05c Visie Samen voor Veilig NML
Tekst van het document
Regiovisie Samen voor Veilig
Van voorkomen tot beschermen
Programmatische aanpak in de regio Noord- en Midden-Limburg gericht op het vroegtijdig signaleren en duurzaam stoppen van onveiligheid in gezinnen en huishoudens. Omdat ieder kind het recht heeft om veilig op te groeien en iedere volwassene het recht heeft om in veiligheid te leven.
Inhoud 1. De aanleiding
1
2. Ontwikkelingen
2
3. Stand van zaken in de regio
4
4. De inzet voor de komende jaren
7
4.1
Onze doelen
8
4.2
Onze uitgangspunten
9
4.3
De prioriteiten
10
4.4. Aanvullende uitwerkvragen
11
4.5. Programmatische aanpak
12
Welke teamgenoot bied jij een veilige woonsituatie?
“Veiligheid is de aanwezigheid van krachten, die hebben laten zien voldoende en gedurende langere tijd te beschermen tegen het gevaar. Het gevaar bestaat uit de feitelijke onveilige gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan, en waarover zorg is dat ze zich herhalen”.
1. De aanleiding Dit document beschrijft de visie van de regio Noord- en Midden-Limburg over de wijze waarop we in onze regio werken aan het duurzaam beëindigen van onveiligheid voor kinderen, gezinnen en huishoudens. Hiervoor richten we een regionaal programma Samen voor Veilig in. Dit regionale programma bouwt voort op de lijnen van het huidige regionale meerjarenplan Geweld in Afhankelijkheidsrelaties Noord- en Midden-Limburg (2021) en combineert deze met de inzichten en leidende principes van het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. De regio’s Noord- en Midden-Limburg zien in het Toekomstscenario kansen om de ondersteuning van kinderen, gezinnen, huishoudens en professionals te verbeteren. Dit heeft geleid tot de regionale notitie ‘Eerste stappen naar een Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming Noord- en Midden- Limburg’ (d.d. 1 mei 2023), waarin zij zich hebben uitgesproken om uitgangspunten en prioriteiten te benoemen waar in 2024 en verder met bestuurlijk commitment vanuit gemeenten én netwerkpartners gezamenlijk op ingezet gaat worden. Een nadrukkelijk vertrekpunt hierbij is dat er wordt voortgebouwd op wat er al staat, zowel lokaal als regionaal.
1
2. Ontwikkelingen In 2015 werden gemeenten bij wet (Wmo en Jeugdwet) volledig verantwoordelijk gesteld voor het voorkomen, onderzoeken en bestrijden van huiselijk geweld en kindermishandeling. In de afgelopen jaren is, met behulp van ontwikkelprogramma’s als Geweld hoort nergens thuis en Veiligheid Voorop, zowel landelijk als in deze regio geïnvesteerd in de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze programma’s zijn voor een groot deel gebaseerd op wetenschappelijke inzichten uit de cohortstudies van het Verwey-Jonker Instituut. Sinds 2009 worden deze studies uitgevoerd om de stand van zaken in de aanpak van geweld te onderzoeken en om factoren te identificeren die bijdragen aan het duurzaam stoppen van geweld in af afhankelijkheidsrelaties. Uit de drie cohortstudies die tot en met 2023 zijn uitgevoerd, blijkt dat er voorzichtig resultaten worden geboekt, maar dat er meer nodig is om het geweld duurzaam te stoppen. Ook in de jeugdbeschermingsketen is geconstateerd dat de aanpak beter moet: het is onvoldoende rechtsbeschermend, te veel ingericht als een estafettemodel en voor gezinnen is onduidelijk wie, wat en waarom doet. Dit vormde in maart 2021 de aanleiding voor de landelijke ontwikkeling van het Toekomstscenario Kinden Gezinsbescherming 0-100, het opvolgende programma van Geweld hoort nergens thuis.
