CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05c Toelichting

Gemeenteraad 20 september 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Snelkensstraat 4 te Sevenum.15.671 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vastgesteld bestemmingsplan ‘Snelkensstraat 4, Sevenum’ NL.IMRO.1507.SNSnelkensstr4-BPV1

Document:

Bestemmingsplan “Snelkensstraat 4 Sevenum”

IDN:

NL.IMRO.1507.SNSnelkensstr4-BPV1

Status:

Vastgesteld

Datum:

20 september 2022

Aanvrager:

Familie Peeters

Auteur:

Ing. P.W.M. van de Ligt Ing. N.A.H. van den Ekker

Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST +31 77 – 208 6099 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING .............................................................................................................................................................3 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ..........................................................................................3 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied ...............................................................................................4 1.3 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................4 1.4 Leeswijzer .....................................................................................................................................................5

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................................6 2.1 Algemeen ......................................................................................................................................................6 2.2 Ruimtelijke structuur.....................................................................................................................................6 2.3 Functionele structuur ...................................................................................................................................7 2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie................................................................................................7

3.

BELEID...................................................................................................................................................................9 3.1 Inleiding .........................................................................................................................................................9 3.2 Rijksbeleid .....................................................................................................................................................9 3.3 Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 11 3.4 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 14 3.5 Conclusie.................................................................................................................................................... 18

4.

PLANBESCHRIJVING...................................................................................................................................... 19 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ..................................................................................... 19 4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten............................................................................................. 20 4.3 Landschappelijke inpassing ..................................................................................................................... 20

5.

SECTORALE ASPECTEN ............................................................................................................................... 21 5.1 Inleiding ...................................................................................................................................................... 21 5.2 Milieuaspecten........................................................................................................................................... 21 5.3 Waterparagraaf ......................................................................................................................................... 31 5.4 Kabels en leidingen................................................................................................................................... 33 5.5 Natuur ......................................................................................................................................................... 33 5.6 Archeologie en cultuurhistorie.................................................................................................................. 34 5.7 Verkeer en parkeren ................................................................................................................................. 36

6

UITVOERBAARHEID ....................................................................................................................................... 37 6.1 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................. 37 6.2 Handhaving................................................................................................................................................ 37

Vastgesteld

1

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid........................................................................................................... 39 6.4 Procedure................................................................................................................................................... 39 7.

JURIDISCHE TOELICHTING .......................................................................................................................... 40 7.1 Planstukken ............................................................................................................................................... 40 7.2 Toelichting op de verbeelding .................................................................................................................. 40 7.3 Toelichting op de planregels .................................................................................................................... 40

BIJLAGEN Separate bijlagen: ▪ Asbestinventarisatie (HMB Groep) ▪ Flora en fauna onderzoek (Faunaconsult)

Vastgesteld

2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

In juni 2007 is door de gemeente Horst aan de Maas een bouwvergunning verleend voor de bouw van een nieuwe woning aan de Snelkensstraat in Sevenum. Deze nieuwe woning was toen der tijd beoogd als vervanging van de bestaande woning Snelkensstraat 4. Een van de voorwaarden voor het verlenen van de bouwvergunning was dan ook dat de “oude” woning werd gesloopt als de nieuwe woning werd opgeleverd. Inmiddels is de nieuwe woning al enige tijd gerealiseerd maar de sloop van de “oude” woning heeft nog niet plaats gevonden. Aangezien de oude woning vervangen zou worden door de nieuwe is destijds het huisnummer van deze woning verwijderd en toegekend aan de nieuwe woning. Met de afronding van de bouw van de nieuwe woning is de woonfunctie van de “oude” woning komen te vervallen. Gezien de goede staat van de “oude” woning en het dringende woningtekort zijn de initiatiefnemers voornemens om deze woning opnieuw te gebruiken als woning.

