05h Natuurontwikkelingsplan
Tekst van het document
Opdrachtgever: Projectnr: Datum:
Teunesen Zand en Grint B.V. TEU006 22 juli 2022
Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:
Teunesen Zand en Grint B.V. TEU006 TEU006-RAP-FF-Natuurontwikkelingsplan De Diepeling Zuidzijde Definitief 22 juli 2022
Opsteller: R. Janssen
T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl
-+C0R. Janssen+-
Verificatie: D. Gijsbers
-+R0D. Gijsbers+-
Validatie: D. Gijsbers
© 2019 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.
-+V0D. Gijsbers+-
INHOUDSOPGAVE 1.1 1.2 1.3
Aanleiding ................................................................................................................................................................. 7 Doelstelling natuurontwikkelingsplan .............................................................................................................................. 9 Leeswijzer ................................................................................................................................................................. 9
2.1 2.1.1 2.1.1.1 2.1.1.2 2.1.2 2.1.2.1 2.1.2.2
Gebiedskenmerken ................................................................................................................................................... 11 Landschappelijke analyse ........................................................................................................................................... 11 Ontstaan van het landschap ........................................................................................................................................ 11 Landschappelijke waardering....................................................................................................................................... 12 Provinciaal beschermde gebieden ................................................................................................................................. 12 Bronsgroene Landschapszone ...................................................................................................................................... 12 Goudgroene en zilvergroene natuurzone........................................................................................................................ 12
3.1 3.1.1 3.1.2 3.2 3.2.1
Gebiedsvisie Maasgaard ............................................................................................................................................. 13 Algemeen................................................................................................................................................................ 13 Plek van het uitbreidingsgebied in de visie Maasgaard...................................................................................................... 13 Toekomstige situatie natuurontwikkeling ....................................................................................................................... 15 Uitbreidingsgebied .................................................................................................................................................... 15
4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.2.5
Goudgroene en Zilvergroene natuurzone........................................................................................................................ 17 Bronsgroene landschapszone ...................................................................................................................................... 17 Groene karakter ....................................................................................................................................................... 17 Visueel-ruimtelijk karakter .......................................................................................................................................... 18 Cultuurhistorisch erfgoed ............................................................................................................................................ 18 Reliëf ..................................................................................................................................................................... 19 Hydrologische bufferfunctie ......................................................................................................................................... 19
5.1 5.2
Provinciaal beschermde gebieden ................................................................................................................................. 21 Visie Maasgaard ....................................................................................................................................................... 21
AFBEELDINGEN Afbeelding 1. Aanduiding van De Diepeling als sterlocatie in het uitvoeringsprogramma Maasgaard (rode cirkel)...................................................................... 7 Afbeelding 2. Ligging van het uitbreidingsgebied (rood omlijnd) ten opzichte van de bestaande zandwinning De Diepeling. Tevens is de ligging ten opzichte van de Lollebeek, Groote Molenbeek en Tienray zichtbaar. Bron luchtfoto: PDOK-viewer. ............................................................................................................... 8 Afbeelding 3. Begrenzing van het uitbreidingsgebied van De Diepeling (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOK-viewer. ................................................................ 9 Afbeelding 4. Ligging van de provinciaal beschermde gebieden binnen en rondom het uitbreidingsgebied (rood omlijnd). Bron: Natuurbeheerplan Provincie Limburg. 12 Afbeelding 5. Kaart uit Visie Maasgaard. .................................................................................................................................................................. 14 Afbeelding 6. Kaart uit Visie Maarsgaard met De Diepeling als sterlocatie. ...................................................................................................................... 14 Afbeelding 7.
Schets inrichting uitbreidingsgebied....................................................................................................................................................... 16 Afbeelding 8. Eindplantekening............................................................................................................................................................................... 16
5
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding Op de grens van de gemeenten Horst aan de Maas en Venray ligt ontgrondingslocatie ‘De Diepeling’. Dit is een locatie waar na afloop van de winning van specifiek (wit, scherp) zand en grind een waardevol natuurgebied ontstaat en van waaruit momenteel de regionale zand- en grindmarkt wordt bediend. In het gebied rondom de zandwinlocaties, nabij de Groote Molenbeek en de Lollebeek, willen de gemeente Horst aan de Maas, de gemeente Venray, het Waterschap Limburg en de Provincie Limburg de kwaliteit van het buitengebied verbeteren. Dit willen de genoemde partijen bereiken door te investeren in eigentijdse natuurontwikkeling met daarbij nadrukkelijk ook aandacht voor het creëren van mogelijkheden/kansen om nieuwe samenhangende dynamiek in het buitengebied te ontwikkelen. Hiervoor werken de genoemde overheden samen in het uitvoeringsprogramma Maasgaard (Dienst Landelijk Gebied, 2013). In dit programma is De Diepeling aangeduid als toekomstige sterlocatie (afbeelding 1). Sterlocaties vormen onder meer prominente en herkenbare entrees van de recreatie- en natuurgebieden. De Diepeling wordt beschouwd als een fraaie landmark om mensen te verleiden de Maasgaard in te trekken.