De belangrijkste conclusies: het huidige stelsel is complex en schiet tekort. Gezinnen en huishoudens voelen zich onvoldoende gehoord en gezien. De onderliggende problematiek, die vaak op meerdere leefgebieden speelt en diep in het systeem is verankerd, wordt onvoldoende in kaart gebracht. Betrokkenen moeten hun verhaal op verschillende plekken opnieuw vertellen. Er ontbreekt één vaste professional die gedurende het hele traject betrokken blijft, een vertrouwensband opbouwt, de problematiek in samenhang beoordeelt en integraal werkt aan oplossingen. Hierdoor worden kansen gemist, zo is de conclusie. Complexe (gezins)casuïstiek wordt van organisatie naar organisatie doorgegeven, wat de afstand tussen hulpverlening en het betrokken gezin of huishouden vergroot. Daarbij gaat cruciale informatie verloren. Het Toekomstscenario schetst in grote lijnen een nieuwe opzet voor de beschermingsketen, los van de bestaande organisatiegrenzen, met een andere manier van samenwerken tussen gezinnen/huishoudens, professionals en organisaties. De basis van het Toekomstscenario bestaat uit vier principes: (1) gezinsgericht, (2) rechtsbeschermend en transparant, (3) eenvoudig, en (4) lerend. Een centrale rol is weggelegd voor het lokale team, dat als constante factor fungeert in de hulpverlening aan kinderen, gezinnen en huishoudens waar geweld speelt.
Dit team speelt ook een belangrijke rol bij het waarborgen van herstel. De hulpverlener uit het lokale team werkt daarbij niet altijd alleen. Waar nodig wordt samengewerkt met professionals met specifieke expertise. Het landelijk toekomstscenario gaat daarbij uit van zogenoemde regionale veiligheidsteams (RVT) waar deze professionals in de toekomst deel van uit zouden moeten maken. 2
Het landelijke beeld is dat in ieder geval de Gecertificeerde Instellingen en Veilig Thuis daar onderdeel van zouden zijn. De rol en positie van de Raad voor de Kinderbescherming is daarin nog niet duidelijk. In de besluitvorming daarover worden ook de resultaten betrokken van het onderzoek door de Commissie Van Dooijeweert , dat zich richt op de rechtsbescherming van kinderen en ouders in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Op basis van deze hoofdlijnen is in verschillende proeftuinen geëxperimenteerd met nieuwe samenwerkingsvormen tussen gezinnen/huishoudens en professionele expertise, en met het identificeren van de benodigde randvoorwaarden daarvoor. Deze ervaringen worden momenteel verwerkt en zullen naar verwachting medio 2025 leiden tot definitieve besluitvorming over de functionaliteiten én organisatievorm van een Regionaal Veiligheidsteam (RVT). Bovenstaande ontwikkelingen, evenals de stand van zaken in onze eigen regio met betrekking tot de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties (zie de resultaten van het Verwey-Jonker Instituut en de evaluatie van het lopende programma in hoofdstuk 3), brengen ons ertoe de uitgangspunten en prioriteiten voor de komende jaren aan te scherpen. Dit doen we vanuit de overtuiging dat de basis op orde moet zijn om effectief te kunnen zijn in het stoppen van geweld in afhankelijkheidsrelaties en duurzame veiligheid te realiseren.
Als de basis goed op orde is, zijn we in de toekomst ook in staat om hetgeen wat verder op ons af komt vanuit landelijke ontwikkelingen gefundeerd vorm te geven en tot uitvoering te brengen.
3
3. Stand van zaken in de regio Ieder kind heeft het recht om veilig op te groeien en iedere volwassene heeft het recht om in veiligheid te leven. Voor sommige gezinnen en huishoudens is dat niet vanzelfsprekend vanwege een opeenstapeling van verschillende en langdurige problemen. Dan is er hulp nodig, meestal op meerdere leefgebieden tegelijk en daar staan wij als gemeenten en netwerkpartners samen voor aan de lat. Daar hebben we in de regio in de achterliggende jaren op verschillende manieren in geïnvesteerd. Kijkend naar de stand van zaken zien we het volgende: •
We werken als regio steeds vanuit een gemeenschappelijke regiovisie samen aan het stoppen van geweld in afhankelijkheidsrelaties. Dat geldt voor gemeenten, die dit in alle colleges hebben bekrachtigd alsook voor de netwerkpartners. We hebben daarbij gekozen om de visie Gefaseerd Samenwerken voor Veiligheid als fundament voor de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties te gebruiken. Dat is om te beginnen helpend in het spreken van één gemeenschappelijke taal in de samenwerking van professionals met gezinnen en huishoudens. Het is ook helpend in het samen komen tot een goede aanpak en in het aanspreken van elkaar. De duurzame implementatie van deze visie in het denken en doen van organisaties en professionals vraagt nog meer aandacht, zo blijkt uit de terugblik op het GIA-programma.
•
Als handelingskader voor methodisch werken aan veiligheid hebben de lokale teams en de netwerkpartners met de TOP 3-methodiek een gemeenschappelijke basis. Voor effectieve samenwerking zijn een gedeelde visie en een gemeenschappelijke methodiek van cruciaal belang. Het fundament ligt er dus wel, maar ook op dit thema blijkt dat de implementatie nog meer inzet vraagt zodat die manier van werken in de dagelijkse praktijk ook echt wordt toegepast. En daarbij de focus op hoe dat als netwerk vooral samen met het gezin of huishouden te doen, ook mee te nemen.
