05c Toelichting en Regels vastgesteld
Tekst van het document
Vastgesteld bestemmingsplan ’Luttelseweg 14, Sevenum’ Nl.IMRO.1507.SVLUTTELSEWEG-BPV1
bestemmingsplan Luttelseweg 14, Sevenum
14 december 2021
Pagina | 2
INHOUDSOPGAVE Toelichting
4
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Ligging en begrenzing van het plangebied Vigerende bestemmingsplannen Leeswijzer
5 5 5 6 6
Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.4
Beschrijving van het plangebied Algemeen Ruimtelijke en functionele structuur plangebied e.o. Korte historische schets plangebied e.o. Feitelijke staat plangebied
7 7 7 8 8
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Beleid Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Conclusie
10 10 10 11 13 16
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3
Planbeschrijving Aanleiding voor het bouwplan Bouwplan Landschappelijke inpassing
17 17 18 19
Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.2.4 5.2.5 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
Sectorale aspecten Inleiding Milieuaspecten Bodem- en grondwaterkwaliteit Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzoneringen Externe veiligheid Waterparagraaf Verstoringsgebieden Natuurbeschermingswet Archeologie en cultuurhistorie Verkeer en parkeren Duurzaamheid
21 21 21 21 22 22 23 25 26 30 30 34 35 35
Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid Handhaving Procedure
36 36 36 36
Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3
Juridische toelichting Planstukken Toelichting op de verbeelding Toelichting op de regels
38 38 38 38
Pagina | 3
Bijlagen
39
bijlage 1: Landschappelijk Inpassingsplan/tuinontwerp bijlage 2: Verkennend bodemonderzoek bijlage 3: Stikstofberekening bijlage 4: Quickscan flora en fauna Regels
40
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
41 41 44
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels Wonen
45 45
Hoofdstuk 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
48 48 49 50 51 52
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 9 Overgangsrecht Artikel 10 Slotregel
54 54 55
Bijlagen
56
bijlage 1: Landschappelijk Inpassingsplan/tuinontwerp bijlage 2:Staat van bedrijfsactiviteiten
Pagina | 4
TOELICHTING
Pagina | 5
HOOFDSTUK 1 INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan
Het voornemen bestaat om op de locatie Luttelseweg 14 te Sevenum één nieuwe vrijstaande woning te realiseren. Het geldende planologisch-juridische regime (Beheersverordening 'Kernen Sevenum') staat geen nieuwe woningbouw op deze locatie toe. Dit initiatief kan alleen gerealiseerd worden door middel van een herziening van de beheersverordening dan wel via een buitenplanse omgevingsvergunning. Op 8 april 2020 hebben Burgemeester & Wethouders van Horst aan de Maas een positief principestandpunt ingenomen met betrekking tot de voorgenomen woningbouw. Zij verlenen in principe medewerking aan het plan om op de locatie Luttelseweg 14, Sevenum een vrijstaande woning te realiseren onder de volgende voorwaarden: Er wordt aangetoond dat er sprake is van een goed stedenbouwkundig plan. Er wordt aangetoond dat er op gebied van milieu en stikstof geen belemmeringen zijn. Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Herziening Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas 2019. Er wordt een kwaliteitsbijdrage gevraagd van € 40.000,- tenzij wordt aangetoond dat 8 punten of meer op basis van het afwegingskader worden behaald. Parkeren geschiedt op eigen terrein (2,0 pp per woning). Er dient een afdracht reserve bovenwijkse voorzieningen te worden betaald ten bedrage van het aantal m2 bouwkavel (met een maximum van 500 m²) x € 17,25.
Er wordt een anterieure overeenkomst gesloten ten einde het verhaal van de kwaliteitsbijdrage en de bijdrage reserve bovenwijkse voorzieningen te borgen. Het voorliggende bestemmingsplan 'Luttelseweg 14, Sevenum' voorziet in een adequate planologisch-juridische regeling waarmee de beoogde bouw van de woning mogelijk wordt gemaakt. Het bestemmingsplan 'Luttelseweg 14, Sevenum' bestaat uit een digitale en analoge verbeelding met de daarbij behorende regels waaraan een toelichting is toegevoegd. Naast de digitale versie is er tevens een versie op papier van het bestemmingsplan beschikbaar.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied
Het plangebied is gelegen in het zuidwesten van het dorp Sevenum. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Sevenum, sectie R, nr. 538 en is plaatselijk bekend als Luttelseweg (perceel links naast Luttelseweg 12). Een huisnummer is nog niet toegekend, doch dit zal hoogstwaarschijnlijk nr. 14 worden. Het plangebied heeft een oppervlakte van 1046 m 2.
plangebied
Pagina | 6
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
De beoogde bouwlocatie valt binnen het op 4 juni 2013 door de raad van Horst aan de Maas vastgestelde beheersverordening “Kernen Sevenum”. Voor de locatie geldt art 3.1 'Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken'. Binnen dit zogenaamde besluitsubvlak is het gebruik dat op het moment van vaststelling van deze verordening bestond toegestaan.
uitsnede verordeningsgebied 'Kernen Sevenum' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
Vastgesteld is dat op de peildatum van 4 juni 2013 de locatie gebruikt werd als weiland met paardenstal ten behoeve van hobbymatig agrarisch gebruik. Dit vormt derhalve het gebruik dat thans is toegestaan. Een gebruik van de locatie als woonperceel c.q. de bouw van een extra woning is in strijd met de beheersverordening. Dit is pas mogelijk nadat een nieuw bestemmingsplan voor de locatie is vastgesteld of een buitenplanse omgevingsvergunning, activiteit 'afwijken ro-regels' is afgegeven.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting bestaat uit de volgende delen. Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2 met een beschrijving van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het plan getoetst aan het geldende ruimtelijke beleid. Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de te regelen ruimtelijke ontwikkeling zelf. Vervolgens geeft hoofdstuk 5 inzicht in de relevante milieu-planologische aspecten. De uitvoerbaarheid is neergelegd in hoofdstuk 6 en ten slotte de juridische toelichting in hoofdstuk 7.