Afbeelding 1. Ligging locatie Snelkensstraat 4 in Sevenum (rood omcirkeld)

De locatie maakt onderdeel uit van het juridisch-planologisch regime van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” en is daarin bestemd als ‘Wonen’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden en per bestemmingsvlak is één woning toegestaan. De nieuwe en oude woning maken onderdeel uit van hetzelfde bestemmingsvlak waardoor het niet mogelijk is om de oude woning opnieuw te gebruiken als woning. Het opnieuw gebruiken van de oude woning wordt gezien als het toevoegen van een nieuwe woning. In dat kader heeft de gemeente Horst aan de Maas in een brief van 23 juli 2021 (kenmerk 21-0047566 / 2105060089) aangegeven voornemens te zijn om in principe medewerking te verlenen aan het (opnieuw) toekennen van een woonfunctie aan de oude woning onder de voorwaarde dat aan de reguliere eisen van een nieuwe woning wordt voldaan. Vastgesteld

3

Om de nieuwe woonfunctie in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van dit bestemmingsplan wordt het bestaande bestemmingsvlak in twee delen gesplitst, zodat binnen elk bestemmingsvlak één woning is toegestaan.

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

De locatie is gelegen in het buitengebied van Sevenum, aan de Snelkensstraat. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Sevenum, sectie R en perceelnummers 305, 306 en 657 (ged.). De betreffende percelen worden in onderhavig bestemmingsplan aangemerkt als “het plangebied”.

Afbeelding 2. Luchtfoto en kadastrale begrenzingen Snelkensstraat 4 en omgeving (plangebied rood omlijnd)

De locatie is bebouwd met de voormalige woning en een bijgebouw ter plaatse van perceel 305 en 306 en de nieuwe woning ter plaatse van perceel 657. Op de perceelsgrens van perceel 306 met 657 staat een haag die de afscherming vormt tussen de voormalige en nieuwe woning. Het plangebied grenst aan de westelijke zijde aan een agrarisch hulpbedrijf. Verder zijn in westelijke richting diverse burgerwoningen gelegen, afgewisseld met (agrarische) bedrijvigheid. Daartussen bevinden zich (onbebouwde) landbouwgronden. In het noorden grenst het plangebied aan landbouwgrond. In het oosten wordt het plangebied begrenst door een woning en een bedrijf. In het zuiden grenst de locatie aan de Snelkensstraat, aan de overzijde van de weg is eveneens landbouwgrond gelegen.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” (vastgesteld d.d. 19 december 2017) en is hierin bestemd als ‘Wonen’. Binnen het plangebied zijn daarnaast de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – velden’ opgenomen. Vastgesteld

4

Afbeelding 3. Uitsnede vigerend bestemmingsplan – beoogde locatie voor nieuwe woning aangeduid

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen in een woning. Deze gronden zijn daarnaast onder andere bestemd voor tuinen, paden, parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Per bestemmingsvlak is één woning toegestaan. Het opnieuw bestemmen van de voormalige woning als woning c.q. het toevoegen van een nieuwe woning op deze locatie past niet in het vigerende bestemmingsplan. Het plangebied is dan wel bestemd voor woondoeleinden; echter per bestemmingsvlak is maar één woning toegestaan. Binnen het bestemmingsvlak is al een woning aanwezig, namelijk de oostelijk gelegen woning Snelkensstraat 4. Het is dan ook niet mogelijk om de voormalige woning op basis van het vigerende bestemmingsplan opnieuw te gebruiken als woning.

1.4

Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgebouwd: hoofdstuk 2 beschrijft de ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied. Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader. Het initiatief voor het opnieuw bestemmen van de voormalige woning als woning wordt beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt het initiatief getoetst aan de diverse sectorale aspecten. Tenslotte komen in de hoofdstukken 6 en 7 de uitvoerbaarheid, de planstukken en het vooroverleg aan de orde.

Vastgesteld

5

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1

Algemeen

Het plangebied is gelegen ten zuiden van de kern Sevenum, aan de Snelkensstraat. Sevenum maakt onderdeel uit van de gemeente Horst aan de Maas, gelegen in het noorden van Limburg. Sevenum telt ruim 6.700 inwoners en is daarmee de op een na grootste plaats in de gemeente Horst aan de Maas.