•
Het streven was dat iedere gemeente op basis van de landelijke zelfscan Werken aan Veiligheid door lokale teams de eigen verbeterpunten in het werken aan veiligheid in beeld zou brengen en op 4
basis daarvan met een versterkingsplan aan de slag zou gaan. Dat is niet altijd op die manier in praktijk gebracht. Omdat het implementeren én borgen van werken aan veiligheid wel staat of valt met evalueren en continue leren en bijstellen, blijft dit een belangrijk onderdeel van het regionale programma. •
Het kunnen beschikken over voldoende en passende hulp is een van de belangrijkste voorwaarden om geweld en de effecten daarvan te kunnen stoppen en de overdracht naar nieuwe generaties te doorbreken. Naast informele zorg, hulp en opvang aan slachtoffers, die in de breedte beschikbaar is in deze regio, is ook de inzet op plegers van belang. Dat specifieke aanbod is in pilotvorm in deze regio gestart. In alle gesprekken en sessies komt het betrekken van specialistische kennis en het inzetten van passend zorgaanbod op tafel, met daarbij een diffuus beeld over waar nu de belangrijkste aandachtspunten liggen. Wachttijden in de GGZ en in jeugdhulp zijn issues die unaniem als knelpunt naar voren komen.
•
De regio investeert in een MDA++-aanpak. MDA++ staat voor een systeemgerichte, intersectorale en specialistische aanpak van ernstig geweld in gezinnen/huishoudens waar complexe problematiek speelt. Het is een werkwijze die uitgaat van een netwerkbenadering, die inzet op een verdiepende analyse die systeemgericht is. Daarmee kan dit een goed vliegwiel zijn voor versterking van de netwerksamenwerking in deze regio.
•
In de regio is er een aantal goed functionerende afstemmingstafels waar professionals met uiteenlopende expertise, bij voorkeur samen met het gezin, in gesprek gaan over de passende vervolgstap(pen). Denk aan: het actieoverleg, het schakeloverleg, de jeugdbeschermingstafel, het Regionaal Expertiseteam Jeugd. De werkzame elementen daarvan worden meegenomen in dit programma.
•
Multidisciplinair leren is een belangrijke succesfactor voor een adequate aanpak van onveiligheid en geweld in (gezins)systemen. Onderzoeken zoals dat van het Verwey-Jonker Instituut (‘een kwestie van lange adem’, 2020) wijzen dat uit. In de regio’s van de provincie Limburg is er een jarenlange traditie op dit vlak in het Netwerk Zorg en Straf. Die samenwerking is belangrijk om een vroegtijdige samenloop van zorg en straf te stimuleren en daarmee de effectiviteit van de aanpak, ook door lokale teams en zorgpartners te vergroten. Daarnaast zijn er op jeugdgebied expertiseteams (RET en Bovenregionaal Expertisenetwerk Limburg (BEL)) waar het oplossen en leren van knelpunten en goede praktijken centraal staat.
•
Last but not least: een regionale ondersteuningsstructuur voor de regionale samenwerking is een kritische succesvoorwaarde. Een dergelijk regionaal ambtelijk platform, dat gezamenlijk voorbereidt, implementaties aanjaagt en ondersteunt, is al aanwezig. Ook met Veilig Thuis en de Gecertificeerde Instellingen is er frequente beleidsmatige afstemming. Toch ziet de regio ook verbeterpunten: in het sturen op de realisatie van afspraken, in het monitoren van de voortgang en elkaar daarop aanspreken. Daarnaast is het de vraag of gemeenten en netwerkpartners in zorg en veiligheid elkaar als collectief voldoende zien en spreken over GIA-beleid en -uitvoering.