Pagina | 7
HOOFDSTUK 2 BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
2.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt de ligging van het plangebied op gemeentelijk niveau en de feitelijke situatie van het plangebied beschreven. Ook wordt er ingegaan op de aanwezige ruimtelijk-functionele structuur van het plangebied en omgeving.
2.2
Ruimtelijke en functionele structuur plangebied e.o.
Het plangebied is gelegen in het zuidwesten van het dorp Sevenum. Sevenum is één van de drie centrumdorpen van de gemeente Horst aan de Maas. Vanuit de kern van het dorp waaiert de bebouwing lintvormig het omringende buitengebied in. Hierdoor ontstaat de kenmerkende stedenbouwkundige "spinstructuur" die vele vergelijkbare dorpen in de regio kenmerkt.
locatie plangebied binnen Sevenum
Stedenbouwkundig heeft de Luttelseweg twee 'gezichten'; aan de kant met de oneven huisnummers maken de percelen en bebouwing deel uit van een afgebouwde binnenstedelijke (dorpse) woonwijk. Aan de kant met de even huisnummers - waar het plangebied is gelegen - zijn de percelen en bebouwing veel meer te kwalificeren als een bebouwingslint. Hier grenzen de (woon)percelen aan een open akkergebied (Groot Luttel) dat vanuit het zuidwesten het bebouwde dorpsgebied penetreert. Het plangebied vormt een 'gat' binnen dit bebouwingslint. Het plangebied ligt wel binnen bestaand stedelijke (dorps) gebied en binnen de stedenbouwkundige en verkeerskundige bebouwde kom. Functioneel is de Luttelseweg vooral een woonstraat waar vrijstaande en aaneen gebouwde woningen aanwezig zijn. Er zijn twee afwijkende maatschappelijke functies in de straat aanwezig in de vorm van de brandweerkazerne (locatie Sevenum) en het voetbalveld 't Spansel van V.V. Sparta '18.
Pagina | 8
2.3
Korte historische schets plangebied e.o.
De topografische kaarten uit de periode 1900-2020 laten zien dat het plangebied aan de Luttelseweg lange tijd onderdeel uitmaakte van het landbouwgebied 'Groot Luttel' (akkercomplex) tussen de Steeg en de Luttelseweg. Het landbouwgebied 'Groot Luttel' was voorheen veel groter dan nu het geval is. De bebouwing in het gebied heeft zich tot ver in de 20e eeuw vooral ontwikkeld als lintbebouwing langs de Steeg. De Luttelseweweg zelf heeft zich pas vanaf eind jaren '90 van de vorige eeuw tot 2015 ontwikkeld tot de woonstraat die het nu is. Bijzonder is wel dat de allereerste bebouwing langs de Luttelseweg wel in en om het huidige plangebied gerealiseerd is. Het betrof hier eerst een aantal kleinere agrarische bedrijfsgebouwen en later in 1919 het eerste magazijn van de Evertsmolen.
1900
1950
1990
2.4
2020
Feitelijke staat plangebied
Het plangebied maakt op dit moment deel uit van de woning/woonperceel aan de Luttelseweg 12 te Sevenum. Het plangebied bestaat uit een weiland. Er is een paardenstal aanwezig die voor 2/3 gesloopt zal worden. Voor de rest is er geen bebouwing aanwezig.
Pagina | 9
feitelijke staat plangebied (streetview Google Maps)
Pagina | 10
HOOFDSTUK 3 BELEID
3.1
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een beeld van de randvoorwaarden die vanuit het beleid gelden betreffende onderhavige ontwikkeling. De beleidskaders zijn op verschillende schaalniveaus beschreven. Aan bod komen het rijks-, provinciaal - en het gemeentelijk beleid.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze vervangt de Nota Ruimte. De SVIR is het nieuwe kader dat de (nieuwe) ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 benoemt. Een van de kernbegrippen in de Structuurvisie is decentralisatie. Dit kabinet wil beslissingen over ruimtelijke ontwikkelingen dichter bij burgers en bedrijven brengen en provincies en gemeenten letterlijk de ruimte geven om maatwerk te leveren voor regionale opgaven. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer (waaronder buisleidingen), energie en natuur, alsook ondergrond en ruimte voor militaire activiteiten. Ook waterveiligheid en milieukwaliteit (lucht, geluid, bodem, water en externe veiligheid) horen daarbij, evenals de bescherming van ons werelderfgoed (zoals de Waddenzee en de Nieuwe Hollandse Waterlinie). Verstedelijkingsbeleid laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten.
Bundeling van verstedelijking en economische activiteiten betekent dat nieuwe bebouwing voor deze functies grotendeels geconcentreerd wordt gelokaliseerd, dat wil zeggen in bestaand bebouwd gebied,aansluitend op het bestaande bebouwde gebied of in nieuwe clusters van bebouwing daarbuiten. Daarbij wordt aangesloten op bestaande ruimtelijke structuren. Met de onderhavige planontwikkeling zijn geen nationale belangen gemoeid. Het project behelst de realisatie van een woning op een locatie binnen bestaand stedelijk (dorps)gebied. Met het woningbouwplan wordt een bebouwingsgat binnen een bestaande woonstraat opgevuld .
3.2.2
Ladder duurzame verstedelijking
De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd. Vanaf 1 juli 2017 moeten ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken worden getoetst aan de nieuwe Ladder Duurzame Verstedelijking. De grondslag voor de nieuwe Ladder-toets is het nieuwe artikel 3.1.6 lid 2 Bro. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In artikel 1.1.1 onder i van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Als stedelijke ontwikkeling wordt genoemd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.'
Pagina | 11
In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt dat in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Indien niet meer dan 11 woningen binnen een bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is er volgende de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen sprake van de ruimtelijke ontwikkeling van een nieuwe woningbouwlocatie of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i van het Bro (zie uitspraak ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921 (dorpskern Annen)). Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat de toevoeging van één woning in de bebouwde kom van Sevenum geen stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Dit plan hoeft derhalve niet aan de ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden.
