05c Toelichting
Tekst van het document
Opdrachtgever/Initiatiefnemer: Naam en Voorletters
:
De heer T. Maassen en mevrouw S. Gubbels
Correspondentieadres
:
De Kolk 11
Postcode en Woonplaats
:
5961 RD Horst
Opgesteld door
:
Arvalis Adviseurs
Naam en voorletters
:
Peeters, L. en
Opdrachtnemer / Gemachtigde
Collombon, P. Adres
:
Villafloraweg 1
Postcode en woonplaats
:
5928 SZ Venlo
Telefoon
:
06-51595344 / 06-55720204
E-mailadres
:
lpeeters@arvalis.nl pcollombon@arvalis.nl
Status
:
Definitief
Datum
:
7 Juni 2022
Inhoudsopgave 1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding en doel van het bestemmingsplan
5
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
6
1.3
Vigerend bestemmingsplan
6
1.4
Bij het plan behorende stukken
6
1.5
Leeswijzer
7
2 BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED
8
2.1
Algemeen
8
2.2
Ruimtelijke structuur
8
3 BELEID
9
3.1
Inleiding
9
3.2
Rijksbeleid
9
3.2.1
Nationale omgevingsvisie
9
3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
10
3.2.3
Ladder van duurzame verstedelijking
11
3.3
Provinciaal beleid
11
3.3.1
Provinciale omgevingsvisie
11
3.3.2
Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte”
13
3.3.3
Ontwerp omgevingsverordening
16
3.4
Regionaal beleid
16
3.4.1
Naar een toekomstbestendige woningvoorraad in regio Venray e.o.
16
3.4.2
Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg 2020-2024
16
3.5
Gemeentelijk beleid
18
3.5.1
Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas
18
3.5.2
Masterplan Wonen 2021-2025 ‘voor iedereen iets te kiezen’
19
3.6
Conclusie
4 PLANBESCHRIJVING
19
20
4.1
Stedenbouw
20
4.2
Landschappelijke inpassing
20
5 SECTORALE ASPECTEN
22
5.1
Inleiding
22
5.2
Milieuaspecten
22
5.2.1
Milieueffectrapportage
22
5.2.2
Bodem en grondwaterkwaliteit
23
5.2.3
Geluid
24
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
3
5.2.4
Luchtkwaliteit
25
5.2.5
Spuitzone
27
5.2.6
Geur veehouderijen
27
5.2.7
Gezondheid
29
5.2.8
Bedrijven en milieuzonering
30
5.2.9
Externe veiligheid
33
5.3
Waterparagraaf
34
5.3.1
Provinciaal Waterplan Limburg
34
5.3.2
Watertoets
35
5.4
Kabels en leidingen
36
5.5
Ecologie
36
5.6
Archeologie en Cultuurhistorie
39
5.7
Verkeer en parkeren
41
6 UITVOERBAARHEID
42
6.1
Economische uitvoerbaarheid
42
6.2
Handhaving
42
6.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
43
6.3.1
Omgevingsdialoog
43
7 JURIDISCHE TOELICHTING
44
Bijlagen: 1. Principestandpunt gemeente Horst aan de Maas 2. Landschappelijke inpassing 3. Verkennende bodemonderzoek 4. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai geluidbelasting wegverkeer 5. Archeologisch onderzoek, verkennend booronderzoek (IVO-O) 6. Aerius berekening gebruiksfase 7. Selectiebesluit archeologie
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
4
1 INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De initiatiefnemers zijn voornemens om aan de Boomsweg ong. te Melderslo de bestemming van locatie te wijzigen van “Agrarisch met waarden” naar “Wonen” en hier een woning te realiseren. Het gebruik “Wonen” is op dit moment strijdig met het vigerende bestemmingsplan van de gemeente Horst aan de Maas. Het planvoornemen voorziet in een wijzing van het bestemmingsplan zodanig dat het plangebied bestemd wordt voor “Wonen” en voor de oprichting van een woning.
Afbeelding 1, Plangebied, Boomsweg ong, perceel Horst T 1949.
Er is door de vorige eigenaar van het perceel een principeverzoek ingediend voor het realiseren van een woning op de locatie. Daarop heeft de gemeente Horst aan de Maas een principestandpunt kenbaar gemaakt (bijlage 1). Hieruit blijkt dat in principe medewerking verleend kan worden aan het verzoek, onder de volgende voorwaarden: ▪ De bouwkavel dient minimaal 750 m2 te zijn; ▪ De woning dient gebouwd te worden overeenkomstig de bepalingen van de bestemming “Wonen” in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas”; ▪ Er dient een afdracht te worden gedaan op basis van de kwaliteitsbijdrage volgens de Structuurvisie Horst aan de Maas. Deze bijdrage betreft 165.000,- euro per woning, uitgaande van een bouwkavel van 750 m 2. Bij kavels groter dan 750 m2 is er 140,- euro per m2 extra verschuldigd; ▪ Het plan dient stedenbouwkundig te worden ingepast;
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
5
▪
▪
Er middels een goede ruimtelijke onderbouwing kan worden aangetoond dat ondanks de afstand tot de industriële bestemming, een goed woonen leefklimaat kan worden gegarandeerd; Er wordt een planschadeverhaalsovereenkomst getekend.