5
In de basis ligt er een goed beleid. Tegelijkertijd zien we aan bovenstaande dat nog niet allemaal op orde is. De urgentie om daar wel werk van te maken, blijkt zeker ook uit de resultaten van de derde cohortstudie van het Verwey-Jonker Instituut1 . Uit dat onderzoek blijkt niet alleen landelijk dat er nog stappen te zetten zijn, de regionale resultaten laten zeker ook zien dat er nog werk aan de winkel is. Een weergave van enkele belangrijke resultaten:
Algemeen -
-
-
-
Het aantal incidenten partnergeweld en kindermishandeling neemt in het jaar na de melding en de bemoeienis/inzet van hulp sterk af. In 21 procent van de partnerrelaties en gezinnen is het geweld na een jaar gestopt. Toch duurt het geweld bij een grote groep ook voort. Fysieke kindermishandeling neemt na bemoeienis/inzet van hulp af van 26 naar 14 procent, maar de meeste kinderen hebben thuis nog steeds te maken met forse conflicten tussen de ouders. Net als in het vorige cohortonderzoek blijkt dat verwaarlozing in de tijd niet afneemt. Psychisch geweld neemt wel af, maar komt bij de tweede meting nog steeds voor bij de helft van de kinderen. Er lijkt een hoge correlatie te zijn tussen het geweld van ouders en dat van kinderen. Twee derde van de kinderen pleegt fysiek of psychisch geweld tegen hun de ouders. Twee derde van de kinderen die een relatie hebben, krijgt te maken met dating violence. Nieuw inzicht in deze derde studie: voor het eerst is gekeken naar intieme terreur, een ernstige vorm van partnergeweld die wordt gekenmerkt door controle en dwang. Bij deze vorm van geweld bleek nauwelijks verbetering zichtbaar. In de vorige studie kreeg de helft van de kinderen formele hulp; in deze studie is dat opgelopen tot driekwart. Bij 35 procent gaat het om ondersteuning vanuit de mentor of het schoolmaatschappelijk werk.
Daarnaast is er veel tweedelijnshulp gericht op het gezin, de relatie en de opvoeding.
Regiospecifiek beeld -
-
In Noord- en Midden-Limburg zijn er significant meer geweldsincidenten per gezin voordat een melding bij Veilig Thuis wordt gedaan dan in de rest van Nederland. Bij het tweede meetmoment, één jaar na de melding bij Veilig Thuis, is in 94,1% van de huishoudens het geweld nog niet gestopt. Het percentage meldingen waarbij kinderen zelf aangeven dat er sprake is van kindermishandeling is vergelijkbaar met de rest van Nederland (71%); na een jaar is dat gedaald naar 57%. Het percentage getraumatiseerde ouders neemt af maar bij de meting na één jaar is het nog steeds hoger dan bij de algemene bevolking. In deze regio is er significant meer problematisch drankgebruik dan in de rest van Nederland. Kijkend naar de kindproblematiek dan laat het onderzoek zien dat het percentage emotioneel onveilige kinderen (ruim 52,6%) hoger ligt dan het landelijke gemiddelde (41,8%) en bij de tweede meting is dat bovendien beduidend minder gedaald (48,1%) dan in de rest van Nederland (32,8%). Ook zien we dat het probleemgedrag op school hoger ligt dan in de rest van Nederland en het delinquent gedrag lager.
We zien dus genoeg redenen om verder te investeren in onze lokale en regionale aanpak en te zorgen dat wat was afgesproken en gerealiseerd is, ook wordt doorgezet. En om te zorgen dat datgene wat nog niet van papier af is afgekomen en in de praktijk is geland, verder wordt opgepakt. In het volgende hoofdstuk lichten we de uitgangspunten, de doelen en prioriteiten verder toe.
1
https://www.verwey-jonker.nl/publicatie/huiselijk-geweld-een-complex-en-hardnekkig-probleem (2023)
6
4. De inzet voor de komende jaren Bij de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties hebben veel verschillende partners een zelfstandige rol en taak. Die vullen zij in op basis van uiteenlopende wet- en regelgeving en verschillende financieringsbronnen. Voor een effectieve aanpak, zo weten wij uit onderzoek en ervaring, is verregaande samenwerking vanuit een gedeelde visie en werkwijze nodig. Dus om te bepalen waar de focus moet liggen en hoe we de aanpak willen verbeteren, hebben we de achterliggende maanden met veel verschillende partners individueel en gezamenlijk gesproken. Met bestuurders en wethouders omdat van hen de steun en de sturing op het collectief en binnen de organisatie moet afkomen. Met beleid en middenmanagement omdat zij de lijnen moeten vertalen en intern uitzetten. En met uitvoerende professionals omdat zij met ervaring en kennis van de dagelijkse praktijk kunnen aangeven waar de échte winst te behalen is en wat dat aan de voorkant vraagt aan kaders en randvoorwaarden. Oriënterende gesprekken zijn gevoerd met onder andere Bureau Jeugdzorg, WSG en Leger des Heils, Veilig Thuis en de Raad voorde Kinderbescherming. Ook gemeenten (Jeugd- en Wmo-beleid), lokale teams, met zorg- en veiligheidshuizen, platforms als RET en BEL, Moveoo en GGZ-partners zijn betrokken.
