05c Toelichting
Tekst van het document
De boorstaten, de locaties van de onderzoekspunten en de doorlatendheidsmetingen zijn opgenomen in de bijlagen. De ondergrond bestaat ter plaatse van de metingen uit zeer fijn tot matig fijn en zak siltig tot matig siltig zand. De gemeten doorlatendheden zijn matig tot goed. Als infiltratiesysteem kan gedacht worden aan wadi’s welke minimaal 0,5 m boven de GHG dienen te worden aangelegd. Gezien de (plaatselijk) matig doorlatende ondergrond, wordt geadviseerd de wadi’s van een leegloopvoorziening (regelbare debietbegrenzer) naar riool of oppervlaktewater te voorzien, zodat tijdige beschikbaarheid van het systeem voor een volgende bui is geborgd. In Noord-Limburg mag maximaal 2 l/s/ha middels een leegloopvoorziening worden geloosd. Oppervlaktewater Binnen het plangebied zijn geen oppervlaktewaters gelegen. Het meest dichtbij gelegen oppervlaktewater betreft de primaire watergang Kabroekse Beek op circa 135 meter afstand van het plangebied. Het planvoornemen heeft gelet op de afstand geen negatieve invloed op het oppervlaktewater. Afval- en hemelwater Binnen het plangebied is momenteel geen bebouwing of rioolstelsel aanwezig. Het plangebied zal worden aangesloten op de reeds in de omgeving van het plangebied gelegen rioolstelsel.
13
Geonius, Nieuwbouwplan Meteriks Veld GHG’s en doorlatendheden Meterik’, kenmerk: GA210003.006.M01, d.d. 29 april 2022.
Hoofdstuk 5
52
Op basis van het infiltratieonderzoek en op basis van de locatie van het project zijn er voldoende mogelijkheden om het hemelwater te verwerken in het plangebied. De hemelwatervoorziening zal gedimensioneerd worden op 100 mm per m2 verhard. In de ontwerp-, realisatie en beheersfase zal nader worden uitgewerkt op welke wijze het hemelwater zal worden afgevoerd.
5.4 Kabels en leidingen In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de beoogde woningbouwontwikkeling belemmeren.
5.5 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de POVI en de Omgevingsverordening Limburg 2014 en 2021.
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op,
Hoofdstuk 5
53
dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Toetsing Soortenbescherming Quickscan flora en fauna In het kader van onderhavig plan is door Geonius een quickscan flora en fauna 14 uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De conclusies uit dit onderzoek worden hieronder kortstondig toegelicht. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen. Uit de quickscan is gebleken dat het plangebied functies biedt voor de volgende beschermde soorten: Broedvogels met een jaarrond beschermd nest – steenuil, kerkuil en huismus; Broedvogels zonder een jaarrond beschermd nest – diverse algemene soorten van bebouwde kom; Gebouw- en boombewonende vleermuizen – foerageergebied en vliegroute voor diverse soorten vanuit de woonkern Meterik en bosschages in de nabije omgeving; Grondgebonden zoogdieren – algemene voorkomende soorten en das; Amfibieën – alpenwatersalamander (bestaande wadi behouden als voortplantingswater en leefgebied). Door de voorgenomen ingreep leidt dit tot negatieve effecten en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb. De exacte werkzaamheden van de ingreep zijn echter nog niet volledig duidelijk. Er is daarom uitgegaan van een worst-case scenario. Wanneer blijkt dat de ingreep afgeschaald wordt (bijvoorbeeld behoud van bomen en gebouwen) zullen niet alle vervolgstappen noodzakelijk zijn.
Om het voornemen uit te voeren op basis van de huidige uitgangspunten dient een ontheffing Wnb aangevraagd te worden. Voorwaarde van deze ontheffing is het uitvoeren van soortgericht 14
Geonius, ‘Quickscan natuurnetwerk Nieuwbouwplan Meterik’, rapportnr.: EA210025.R01.V1.0, d.d. 17 augustus 2021.