Afbeelding 1. Aanduiding van De Diepeling als sterlocatie in het uitvoeringsprogramma Maasgaard (rode cirkel). Het einde van de zandvoorraad van de huidige zandwinlocatie begint in zicht te komen. Teunesen Zand en Grint B.V. is daarom voornemens de zandwinlocatie De Diepeling aan de zuidzijde beperkt uit te breiden om hiermee te kunnen voorzien in de regionale zand- en grindbehoefte. Door werk-met-werk te maken is het de bedoeling dat na afronding van de zandwinning in de uitbreiding, het gebied wordt ingericht in aansluiting op het uitvoeringsprogramma Maasgaard, waarbij dit gebied beter aansluit op de omgeving en een robuustere ecologische zone ontstaat. Daarmee is de delfstofwinning de financiële motor voor de invulling van de gebiedsambities voor een deel van het gebied Maasgaard. De beoogde uitbreiding is ten zuidoosten van de bestaande zandwinlocatie gelegen (afbeelding 2 en 3). Het beslaat een gebied van ca. 3 hectare.
7
Afbeelding 2. Ligging van het uitbreidingsgebied (rood omlijnd) ten opzichte van de bestaande zandwinning De Diepeling. Tevens is de ligging ten opzichte van de Lollebeek, Groote Molenbeek en Tienray zichtbaar. Bron luchtfoto: PDOK-viewer.
8
Afbeelding 3. Begrenzing van het uitbreidingsgebied van De Diepeling (rood omlijnd). Bron luchtfoto: PDOKviewer.
1.2
Doelstelling natuurontwikkelingsplan Ten behoeve van de uitbreiding van de zandwinning De Diepeling en het realiseren van een nieuwe natuurlijke situatie vinden diverse werkzaamheden plaats, namelijk het vergraven van twee maisakkers. Deze akkers maken deel uit van de Bronsgroene Landschapszone1. Het voorliggend natuurontwikkelingsplan gaat in op de gevolgen vanuit de provinciale gebiedsbescherming. Hierbij wordt aandacht besteed aan de huidige situatie en de toekomstige situatie van het uitbreidingsgebied. Op basis hiervan wordt beoordeeld in hoeverre de uitbreiding in strijd is met de provinciale gebiedsbescherming. Bescherming van houtopstanden is niet aan de orde, aangezien er geen bomenkap plaatsvind.
1.3
Leeswijzer In hoofdstuk 2 van dit natuurontwikkelingsplan wordt uiteen gezet welke natuurwaarden in het kader van de provinciale gebiedsbescherming aanwezig zijn binnen het uitbreidingsgebied. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op de toekomstige situatie binnen het uitbreidingsgebied. Hoofdstuk 4 bevat een effectbeoordeling in het kader van de provinciale gebiedsbescherming aan de hand van de voorgaande twee hoofdstukken. Tot slot geeft hoofdstuk 6 een conclusie ten aanzien van de gevolgen vanuit de Nederlandse natuurwetgeving (provinciale gebiedsbescherming).
1 Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt ook de nieuwe provinciale Omgevingsverordening van kracht. Hierin is
het beleid uit de Provinciale Omgevingsvisie (POVI) verankerd. In dit nieuwe beleid verandert de naam goudgroene natuurzone in Natuurnetwerk Limburg. De zilvergroene natuurzone en bronsgroene landschapszone gaan deel uit maken van de Groenblauwe mantel.
9
2
HUIDIGE SITUATIE In dit hoofdstuk worden de huidige natuurwaarden binnen en in de directe omgeving van het uitbreidingsgebied beschreven. Onderstaande paragrafen gaan in op de aanwezige biotopen en de aanwijzing als Bronsgroene Landschapszone (provinciaal beschermde gebieden).