Er zijn verschillende bestuurlijke “benen-op-tafel”-bijeenkomsten georganiseerd, evenals werksessies met middenmanagent en professionals vanuit zorg en veiligheid. Daarnaast zijn gemeenteraadsleden geconsulteerd over de kaders voor een regionale visie en werkwijze. Deze intensieve consultatie heeft geleid tot dit visiedocument, waarin de regio de kaders vastlegt in doelen, uitgangspunten en prioriteiten voor de komende jaren.
7
4.1
Onze doelen
Iedereen heeft recht op een veilig bestaan. De basis daarvan begint thuis, in de vertrouwde omgeving, waar ieder mens ontwikkelkansen krijgt om zichzelf in veiligheid te kunnen ontplooien. Dat is waar we als regio voor staan. We streven naar een versterking van de regionale aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties, met de volgende hoofddoelen: ▪ Preventie: Wij willen met preventieve maatregelen, zowel lokaal als regionaal, inzetten op het voorkomen van onveiligheid en geweld in gezinnen en huishoudens. ▪ Vroege signalering: Wij willen kinderen, gezinnen en huishoudens waar geweld speelt, zo vroeg en volledig mogelijk in beeld brengen. ▪ Geïntegreerde hulpverlening: Wij willen geïntegreerde hulp bieden die effectief is in het stoppen van het geweld en die nodig is om de veiligheid te herstellen en te waarborgen voor alle betrokkenen van -10 maanden tot 100+-jaar. Met onze regiovisie blijven we één-op-één aansluiten op de Visie Gefaseerd Samenwerken voor Veiligheid (Vogtländer en Van Arum, 2016). De kern van deze visie is dat bij onveiligheid altijd wordt gewerkt aan drie achtereenvolgende doelen: directe veiligheid, stabiele veiligheid en herstel. Om de cirkel van geweld te doorbreken, is eerst directe veiligheid noodzakelijk. Hiervoor wordt een veiligheidsplan opgesteld.
Pas daarna ontstaat er ruimte om de oorzaken van de onveiligheid aan te pakken, met behulp van risicogestuurde zorg. Vervolgens kan gewerkt worden aan het herstel van de opgelopen (ontwikkelings)schade. De kracht van onze verbeterde aanpak, zowel preventief als curatief, ligt in het centraal stellen van het gezin/huishouden. Hierbij draait het om de vraag wat zij, zowel individueel als gezamenlijk, nodig hebben om het geweld duurzaam te stoppen en zich in veiligheid op alle leefgebieden kunnen ontplooien. Dit vraagt om te beginnen dat wij, (gemeentelijke) organisaties en professionals, goed (leren) samenwerken met het gezin/huishouden. Met oog voor álle betrokkenen en een integrale blik op alle leefgebieden. We ontrafelen de patronen die maken dat onveiligheid/geweld ontstaat en richten daar onze aanpak op in. We werken systeemgericht met professionals die handelen als één netwerk rondom het gezin/huishouden. Het realiseren van deze doelen vraagt ook dat we blijven investeren in de aanpakken die helpen in het vroegtijdig verbinden van zorg, veiligheid en straf. Eerdere en gecoördineerde inzet verkleint de kans op het ontstaan (of herhaling) van onveiligheid. Daarbij sluiten we aan op de landelijke aanpak Veiligheid Voorop ontwikkeld door Veilig Thuis, de politie, het Openbaar Ministerie, de drie Reclasseringsorganisaties (3RO) en de Raad voor de Kinderbescherming.