Aan de gestelde voorwaarden kan worden voldaan. Dit zal duidelijk worden gemaakt in het voorliggende bestemmingsplan.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen op de locatie Boomsweg ong. te Melderslo. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Horst sectie T nummer 1949. Het perceel is gelegen tussen de reeds bestaande woningen bekend als Boomsweg 3/3a en Boomsweg 7. Nabij de locatie zijn particuliere woningen en enkele bedrijven aanwezig.
1.3 Vigerend bestemmingsplan In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het vigerende bestemmingsplan en de relatie hiervan met het te nemen besluit. Het actuele gemeentelijke beleid is opgenomen in paragraaf 3.5. Aan de wijzigingsvoorwaarden van de op het wijzigingsplan van toepassing verklaarde regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020’ wordt niet voldaan, aangezien een woning wordt toegevoegd. Een nieuw bestemmingsplan is noodzakelijk om dit wel mogelijk te maken. Deze ligt nu voor. De locatie is gelegen in het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas’, van de gemeente Horst aan de Maas en en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020’ heeft grotendeels de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ ,een deel heeft de bestemming ‘Wonen’, een gedeeltelijke dubbelbestemming ‘waarde Archeologie -3’, een gedeeltelijke dubbelbestemming ‘waarde Archeologie -2’, de gebiedsaanduidingen ‘overige zone- kampen’ en ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’.
1.4 Bij het plan behorende stukken Samen met de bijbehorende regels, bijlagen en verbeelding vormt deze toelichting het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
6
1.5 Leeswijzer Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de benodigde motivering van het planvoornemen, in de vorm van een toelichting. Aan bod komen de volgende aspecten: • gebiedsbeschrijving, hoofdstuk 2; • het actuele beleid, hoofdstuk 3; • planbeschrijving hoofdstuk 4; • Toetsing van het plan aan de sectorale aspecten, hoofdstuk 4.2; • Uitvoerbaarheid van het plan, hoofdstuk 6; • Juridische toelichting, hoofdstuk 7.
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
7
2 BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Algemeen Het plangebied ligt aan de Boomsweg ong. te Melderslo. De omgeving wordt gekenmerkt door een veelheid aan burgerwoningen, agrarische landerijen, enkele bedrijven en het nabijgelegen bedrijventerrein Melderslosche Weiden.
2.2 Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen aan een zijweg van de Meldersloseweg-Lottumseweg, tussen de kernen Horst en Melderslo in. De Boomsweg kenmerkt zich door een bebouwingslint van grotendeels burgerwoningen welke aan de overzijde van de MelderslosewegLottumseweg doorloopt tot de kern van Melderslo. Via de Meldersloseweg is Horst, het hoofddorp van de gemeente, op korte afstand bereikbaar. Het plangebied wordt goed ontsloten; op korte afstand is, via de Meldersloseweg, de toegang tot de A73 in de richtingen Nijmegen en Roermond.
Afbeelding 2, Uitsnede topografische kaart (bron: https://topokaartnederland.nl/).
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
8
3 BELEID 3.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft een beeld van de randvoorwaarden die vanuit het beleid gelden betreffende onderhavige ontwikkeling. De beleidskaders zijn op verschillende schaalniveaus beschreven. Aan bod komt het rijksbeleid, provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid.
3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • • • •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
9
leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij deze nationale belangen. Het plan voldoet daarmee aan het rijksbeleid zoals dit is vastgelegd in de omgevingsvisie. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Naast de Structuurvisie kent de Rijksoverheid ook het ‘Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2011’. De eerste tranche van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is vastgesteld op 22 augustus 2011 en op 30 december 2011 in werking getreden. Dit Barro is ontstaan bij het ontwerp Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Rijk heeft hierin vastgelegd dat voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gelden, dit is immers een bevoegdheid van het Rijk. Het gaat hierbij om het beschermen van de nationale belangen. In het Barro zijn regels opgenomen waaraan de inhoud van bestemmingsplannen moet voldoen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen.
Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Limburg is de EHS vastgelegd in de Goudgroene natuurzone. In paragraaf 5 van de omgevingsverordening Limburg 2014 wordt de begrenzing van de Goudgroene natuurzone bepaald en wordt invulling gegeven aan het beschermingsregime op basis van het Barro en de daarin verwoorde ‘Spelregels EHS’. Met de realisatie van de woning worden geen van de genoemde belangen geschaad. Het woningbouwinitiatief is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro.
In het plangebied werken geen regels vanuit het Barro rechtstreeks door en hoeft hiermee dan ook geen rekening te worden gehouden.
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
10
3.2.3 Ladder van duurzame verstedelijking Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren met drie opeenvolgende stappen. De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijk ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ruimtevraag, de beschikbare ruimte en de ontwikkeling van de omgeving waarin dit gebied ligt. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro geeft aan dat de toelichting van een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan een aantal voorwaarden. De motivering is, afhankelijk van de locatie, in drie treden opgebouwd: - Trede 1: bepalen regionale vraag: is er een actuele regionale behoefte? - Trede 2: is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen in bestaand stedelijk gebied? (indien het antwoord op deze vraag positief is en geen sprake is van ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, is de motivering afgerond); - Trede 3: zo nee, zoek een locatie die multimodaal ontsloten kan worden voor de (resterende) regionale behoefte. De ladder van duurzame verstedelijking is van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Het onderhavige plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas, er wordt één woning toegevoegd. Er is geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is.
Op basis van jurisprudentie (ABRvS 14 januari 2014, nr. 201308263/2/R4) blijkt dat één of enkele woningen niet gezien worden als een stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de ladder van duurzame verstedelijking is derhalve niet aan de orde.
3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciale omgevingsvisie Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de richting voor de periode 2021 tot 2030-2050 geschetst. In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a) In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen. In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk.
Er zijn daarnaast Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
11
uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b) In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen. Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren.
Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaat adaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte. Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving.
De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: • Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; • Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
12
Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten.
Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. opgericht waardoor deze woningen uitermate geschikt zijn voor senioren.
Onderhavig plan voorziet in het herbestemming van (agrarische) locatie binnen een cluster van diverse woonlocaties. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de ontwerp Provinciale Omgevingsvisie. 3.3.2 Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
13
2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. In het POL 2014 is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de onderwerpen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Omdat het hoofdstuk ruimte geen rechtstreekse doorwerking heeft is dit opgenomen onder het provinciaal beleid.
Afbeelding 3, uitsnede provinciale omgevingsverordening met aandachtsgebieden.
Het plangebied is gelegen binnen de ‘boringsvrije zone Venloschol’. Het is in het gebied Venloschol binnen en buiten inrichtingen beneden 5 meter boven NAP verboden: a. een boorput te maken of te hebben; b. de grond te roeren; c. een gesloten bodemenergiesysteem te maken of te hebben; d. werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten;
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
14
e. een aardwarmtesysteem te maken of te hebben. Het plangebied ligt op circa 23 m +NAP. In onderhavig plan zijn geen van bovenstaande punten van toepassing. 3.3.2.1 Gewijzigde omgevingsverordening De gewijzigde omgevingsverordening is door de provincie vastgesteld. Als toevoeging aan de omgevingsverordening moet ook worden voldaan aan de verplichtingen uit het gewijzigde artikel 2.4.2. Deze staan hieronder opgesomd: 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. 2. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg. 3. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen. 4. Het derde lid is niet van toepassing indien: a.
er sprake is van een door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg; en b. het ruimtelijk plan voldoet aan het bepaalde in de vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg. 5. De toelichting bij het ruimtelijke plan voor een gebied gelegen in de regio NoordLimburg respectievelijk de regio Midden-Limburg respectievelijk de regio ZuidLimburg, dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid respectievelijk het tweede lid respectievelijk het vierde lid. 6. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat tevens een verantwoording van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. In dit kader zijn de leden 1, 5 en 6 van toepassing. De voorliggende ontwikkelingen aan de Boomsweg ong. sluiten aan bij het gestelde in de gewijzigde omgevingsverordening. De nieuwe situatie maakt één extra woning mogelijk, passend binnen de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Conclusie
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
15
Gezien het voorgaande kan gesteld worden dat het voorliggende initiatief passend is in zowel de Provinciale omgevingsverordening “hoofdstuk ruimte” als in de gewijzigde omgevingsverordening. 3.3.3 Ontwerp omgevingsverordening De provincie Limburg heeft de Omgevingsverordening Limburg op 16 december 2021 vastgesteld. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Ontwerp Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De inhoud van de Omgevingsverordening (2021) verschilt inhoudelijk niet veel van de huidige Omgevingsverordening (2014). Het betreft, zoals de provincie zelf ook aangeeft, een grotendeels beleidsneutrale omzetting van de huidige omgevingsverordening.