2.1
Gebiedskenmerken
2.1.1
Landschappelijke analyse
2.1.1.1
Ontstaan van het landschap Het plangebied, zoals weergegeven in afbeelding 2 en 3, is gelegen tussen De Diepeling en de beekdalen van de Groote Molenbeek en Lollebeek en heeft een hydrologisch bufferende functie tussen deze twee systemen. Aan de westzijde van het gebied gaat de Lollebeek over in de Groote Molenbeek. Het gebied ligt tussen de landschappen van het Maasdal en de Peel. De huidige bodemopbouw is te herleiden tot de laatste ijstijd, het Weichselien (114.000 – 97.000 v. Chr.). De Maas was een vlechtende rivier met een zeer breed rivierdal. Het uitbreidingsgebied maakte toendertijd onderdeel uit van dit brede Maasdal. Door het vlechtende riviersysteem is veel grind en grof zand afgezet. Door het ontbreken van vegetatie door het koude poolklimaat werd door de wind zand aangevoerd vanuit het Noordzeebekken. Hierdoor werd ook veel dekzand afgezet. Na 18.000 v. Chr. is er tenslotte door de wind veel zand aangevoerd vanuit het Brabants Plateau. Hierdoor zijn voor het gebied typische dekzandwelvingen ontstaan. Na de ijstijd werd het klimaat warmer en veranderde de Maas van een vlechtende in een meanderende rivier. De riviergeul sneed zich door het landschap waardoor het huidige landschap Maasvallei ontstond. In deze tijd zijn ook de beekdalen van de Lollebeek en Groote Molenbeek ontstaan. De beekdalen sneden meanderend door het hogere dekzandlandschap heen.
In de Middeleeuwen is het landschap grotendeels ontgonnen. Hierdoor ontstonden op het dekzandlandschap grootschalige heidegebieden. De heidegebieden lagen op de hogere, drogere gebieden. In de lagere, natte beekdalen was geen heide aanwezig, hier lagen bewerkbare weilanden, akkers en onontgonnen bosjes en natuur. Omstreeks de jaren 30 van de vorige eeuw is het heidegebied omgevormd tot landbouwgebied. In diezelfde tijd is de Groote Molenbeek grotendeels genormaliseerd. Dit leidde tot een verdroging van de beekvallei en het omliggend agrarisch landschap. Door de ruilverkaveling heeft het landschap een sterke schaalvergroting gekregen en is het grootschalige karakter ontstaan. De afgelopen jaren (omstreeks 1987) zijn in het voormalige agrarische landschap grootschalige plassen ontstaan door zand- en grindwinning. Tijdens en na de winning wordt het plassengebied omgevormd tot natuur en wandelgebied. Onlangs is de Groote Molenbeek door het waterschap weer heringericht tot een meanderende beekloop. Aangrenzend aan het plangebied zijn een aantal poelen langs de beek aangebracht. Op de hogere dekzandrug tussen het beekdal en de zandwinplassen zijn jonge bosjes met eiken, beuken en dennen aanwezig.
11
2.1.1.2
Landschappelijke waardering Het plangebied grenst aan het beekdal van de Groote Molenbeek. Het plangebied is gelegen op een restant van een dekzandrug, bestaande uit twee landbouwpercelen. Zoals uit de ontstaansgeschiedenis van het landschap is te herleiden, is de huidige situatie van het plangebied en omgeving sterk vormgegeven door de mens. De overgang van dekzandlandschap met de insnijdende beekloop van de Groote Molenbeek is nog plaatselijk aanwezig. Dit is echter sterk gefragmenteerd door zijn ligging tussen De Diepeling en het beekdal van de Groote Molenbeek.
2.1.2
Provinciaal beschermde gebieden Het uitbreidingsgebied is in zijn geheel binnen de Bronsgroene Landschapszone gelegen. De Groote Molenbeek en Lollebeek zijn aangeduid als natuurbeek in het natuurbeheerplan van de Provincie Limburg. Afbeelding 4 geeft de ligging van de Goudgroene Natuurzone, Zilvergroene Natuurzone en de Bronsgroene Landschapszone weer, transparant op een luchtfoto. Met rood is het plangebied aangeduid en de hier gelegen Bronsgroene landschapszone. Hier is ook zichtbaar waar bosbiotoop gelegen is binnen de verschillende zones en hoe het beekdal van de Groote Molenbeek is heringericht.
Afbeelding 4. Ligging van de provinciaal beschermde gebieden binnen en rondom het uitbreidingsgebied (rood omlijnd). Bron: Natuurbeheerplan Provincie Limburg.
2.1.2.1
Bronsgroene Landschapszone In het uitbreidingsgebied omvat de Bronsgroene Landschapszone (BGL) twee landbouwpercelen met een gezamenlijke oppervlakte van circa 3 hectare. Het landbouwgebied (de laatste jaren gebruikt voor maisteelt) heeft in de provinciale omgevingsvisie en -verordening geen specifieke cultuurhistorische of landschappelijke waardering gekregen. Het kent ook weinig ecologische waarde.