Deze coalitie zet sinds 2018 in op een andere manier van samenwerken: vroegtijdig en intensief, met als doel het sneller realiseren van een veilige situatie. In de regio Noord- en Midden-Limburg komt Veiligheid Voorop aan bod op de tafel van het Regionale Netwerk Zorg en Straf waar onder andere deze prioriteiten de komende jaren op de agenda staan: Samen op in Acuut Actieoverleg Samenwerking GiA door VT en ZSM Samenwerken bij strafbare kindermishandeling Intiem terreur, stalking en femicide Ten aanzien van alle thema’s is het gezamenlijke streven dat we de lokale casusaanpakken en de strafketen dichter bijeen brengen zodat we elkaars mogelijkheden en instrumentarium beter benutten, vooral wanneer drang- en dwang nodig is om veiligheid in gezinnen te realiseren. 8
In het creëren van duurzame veiligheid en ontwikkeling van gezinnen en huishoudens hebben we de inzet van andere beleidsdomeinen en programma’s hard nodig. Denk aan de preventie-aanpak van Kansrijke Start en andere (regionale) ketenaanpakken. Ook ondersteunings-programma’s van gemeenten, zoals die in samenwerking met scholen, lokale programma’s gericht op het aanpakken van schulden en armoede, of het versterken van bestaanszekerheid, spelen een belangrijke rol. Bovendien is de inzet van politie en justitie essentieel. Met dit programma Samen voor Veilig investeren we daarom ook in verbindingen met deze beleidsterreinen en uitvoeringsprogramma’s. Of we de juiste aanpak hanteren, beoordelen we aan de hand van de impact op gezinnen en huishoudens. Ons doel is dat betrokkenen: ▪ zich gehoord voelen en ervaren dat er vanuit een gelijkwaardige benadering mét hen en met belangrijke mensen uit hun omgeving wordt gewerkt aan een duurzaam veilige situatie; ▪ ervaren dat zij de hulp krijgen die effectief is in het direct stoppen van geweld; ▪ ervaren dat zij hulp krijgen bij alle onderliggende problemen die een rol spelen in het ontstaan en in stand houden van geweld en dat zij die hulp krijgen zo lang als dat nodig is.
Dat brengt ons op het beschrijven van een aantal gezamenlijke uitgangspunten (‘daar staan we voor’) en een aantal prioriteiten waar met bestuurlijk commitment van gemeenten, zorg- en veiligheids-huizen, netwerkpartners zoals Veilig Thuis, GI, Raad voor de Kinderbescherming, zorgpartijen, politie, justitie en reclassering werk van wordt gemaakt in 2024 en 2025 (‘daar gaan we voor’).
4.2
Onze uitgangspunten
Aan dit programma ligt een aantal uitgangspunten ten grondslag. Om te beginnen zijn dat de vier basisprincipes van het landelijk Toekomstscenario: (1) gezinsgericht, (2) rechtsbeschermend en transparant, (3) eenvoudig en (4) lerend (zie bijlage 4). De acties die wij in het regionale programma bedenken en uitvoeren toetsen wij aan deze vier principes. In aansluiting daarop hanteren wij binnen onze regio onderstaande uitgangspunten als leidraad voor het richten en inrichten van onze aanpak en voor de manier waarop we samenwerken: 1. 2. 3. 4. 5.
De focus ligt op alle betrokkenen in het gezin/huishouden en hun behoeften en mogelijkheden. We investeren in een stevige sociale basis2 en in de kracht van informele sociale netwerken. Het lokale team is het vaste gezicht en coördineert de aanpak voor stabiele veiligheid. Elke gezin/huishouden heeft een vast aanspreekpunt. We bieden langdurig en structureel de hulp die nodig is om een stabiele veilige situatie voor alle betrokkenen te realiseren. 6. Partners werken vanuit ieders expertise als een netwerk rondom het gezin/huishouden samen. 7. Professionals werken systeemgericht. 8. We werken op basis van gezamenlijke regionale kwaliteitsnormen. 9. Gemeenten – en subregio’s- maken eigen keuzes in hoe ze de sociale basis en de toegang inrichten. 10. De lerende praktijk staat centraal: we stimuleren het samen leren en ontwikkelen van organisaties, professionals en gezinnen/huishoudens.
Met sociale basis wordt bedoeld: vrij toegankelijke formele en informele activiteiten en voorzieningen gericht op het elkaar ontmoeten en ondersteunen, ontplooien en ontspannen die zorgen dat mensen kunnen samenleven en meedoen. Het versterken van de sociale basis gaat over het omzien naar elkaar in de wijken, buurten en dorpen. Maar ook over het autonoom kunnen leiden van het leven met eigen regie en een netwerk vanuit die basis.’ (GALA 2022). 2
9
Als we deze uitgangspunten serieus nemen, dan vraagt dat ook wat van onze manier van samenwerken, van onze houding en gedrag ten opzichte van elkaar. Dit is wat we van elkaar verwachten en waar we ons aan houden: ▪ ▪ ▪ ▪
4.3
We zijn nieuwsgierig naar elkaars kennis, kunde en context en werken op basis van partnerschap; Principes gaan vóór afspraken en daar hebben we ook het bestuurlijke lef voor; We hebben een lange adem en steunen elkaar in die vasthoudendheid. We faciliteren onze professionals in het kunnen doen wat nodig is en te laten wat niet werkt
De prioriteiten
Willen we met elkaar beter in staat zijn om geweld te stoppen en duurzame veiligheid te creëren dan vraagt dat om te beginnen dat we beter doen wat we destijds hebben afgesproken: het voldoen aan het kwaliteitskader Werken aan Veiligheid voor lokale teams, het samenwerken in een netwerk op basis van de visie Gefaseerd Samenwerken voor Veiligheid, het goed implementeren van de TOP 3-methodiek en het uitvoeren van de pilot MDA++. Dat zorgt voor een stevige regionale basis in de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelatie en dat gaat ons allen straks ook helpen in het regionaal implementeren van de landelijke besluiten in het kader van het Toekomstscenario. De focus van Samen voor Veilig leggen we voor 2024 en 2025 bij deze 3 prioriteiten: 1. Sterke lokale teams. 2. Implementeren van de visie Gefaseerd Samenwerken voor Veiligheid. 3. Verklarende analyse – MDA++. Deze prioriteiten worden momenteel verder uitgewerkt in coproductie van gemeenten en netwerkpartners, en in nauwe samenwerking tussen beleid en uitvoering (zie hoofdstuk 6). Hieronder volgt een korte toelichting op de bedoeling achter deze prioriteiten.