Afbeelding 4. Luchtfoto en omgeving plangebied (plangebied rood omcirkeld)

De Snelkensstraat betreft van oudsher een agrarisch lint ten zuiden van Sevenum. In de loop der tijd zijn echter veel van de agrarische bedrijven gestaakt en zijn de panden verbouwd tot burgerwoning of tot een andersoortig bedrijf. Daarnaast zijn tussen de (voormalige) agrarische bedrijven in de loop der tijd enkele burgerwoningen gerealiseerd.

2.2

Ruimtelijke structuur

De Snelkensstraat ligt op de overgang van het beekdal van de Kattenstaartsche beek en het open veld Groot Luttel. Het beekdal is, ten zuiden van de Snelkensstraat, de belangrijkste structuurdrager van het landschap. Ten noorden van de Snelkensstraat ligt het Groot Luttel. Grootschaligheid en openheid zijn hier de belangrijkste structuurdragers.

Vastgesteld

6

Afbeelding 5. Impressie voormalige woning

Afbeelding 6. Impressie Snelkensstraat / Maasbreeseweg

In de omgeving zijn diverse bos- en natuurgebieden gelegen waaronder het Elsbeemden. De Elsbeemden is een 65 ha groot natuurgebied dat is gelegen in het beekdal van de Groote Molenbeek en de Elsbeek. Dit natuurgebied bestaat dan ook voor een groot deel uit broekbossen en natte graslanden. Ten zuidwesten is tevens een uitloper van dit natuurgebied gelegen.

2.3

Functionele structuur

Het plangebied is gelegen in het bebouwingslint van de Snelkensstraat. De Snelkensstraat lag vroeger aan de rand van het veld en betreft dan ook van oudsher een agrarisch lint. In het lint van de Snelkensstraat is de agrarische functie echter steeds verder naar de achtergrond toe getreden. De agrarische functie heeft hier plaats gemaakt voor de woonfunctie en in het lint zijn dan ook voornamelijk woningen gelegen met nog enkele (agrarische) bedrijven. De agrarische bedrijvigheid in de vorm van agrarische bebouwing aan de Snelkensstraat is hoofdzakelijk verdwenen echter het agrarisch grondgebruik is nog wel duidelijk aanwezig. In alle windrichtingen is dan ook landbouwgrond gelegen voor de teelt van gewassen. Op korte afstand van het plangebied is de kern van Sevenum gelegen. In de kern overheerst voornamelijk de woonfunctie. De centrumfuncties van Sevenum zijn met name geconcentreerd aan de Markt, het Raadhuisplein en de Kerkstraat.

2.4

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie

Sevenum kent een oude geschiedenis. De eerste vermelding van het kerkdorp Sevenum (Sevenheym) is uit 1317. De uitgang –heym wijst zelfs op een vroegmiddeleeuwse oorsprong, en de kerk moet al in het begin van de 11e eeuw hebben bestaan. Het plangebied ligt op de overgang van het beekdal naar het grootschalige akkercomplex. Het beekdal van de Kattenstaartsche beek kan worden getypeerd als een beekdallandschap. De randen van de beekdelen zijn uit cultuurhistorisch oogpunt zeer waardevol. De randen van de beekdalen waren namelijk vaak de eerste bewoningsplaatsen in een gebied. Voordat mensen over de kennis en middelen beschikten om op (grootschalige) wijze gronden te ontginnen, vestigden zij zich op de grens van hoog en laag; op de overgang van het beekdal naar de hoger gelegen gronden. De gronden langs de beek vormden goede graasgronden voor vee en op de hoger gelegen delen was men veilig voor het water, daar werden boerderijen gesticht. De Snelkensstraat ligt dan ook precies op de overgang van hoog naar laag.