3.2.3
Besluit en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro en Rarro)
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ((Barro) voorheen ook genoemd: AMvB Ruimte) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro bevat alle ruimtelijke rijksbelangen uit de eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) en geeft middels regels en plankaarten (juridisch) de mogelijkheid om de rijksbelangen veel directer door te laten werken in de ruimtelijke plannen van andere overheden. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), nationale landschappen, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. Voor een aantal van de genoemde Barro-onderwerpen, waaronder de uitbreiding van het hoofdwegennet, het hoofdspoorwegennet en de militaire radars, geldt dat de regels worden uitgewerkt in de Rarro. In het onderhavige plan werken geen van de in het Barro genoemde rijksbelangen rechtstreeks door.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Provinciaal omgevingsplan Limburg
Op 12 december 2014 is het nieuwe provinciaal omgevingsplan Limburg vastgesteld. Belangrijke principes in dit nieuwe omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto ‘meer stad, meer land’, het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. 2. Algemene principes voor duurzame verstedelijking. De ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 3. Uitnodigen. De manier waarop de provincie samen met de partners het voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De Provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Het onderhavige plangebied is gelegen binnen de zone 'Overig bebouwd gebied'. De zone 'Overig bebouwd gebied' bestaat uit gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. Een aantrekkelijke woon- en leefomgeving is een belangrijk uitgangspunt binnen deze zone.
Een voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat kan niet zonder een woon- en leefomgeving van goede kwaliteit, waarin burgers graag wonen, toeristen graag op vakantie komen en ondernemers graag hun bedrijf vestigen en waar het gezond en veilig leven is. Die leefomgeving heeft een fysieke en een sociale kant. De sociale kant omvat aspecten zoals sociale cohesie, sociale veiligheid, verenigingsleven, toegang tot sport en cultuur. Onderstaand is een uitsnede voor het plangebied uit het POL2014 opgenomen.
Pagina | 12
uitsnede POL-kaart 1
Het project behelst de realisatie van een woning op een locatie binnen bestaand stedelijk (dorps)gebied. Met het woningbouwplan wordt een bebouwingsgat binnen een bestaande woonstraat opgevuld . Deze ontwikkeling past geheel binnen de uitgangspunten die gelden binnen de zone 'Overige bebouwd gebied'.
3.3.2
Omgevingsverordening Limburg 2014
De Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden maar is in 2014 gewijzigd vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin was bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening zou worden toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de verordeningen Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) opgenomen. Hiermee zijn alle verordeningen die betrekking hebben op het omgevingsbeleid ondergebracht in één document. Het hoofdstuk Ruimte heeft twee kenmerkende verschillen met de andere onderdelen van de verordening. In de eerste plaats bevat het hoofdstuk geen gedragsvoorschriften die gelden voor iedereen, maar uitsluitend instructiebepalingen die zijn gericht tot gemeentebesturen. Elders in de Omgevingsverordening wordt zeer incidenteel gebruik gemaakt van deze methodiek, maar het hoofdstuk Ruimte kent geen andere bepalingen dan opdrachten aan gemeentebesturen, die door de besturen in acht moeten worden genomen bij het vaststellen van bestemmingsplannen en bepaalde omgevingsvergunningen.
Het tweede verschil met de overige onderdelen van de Omgevingsverordening is dat de Wet ruimtelijke ordening slechts zeer beperkte mogelijkheden biedt om ontheffing te verlenen van een bepaling uit het hoofdstuk Ruimte. Artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening Limburg heeft betrekking op 'wonen' en kent de volgende bepalingen: 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. 2. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg. 3. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen. 4. Het derde lid is niet van toepassing indien: a. er sprake is van een door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg; en
Pagina | 13
b. het ruimtelijk plan voldoet aan het bepaalde in de vastgestelde Structuurvisie Wonen ZuidLimburg. 5. De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio Zuid-Limburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het vierde lid. 6. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. In dit kader zijn de leden 1, 5 en 6 van toepassing. Zoals in paragraaf 3.4.2 (Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg) van onderhavige plantoelichting is vermeld, is er in casu sprake van bouwen naar reële (eigen) behoefte en wordt één woning toegevoegd die kwaliteit toevoegt. Voor het plangebied kent de Verordening geen verdere beperkingen. Het project is dan ook niet strijdig met de Omgevingsverordening Limburg 2014.
3.4
Gemeentelijk en regionaal beleid
3.4.1
Integrale structuurvisie Horst aan de Maas
Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de structuurvisie 'Horst aan de Maas' vastgesteld. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Het plangebied maakt deel uit van het gebied Centrumdorpen, deelgebied 6A. Daarbinnen heeft de gemeente een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van nieuwe solitaire woningen. Bij een meedenkende grondhouding is sprake van een maatwerkbeoordeling, waarbij aspecten als onderscheidend vermogen en de locatie van de ontwikkeling van belang zijn. Op 8 april 2020 hebben Burgemeester & Wethouders van Horst aan de Maas een positief principestandpunt ingenomen met betrekking tot de voorgenomen woningbouw. Zij verlenen in principe medewerking aan het plan om op de locatie Luttelseweg 14, Sevenum een vrijstaande woning te realiseren onder de volgende voorwaarden:
Er wordt aangetoond dat er sprake is van een goed stedenbouwkundig plan. Er wordt aangetoond dat er op gebied van milieu en stikstof geen belemmeringen zijn. Er wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Herziening Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas 2019. Er wordt een kwaliteitsbijdrage gevraagd van € 40.000,- tenzij wordt aangetoond dat 8 punten of meer op basis van het afwegingskader worden behaald. Parkeren geschiedt op eigen terrein (2,0 pp per woning). Er dient een afdracht reserve bovenwijkse voorzieningen te worden betaald ten bedrage van het aantal m2 bouwkavel (met een maximum van 500 m²) x € 17,25. Er wordt een anterieure overeenkomst gesloten ten einde het verhaal van de kwaliteitsbijdrage en de bijdrage reserve bovenwijkse voorzieningen te borgen.