Ad 1. Sterke lokale teams
De lokale teams hebben een centrale rol in de aanpak van onveiligheid, het voorkomen van ontwikkelingsbedreigingen bij kinderen en het voorkomen en aanpakken van geweld. Zie het Toekomstscenario maar ook de leidraad Werken aan Veiligheid van de VNG. Sterke lokale teams zijn ook een aandachtspunt in de Hervormingsagenda Jeugd. Kortom: het is cruciaal dat de lokale teams in de regio goed zijn toegerust en worden gefaciliteerd. De TOP 3-methodiek hebben we daarin als regio als gemeenschappelijk handelingskader omarmd en de lokale teams zijn of worden daarin ook getraind. Maar dat is niet voldoende: naast training zijn er in de dagelijkse praktijk van lokale teams nog implementatiestappen te zetten zodat dit echt terugkomt in het dagelijks handelen. Het verder implementeren van de TOP 3-werkwijze is een van de acties die gaat helpen om sterke lokale teams te hebben en te houden. Om sterk te staan in veiligheidscasuïstiek moeten lokale teams samen met gezinnen/huishoudens ook aanvullende expertise erbij kunnen halen wanneer dat nodig is. Expertise op het gebied van zorg, trauma, ontwikkelingsbedreiging van kinderen, geweldspatronen, (justitiële) beschermingsmaatregelen e.d. Ook daarin zien we verbetervragen: waar is wanneer behoefte aan, hoe intensief is dat nodig, hoe organiseren we dat efficiënt, e.d.
Het komende jaar experimenteren we met nieuwe werkwijzen waarin zorg (lokale team), veiligheid (Veilig Thuis en Zorg- en Veiligheidshuis) en straf (politie) samen direct aan de voorkant van meldingen van geweld in afhankelijkheidsrelaties om tafel gaan om zo te onderzoeken welke impact dat heeft op de tijdigheid en effectiviteit van de aanpak en de versterking van de rol van het lokale team. In Midden-Limburg wordt dat uitgewerkt met het CJG – AMW en in de regio Noord-Limburg is de gemeente Horst aan de Maas in oktober 2024 een pilot gestart. Ook dit is een actiepunt in het kader van sterke lokale teams. Wat we van deze pilots leren, wordt regionaal gedeeld en vertaald naar een eenduidige, nieuwe regionale werkwijze. 10
Een derde actiepunt gaat over de rol van de bijblijver. Uit onderzoek weten we dat een vast aanspreekpunt en langdurige betrokkenheid belangrijk is voor het duurzaam stoppen van onveiligheid en geweld. Ook gezinnen en huishoudens geven dat aan als behoefte. Wij willen het komende jaar met (een aantal) lokale teams in deze regio uitwerken en uitproberen hoe die bijblijversrol vorm en inhoud te geven: wat verwachten we daarvan, hoe zien betrokkenen dat, wat werkt wel en niet in relatie tot het bijschalen van expertises, hoe verhoudt zich dit tot casusregie en procesregie e.d. Dan hebben we het over de rol van een professional. Ook het informele netwerk is cruciaal in de aanpak van geweld. We gaan ook onderzoeken en uitwerken op welk moment en hoe een centraal aanspreekpunt vanuit het informele netwerk een rol kan spelen. Denk aan JIM (Jouw Ingebracht Mentor) of een ander vast steunpunt. We beginnen bij de geleerde lessen uit de landelijke proeftuinen van het toekomstscenario en bouwen van daaruit verder met gemeente(n) en netwerkpartners aan een werkbaar model voor de regionale inkleuring van deze rollen. In het verlengde daarvan ligt het vraagstuk van ‘samen op in casuïstiek’: hoe zorgen we ervoor dat het gezin/huishouden en de bijblijver samen op het goede moment ondersteund worden met inzet van de juiste expertise? En hoe doen we in een samenhangend geheel (i.p.v.
parallelle trajecten)? Hierin ligt ook een link naar de derde prioriteit, de pilot MDA++ die hieronder wordt toegelicht.