2.1.2.2
Goudgroene en zilvergroene natuurzone Grenzend aan het uitbreidingsgebied is de Goudgroene natuurzone gelegen en op grotere afstand ook de Zilvergroene natuurzone. Er treedt geen oppervlakteaantasting op in deze gebieden. De delen betreffen het omliggende bosbiotoop en het ten zuiden gelegen beekdal van de Groote Molenbeek.
12
3
NATUURONTWIKKELING In voorgaand hoofdstuk is beschreven welke biotopen momenteel aanwezig zijn binnen het plangebied. Hierbij is aangegeven welke bescherming er op het uitbreidingsgebied ligt in het kader van provinciale gebiedsbescherming. Dit hoofdstuk gaat in op de natuurontwikkeling die plaatsvindt in het kader van de voorgestane werkzaamheden. Allereerst wordt beknopt ingegaan op de gebiedsvisie Maasgaard die is vastgesteld voor onder andere de omgeving van De Diepeling.
3.1
Gebiedsvisie Maasgaard
3.1.1
Algemeen Het plangebied ligt in het gebied Maasgaard. In dit gebied hebben de gemeenten Horst aan de Maas en Venray, het Waterschap Limburg (destijds nog Peel en Maasvallei) en de Provincie Limburg de handen ineengeslagen om de kwaliteit van het buitengebied te verhogen. Maasgaard omvat een groot deel van het buitengebied van beide gemeenten. De ambitie is om een natuurlijke kwaliteit en landschappelijke belevingskwaliteit te bereiken voor de eigen inwoners van Maasgaard en bezoekers van buiten het gebied. De overheden willen daarbij zuinig omgaan met de ruimte in het landelijk gebied. Het gaat de partijen om het gezamenlijk ontwikkelen en versterken van een goed functionerende, robuuste en krachtige groen-blauwe structuur van natuur en water. Denk daarbij aan bossen, heide, veengebieden, beekdalen en de Maasvallei. Een krachtige structuur van betekenis in ecologisch en hydrologisch opzicht, maar vooral ook een sterke drager voor het recreatief perspectief en de leefbaarheid binnen beide gemeenten. Zo kunnen economische ontwikkelingen in de vorm van toerisme en recreatie aansluiting vinden bij de groen-blauwe structuur en daar een meerwaarde in vinden. De gebiedsvisie stoelt op het idee dat economische ontwikkeling gepaard dient te gaan met een verhoging van de kwaliteit van de leefomgeving.
Deze visie Maasgaard kan dan ook een uitnodiging zijn voor aanvullende initiatieven, naast het vastgestelde uitvoeringsprogramma, waarbij de kansen op financiering en werk-met-werk maken worden benut. De Maasgaard kent een duidelijke landschappelijke driedeling: De Peel met hoogveen, natte heidecomplexen en groter eenheden ontginningsbos; Oude akkercomplexen met beekdalen; De Maasvallei, met vlechtend systeem van oude geulen en waardevolle bossen.
3.1.2
Plek van het uitbreidingsgebied in de visie Maasgaard Het uitbreidingsgebied ligt in het oude akkerdorpenlandschap met de beekdalen en sluit aan op de Maasvallei. Zowel zandwinlocatie De Diepeling aan de noordzijde van het uitbreidingsgebied als het beekdal van de Groote Molenbeek aan de zuidzijde van het plangebied hebben in de visie een plek gekregen (afbeelding 5). Zandwinlocatie De Diepeling is in de visie aangeduid als toekomstige sterlocatie die onderdeel uitmaakt van de ontwikkeling van een robuuste groen-blauwe structuur (natuur en water) met ruimte voor natuur en recreatie (afbeelding 6). Over De Diepeling staat in de visie beschreven: ‘De Diepeling is het kruispunt van de Groote Molenbeek en de Lollebeek. In de plas vindt momenteel zandwinning plaats, waarna de plas als natuur zal worden heringericht. Partijen in het gebied zien kansen om aan de herinrichting ook passende recreatieve ontwikkelingen te koppelen. Passend in de kwaliteiten van het gebied, het gebruik en aanvullend op het bestaande recreatieve product in beide gemeenten. Via de Groote Molenbeek wordt het gebied gekoppeld aan
13
het Kasteelpark Ter Horst. Vanaf de A73 kan De Diepeling uiteindelijk ook een fraaie landmark vormen om mensen te verleiden de Maasgaard in te trekken. Daarmee is De Diepeling een toekomstige sterlocatie.’