Pagina | 14
Het plangebied is gelegen binnen de verkeerskundige en stedenbouwkundige bebouwde kom van Sevenum; derhalve binnen bestaande stedelijk (dorps)gebied. De locatie wordt direct ontsloten via de Luttelseweg. Het bouwplan vult een 'gat' binnen een bebouwingslint op door middel van een hoogwaardige, duurzame, energiezuinige en levensloopbestendige woning. Verwezen wordt verder naar paragraaf 4.2 van deze plantoelichting. Er is een concrete opdrachtgever en toekomstige bewoners van de te bouwen woning (geen risico op bouwen voor leegstand). Er wordt op het voorerf voorzien in voldoende ruimte om minimaal 2 auto's op eigen terrein te parkeren. Het perceel zal verder zodanig landschappelijk worden ingepast dat er een groene overgang plaatsvindt tussen bebouwd (woon)gebied en onbebouwd (open) agrarisch gebied. Verwezen wordt verder naar paragraaf 4.3 van deze plantoelichting. Er zijn ook geen milieu-planogische beperkingen die een nieuwe woonfunctie binnen het plangebied onmogelijk maken. Verwezen wordt hier naar de resultaten van de toetsing zoals opgenomen in hoofdstuk 5 van deze plantoelichting. In een anterieure overeenkomst zal de GKM-kwaliteitsbijdrage, de afdracht reserve bovenwijkse voorzieningen en het planschadeverhaal tussen gemeente en initiatiefnemer geregeld worden. Concluderend kan worden gesteld dat wordt voldaan aan het bepaalde in de integrale structuurvisie.
3.4.2
Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg
Op 5 april 2016 is de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg vastgesteld door de gemeenteraad van Horst aan de Maas. Een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. Samen met alle woonpartners zijn vijf inhoudelijke pijlers geïdentificeerd die de kern vormen van deze visie. De pijlers rusten idealiter op een stevig fundament: krachtige gemeenten en een sterke regio. Ze zijn samen te vatten in: 1. Een gezonde woningmarkt in balans: nieuwbouw naar behoefte Het aantal plannen dat de regio heeft en maakt om nieuwbouw toe te voegen, moet in een gezonde verhouding staan tot de kwantitatieve behoefte. Het is onverantwoord om te sturen op een bouwprogramma dat uitgaat van meer dan voorspelde groei. Dat betekent in de regio concreet dat plancapaciteit terug wordt gebracht én alleen plannen toe worden gevoegd die echt kwaliteit toevoegen en passen bij de woonbehoefte van de afzonderlijke gemeenten in de regio: bouwen naar reële behoefte. 2. De juiste woning op de juiste plek en dynamisch voorraadbeheer Samen willen de regio een breed palet aan woonmilieus bieden dat aansluit bij de huidige en toekomstige inwoners van onze regio. De dominante vraag in de regio is het wonen in grotere kernen waar voorzieningen zijn.
Er is in de visie een afwegingskader ontworpen dat regionaal en lokaal het instrument vormt om tot een heldere prioritering en onderbouwing van nieuwbouwplannen te komen. De werkwijze sluit aan bij de principes van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Integrale afweging en integraal voorraadbeleid zijn sleutelwoorden. 3. Goed wonen voor iedereen, maar met extra aandacht voor speciale groepen Bijzondere aandacht is nodig voor de huisvesting van (toekomstige) werknemers en dan vooral de arbeidsmigranten. Zij vullen veel banen in en zijn voorwaarde voor de verdere economische ontwikkeling. De regio gaat voor een uitnodigende strategie en kiest voor de beleidslijn van short stay naar mid stay en uiteindelijk naar regulier wonen. Regionaal wordt ook de noodzaak gevoeld om stil te staan bij statushouders. En verder zijn Toegelaten Instellingen (corporaties) vanaf 1 januari 2016 verplicht bij nieuwe verhuringen passend toe te wijzen. Betaalbaarheid en beschikbaarheid zijn dan ook twee onderwerpen die op regionaal niveau verder uitgewerkt moeten worden.
Pagina | 15
4. Kwaliteit bestaande voorraad en kernen meer centraal De eerste pijler van het dynamisch voorraadbeheer is het werken aan de kwaliteit en de geschiktheid van de bestaande voorraad. Vooral in de meer stedelijke wijken vraagt dit aandacht. Daar is vernieuwing nodig (slopen, verdunnen, renoveren). Stedelijke herverkaveling kan hierbij een instrument zijn, net zoals de mogelijkheden van een transitiefonds. Maar ook de leefomgeving in de kernen staat op sommige plekken onder druk. Leegkomende en leegblijvende panden kunnen juist in kleine kernen versneld een spiraal naar beneden inzetten. Lokale kracht zien, benutten en waarderen is de lijn die wordt ingezet. Ruim baan voor nieuwe vormen van maatschappijsturing (coöperaties, zelfbeheer). Maar ook, slechts na zorgvuldige afweging is er in de kleine kernen in beperkte mate ruimte voor nieuwbouw. De grote opgave voor nu is het tegengaan van het overaanbod aan goedkope en slechte koopvoorraad. 5. Een levensloopvriendelijke en duurzame regio Door de vergrijzing neemt het aantal senioren fors toe; in de kleine kernen gaat dit proces nog sneller. Dit wordt extra aandacht gegeven in lokaal woonbeleid. Aanpassing van de woning is primair de verantwoordelijkheid van de verhuurder of eigenaar. Maar bewustwording over woningaanpassingen maakt het verschil.
Hier ligt een prachtige kans om de koppeling te zoeken met bewustwording op het terrein van verduurzaming. Voorzieningen voor zwaardere zorg vereisen een zekere omvang en zullen naar verwachting daarom in grotere kernen geconcentreerd worden. In casu is er sprake van bouwen naar reële behoefte (kavel wordt door initiatiefnemer ontwikkeld om in eigen woonbehoefte te voorzien), er wordt één woning toegevoegd met een hoog kwaliteitsniveau en deze wordt tevens duurzaam, energiezuining en levensloopbestemdig vormgegeven.