3.4 Regionaal beleid 3.4.1 Naar een toekomstbestendige woningvoorraad in regio Venray e.o. Tot 1 januari 2010 bestond regio Venray e.o. uit de gemeenten Venray, Horst aan de Maas, Sevenum en Meerlo-Wanssum. Na de fusie bestaat regio Venray e.o. nog uit twee gemeenten: Venray en Horst aan de Maas. Deze regio-indeling hanteert de provincie voor beleidsvraagstukken over wonen c.q. volkshuisvesting. Naar aanleiding van een bestuurlijk overleg tussen gemeenten Venray en Horst aan de Maas werd verklaard (procesdocument ondertekend 15 november 2010) dat Venray en Horst aan de Maas het belangrijk vinden om op bovengemeentelijk niveau afspraken met elkaar te maken en gezamenlijk beleid te gaan voeren ten aanzien van een aantal onderwerpen op het terrein van volkshuisvesting. Regio Venray e.o. geeft de voorkeur aan regionale samenwerking met regio Venlo, dat wil zeggen samenwerking met de gemeenten Venlo, Peel en Maas en Beesel. Ook vanuit regio Venlo is aangegeven dat zij op het terrein van volkshuisvesting afstemming willen met onze regio Venray e.o. Met de samenwerking tussen gemeenten wordt gedoeld op de kwalitatieve aspecten van het wonen. De kwantitatieve opgave wordt hierbij gezien als een lokale aangelegenheid waarbij men onderling in gesprek gaat over de te ontwikkelen plannen zonder bindende afspraken te maken over aantallen woningen.
Dit heeft geresulteerd in de Regionale woonvisie Venray e.o. (23 maart 2012). 3.4.2 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg 2020-2024 De Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg, is op 22 september 2020 vastgesteld door de gemeente Venray en is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. Het is de 2e visie die door de 8 Noord-Limburgse gemeenten in gezamenlijkheid is opgesteld. De structuurvisie heeft de status van intergemeentelijke structuurvisie op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee heeft het document een juridische status met een zelfbindend karakter. Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
16
Het opheffen van de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad is één van de centrale opgaven uit de visie. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: •
Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;
•
Gekeken dient te worden naar koppelkansen;
•
Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot;
•
Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;
•
De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na;
•
Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen.
Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd: •
Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte.
•
Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.
•
Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad.
•
Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen
Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van een particulier initiatief van de toekomstige eigenaar, er vindt een toevoeging plaats van één (burger)woning. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het initiatief passend is binnen de Structuurvisie Wonen Noord-Limburg 2020-2024.
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
17
3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas Binnen de Integrale Structuurvisie “Horst aan de Maas” van de gemeente Horst aan de Maas, zoals vastgesteld door de raadsvergadering van d.d. 9 april 2013, is samenvattend het navolgende over het realiseren van een (burger)woning beschreven. De gemeente Horst aan de Maas wil in het samenwerkingsverband regio Noord-Limburg, bestaande uit de regio’s Venlo, Maasduinen en Venray en omgeving, samenwerken voor wat betreft de kwalitatieve aspecten van wonen. Samen met de gemeente Venray heeft gemeente Horst aan de Maas in dat kader een gezamenlijke kwalitatieve woonvisie opgesteld Hierin is gezamenlijk beleid voor een aantal onderwerpen op het terrein van volkshuisvesting geformuleerd (zoals arbeidsmigranten, veranderende bevolkingssamenstelling, kwaliteitsslag, wonen, welzijn en zorg). Deze regionale woonvisie is door de Raad vastgesteld op 15 mei 2012. De kwantitatieve woningbouwopgave wordt gezien als een lokale aangelegenheid. De gemeente wil dat de verschillende gemeenten elkaar op regionaal niveau goed over de te ontwikkelen plannen informeren en met elkaar in gesprek gaan, zonder bindende afspraken te maken over aantallen woningen. In Noord- en Midden-Limburg kan, onder voorwaarden, sprake zijn van uitbreidingslocaties aansluitend aan de contour rondom de plattelandskernen.
Daarbij is voor deze locaties, naast een kwalitatief goede landschappelijke inpassing, een bijdrage ten behoeve van de kwaliteit verbeterende maatregelen vereist. Wat die kwaliteitsbijdrage moet zijn, is uitgewerkt in het Gemeentelijke kwaliteitsmenu. Het grondgebied van de gemeente is binnen de structuurvisie ingedeeld in diverse gebieden. Het plangebied ligt in het gebied “3B- Agrarisch gebied ten oosten van Horst en A73” van de structuurvisie In dit gebied geldt een voorwaardelijke grondhouding voor nieuwe woningen in het buitengebied. Het plan is gelegen in een lintbebouwing en daarom planologisch akkoord met een afdracht van 165.000 euro indien het bestemmingsvlak minimaal 750 m 2 is.
