is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Ten slotte zal de voorgenomen ontwikkeling geen wijzigingen tot gevolg hebben aan de infrastructuur en/of economische structuur. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen negatieve involed hebben op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken. De plaatsing van de luchtwasser en het luchtkanaal op de gewenste plaats leidt tot het meeste rendement en de beste, meest optimale werking van de luchtwasser. De plaatsing van de luchtwasser op een andere plek aan de bestaande stal is daarmee niet efficiënt genoeg voor een doelmatige duurzame bedrijfsvoering. Het huidige bouwvalk biedt geen mogelijkheden om de luchtwasser en het luchtkanaal op de gewenste, meest efficiënte en rendabele plek op te richten. De bestaande bouwmogelijkheden binnen het bouwvalk zijn daarmee uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig. Daarmee kan de uiteindelijke vormverandering van het bouwvalk van de initiatiefnemer (op termijn) mogelijk worden gemaakt.

Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de bepalingen uit de Omgevnigsverordening Limburg van de provnicie Limburg. 3. 2. 3

Omgevingsverordening Limburg

De provnicie Limburg is bezig met het opstellen van een nieuwe provniciale omgevnigsverordening, waarin de beleidsuitgangspunten uit de (ontwerp) omgevnigsvsiie juridisch zijn verankerd. Hiervan heeft het ontwerp reeds in juli 2021 ter inzage gelegen. De ontwerp omgevnigsverordening is nog niet in werking getreden, maar biedt wel een goed toetsingskader voor toekomstige ontwikkelingen. Derhalve is de voorgenomen ontwikkeling eveneens aan de ontwerp omgevnigsverordening getoetst. In de omgevnigsverordening is, net als in de omgevnigsvsiie, onderscheid gemaakt in verschillende thema's en deelgebieden. In de omgevnigsverordening is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'groenblauwe mantel'. Met betrekking tot de groenblauwe mantel is, in artikel 7. 6, opgenomen dat een ontwikkeling binnen dit gebied gepaard moet gaan met een nadere motivatie van de in het projectgebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten zijn het groene karakter, het vsiueel ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. De kernkwaliteiten met betrekking tot het groene karakter en het vsiueel ruimtelijk karakter zijn vervolgens opgenomen in het Landschapskader Noord- en Midden Limburg.

Vanuit het landschapskader is de locatie gelegen in een beekdal. Het beekdallandschap omvat die gronden die vanuit het natuurlijk fundament aangeduid worden als beekdal. Binnen deze kenmerkende beekdalen liggen verschillende soorten beken (beken met nog een natuurlijke loop, rechtgetrokken beken, aangelegd in moeraszones, in Maasmeanders, etc. ) Daarnaast kan per beek een bovenloop, middenloop en een benedenloop onderscheiden worden. Belangrijker echter zijn de overeenkomsten tussen de verschillende beken in Noord- en Midden-Limburg. Dit is de bijzondere structurerende werking, met name binnen de dekzandgebieden tussen de Peel en de Maas. Hier liepen en lopen de belangrijkste beken met hun bijbehorende dalen en afzettingen. .

Vanuit het groene karakter zijn in het beekdal de volgende kernkwaliteiten te onderscheiden: Een belangrijke kwaliteit van dit landschapstype wordt gevormd door de doorgaande natte structuur, waardoor de beekdalen voor veel organismen functioneren als ecologische verbindingszone. Daarnaast vormen de vele gradiënten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van oude geulen, maar vooral het hoogteverschil loodrecht op de beek van de lage beek naar de verder weg gelegen hogere gronden, een 25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13931606/1