Hoofdstuk 5
54
onderzoek naar beschermde soorten. Deze resultaten moeten vastgelegd worden in een natuurtoets waar ook mitigerende maatregelen inzichtelijk gemaakt worden. Hiermee is een ontheffing Wnb aan te vragen. Met het uitvoeren van het soortgericht onderzoek en uitvoeren van de daaruit volgende mitigerende maatregelen is het verkrijgen van een ontheffing Wnb mogelijk. Ten aanzien van gebiedsbescherming dient voor de gebruiksfase van het voornemen een stikstofdepositieberekening middels Aerius opgesteld worden om de effecten van stikstof te bepalen. Vervolgonderzoek Dassenburcht Door Dassengroep Venray-Horst is een vervolgonderzoek naar de das 15 uitgevoerd. hieronder worden de conclusies uit dit onderzoek weergegeven. Het volledig rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Er is een volwaardige dassenburcht aangetroffen. Circa 10 pijpen waarvan er 5 duidelijke belopen zijn. Graafwerk, prenten, dassenharen, afgekloven maiskolven en een speelboom op de burcht. De speelboom geeft sterke aanwijzingen dat er dit jaar jongen op de burcht zijn geboren. In 2019 is er op circa 30 meter van de burcht een zeug met jongen aangetroffen door de eigenaar van het perceel. Het betreft dus ook een kraamburcht. Gezien de grote stortbergen is de burcht er al langdurig aanwezig. De burcht heeft de naam Meteriksveld gekregen.
De burcht heeft de Das&Boom burchtnummer 1996538559 gekregen. Kennis over deze burcht zal meegenomen moeten worden in de planvorming voor eventuele nieuwbouw. Aanbevelingen: Het streven de lokale dassenpopulatie in een gunstige staat van instandhouding te behouden betekent, dat verslechteringen in elk territorium van dassenfamilies voorkomen moeten worden. Bij ruimtelijke ingrepen in dassenleefgebied moet altijd een natuurtoets plaatsvinden. Binnen een straal van 500 meter van een dassenhoofdburcht moet voldoende primair foerageergebied (bemest grasland) beschikbaar en toegankelijk zijn. Alleen wanneer er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatieve mogelijkheden zijn en de negatieve gevolgen van een ruimtelijk ingreep niet kunnen worden gemitigeerd of gecompenseerd, kan een dassenfamilie worden verhuisd. Om de significante sterfte door verkeer in de dassenpopulatie beheersbaar te houden, moeten er bij alle nieuwe wegen en waterwegen, die leefgebied doorsnijden, verkeersvoorzieningen worden aangebracht (voorkomen versnippering van het leefgebied). Bij grote knelpunten (meerdere slachtoffers op één locatie) moeten ook bij bestaande wegen en waterwegen verkeersvoorzieningen worden aangebracht. Bestaande dassenvoorzieningen zoals rasters en tunnels moeten functioneel blijven middels het plegen van noodzakelijk onderhoud (o.a.
voorkomen dichtgroeien toegangsroutes), het uitvoeren van noodzakelijke reparaties en door het waarborgen van de toegankelijkheid. De overheid heeft hierin een voorbeeldfunctie. Mitigerende en compenserende maatregelen, die in ontheffingen worden opgelegd, moeten functioneel zijn op het moment dat de das deze voorzieningen moet gaat gebruiken. 15
Dassenwerkgroep Venray – Horst, ‘Meterik burcht Meteriksveld’, burchtcode: 1996538559, d.d. 21 november 2021.
Hoofdstuk 5
55
Bij regulier onderhoud rond dassenburchten moet de ecologische functionaliteit gewaarborgd blijven door de daarvoor noodzakelijke landschapselementen als bomen en hagen ruim (minimaal 50 meter) rond de burcht te behouden.
Uitwerking worst-case benadering mitigatie Naar aanleiding van de gevonden beschermde soorten op het plangebied is door Geonius een Uitwerking worst-case benadering mitigatie16 opgesteld. Op basis van het nader onderzoek naar de beschermde soorten die in het plangebied voorkomen, dat in oktober 2022 zal worden uitgevoerd zal blijken of de maatregelen wettelijke noodzaak hebben. In deze memo zijn mitigerende maatregelen uitgewerkt. Na het opstellen van de worst-case memo, is het stedenbouwkundig ontwerp aangepast en is er een strook van 50m ingepast waardoor de dassenburcht gehandhaafd kan blijven. Daarnaast is er groen gereserveerd aan de rand van het plangebied. Afhankelijk van onderzoeksresultaten zullen de wettelijk noodzakelijke maatregelen worden ingepast om de soorten (steenuil, kerkuil, huismus, vleermuis, das en alpenwatersalamander) te beschermen. Over de memo en de benodigde maatregelen zal afstemming plaatsvinden met de Provincie. Nader Natuuronderzoek Door Geonius is van februari tot en met september 2022 een nader onderzoek17 uitgevoerd. Hieronder wordt de samenvatting van het onderzoek besproken. Voor het volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlage.