Afbeelding 5. Kaart uit Visie Maasgaard.
Afbeelding 6. Kaart uit Visie Maarsgaard met De Diepeling als sterlocatie.
14
Sterlocaties vormen onder meer prominente en herkenbare entrees van de recreatie- en natuurgebieden. De Diepeling wordt beschouwd als een fraaie landmark om mensen te verleiden om vanaf de A73 de Maasgaard in te trekken. Voor project ‘B4’, Sterlocatie De Diepeling, wordt de volgende voor het uitbreidingsgebied relevante ambitie beschreven: ‘De Diepeling kan als startlocatie dienen voor een bezoek aan het gebied, met name de beekdalen en het Maasdal’.
3.2
Toekomstige situatie natuurontwikkeling Doorontwikkeling van ‘De Diepeling’ zal de komende jaren leiden tot vergroting van de natuurwaarden. Om deze natuurwaarden nog beter aan te laten sluiten bij de omgeving (o.a. Groote Molenbeek en Lollebeek) wordt de inrichting hierop verder afgestemd. Hierdoor ontstaat een meer natuurlijk aaneengesloten natuurgebied. Alle bestaande bossen/bomen/houtwallen/steilranden en landschapselementen rondom de huidige akkers blijven behouden. Ontgrondingswerkzaamheden en bijbehorende werken vinden plaats in de rood omlijnde gebieden in afbeelding 4. Het plangebied vormt na de winning van delfstoffen en de daaraan gekoppelde herinrichting een schakel tussen ‘De Diepeling’ en het aangrenzende beekdal van de Groote Molenbeek. Deze schakelfunctie wordt vervuld door de natuur in beide gebieden logisch in elkaar over te laten lopen. Insteek is om het oorspronkelijke landschappelijk patroon zoveel als mogelijk te reconstrueren. Het nu nog door de aanwezige landbouwpercelen versnipperde gebied vormt daardoor na de delfstofwinning een aaneengesloten, robuuste natuur- en landschapszone. Op deze manier maakt het gebied nadrukkelijker onderdeel uit van de groen-blauwe structuren van het Maasgaardgebied. Door sanering van de huidige intensieve landbouw neemt ook de gevoeligheid van het gebied voor invloeden van buitenaf (landbouw, verkeer) af.
Het gebied verbindt dus De Diepeling en de Groote Molenbeek (noord-zuid) én versterkt de structuren van de Maasgaard (oost-west). Het gebied kent na de herinrichting een sterk verbeterde biodiversiteit. Dit ontstaat door meer variatie in gradiënten in het gebied aan te brengen. Het gebied biedt ruimte voor half natte en droge biotopen met bijbehorende natuurlijke vegetatie, maar ook ruimte voor de ontwikkeling van heide. Tevens kunnen beheertypes als broekbossen en zeggenmoeras worden gerealiseerd. De oever met ondiep water, begroeid met planten als riet, rietgras, zeggen en biezen, is interessant voor diverse soorten vogels, libellen, vissen, amfibieën en specifiek voor de bever, otter en waterspitsmuis. Staatsbosbeheer heeft aangegeven dat de beoogde ontwikkeling voor ‘De Diepeling’ perspectieven geeft voor hogere natuurwaarden, waardoor per saldo de natuurwaarden in de omgeving na inrichting toenemen.
3.2.1
Uitbreidingsgebied In afbeelding 7 en 8 is de toekomstige situatie van het uitbreidingsgebied weergegeven. Na ontgronding zal het gebied weer aangevuld worden, zodat in de eindsituatie geen open water meer over blijft. Er wordt een gradient gevormd van natte natuur naar droge biotopen. Voor beekbegeleidende natte gronden ontstaat ruimte in de zone die grenst aan de Groote Molenbeek. In de delen hogerop ontstaan kansen voor hooilanden en schraallanden. In combinatie met de aanwezige bospercelen ontstaat er een aantrekkelijk, kleinschalig, afwisselend landschap met ecologische potentie.
15
Afbeelding 7. Schets inrichting uitbreidingsgebied.
Afbeelding 8. Eindplantekening.
16
4
EFFECTBEOORDELING NATUUR In voorgaand hoofdstuk is beschreven hoe de toekomstige situatie van het uitbreidingsgebied wordt ingericht. Het als natuur inrichten van het uitbreidingsgebied na afloop van de winningswerkzaamheden is een op zichzelf staande doelstelling voor Teunesen Zand en Grint B.V. Dit hoofdstuk gaat in op de effecten die optreden op aanwezige kernkwaliteiten.