3.4.3
Masterplan Wonen Horst aan de Maas
Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2016-2021 is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg. De beleidsopgaven zoals genoemd in het Masterplan Wonen betreffen de volgenden: 1. een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde 2. een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn 3. aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en dorpen door verduurzaming in brede zin. Deze beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het masterplan Wonen (2016-2021): Streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van onze huidige en toekomstige inwoners. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente (doorstroming) en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw. Ter bevordering van een evenwichtige bevolkingsopbouw wordt extra aandacht besteed aan woningen (huur en koop) voor jongeren, starters en senioren. Voor senioren is het van belang dat de woning zorggeschikt is en zij daar kunnen blijven wonen ook als ze zorg behoeven. In de bestaande particuliere woningvoorraad kan nog een flinke slag gemaakt worden op het gebied van duurzaamheid en het toekomst bestendig maken. Met name woningen uit de periode 1950-1985 vragen om (energetische) verduurzaming om deze toekomstbestendig en courant te houden.
Realiseren van de nieuwbouw hoofdzakelijk binnen de bestaande bebouwing en in vrijkomend vastgoed in de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden. Het stimuleren van de starters naar de bestaande voorraad, de realisatie van tijdelijke huurwoningen en de bewustwording van langer zelfstandig wonen. In casu wordt de nieuwe woning aan de Luttelseweg gebouwd naar eigen behoefte; de kopers van de kavel realiseren de woning geheel naar eigen wens en passend binnen de afspraken met de gemeente Horst aan de Maas, welke verder in de bouwregels van onderhavig bestemmingsplan zijn verwoord. Het project is derhalve niet strijdig met het Masterplan Wonen.
Pagina | 16
3.5
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat de gevraagde ontwikkeling voldoet aan het nationaal beleid, provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid voor wat betreft de structuurvisie (zowel gemeentelijke als de door de gemeenteraad vastgestelde regionale structuurvisie).
Pagina | 17
HOOFDSTUK 4 PLANBESCHRIJVING
4.1
Aanleiding voor het bouwplan
Ter plaatse van de locatie Luttelseweg 10-12 te Sevenum zijn twee aaneen gebouwde woningen gelegen. Mevr. T. Hoeijmakers bewoont de woning aan de Luttelseweg 12 en de heer en mevrouw Faassen-Hoeijmakers (schoonzoon en dochter) bewonen de woning aan de Luttelseweg 10. Het betreft hier beide koopwoningen. De gronden zijn verdeeld over drie kadastrale percelen (gemeente Sevenum nummers 556 (eigendom Luttelseweg 10), 557 en 538 (eigendom Luttelseweg 12).
kadastraal perceel / begrenzing plangebied
De woning aan de Luttelseweg 10 is in 1990 afgesplitst van nummer 12 en in 2012 door mevrouw Hoeijmakers verkocht aan haar dochter en schoonzoon. Deze afsplitsing heeft dus plaatsgevonden aan de rechterzijde van het pand/perceel. Aan de linkerzijde van het pand bevindt zich een klein weiland en een leegstaande paardenstal. De woning aan de Luttelseweg 10 is beperkt van omvang. Deze woning is vooral geschikt voor één-of tweepersoonshuishoudens. Door naderende gezinsuitbreiding is deze woning niet meer geschikt voor de heer Faassen en mevrouw Hoeijmakers. Zij willen graag een volgende stap in hun wooncarrière zetten. Mevrouw Hoeijmakers heeft het perceel R 538 inmiddels verkocht aan haar dochter en schoonzoon. Het voornemen bestaat om 2/3 van de stal te slopen, zodat het perceel geheel vrij wordt gemaakt van bestaande bebouwing. Er worden nu al geen paarden meer gehouden. De oppervlakte van het perceel is 1046 m2 en is qua omvang prima geschikt om als woonperceel te worden ontwikkeld.
Pagina | 18
4.2
Bouwplan
4.2.1
Stedenbouwkundige aspecten
Het beoogde initiatief bestaat uit het toevoegen van 1 vrijstaande grondgebonden woning in een bebouwingsgat in een woonstraat. Aan weerszijden van het bebouwingsgat bevinden zich andere woningen. De beoogde woning wordt met de voorgevel in de bestaande voorgevelrooilijn van de Luttelseweg gebouwd. Het beoogde woonperceel heeft met een omvang van 1046 m2 de juiste omvang voor een woonperceel voor een vrijstaande woning in een landelijke kern. Het perceel is verder groot genoeg om op eigen terrein te voorzien in minimaal 2 parkeerplaatsen. Tenslotte zal het perceel met de nieuwe woning landschappelijk worden ingepast en zal het hemelwater op eigen terrein duurzaam worden verwerkt.
beoogde indeling woonperceel
4.2.2
Architectuur, maatvoering en duurzaamheid
Concreet bestaat het beoogde bouwproject uit de realisatie van een vrijstaande eengezinswoning die levensloopbestendig moet zijn, duurzaam en energiezuinig. De woning zal qua indeling zodanig worden vormgegeven dat in de toekomst diverse ruimtes op de begane grond kunnen worden gebruikt als slaapkamer en als badkamer. Er zal maximaal worden ingestoken op een zo energiezuinig mogelijke woning door zorg te dragen voor een sterk geïsoleerde buitenschil (isolatie ++) en in te zetten op een combinatie van zonnepanelen en warmtepomp. De woning zal worden afgedekt door een zadeldak waarbij de nokrichting haaks op de Luttelseweg staat om diverse dakvlakken op het zuiden te realiseren t.b.v. de opwekking van zonne-energie. De heer Faassen en mevrouw Hoeijmakers zijn op dit moment doende om – in samenwerking met een architect – een concreet bouwplan te ontwikkelen. Er is op dit moment een woningbouwontwerp in de DO (Definitief Ontwerp)-fase opgesteld. Zie verder hieronder.
Pagina | 19
achter- en linkerzijgevel
plattegronden (begane grond en verdieping)
4.3
Landschappelijke inpassing
Voor het plangebied is er verder een landschappelijk inpassingsplan c.q. tuinontwerp uitgewerkt dat aangeeft op welke wijze de woning landschappelijk ingepast wordt.