Ad 2. Implementeren van de visie Gefaseerd Samenwerken voor Veiligheid
Deze visie is landelijk omarmd en vormt de basis voor de manier waarop we mét het gezin/ huishouden als professionals samenwerken aan herstel van veiligheid. Ook voor de transparantie naar het gezin/huishouden toe (wie doet wat, wanneer en waarom) is het belangrijk dat we in de regio besturen, beleid maken en uitvoeren op basis van deze gemeenschappelijke visie. We zien dat we daar in het achterliggende jaar onvoldoende opvolging aan hebben gegeven met elkaar en gaan op basis van een gezamenlijk werkplan hier acties op inzetten.
Ad 3. MDA++ en de inzet van de verklarende analyse
De pilot MDA++ die op de schaal van Noord- en Midden-Limburg wordt uitgevoerd, gebruiken we allereerst als vliegwiel voor het samen werken aan/met een verdiepende, systeemgerichte analyse. Zoals de verschillende onderzoeken aangeven, is er veel winst te halen in het beter doorgronden van de oorzaken achter het ontstaan en voortduren van geweld. Met de beweging naar inzet van verschillende expertises als een netwerk rondom het gezin, wordt de roep om helderheid en eenduidigheid m.b.t. casusregie steeds luider en urgenter. Dat blijkt ook uit werksessies met professionals uit zorg- en veiligheid: er zijn verschillende beelden en verwachtingen en dat helpt niet in samenwerking, ook niet naar het gezin en huishouden toe. We gebruiken de pilot ook om tot een beter beeld te komen van hoe rollen, taken en verantwoordelijkheden in de uitvoering van een casus goed te verdelen en wat daarin verwacht mag worden van casusregie, en bij wie te beleggen. Ook andere initiatieven, zoals de start van intensief casemanagement voor complexe veiligheidscasuïstiek in Horst aan de Maas kunnen input leveren om uiteindelijk tot een regiobreed eenduidig beeld van casusregie (en procesregie) te komen. Bij de MDA++-pilot zijn de netwerkpartners van zorg en veiligheid betrokken, inclusief de volwassenzorg.
Met de geleerde lessen in de hand gaan we (onderdelen van) de werkwijze vervolgens regionaal eenduidig uitrollen.
4.4. Aanvullende uitwerkvragen
Willen we met energie en enthousiasme stappen zetten, dan moeten we zorgen voor uitvoerbare en haalbare plannen. Dat vraagt om focus en vandaar het voorstel om te beginnen met bovenstaande prioriteiten. Uit de gesprekken met beleid, met uitvoerend professionals en in de verdiepings11
bijeenkomst rondom de Verwey-Jonker Instituut-resultaten zijn daarnaast nog meer punten naar voren gekomen die niet van tafel moeten verdwijnen. Deze zullen in de uitwerking van het programmaplan aan de orde komen. Dat zijn punten als: ▪ ▪ ▪
Oplossen van knelpunten in processen en procedures zoals ontdubbelen van informatie-uitvragen of eenduidigheid in veiligheidsplan. Inzet van ervaringsdeskundigheid goed en structureel organiseren. Goed organiseren van participatie van jongeren, gezinsleden/huishoudens en ervaringsdeskundigen. Het stimuleren van multidisciplinair leren, onder andere door het regionaal bundelen van training en scholing op thema’s.
4.5. Programmatische aanpak
We gaan dit realiseren in een programmatische aanpak waarin de drie prioriteiten (actielijnen) centraal staan, die met regionale ondersteuning worden uitgevoerd. Wat de evaluatie van het afgelopen programma ons geleerd heeft is dat het belangrijk is om: 1. Een gezamenlijke traject van beleid en uitvoering samen, vanaf het moment van bedenken en uitwerken van het programma tot en met de uitvoering en de evaluatie. Datzelfde geldt voor gemeenten en netwerkpartners. Dit helpt in het goede doen en dat ook goed doen. 2. De uitvoering van deze actielijnen vraagt van gemeenten intern om een integrale aanpak, dat wil zeggen dat er een goede verbinding tussen jeugd, Wmo en veiligheid en dat op beleidsmatig, uitvoerend en bestuurlijk niveau.
12