4.1
Goudgroene en Zilvergroene natuurzone Er treedt geen oppervlakteaantasting van de omliggende Goudgroene en Zilvergroene natuurzone op. Conform het beleid in de provincie Limburg, is het in dat geval niet aan de orde om externe effecten te beschouwen. Negatieve effecten op de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone treden derhalve niet op. Volledigheidshalve kan vermeld worden dat de ontwikkeling van de akkers naar een natuurlijk biotoop juist een positief effect hebben op beide beschermde natuurzones.
4.2
Bronsgroene landschapszone Het uitbreidingsgebied ligt op grond van de kaart ‘Beschermingszones natuur en landschap’ van de geconsolideerde versie van de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’ (hierna Omgevingsverordening) binnen de Bronsgroene Landschapszone. De Provinciale verordening heeft regels opgesteld ter bescherming van de aanwezige waarden in deze zones. De gronden die onderdeel uitmaken van het uitbreidingsgebied zijn gelegen binnen het beekdallandschap. De afgelopen jaren is de loop van de Groote Molenbeek meanderend aangelegd. Het tussen de beek en ‘De Diepeling’ gelegen gebied vormt een nog niet compleet natuurlijk ingerichte schakel, vanwege de aanwezigheid van een aantal agrarische percelen. Bezien vanuit het beekdal van de Groote Molenbeek bestaat het landschap uit meerdere terrassen met een laag gelegen, natter deel en een hoog gelegen, droger deel. Het voorliggend plan voorziet erin om middels de winning van delfstoffen te komen tot een aaneengesloten natuurgebied. Op basis van de Omgevingsverordening en het Landschapskader Noord- en Midden Limburg (2009) wordt gewerkt aan versterking van de landschappelijke kwaliteiten van het gebied. Onderstaand volgt een uitwerking op de vernoemde kernkwaliteiten Omgevingsverordening, hoofdstuk 2.7.2. Bronsgroene landschappen.
Dit betreft: Het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Onderstaande onderdelen onderbouwen waarom het plan voldoet aan de nader toegelichte kernkwaliteiten in de Omgevingsverordening (artikel 2.7.2. Omgevingsverordening Limburg 2014) en het landschapskader Noord- en Midden-Limburg (Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, beekdal).
4.2.1
Groene karakter De gronden waarmee middels de winning van delfstoffen beoogd wordt te komen tot een natuurlijke inrichting zijn gelegen binnen de Bronsgroene landschapszone. Betreffende gronden zijn op dit moment nog intensief, landbouw kundig in gebruik. Er worden akkerbouwgewassen geteeld (mais). Van aanwezige natuurwaarden is op dit moment geen sprake. Het voorliggende plan voorziet in de ontwikkeling van natuurwaarden. Het gebied dat ontstaat na ontgronding zal weer aangevuld worden, zodanig er in de eindsituatie geen open water overblijft. Afwerking van het gebied vindt o.a. plaats met bodemmateriaal afkomstig uit ‘De Diepeling’. Een belangrijke, nog onbenutte, kwaliteit van het gebied wordt gevormd door de overgang van natte structuur/natuur (‘De Diepeling’) naar de meer droge natuurdoeltypen. Daarnaast vormt gradiëntenovergang naar de verder weg gelegen hogere gronden, een belangrijke kwaliteit. Met name de beekbegeleidende – veelal – natte gronden zijn bijzonder. Daarvoor ontstaat ruimte in de zone die grenst aan de Groote Molenbeek. In de delen hogerop ontstaan kansen voor hooilanden en schraallanden. In combinatie met de aanwezige bospercelen ontstaat er een aantrekkelijk, kleinschalig, afwisselend landschap met ecologische potentie.
17
Kernkwaliteiten Een belangrijke kwaliteit van dit landschapstype wordt gevormd door de doorgaande natte structuur, waardoor de beekdalen voor veel organismen functioneren als ecologische verbindingszone. Daarnaast vormen de gradiënten, vooral het hoogteverschil loodrecht op de beek van de lage beek naar de verder weg gelegen hogere gronden, een belangrijke kwaliteit. Met name de beekbegeleidende – veelal – natte gronden zijn bijzonder. Hier treffen we hooilanden, diverse moerastypen en moerasbossen aan. Het voorliggend plan leidt tot een verbetering van het groene karakter van de gronden. Door ontgronding worden de huidige monotone agrarische percelen omgevormd naar een meer natuurlijke inrichting. Het effect van de ontgronding is dat het groene karakter van het gebied tussen Groote Molenbeek en ‘De Diepeling’ wordt versterkt.