Vastgesteld

7

Afbeelding 7. Situatie omstreeks 1918

Afbeelding 8. Situatie omstreeks 1950

De open velden zijn de oudste landbouwgronden. De hoger geleden gronden werden collectief ontgonnen en gebruikt. Langs de randen van de velden stonden de gebouwen. In dit geval nog steeds duidelijk herkenbaar als het bebouwingslint van de Snelkensstraat. De velden zijn van oorsprong grote open akkerbouwgebieden. Bemesting vond plaats vanuit het potstalsysteem, waardoor dikke humusrijke enkeerdgronden zijn ontstaan. De velden werden slechts doorsneden door smalle zandpaden, zonder opgaande beplanting.

Vastgesteld

8

3.

BELEID

3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de op het plangebied van toepassing zijnde beleidskaders behandeld. Gemeenten zijn immers niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincie geven met het door hen gevoerde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op het van toepassing zijnde Rijksbeleid. In de daaropvolgende paragraaf komt het provinciaal beleid aan bod. In paragraaf 3.4 volgt ten slotte het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Horst aan de Maas.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 juli 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;

Vastgesteld

9

▪ ▪

Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.

Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen. Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.

In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op Rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Met het initiatief worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het initiatief is daarom niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is in oktober 2012 ingevoerd en is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd.

De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Allereerst dient er sprake te zijn van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 december 2013, zaak nr. 201302867/1/R4), is het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste

Vastgesteld

10

lid, aanhef en onder i, van het Bro niet nader gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 te realiseren woningen, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3). Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het opnieuw bestemmen van de voormalige woning als woning (waarmee dus feitelijk maar één woning wordt toegevoegd) evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). De omgevingsvisie is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: ▪ Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk als in het bebouwde gebied; ▪ Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); ▪ Klimaatadaptatie en energietransitie.

Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale Omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

Vastgesteld

11

De Provinciale Omgevingsvisie Limburg houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen.

Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied.

Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Onderhavige ontwikkeling voorziet in het herbestemmen en hergebruiken van een voormalige woning als woning. Gezien de goede staat van het pand en het dringende woningtekort zijn de initiatiefnemers voornemens om deze woning opnieuw te gebruiken. In de POVI is opgenomen dat hergebruik van leegstaand vastgoed bijdraagt aan de woningbehoefte op korte- en middellange termijn. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de Provinciale Omgevingsvisie. 3.3.2 Ontwerp Omgevingsverordening In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor een ieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Op dit moment geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014. Met de komst van de Omgevingswet (verwachte inwerkingtreding: 1 juli 2022) is een nieuwe omgevingsverordening nodig die de huidige gaat vervangen.

Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden.

Vastgesteld

12

3.3.1 Omgevingsverordening Limburg 2014 Bij het POL2014 hoorde de Omgevingsverordening Limburg. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is, net als het POL2014, op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden. In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro (ladder duurzame verstedelijking). Onderhavig initiatief is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zie paragraaf 3.2.3. Er is sprake van het toevoegen van slechts één nieuwe woning. Bij het toevoegen van één woning, is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ladder niet van toepassing is. In de verordening zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van woningbouw.

Volgens artikel 2.4.2 van de Omgevingsverordening voorziet een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg niet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. De gemeente Horst aan de Maas heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de 'Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg'. Hierna wordt nader op ingegaan op dit beleid.

3.3.2 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg De gemeente Horst aan de Maas heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venray en Venlo en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie NoordLimburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Horst aan de Maas gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen NoordLimburg’ een reductieopgave van 105 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Horst aan de Maas de gestelde opgave ruim heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.

Vastgesteld

13

Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van de kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.

▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Met onderhavig initiatief wordt een voormalige woning hergebruikt als woning. Deze woning zou, in het kader van de bouw van de nieuwe woning, worden gesloopt. Sloop heeft echter niet plaats gevonden en de woning staat sindsdien leeg. Ondanks de (langdurige) leegstand verkeert het pand in goede staat en voldoet nog steeds aan de technische vereisten voor een woning. In de regionale structuurvisie is opgenomen dat naast nieuwbouw ook gekeken dient te worden naar de bestaande voorraad en dat gekeken dient te worden naar koppelkansen. Met onderhavig initiatief is sprake van een koppelkans, verdere leegstand van het pand wordt voorkomen en daarnaast wordt een bijdrage geleverd aan het dringende woningtekort. Het initiatief sluit daarmee aan op de visie van de gemeenten binnen Noord-Limburg.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: ▪ De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn; ▪ De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; ▪ De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de Vastgesteld

14

woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed.