Pagina | 20
Legenda: A: Grasveld (Speelgras) B: Schuur/tuinhuis (Bestaand) C: bestrating t.b.v oprit en terras D: Border met diverse planten en veldbloemen mix E: Honingboom (Styphnolobium japonicum) F: Honingboom (Styphnolobium japonicum) G: Border met lampenpoetsergras (Pennisetum alopecuroides) en diverse bodembedekkers H: Beugenhaag I: Walnotenboom (Juglans regia) J: Appelboom (Serums striepke) K: Perenboom (Leipeer Pyrus Communis Conference)
In de bestemmingsregels van het onderhavig bestemmingsplan is een voorwaardelijke bepaling opgenomen inhoudende dat de bouw en het gebruik van de woning gepaard moet gaan met de realisatie en instandhouding van een - door de gemeente Horst aan de Maas goedgekeurd landschappelijk inpassingsplan c.q. het tuinontwerp. Hiermee is de landschappelijk inpassing van het plangebied (woonperceel) juridisch afgedekt.
Voor het volledige landschappelijk inpassingsplan c.q. tuinontwerp wordt verwezen naar het plan dat als bijlage 1 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.
Pagina | 21
HOOFDSTUK 5 SECTORALE ASPECTEN
5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt vanuit verschillende sectorale aspecten (o.a. milieu, veiligheid, water, natuur en archeologie) het initiatief getoetst of men zal voldoen aan de criteria van deze aspecten.
5.2
Milieuaspecten
5.2.1
Bodem- en grondwaterkwaliteit
In het kader van het onderhavige plan wordt binnen het plangebied een nieuwe bodemgevoelige functie toegelaten in de vorm van een woning. Voordat door middel van een omgevingsvergunning nieuwe functies mogelijk worden gemaakt zal er inzicht moeten zijn of de bodem- en grondwaterkwaliteit een dergelijke bebouwing en gebruik ook mogelijk maken. Door Econsultancy BV is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied (hierna ook te noemen: onderzoekslocatie). Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is verricht conform de NEN 5725:2017 "Bodem – Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek". Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond". Het veldwerk en de bemonstering zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001 en 2002.
De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. In de boringen zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. De bovengrond is licht verontreinigd met PAK, lood en zink. De ondergrond is licht verontreinigd met minerale olie. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Conclusie en advies De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.
Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 29 november 2019) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 2 integraal deel uitmaakt van deze plantoelichting.
Pagina | 22
5.2.2
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) beschermt de volgende geluidsgevoelige objecten: woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen); geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). De Wgh stelt grenzen aan de toegelaten geluidsbelasting ter plaatse van geluidsgevoelige objecten als gevolg van wegen (wegverkeer), spoorwegen (railverkeer) en industrieterreinen (industrielawaai).
Wegverkeerslawaai Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Alle wegen en straten binnen een straal van 200 meter om het plangebied hebben max. 2 rijstroken en er geldt overal een maximale snelheid van 30 km/uur. Het plangebied is niet gelegen in een akoestische onderzoekszone.
Spoorweglawaai De zones langs het spoor zijn afhankelijk van de vastgestelde geluidproductieplafonds (GPPwaarden) langs het spoor Eindhoven-Venlo. Conform het Besluit geluidhinder (Bgh) is in onderhavige situatie een wettelijke geluidzone van 600 meter van toepassing. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevel van woningen bedraagt 55 dB (art.4.9, lid 1 Bgh). Het plangebied is op ca. 2,2 km afstand van het spoor gelegen. Het plangebied ligt ruim buiten de vastgesteld geluidzone. Op basis van de Wgh is het derhalve niet noodzakelijk om een akoestisch onderzoek naar wegverkeers- en spoorweglawaai te laten verrichten.
5.2.3
Luchtkwaliteit
Kleine en grote projecten De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.
Pagina | 23
Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)). Het gaat hierbij om de volgende categorieën: 1. inrichtingen 2. infrastructuur 3. kantoorlocaties 4. woningbouwlocaties Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 4 lid 1 Besluit NIBM jo. art. 4 lid 2, bijlage 3B.2 Regeling NIBM). Het onderhavige project is met één nieuwe woning dusdanig beperkt van omvang dat de conclusie kan worden getrokken dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het plan.
5.2.4
Bedrijven en milieuzoneringen
Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009.
Bedrijven en milieuzonering De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd een Staat van bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Op grond van deze Staat kan een beleidsmatige selectie worden gemaakt van de op het plangebied toe te laten bedrijfsactiviteiten. De bedrijven zijn op basis van de Standaard Bedrijfs Indeling (SBI-codes) in deze Staat gerangschikt. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. Bij het bepalen van deze richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: het betreft 'gemiddelde' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen; de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype 'rustige woonwijk' , 'rustig buitengebied' of vergelijkbare omgevingstypen; de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten.
De grootste afstand van de milieucomponenten vormt de indicatie voor de aan te houden afstand van de bedrijfsactiviteit tot een milieugevoelig object. Elk bedrijf c.q. bedrijfsactiviteit wordt in een bepaalde milieucategorie ingedeeld. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.
Pagina | 24
Invloed milieuhinder op het plangebied Het plangebied ligt aan de rand van het bebouwd stedelijk (dorps) gebied met het buitengebied. Het plangebied ligt echter binnen de bebouwde kom van Sevenum en binnen bestaand bebouwd stedelijk (dorps)gebied. De Luttelseweg is een woonstraat. Naast woningen zijn er 2 afwijkende functies aanwezig.