4.2.2
Visueel-ruimtelijk karakter Het uitbreidingsgebied is gelegen op de zandgronden. Het beekdal tussen de Groote Molenbeek en ‘De Diepeling’ vormt een belangrijke structuurdrager van het landschap. Als gevolg van egaliseringen (of verploeging) is een deel van de flank van het beekdal de afgelopen jaren verloren gegaan. Dat maakt dat de in het verleden aanwezige steilrand op de landbouwpercelen niet meer aanwezig is. In de naast gelegen bospercelen is de oude steilrand nog steeds aanwezig. De voorgestelde planontwikkeling biedt kansen om de oude steilrand te reconstrueren en de nog aanwezige steilranden met elkaar te verbinden. Middels de winning van delfstoffen en herinrichting is het mogelijk om de beoogde reconstructie door werk-met-werk te maken uit te voeren. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. Binnen dit beekdal passen geen intensief, landbouwkundig in gebruik zijn de percelen. Rondom de nu nog in gebruik zijnde agrarische percelen bevinden zich bospercelen. Om de openheid van het gebied te behouden zullen de huidige agrarische percelen na ontgronding omgevormd worden tot vochtige schraalgraslanden langs de plasdraszone langs de beek. De hogerop gelegen gronden zullen omgevormd worden naar droge schraalgraslanden.
Op de meest noordelijk gelegen overgangen richting de bospercelen ontstaat een uitstekende uitgangssituatie voor de ontwikkeling van heide. Kernkwaliteiten Beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap. Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn beekdalen vervormd. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol. Er worden drie typen beekdalen onderscheiden. Het halfopen kamertjes type, het besloten bostype en het open grazige type. Door ontgrondingswerkzaamheden ontstaat er een kans om middels werk-met-werk de oorspronkelijke hoogte niveaus in het veld te herstellen en door een natuurlijke inrichting van het gebied te komen tot een duurzame instandhouding van de oorspronkelijke situatie. Het oorspronkelijke beekdal wordt weer zichtbaar. Door ontgrondingswerkzaamheden ontstaat er een zodanige uitgangsituatie, waardoor het gebied een open, natuurlijk karakter krijgt en behoud.
4.2.3
Cultuurhistorisch erfgoed De randen van de beekdalen op de hogere gronden zijn cultuurhistorisch veelal waardevol. Deze randen waren de eerste bewoningsplaatsen in het gebied. Dit hield mede verband met de verhoogde ligging in het landschap en de beschikbaarheid van drinkwater. Door bebossing is de verhoogde ligging in het landschap nauwelijks zichtbaar. Enkel via de landbouwpercelen is de ligging nog zichtbaar. De beekdalen spelen vandaag de dag nog steeds een belangrijke rol bij de waterhuishouding van het gebied. Dit zijn dan ook de uitgelezen plekken om de verdrogingsproblematiek (deels) aan te pakken door hier water vast te houden en vertraagd af te voeren. Middels de winning van delfstoffen en herinrichting is het mogelijk om de ‘oude’ situatie te reconstrueren en de waterhuishoudkundige situatie te herstellen. Hierdoor ontstaat er in de zone langs de Groote Molenbeek ruimte voor de ontwikkeling van kwelnatuur. Uiterst waardevolle natuur die een
18
bijdrage kan leveren aan vergroting van de variëteit aan natuurdoeltypen en verbetering van de biodiversiteit in de omgeving. Kernkwaliteiten De randen van de beekdalen op de hogere gronden zijn cultuurhistorisch en archeologische waardevol. Deze randen waren de eerste bewoningsplaatsen in het gebied. In het verleden werden de gronden door gecontroleerde bevloeiing vruchtbaar gemaakt. Deze oude bevloeiingssystemen zijn cultuurhistorisch waardevol. De beekdalen spelen vandaag de dag nog steeds een belangrijke rol bij de waterhuishouding van het gebied. Dit zijn dan ook de uitgelezen plekken om de verdrogings-problematiek (deels) aan te pakken door hier water vast te houden en vertraagd af te voeren. Door voorgestelde planontwikkeling wordt de oude cultuurhistorische situatie hersteld, natuurlijk ingevuld en blijft de huidige hydrologische situatie in het bestaan. Effect is dat de ontgrondingsactiviteiten het mogelijk maken om de oorspronkelijke situatie te herstellen. Uiteraard zal hierbij (door middel van noodzakelijk onderzoek) met respect voor eventueel aanwezig aanwezige archeologische waarden te werk worden gegaan.