De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld.

Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: 1. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 2. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 3. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; 4. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar.

Vastgesteld

15

Het plangebied is gelegen in deelgebied 3C ‘Agrarisch gebied Sevenum-Zuid en Meterik-Noord’. Voor nieuwe woningen in deelgebied 3C geldt een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij). Bij een voorwaardelijke grondhouding kan een ontwikkeling enkel doorgang vinden, wanneer voldaan wordt aan strikte voorwaarden die een ontwikkeling alsnog acceptabel maken.

Afbeelding 9.Gebiedsindeling gemeentelijke structuurvisie met plangebied rood omcirkeld

In het kader van de evaluatie van de structuurvisie is een bijlage opgesteld waarin de voorwaarden voor het toevoegen van woningen in de gemeente Horst aan de Maas zijn opgenomen. Op basis van deze voorwaarden kan in het buitengebied alleen een woning toegevoegd worden als gebruikt wordt gemaakt van één van de volgende instrumenten: ▪ Buitenkans (gemeentelijke Ruimte voor Ruimteregeling) ▪ Ruimte voor Ruimte van de provincie Limburg ▪ Module solitaire woningbouw uit de structuurvisie, waarbij een knelpunt dient te worden opgelost Betreffende woning wordt niet gerealiseerd door Buitenkans of Ruimte voor Ruimte. Er zal dus gebruik gemaakt worden van de module woningbouw uit de structuurvisie. Op 18 oktober 2016 heeft de gemeenteraad de evaluatie van de structuurvisie nog op twee punten herzien voor wat betreft de module solitaire woningbouw. Er wordt sindsdien uitsluitend nog gewerkt met een kwaliteitsbijdrage. In de structuurvisie is opgenomen dat met de module solitaire woningbouw in het buitengebied uitsluitend woningen gerealiseerd kunnen worden als zij voldoen aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden en er een kwaliteitsbijdrage in het kwaliteitsfonds wordt gestort.

Dit houdt in: ▪ Locatie ligt in een lint, bebouwingscluster of aansluitend aan de rode contour; ▪ De minimale oppervlakte van het perceel dat de woonbestemming krijgt is 750 m2; ▪ Kwaliteitsbijdrage vast bedrag van € 60.000,-, plus een variabel bedrag van € 140,- per m2. Te slopen bebouwing kan van dit bedrag worden afgetrokken met € 25,- per m2 te slopen bebouwing. Aan deze voorwaarden wordt in dit geval voldaan. Aan de Snelkensstraat is sprake van een bebouwinglint, voornamelijk bestaande uit woningen. De oppervlakte van het plangebied bedraagt minimaal 750 m2. Daarmee wordt voldaan aan de minimale oppervlakte-eis. Ten slotte zijn met initiatiefnemer afspraken gemaakt over het voldoen van de kwaliteitsbijdrage.

Vastgesteld

16

3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen 2021-2025 is op 20 april 2021 vastgesteld door de raad. In het Masterplan geeft de gemeente Horst aan de maas de ambities voor de komende jaren. De ambities zoals genoemd in het Masterplan Wonen betreffen de volgende: 1. 1.000 nieuwe woningen tussen nu en 2025 De woningmarkt in gemeente Horst aan de Maas staat onder druk: de vraag naar woningen is vele malen groter dan het aanbod. En die druk neemt de komende jaren verder toe. De gemeente Horst aan de Maas telde in 2020 ruim 18.000 huishoudens; de komende tien jaar komen daar naar verwachting 1.200 tot 1.400 huishoudens bij. Om de balans op de woningmarkt te herstellen voor nu en de nabije toekomst, ligt er een stevige ambitie: 1000 woningen tussen nu en 2025. 2. Transformatie van de bestaande woningvoorraad Niet elke woning sluit op termijn nog aan op de wensen van de inwoners binnen de gemeente. De gemeente ziet echter wel kansen om bestaande woningen te verbeteren, zodat deze aansluiten bij de woonwensen van nu en de toekomst. De gemeente stuurt daarbij op twee soorten kwaliteitsverbetering: verduurzaming enerzijds, het zorggeschikt(er) maken van woningen anderzijds. Hiermee ervaren inwoners overigens ook meer comfort en woningverbetering leidt in veel gevallen tot een hogere woningwaarde en lagere woonlasten. 3.