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
18
Afbeelding 4, Uitsnede Gebiedsindeling volgens Structuurvisie Horst aan de Maas
3.5.2 Masterplan Wonen 2021-2025 ‘voor iedereen iets te kiezen’ Het masterplan Wonen 2021-2025 ‘voor iedereen iets te kiezen’ geeft de hoofdlijnen aan van het beleid dat de gemeente Horst aan de Maas voor ogen staat. Voor de komende vier jaar is de kern daarvan: behouden van de betaalbare voorraad en het optimaal benutten van mogelijkheden voor meer doorstroming. ‘Goed Wonen voor iedereen’ én ‘Bouwen naar behoefte’ zijn daarbij de uitgangspunten voor het volkshuisvestelijk beleid van Horst aan de Maas. In het Masterplan Wonen zijn drie beleidsopgaven geformuleerd 1. Een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde 2. Een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn 3. Aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en bestaande wijken door verduurzaming in brede zin. Het onderhavige plan leidt tot een toename van de woningvoorraad met één woning en past binnen het masterplan Wonen 2021-2025 ‘voor iedereen iets te kiezen’.
3.6 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de gevraagde ontwikkeling voldoet aan het nationaal beleid, provinciaal beleid en tot slot het gemeentelijk beleid voor wat betreft de structuurvisie. Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
19
4 PLANBESCHRIJVING 4.1 Stedenbouw
Afbeelding 5, uitsnede verbeelding Boomsweg ong.
In bovenstaande uitsnede is aangegeven hoe het plangebied er uit komt te zien. De binnen het plangebied te realiseren woning zal voldoen aan de regels behorende bij het bestemmingsplan. Binnen het perceel is al een enkelbestemming “Wonen” aanwezig van circa 280 m2. Samen met de nieuw te realiseren 750 m2 bedraagt de totale woonbestemming ca. 1.030 m2. Hierop zal een woning gebouwd worden. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet één specifieke woning geregeld, maar wordt een bouwrecht aan de locatie Boomsweg ong. toegekend. Het bouwrecht kan worden ingevuld met een woning, zolang deze voldoet aan de bepalingen uit de planregels.
4.2 Landschappelijke inpassing De te realiseren woning zal geplaatst worden in het bestaande bebouwingslint op een zelfde afstand van Boomsweg als naastgelegen woningen, hierdoor wordt het bebouwingslint versterkt. Vanwege het bouwen in het buitengebied dient de woning 'landschappelijk' ingepast te worden. Een landschappelijke inpassing is opgesteld waarin de nieuw te realiseren woning ingepast wordt in de omgeving en het perceel een kwalitatieve bijdrage levert aan de omgeving. De landschappelijke inpassing is als bijlage 2 bijgevoegd. Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
20
Afbeelding 6, Landschappelijke inpassing Boomsweg ong.
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
21
5 SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt vanuit verschillende sectorale aspecten (o.a. milieu, veiligheid, water, natuur en archeologie) het initiatief getoetst of men zal voldoen aan de criteria van deze aspecten.
5.2 Milieuaspecten 5.2.1 Milieueffectrapportage 5.2.1.1 Toets m.e.r.-plicht In het plangebied wordt de nieuwbouw van één woning mogelijk gemaakt. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. 5.2.1.2 Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd. De realisatie van een woning valt onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. Hierbij is opgenomen dat een plan m.e.r.-beoordelingsplichtig is wanneer de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De voorliggende ontwikkeling blijft ruimschoots onder deze drempelwaarden, waardoor een m.e.r.- beoordeling niet noodzakelijk is. 5.2.1.3 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden.
Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief omvat de ontwikkeling van één nieuwe woning. Gezien de kleinschaligheid van deze ontwikkeling is er geen sprake van een stedelijk Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
22
ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. Er hoeft dan ook geen milieueffectrapport te worden opgesteld en er hoeft ook geen vormvrije m.e.r.beoordeling te worden doorlopen. 5.2.2 Bodem en grondwaterkwaliteit De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. Volgens de modelverordening van de VNG is er een bodemonderzoek noodzakelijk indien er op de locatie mensen langer dan 2 uur in de gebouwen verblijven. In onderhavige situatie is dit het geval. Bij bestemmingswijzigingen en/of planologische afwijkingen ten behoeve van de uitbreiding van een bouwvlak staat in de Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling van de provincie Limburg de te volgen handelswijze weergegeven met betrekking tot bodemonderzoek.