4.2.4
Reliëf In het gebied is oorspronkelijk sprake van een terrassenlandschap. Echter, in het voorliggende projectgebied is sprake van een gedeeltelijk vervormd terrassenlandschap. Door landbouwkundig gebruik van de agrarische percelen is de afgelopen jaren een deel van de steilrand verploegd. Middels het voorliggende plan kan gekomen worden tot herstel van de oorspronkelijke situatie. De akkerbouwpercelen maken na ontgronding plaats voor grazige vegetaties. Ook de oorspronkelijke flank van het beekdal in het gebied wordt teruggebracht. In de overgang van de hoger gelegen gronden naar de lager gelegen gronden zal kwelwater via kwelzones uittreden. Hierdoor ontstaan in de laaggelegen delen vochtige laagtes die een unieke uitgangssituatie vormen voor natte natuurdoeltypen en aansluiten op het beekdal van de Groote Molenbeek. Kernkwaliteiten Het ontwikkelen van lineaire landschapselementen loodrecht op de beek als houtwallen, singels, knotbomenrijen en heggen en met de beek mee als beekbegeleidende beplanting even als de aanleg van poelen en bosjes (< 5 ha) worden gestimuleerd als karakteristieke beekdalelementen. Midden in beekdalen liggen parallel aan de beekloop vaak rechte door mensen aangelegde bevloeiingssloten. Met voorliggend plan wordt de oude reliëfstructuur van het beekdal hersteld.
Tevens blijft met de natuurlijke invulling van het gebied de karakteristieke kleinschaligheid in tact en wordt de landbouwfunctie uit het gebied verwijderd. De aanwezig beekgeleidende beplanting blijft behouden. Effect van voorgestelde ontgronding is dat deze ruimte biedt om te komen tot herstel van de oude reliëfstructuur en er tevens gekomen kan worden tot een natuurlijke inrichting van het gebied.
4.2.5
Hydrologische bufferfunctie De belangrijkste fysieke voorwaarde om dit robuuste om dit robuuste geheel te realiseren is de hydrologische scheiding van plas en beek. Dat dit mogelijk is, blijkt uit het uitgevoerde onderzoek naar de hydrologische effecten van de van de zuidoostelijke uitbreiding van de zandwinning (Antea, 2022). Doordat de winning op minimaal 50 meter afstand van de Groote Molenbeek blijft en er na winning een brede strook langs de zuidelijke oever wordt aangevuld met de fijne fractie van het gewonnen zand, ontstaat er een eindsituatie zonder (negatieve) effecten op het beeksysteem. In de tijdelijke situatie kunnen de peilen in de zandwinplassen wanneer nodig worden gereguleerd middels de aanvoer van water uit de bestaande plas van ‘De Diepeling’ of afvoer naar de Groote Molenbeek. De effecten van het plan in de eindsituatie zijn positief te noemen. De ontstane plassen aan weerszijden van de Reijnbroeckerweg worden aangevuld met grond tot een maaiveldhoogte die (deels) beneden het peil in de bestaande plas ligt. Door de hoge grondwaterstanden worden potenties voor de ontwikkeling van grondwaterafhankelijke natuurwaarden gerealiseerd, waarbij noordoostelijk van de Reijnbroeckerweg gebruik kan worden gemaakt van de aanvoer van overtollig water uit de bestaande plas Diepeling om (kwel)stromen te ontwikkelen.
19
5
CONCLUSIE Op basis van de effectbeoordeling in voorgaand hoofdstuk, kunnen de volgende conclusies getrokken worden.
5.1
Provinciaal beschermde gebieden Zoals in voorgaande hoofdstukken is beschreven vinden de winwerkzaamheden plaats binnen Bronsgroene landschapszone. De toekomstige inrichting vormt juist een versterking van de landschappelijke kernkwaliteiten ter plaatse. Van een negatief effect en dus een aanvullende compensatie in het kader van de Omgevingsverordening is derhalve geen sprake.
5.2
Visie Maasgaard Na beëindiging van de delfstofwinning wordt het gebied zodanig ingericht, dat een groter en robuuster aangesloten natuurgebied ontstaat ter plaatse van wat nu agrarische percelen zijn. Hiermee sluit het plan aan op de visie Maasgaard en draagt het bij aan de lokale natuurontwikkeling.
21
6
LITERATUUR Antea Group, 2022. Uitbreiding zuidoostkant ‘De Diepeling’, hydrologische effecten uitbreiding, Antea, PN476245, 8 juli 2022. Dienst Landelijk Gebied, 2013. Integrale visie De Maasgaard. Maart 2013. DLG20130326tm001.
23