Een inclusieve woningmarkt In Horst aan de Maas is iedereen welkom. Ook kwetsbare doelgroepen en nieuwe inwoners kunnen rekenen op een passende woning. De huisvestingsopgaven voor statushouders, mensen met een psychische beperking en woonwagenbewoners zijn in het masterplan opgenomen. De ambitie om in vijf jaar tijd 1.000 nieuwe woningen te vergunnen, vraagt om een aanpak die pragmatisch en voortvarend is en waarbij de gemeente altijd in dialoog is met inwoners en samenwerkingspartners. De ambitie voor het toevoegen van 1.000 woningen is vertaald naar de volgende speerpunten: ▪ Kaders als basis voor mogelijkheden. Nieuwbouwplannen worden getoetst aan de hand van een afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op de medewerking van de gemeente Horst aan de Maas. ▪ Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang. Met elk nieuw plan en elk nieuw initiatief op het gebied van wonen, is de gemeente een stap dichter bij haar ambitie. Elk jaar maakt de gemeente de balans op van vorderingen en toets of de gemeente nog op koers ligt. De gemeente brengt in kaart hoeveel woningen zijn vergund en welke woningtypen zijn gerealiseerd. ▪ Maatwerk per kern. Bij elk initiatief gaat de gemeente samen met ontwikkelaars in gesprek met inwoners over het gewenste woningbouwprogramma.

Dit gaat verder dan het peilen van de interesse in de nieuw te ontwikkelen woningen. De gemeente en ontwikkelaar brengen ook de mogelijkheden van doorstroming in kaart. ▪ Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen. Dit Masterplan geeft richting aan een woningbouwopgave. Voor de daadwerkelijke uitvoering van de woningbouwopgave staan andere partijen aan de lat: particulieren en vooral ontwikkelaars en woningbouwcorporaties. De gemeente is ervan overtuigd dat de mooiste initiatieven ontstaan als ontwikkelaars de ruimte krijgen. ▪ Minder regels, snelle doorloop van processen. Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. De gemeente vermindert de regeldruk waar mogelijk, organiseert parallelle processen en houdt initiatiefnemers aangehaakt. ▪ Participatie & communicatie. Ontwikkelaars en gemeente betrekken inwoners van een kern en/of omwonenden van een initiatief in alle fasen van de projectontwikkeling: van het ophalen van woonwensen tot het voorleggen van een schetsontwerp.

Vastgesteld

17

De gemeente Horst aan de Maas heeft de ambitie om tussen nu en 2025 1.000 woningen toe te voegen aan de bestaande voorraad. De nieuwbouwopgave voorziet in de vraag naar woningen voor sociale huur (30%), vrije sector huurwoningen (30%) en koopwoningen (40%). Bij de koopwoningen wordt voornamelijk gericht op betaalbare (starters) woningen en nultredenwoningen (zoals grondgebonden woningen met badkamer en slaapkamer op de begane grond). Met onderhavig initiatief wordt een voormalige woning opnieuw bestemd als woning. Hiermee is als het ware sprake van het toevoegen van één woning aan de bestaande voorraad. In het Masterplan Wonen is opgenomen dat gebouwd dient te worden naar behoefte en dat binnen de gemeente een dringend woning tekort is. Het initiatief tot het herbestemmen en hergebruiken van de woning past derhalve binnen het Masterplan Wonen van de gemeente Horst aan de Maas.