Bij wijzigen van het gebruik Agrarisch gebied of Agrarisch gebied met landschappelijke waarden of andere specifieke waarden, een bodemonderzoek te worden uitgevoerd conform NEN 5725 en NEN 5740. Voor de locatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door HMB: Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor een onverdachte nietlijnvormige locatie (ONV-NL). Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' geen stand houdt. In zowel de boven- als de ondergrond zijn geen verontreinigingen met de onderzochte parameters aangetroffen, echter het grondwater is licht verontreinigd met met barium en cadmium. Het aantreffen van verontreinigingen met zware metalen (waaronder barium en cadmium) in het grondwater is een bekend verschijnsel in de provincie Limburg, derhalve kan gesteld worden dat de verontreinigingen in het grondwater verhoogde achtergrondgehalten betreffen. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. Het onderzoek is als bijlage 3 aan dit rapport toegevoegd.
Conclusie Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect bodem en grondwaterkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
23
5.2.3 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh). Weg- en railverkeerslawaai Door HMB is een akoestisch onderzoek geluidbelasting weg verkeer uitgevoerd. Als toetspunten zijn de hoekpunten genomen uit onderstaande uitsnede (groen omrand). Op dit moment is nog niet bekend hoe het bouwvlak precies gesitueerd wordt.
Afbeelding 7, Toetspunten geluidsonderzoek.
Uit de berekeningen blijkt dat de gecorrigeerde gevelbelasting voor elke zoneplichtige weg lager ligt dan de voorkeursgrenswaarde en dus voldaan wordt aan de eisen uit de Wet geluidhinder. Aangezien de ongecorrigeerde gecumuleerde geluidbelasting niet hoger ligt dan 53 dB, wordt tevens voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Aanvullende akoestische maatregelen aan de woning zijn niet noodzakelijk. Hierbij is uitgegaan van een gevelopbouw van metselwerk met maximaal 30% van het oppervlak dubbel glas en een deugdelijke kierdichting. Bebouwing kan vanuit akoestisch oogpunt gezien plaatsvinden. De waardes zijn berekend op de hoeken van het bouwvlak, terwijl de rooilijn in werkelijkheid een stuk van de Boomsweg en de randen van het bouwvlak komt te liggen, waardoor de maatgevende geluidbelasting nog lager uit zal vallen. Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
24
Industrielawaai de toevoeging van een extra woonlocatie binnen de omgeving levert ten opzichte van het vleesverwerkend bedrijf aan de overzijde van de Boomsweg geen extra geluidsbelemmeringen op, temeer nu het bedrijf aan de zijde van de Meldersloseweg al direct grenst aan twee burgerwoonbestemmingen en woningen aan de Boomsweg (nummer 3 en 3a) dichterbij dit vleesverwerkend bedrijf gelegen zijn dan het plangebied. Als in relatie tot deze woningen voldaan wordt aan de geluidsvoorschriften en daarmee een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, dan geldt dat automatisch ook voor de nieuwe woonlocatie aan de Boomsweg. Tevens zal de woning niet aan de rand van het perceel gesitueerd zijn maar verder naar achter gelegen op het perceel in lijn met de voorgevelrooilijnen van de panden Boomsweg 3/3a en Boomsweg 7. Hierdoor zal de woning ca. 10 m verder van de locatie Boomsweg 2/2a komen te liggen. Uitgaande van deze afstanden zal de nieuw te realiseren woning op grotere afstand van de locatie Boomsweg 2/2a liggen dan de reeds aanwezige locaties nabij Boomsweg 2/2a. Het onderzoek wegverkeerslawaai is als bijlage 4 aan dit rapport toegevoegd.
Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat voor alle omliggende (spoor)wegen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde; dat de nieuw beoogde woonbestemming geen inbreuk doet op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; dat een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen gewaarborgd is. Vanuit akoestisch oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de beoogde herbestemming. 5.2.4 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Met name hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: • negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken • mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. 3 % is gedefinieerd als 3 % van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
25
overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is per 1 augustus 2009 in werking getreden. De voorlopig looptijd is in 2014 verlengd tot en met 31 december 2016. De reikwijdte en werking van het NSL veranderd daardoor niet. Sinds 1 januari 2015 is het verplicht plannen en projecten ook te toetsen aan de normen voor fijn stof PM2,5. Bij de beoordeling van de invloed van een initiatief op de luchtkwaliteit dient de gevraagde ontwikkeling getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dit staat in artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Een vergunning kan in principe verleend worden indien er geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt. Is er toch sprake van een overschrijding, dan kan de vergunning alleen verleend worden indien de luchtkwaliteit door het project niet of niet in betekenende mate verslechtert. Wanneer een uitbreiding 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie fijn stof kan een vergunning verleend worden. Voor fijn stof houdt dit in een toename van 1,2 microgram (3% van de grenswaarde) op het beoordelingspunt. Met behulp van ISL3a kan berekend worden of de bijdrage NIBM is. In de Handreiking fijn stof en veehouderijen zijn daarnaast vuistregels te vinden. Als uit de vuistregels blijkt dat een bijdrage NIBM is, hoeft niet meer gerekend te worden met ISL3a.
Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekenende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Voor woningen gelden de volgende getalsmatige grenzen: minimaal 1 minimaal 2
Woningen
ontsluitingsweg
ontsluitingswegen
3%-grens
3%-grens
1.500
3.000
(maximaal)
De NIBM-grens voor woningbouwlocaties houdt in dat met de bouw tot maximaal 1.500 woningen beneden het criterium van 3% gebleven wordt. Bij dit initiatief wordt planologisch gezien één woning gerealiseerd. Als gevolg van de bouw van één woning wordt derhalve ruim onder het 3% criterium gebleven. Er wordt één woning mogelijk gemaakt. Het planvoornemen draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie fijn stof. Gezien het bovenstaande kan worden geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
26
5.2.5 Spuitzone Hoewel er voor het gebruik en de introductie van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht wordt gekweekt en nabijgelegen gevoelige functies, waaronder woningen. Vanwege mogelijk vrijkomende drift (verwaaiing van spuitvloeistof) bij het bespuiten van boom- en fruitteelt wordt meestal een afstand van 50 meter aangehouden tussen boomen fruitteelt en een gevoelige bestemming. Dit is een in de praktijk gegroeide vuistregel. Het plangebied ligt niet in de directe nabijheid van een inrichting waar mogelijk sprake kan zijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Op een naastgelegen perceel heeft in het verleden boomteelt plaatsgevonden. Dit perceel is recent van eigenaar gewisseld en de nieuwe eigenaar geeft in de bestemmingsplanwijziging van Boomsweg 3 aan dat de percelen gebruikt gaan worden als paardenweide. Gezien de afstanden en het gebruik is de conclusie gerechtvaardigd dat de gewenste woonbestemming aan de Boomsweg ong. voldoende afstand kent tot de nabijgelegen functies en deze toereikend is voor een goed woon- en leefklimaat m.b.t. dit aspect. 5.2.6
Geur veehouderijen
Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Horst aan de Maas beschikt over een geurverordening. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Horst aan de Maas van toepassing is. Dit betekent dat de onderstaande normen en afstanden van toepassing zijn binnen het plangebied. • •
de norm van 14 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen het buitengebied; een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied.
Toetsing Aangezien het in de voorgenomen ontwikkeling gaat om (burger)woning is er sprake van een nieuw geurgevoelig object.
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
27
Binnen een afstand van 50 meter, die geldt voor vaste afstandsdieren, zijn geen geurbelastende functies aanwezig. Er zijn ook geen veehouderijen met geurcontouren in de directe omgeving aanwezig, die een negatief effect op de voorgenomen ontwikkeling kunnen hebben.
Afbeelding 8, uitsnede geurcontourenkaart kaart C geurgebiedsvisie.
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
28
Afbeelding 9, uitsnede kaart B achtergrondbelasting geurgebiedsvisie.
Op basis van bovenstaande uitsnede van kaart B, achtergrondbelasting blijkt dat het leefklimaat op de locatie van de nieuw te realiseren woning aan de Boomsweg ong. op basis van de indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder als ‘goed’ beoordeeld is. Uit bovenstaande blijkt dat de er op het gebied van geur geen belemmeringen voor onderhavig plan zijn. 5.2.7
Gezondheid
In de onderhavige situatie is sprake van een nieuw te bouwen woning aan de Boomsweg. De beoogde aanpassing van de bestemming van agrarisch naar wonen heeft geen invloed op de endotoxine belasting. Horst aan de Maas kent 3 veehouderijbedrijven waar geiten worden gehouden. De dichtstbijzijnde locatie waar geiten gehouden worden is gelegen op 1.4 km van de plangebied. Het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014-2016’ van september 2018. In dit onderzoek wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is ervoor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in te stellen. Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
29
Uit het onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden in 2024 verwacht. Het is niet mogelijk één veilige afstand aan te geven. De lokale omstandigheden verschillen daarvoor te sterk. De volgende omstandigheden zijn van invloed: landgebruik (akkers, weilanden, bebouwing, bos), het type veehouderij, de soort uitstoot (fijnstof, endotoxinen, micro-organismen, ammoniak, geur) en het type stal in combinatie met het aantal dieren. De Gezondheidsraad geeft aan dat er voor een algemeen geldende afstand geen wetenschappelijke onderbouwing is. Een afstand ontstaat uit een beleidsmatige afweging tussen de, soms onzekere, risico's voor de omwonenden en het belang van de betrokken veehouderij. De situatie zal daarom altijd ter plaatse moeten worden beoordeeld. Aangezien het plan op 1.400 meter van een geitenhouderij van beperkte omvang is gelegen, vormt dit geen belemmering voor de bestemmingswijziging. Gezondheid vormt hiermee geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. 5.2.8
Bedrijven en milieuzonering
Bedrijven en instellingen zijn verplicht te voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit, dan wel een omgevingsvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieu wet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Indien woningbouw wordt gerealiseerd in de directe omgeving waar bedrijven zijn toegelaten, dan dient rekening gehouden te worden met de bestaande rechten van deze bedrijven. Rondom het plangebied liggen enkele woningen. De omgeving wordt verder gekenmerkt door de aanwezigheid van een vleesverwerker en het nabij gelegen bedrijventerrein Melderlosche Weiden. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Aan deze bedrijven wordt een milieucategorie toegekend met een bijbehorende richtafstand. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden opgenomen.