bedrijfsnaam
adres
functie
richtafstand VNG feitelijke afstand
brandweerkazerne
Luttelseweg 20
maatschappelijk
50 meter (milieucat.3.1)
50 meter
sportpark 't Spansel' Luttelseweg 26
maatschappelijk
50 meter (milieucat.3.1)
210 meter
Ten aanzien van de afstand tussen de brandweerkazerne en de beoogde woning kan gesteld worden dat de richtafstand van 50 meter niet gehaald wordt als wordt uitgegaan van de afstand tussen de terreingrens van de brandweerkazerne en de grens van het bouwvlak op het woonperceel. Als er echter wordt uitgegaan van de afstand tussen de gevel van de brandweerkazerne en de grens van het bouwvlak op het woonperceel, wordt deze afstand wel gehaald. Het is aanvaardbaar om in dit geval van deze laatste afstand uit te gaan. Er zijn namelijk al andere woningen dichter bij de brandweerkazerne gelegen dan de beoogde nieuwe woning (binnen de 50 meter afstand). Deze zijn voor eventueel uitbreidingen en/of milieu-eisen juridische maatgevender dan de beoogde nieuwe woning. Door deze woningen is een verdere uitbreiding van de brandweerkazerne richting de beoogde woning niet meer aan de orde. Daar komt bij dat in de beheersverordening “Kernen Sevenum” ook voor de locatie brandweerkazerne artikel 3.1 'Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken' geldt. Binnen dit zogenaamde besluitsubvlak is het gebruik dat op het moment van vaststelling van deze verordening bestond toegestaan. Qua bouwregels geldt hier dat uitsluitend bestaande bouwwerken op dezelfde locatie mogen worden vervangen door bouwwerken van maximaal dezelfde afmetingen.
Het is dus niet mogelijk dat bebouwing in de toekomst dichter bij de beoogde woning komt te liggen. Het maatgevende hinderaspect is ‘geluid’ (50 meter). Voor de andere hinderaspecten (geur, stof en gevaar) geldt een afstand van 0 meter volgens de VNG brochure. Geluidhinder zal zich slechts incidenteel voordoen, namelijk op het moment dat de brandweer in een noodsituatie moet uitrukken over de Luttelseweg. Het betreft hier een piekgeluidsbelasting. Omdat het hier gaat om een belangrijke overheidsdienst wordt geluid door het uitrukken van de brandweer bij het bepalen van het maximale (piek)geluidsniveau door de wetgever nadrukkelijk buiten beschouwing gelaten (artikel 2.22 lid 1 Activiteitenbesluit). Tenslotte zal het functioneren van de brandweerkazerne voor het toekomstige woon-en leefklimaat van de toekomstige bewoners geen verschil maken. Immers de toekomstige bewoners wonen nu ook al aan de Luttelseweg (namelijk op nummer 10). Zij ervaren nu al de (milieu)gevolgen van de brandweerkazerne. Zij ervaren geen overlast als gevolg van de brandweerkazerne. Het woon- en leefklimaat zal voor hen absoluut niet anders zijn in hun nieuwe woning die slechts ca. 25 meter verderop ligt.
Conclusie Er bestaat voldoende ruimtelijke scheiding tussen de betrokken functies om zowel onaanvaardbare milieuhinder ter plaatse van de nieuwe woning alsmede om belemmeringen voor de maatschappelijke functies als gevolg van de nieuwe woning te voorkomen.
Pagina | 25
5.2.5
Externe veiligheid
Risicovolle inrichtingen (bevi) De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen van 21 oktober 2004 (Bevi). In het Bevi worden specifieke regels opgenomen voor specifieke risicovoIle inrichtingen. In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6/jr. Het kan gaan om inrichtingen waarbij door middel van een vaste afstand wordt voldaan aan deze contour (zogenaamde “categoriale inrichtingen”) en inrichtingen waarbij deze contour individueel moet worden berekend (Quantitative Risk Assement (QRA)). Dit is geregeld in Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).
Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken. Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsgebonden risico (GR). Het groepsgebonden risico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron. Het aantal personen dat in de omgeving van de bron verblijft bepaalt daardoor mede de hoogte van het groepsrisico. Voor het GR geldt geen harde juridische norm (zoals de PR-contour 10-6/jr. wel is) maar een zogenaamde oriënterende waarde. Het berekende groepsrisico wordt weergegeven in een curve, waarbij de kans op een ongeval wordt uitgezet tegen het aantal mensen dat daarbij omkomt. In dezelfde grafiek wordt de oriënterende waarde uitgezet. Als die wordt overschreden door een ruimtelijke ontwikkeling moet dat worden verantwoord. Hiermee wordt in beeld gebracht of en in welke mate het bevoegd gezag het GR wel of niet aanvaardbaar vindt, al dan niet na het nemen van maatregelen.
Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg ligt in de omgeving (in een straal van 1 km) van het plangebied géén risicovolle inrichtingen.
Vervoer gevaarlijke stoffen Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd. Voor zover het gaat om het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn met name de rijks-, provinciale- en spoorwegen van belang. Op een afstand van circa 800 m van het plangebied is de N556 gelegen. Voor de N556 is de PR-contour 10 -6/jr. niet berekenbaar geweest. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is. Ook de oriënterende waarde van het groepsrisico wordt niet overschreden. Overige wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, zijn op nog grotere afstand gesitueerd. Het plangebied bevinden zich verder op een afstand van bijna 2 km van de spoorlijn EindhovenVenlo. Ten aanzien van het plaatsgebonden risico blijkt dat de PR-contour 10 -6/jr. is gelegen op 10 meter van de as van de spoorlijn. Het plangebied ligt hier ruim achter. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is.
Pagina | 26
Kabels en leidingen Een buisleiding die wordt gebruikt voor transport van gevaarlijke stoffen, vormt een risico voor de veiligheid. Als de leiding gaat lekken, kunnen de gevaarlijke stoffen vrijkomen en ontstaat er een kans op een explosie, vergiftiging van mensen of dieren of verontreiniging van het milieu. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. Op basis van de Risicokaart van de provincie Limburg blijkt dat er in de directe nabijheid van het plangebied geen ondergrondse buisleidingen zijn gelegen die van invloed zijn op het plan.
Hoogspanningslijnen Zonering rond het bovengrondse hoogspanningsnet in Nederland is vastgelegd in de Netkaart van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De Netkaart bevat o.a. gegevens over de netbeheerder en de breedte van de indicatieve zones. Op basis van de informatie van o.a. de Netkaart blijkt dat er geen hoogspanningslijnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen die van invloed zijn op het plan.
5.3
Waterparagraaf
Ruimte maken voor water in plaats van ruimte onttrekken aan water; dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Het watertoetsproces is één van de instrumenten om dit te bereiken. Het proces is er om waterbelangen in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Een van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is het watertoetsproces. Het watertoetsproces moet ervoor zorgen dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding.