3.5

Conclusie

Beleidsmatig zijn er, met uitzondering van het vigerende bestemmingsplan, geen belemmeringen voor de het herbestemmen van de voormalige woning als woning. Het toevoegen van één woning aan de bestaande voorraad is geen stedelijke ontwikkeling op basis van ladder voor duurzame verstedelijking. De woning sluit aan bij de functionele en ruimtelijke karakteristiek van de Snelkensstraat en de omgeving. Met het initiatief wordt daarnaast invulling gegeven aan het dringende woningtekort. Uit beleidsmatig oogpunt stuit het initiatief dan ook niet op belemmeringen.

Vastgesteld

18

4.

PLANBESCHRIJVING

Initiatiefnemers hebben tot en met 2011 gewoond in de woning Snelkensstraat 4 in Sevenum. Initiatiefnemers hebben omstreeks 2007 een vergunning aangevraagd voor het bouwen van een nieuwe woning ten oosten van de bestaande woning. In juni 2007 is door de gemeente Horst aan de Maas de bouwvergunning verleend onder voorwaarde dat de “oude” woning werd gesloopt. Na het verlenen van de bouwvergunning zijn initiatiefnemers gestart met de bouw van de nieuwe woning. Omstreeks 2011 is de nieuwe woning opgeleverd en sindsdien wonen initiatiefnemers in deze woning. Aangezien de oude woning vervangen zou worden door de nieuwe is destijds het huisnummer van deze woning verwijderd en toegekend aan de nieuwe woning. In Sevenum is net als in de rest van Nederland een dringend woningtekort. De woningen zijn schaars en wanneer er weer een huis op de markt komt, is dit heel snel weer weg. Om deze reden vinden initiatiefnemers het zonde de oude woning nu te slopen. Het betreft een goede woning waar met een eventuele kleine verbouwing zo weer iemand kan wonen. Initiatiefnemers willen de voormalige woning dan ook opnieuw gebruiken als burgerwoning. Het hergebruiken van het leegstaande pand als woning draagt bij aan het dringende woningtekort.

Ondanks dat het pand al enige tijd niet meer in gebruik is verkeerd het pand nog steeds in goede staat en voldoet aan alle technische vereisten voor een woning. Ter compensatie van het herbestemmen van de woning zal het aanwezige bijgebouw worden gesloopt. In die zin draagt het initiatief daarmee bij aan de ontstening van het buitengebied.

4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsvlak van de woning Snelkensstraat 4 wordt gesplitst in twee aparte delen; ▪ Per bestemmingsvlak is één woning toegestaan; ▪ Het bijgebouw ter plaatse van de westelijke woning wordt volledig gesloopt; ▪ Met het opnieuw bestemmen van de voormalige woning is er geen belemmering voor de omliggende functies; ▪ De aanwezige dubbelbestemmingen en gebiedsaanduiding worden opnieuw aan het plangebied toegekend; ▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Horst dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” zoals dat thans voor het buitengebied van Horst aan de Maas geldt. De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken om de voormalige woning opnieuw te kunnen benutten als woning. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het gehele huidige bestemmingsvlak ‘Wonen’ in twee separate delen is gesplist. Binnen de bestemmingsvlakken zijn de aanwezige dubbelbestemmingen en de aanwezige gebiedsaanduiding opnieuw van toepassing verklaard.

Vastgesteld

19

4.2

Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten

Initiatiefnemers zijn voornemens om de voormalige woning opnieuw als woning te gebruiken. De woning is omstreeks 1911 gebouwd en betreft dan ook een van de oudere woningen die is gelegen aan de Snelkensstraat. Deze woning is omstreeks 1985/1986 gesplitst in twee woningen. De woning die toen der tijd huisnummer 4 heeft gekregen c.q. de woning die opnieuw wordt hergebruikt als woning is van 1911 tot aan 2011 bewoond geweest. Vanaf 2011 heeft het pand zijn functie als woning verloren door de bouw van de nieuwe woning, direct ten oosten van deze woning. De woning is reeds aanwezig en voldoet aan alle eisen waaraan een woning in deze tijd moet voldoen. Het pand hoeft in dat kader niet verbouwd te worden maar zal enkel zijn functie als woning terug krijgen. De woning maakt dan ook al geruime tijd onderdeel uit van het bebouwingslint van de Snelkensstraat. Ten aanzien van het stedenbouwkundige en ruimtelijke aspect kan dan ook worden geconcludeerd dat er geen sprake is van enig effect op het stedenbouwkundige karakter. Vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt is het opnieuw bestemmen van het pand als woning passend.