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
30
Milieucategorie
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk, rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Tabel 1, milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening vindt afstemming van bestaande en nieuwe functies plaats door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG (2009). De richtafstanden in de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals rustig buitengebied. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied. In dat geval kunnen de richtafstanden, blijkens de toelichting op de systematiek, zonder dat dit ten kosten gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype “gemengd gebied”. Toets plangebied De te realiseren woning is een milieugevoelige functie die beschermd dient te worden tegen milieuhinder vanuit omliggende (agrarische) bedrijven of instellingen en anderzijds mogen die bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Melderslo en wordt omringd door bestemmingen ten behoeve van burgerwoningen, enkele niet-agrarische en agrarische bedrijven. De afstand tot de uitbreiding bedrijventerrein Melderslosche Weiden bedraagt ruim 90 meter.
Er is sprake van een redelijk dynamische omgeving, waardoor het te verantwoorden is dat de richtafstand één stap lager kan worden aangehouden. In een straal van 200 m vanaf de randen van het plangebied zijn de volgende bedrijven gelegen:
Bestemmingsplan “Boomsweg ong. te Melderslo” gemeente Horst aan de Maas
31
Adres:
Soort bedrijf
Richtafstand:
Boomsweg 2-2a Melderloseweg 141 Lottumseweg 14 Hogeweg 1 Uitbreiding Melderlosche Weiden (nog niet gerealiseerd) Uitbreiding Melderlosche Weiden (nog niet gerealiseerd)
Vleesverwerking Nutsvoorziening Nutsvoorziening Garagebedrijf Categorie 1 of 2
10 m 10 m 10 m 10 m 10 m
Afstand tot plangebied: 7m 100 m 115 m 170 m 90 m
Categorie tot en met 3.2
50 m
110 m
Tabel 2, nabij gelegen bedrijven Boomsweg ong.
Het plangebied voor de woonbestemming ligt derhalve binnen de richtafstand van het vleesverwerkende bedrijf aan de Boomsweg 2-2a. Echter, de toevoeging van een extra woonlocatie binnen de omgeving levert ten opzichte van dit vleesverwerkend bedrijf geen extra belemmeringen op, temeer nu het bedrijf aan de zijde van de Meldersloseweg al direct grenst aan twee burgerwoonbestemmingen en woningen aan de Boomsweg (nummer 3 en 3a) dichterbij dit vleesverwerkend bedrijf gelegen zijn dan het plangebied. Als in relatie tot deze woningen voldaan wordt aan de voorschriften en daarmee een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, dan geldt dat automatisch ook voor de nieuwe woonlocatie aan de Boomsweg. Tevens is de gemeten afstand gemeten van de rand perceel tot rand perceel (worst case). De woning zal echter niet aan de rand van het perceel gesitueerd zijn maar verder naar achter gelegen op het perceel in lijn met de voorgevelrooilijnen van de panden Boomsweg 3/3a en Boomsweg 7. Hierdoor zal de woning ca. 10 m verder van de locatie Boomsweg 2/2a komen te liggen. Uitgaande van deze afstanden voldoet de afstand van de nieuw te realiseren woning tot aan de locatie Boomsweg 2/2a. De locaties gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Uitbreiding Meerlosche Weiden’ zijn nog niet gerealiseerd.
Voor het bepalen van de richtafstanden is voor deze locaties uitgegaan van een worst-case scenario met de hoogste richtafstanden per toegestane milieucategorie volgens het bestemmingsplan. Op basis van het bovenstaande kan worden geconstateerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en kan worden gesteld dat qua milieuzonering wordt voldaan aan de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'.