5.3.1
Regelgeving, beleid en uitgangspunten
Waterbeheerplan Waterschap Limburg De gemeente Horst aan de Maas valt in de zin van wateraangelegenheden binnen de Keur van het Waterschap Limburg. Het Waterschap Limburg is de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder en de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen. In het waterbeheerplan 2016-2021 is de koers uitgezet voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg en wordt aangegeven hoe het waterschap invulling zal geven aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In het plan is vastgelegd hoe men het watersysteem en waterkeringen op orde wil brengen en houden. Ook staat hierin welke bijdrage het waterschap levert aan de Europese Kaderrichtlijn Water. Voorbeelden van maatregelen zijn: 1. het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen; 2. het aanpakken van knelpunten van wateroverlast; 3. herstellen van beken; 4. het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor het aan de orde zijnde plan en plangebied kent het Waterbeheerplan geen specifieke uitgangspunten. Legger en Keur Waterschap Limburg Het waterschap kent naast zijn beleid de Keur als regelgeving (en de bijbehorende Legger als kaart). Om zijn taak uit te kunnen oefenen, maakt het waterschap gebruik van deze Keur.
De Keur is een door het waterschapsbestuur vastgestelde verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. Deze regels gelden voor toestanden en handelingen op en vlakbij waterkeringen,
Pagina | 27
watergangen en kunstwerken zoals duikers. De Keur bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones. Het waterschap levert deze gegevens aan de gemeente, teneinde de hoofdwatergangen en waterkeringen, inclusief de onderhoud- en beschermingszone in het bestemmingsplan te regelen. Op 1 april 2019 heeft het Waterschap een nieuwe Keur vastgesteld. Toetsingspunten waterparagraaf in de toelichting van bestemmingsplannen Het Waterschap Limburg hanteert sinds 1 april 2019 de volgende uitgangspunten voor haar toetsing met betrekking tot de behartiging van waterhuishoudkundige belangen binnen een bestemmingsplan alsmede voor de toetsing van de waterparagraaf van een bestemmingsplan: Circa 10% van het plangebied reserveren voor water. Doorgaans zijn lager gelegen gebiedsdelen het meest geschikt. Nagaan of plangebied nodig is voor wateropgave van omliggende gebieden; zorgen dat geen logische waterstructuren worden geblokkeerd. Rekening houden met hoogteverschillen in plangebied en omgeving. Voorkomen van wateroverlast en erosie door afstromend water vanuit de omgeving naar het plangebied en andersom. Uitvoeren van bodem- en infiltratieonderzoek en bepalen grondwaterstand. Input voor ontwerpen van het hemelwatersysteem. Denk ook aan bodemverontreinigingen. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwaliteit.
Schoonhouden, scheiden, zuiveren. Toepassen voorkeursvolgorde voor de waterkwantiteit. Hergebruik water, vasthouden in de bodem (infiltratie), tijdelijk bergen, afvoeren naar oppervlaktewater, afvoeren naar gemengd of DWA-riool. Toepassen voorkeurstabel afkoppelen. Verantwoorde systeemkeuze conform voorkeurstabel; maatwerk per situatie. Bij voorkeur toepassen van bovengrondse waterhuishoudkundige voorzieningen. Bij diepte-infiltratie gelden zeer strenge randvoorwaarden; liever geen diepteinfiltratie toepassen. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord Limburg (ten noorden van Sittard) en 80 mm per twee uur ten zuiden van Sittard met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. Beheer en onderhoud regelen. Denk aan bereikbaarheid, controlemogelijkheid, verantwoordelijkheid. Watersysteem verankeren in het bestemmingsplan.
5.3.2
Waterhuishoudkundige situatie plangebied
Afvoerend verhard oppervlak en riolering Het plangebied heeft een oppervlakte van 1046 m 2. Daarvan is 105 m2 verhard bebouwd oppervlak (stal). Het overige deel is onbebouwd en onverhard (weiland). In de nieuwe situatie zal het nieuwe afvoerend verhard oppervlak maximaal 375 m2 (225 m2 bebouwing en erfverharding + 150 m2 bijbehorende bouwwerken) gaan bedragen. Ter plaatse van de Luttelseweg ligt een gescheiden rioolstelsel.
Bodem en grondwater De bodem bestaat volgens BIS uit hoge zwarte enkeerdgronden en lemig fijn zand. Het maaiveld ligt op een hoogte van circa 29 meter boven NAP, net als de omliggende gronden. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 26 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 3 m -mv zou bevinden. Er staan geen peilbuizen in de directe omgeving van het plangebied. Er zijn geen klachten bekend van grondwateroverlast in de omgeving. Het plangebied heeft verder geen specifieke status als grondwaterbeschermingsgebied.
Pagina | 28
Geohydrologie De K-waarde (geeft de mate van infiltratiegeschiktheid aan) van het plangebied e.o.bedraagt volgens de kaart inzake de bodemdoorlatendheid (K-waarde) van de gemeente Horst aan de Maas van het waterschap 0,45 - 0,75 m/dag. Onderstaande tabel geeft de classificatie van de waterdoorlatendheid van bodemlagen weer:
De onderhavige gronden zijn derhalve 'vrij goed doorlatend' en daarmee geschikt voor hemelwaterinfiltratie. Oppervlaktewater Binnen het plangebied zelf is geen oppervlaktewater aanwezig. Het plangebied ligt buiten in het stroomvoerend en bergend rivierbed van de Maas, een en ander zoals geregeld in de beleidsregels "Grote Rivieren" . Ten zuidoosten van het plangebied ligt de waterloop 'Groot Luttel'. Uit de Legger blijkt dat deze waterloop valt onder de categorie 'primaire watergang'. Deze waterloop heeft een algemeen ecologische functie (AEF). Aan het begin van deze watergang (ten zuiden van de Scheperstraat ligt verder nog een regenwaterbuffer-gebied als overstort voor regenwater in pieksituaties vanuit de noordelijk gelegen woonwijk (waar het plangebied ook deel van uitmaakt).