4.3

Landschappelijke inpassing

De voormalige woning zal met het initiatief zijn functie als woning terugkrijgen. Ter compensatie van het opnieuw bestemmen van het pand als woning zal een voormalige stal, dat achter de woning is gelegen, worden gesloopt.

Afbeelding 10.Luchtfoto van het plangebied met de bestaande groenelementen

Het plangebied is, in de huidige situatie, deels ingekleed in het groen. De tuin van de nieuwe woning, te weten de woning met huisnummer 4, is beplant met een haag op de westelijke, noordelijke en oostelijke perceelsgrens. Het perceel waarop de voormalige woning staat, de woning zonder huisnummer, is voorzien van een bomenrij op de westelijke, noordelijke en (deels) oostelijke perceelsgrens. Daarnaast zijn op het perceel ook nog enkele bomen aanwezig. De voormalige en nieuwe woning zijn ook al voorzien van gedegen landschappelijke inpassing, die in het kader van onderhavig initiatief behouden blijven.

Vastgesteld

20

5.

SECTORALE ASPECTEN

5.1

Inleiding

Voordat de voormalige woning opnieuw kan worden bestemd en gebruikt als woning dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.2

Milieuaspecten

5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. In dit geval is het plangebied reeds volledig bestemd als ‘Wonen’ en daarmee reeds bestemd voor een woongebruik. In de nieuwe situatie is er nog steeds sprake van een woongebruik. Aangezien er reeds een woonbestemming geldt en de woning die wordt herbestemd als woning reeds aanwezig is, is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet noodzakelijk. Ter compensatie van het opnieuw benutten van de voormalige woning als woning wordt de aanwezige loods gesloopt. Voor het slopen van de loods is een asbestinventarisatie1 uitgevoerd. Op basis van het vooronderzoek en de visuele inspectie wordt geconcludeerd dat in en aan de loods geen asbesthoudende materialen zijn aangetroffen. Deze asbestinventarisatie betreft een asbestinventarisatie van direct en niet-direct waarneembare asbest. Er is waar nodig destructief onderzoek uitgevoerd.

Er zijn geen aanwijzingen verkregen dat er in de loods alsnog asbesthoudende materialen aanwezig zijn. Een aanvullende asbestinventarisatie wordt derhalve niet noodzakelijk geacht. Wel wordt geadviseerd tijdens de sloopwerkzaamheden alert te zijn op de aanwezigheid van ‘verborgen’ asbesthoudende materialen. Aangezien er geen asbesthoudende materialen zijn aangetroffen is er geen reden tot het verwachten van een asbestverontreiniging in de bodem ter plaatse van de loods. 5.2.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen.

1 HMB Groep, Asbestinventarisatie Snelkensstraat 4 Sevenum, 21 januari 2022, kenmerk: 22207601K

Vastgesteld

21

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Tabel 1. Geluidszone van wegen op basis van het aantal rijstroken

Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200

Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB. Met onderhavig initiatief wordt een voormalige woning opnieuw bestemd als woning. Gezien het voormalig gebruik van het pand als woning en doordat de woning reeds aanwezig is kan gesteld worden dat er geen sprake is van een nieuw geluidsgevoelig object. Wettelijke eisen ten aanzien van wegverkeerslawaai of spoorweglawaai die gesteld worden vanuit de Wet geluidhinder zijn in dit geval dan ook niet van toepassing.

5.2.3 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land.

Vastgesteld

22

Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: Tabel 2.regeling NIBM

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11765568/1