Uit de eerder uitgevoerde quickscan is gebleken dat negatieve effecten inzichtelijk gemaakt moesten worden middels het uitvoeren van nader onderzoek naar de (mogelijk) aanwezige steenuil, kerkuil, huismus, vleermuizen, alpenwatersalamander en de das. Het plangebied was tevens geschikt bevonden voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest en algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Nader onderzoek naar deze laatste soortgroepen is niet noodzakelijk gezien de voorgestelde mitigerende maatregelen, zoals beschreven in de quickscan natuurwetgeving afdoende zijn om overtreding van verbodsbepalingen te kunnen voorkomen. Uit het door Geonius uitgevoerde onderzoek is gebleken dat het plangebied functies biedt voor: Broedvogels met jaarrond beschermd nest – leefgebied en broedplaatsen steenuil en huismus in de omgeving van het plangebied aanwezig; Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest – in plangebied aanwezig; Vleermuizen – foerageergebied en vliegroute in plangebied aanwezig; Grondgebonden zoogdieren – verblijfplaats van das op grens plangebied aanwezig. Leefgebied onder andere in plangebied aanwezig; Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën – aanwezig in plangebied. De voorgenomen ingreep leidt mogelijk tot een negatief effect op deze soorten. Deze negatieve effecten leiden mogelijk tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb.
Om deze overtredingen te voorkomen zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. In het kader van de voorgenomen ruimtelijke ingreep zijn de algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën vrijgesteld.
16 17
Geonius, Uitwerking worst-case benadering mitigatie, kenmerk: EA210025.M01, d.d. 27 januari 2022. Geonius, ‘Natuurtoets Nieuwbouwplan Meterik’, rapportnr.: EB210025.R01.V1.0, d.d. 30 november 2022.
Hoofdstuk 5
56
Deze mitigerende maatregelen hebben effect op de wijze van, planning en doorloop van uitvoering. Voor alle aanwezige soorten zijn de mogelijke negatieve effecten volledig te mitigeren. Om de werkzaamheden uit te voeren zonder overtreding van de Wet natuurbescherming dienen de mitigerende maatregelen in het mitigatieplan volledig en juist te worden uitgevoerd. Daarbij wordt geadviseerd de werkzaamheden vast te leggen in een Ecologisch Werkprotocol en onder begeleiding van een ecoloog te laten uitvoeren. Mits de mitigerende maatregelen volledig uitvoerbaar zijn is de voorgenomen ingreep niet ontheffing plichtig in het kader van soortenbescherming Wnb. De inrichting van de openbare ruimte wordt gedaan conform de maatregelen uit dit onderzoek. Gebiedsbescherming Door Econsultancy is een stikstofdepositie onderzoek 18 uitgevoerd. Hieronder wordt volstaan met samenvatting van het onderzoek. De volledige rapportage is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Voor het plan wordt uitsluitend het projecteffect van de toekomstige gebruiksfase inzichtelijk gemaakt. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De berekening van het projecteffect is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2021.0.4.).
Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Tijdens het in procedure zijn van het bestemmingsplan heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over het gebruik van de wettelijke bouwvrijstelling. Deze vrijstelling houdt in dat voor de stikstofuitstoot die bij de bouw van projecten plaatsvindt, geen vergunning nodig is. Door de uitspraak van de Raad van State is deze bouwvrijstelling niet meer van toepassing. Zodoende is in onderhavige ontwikkeling aanvullend de berekening voor de aanlegfase 19 uitgevoerd. De resultaten zijn als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hierna wordt volstaan met een samenvatting van het onderzoek. Er is een analyse en een berekening uitgevoerd naar de mogelijke stikstofdepositie. Hieruit blijkt dat de NOX uitstoot in de bouwfase 124,7 kg per jaar bedraagt. De berekening met de AERIUS calculator laat zien dat in bouwfase geen sprake is van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden. Er zijn namelijk geen rekenresultaten, hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Houtopstanden Aangezien er binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
18 19
Econsultancy, Onderzoek stikstofdepositie Meteriks Veld te Meterik, rapportnr.: 17888.002, d.d. 2 maart 2022. Equipe adviseurs, ‘Stikstofberekening bouwfase’, projectnr.: 224863, d.d. 29 november 2022.
Hoofdstuk 5
57
5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Archeologie Door RAAP is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd20 in de vorm van een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek en een verkennend booronderzoek. Het volledige rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Landschap en bodem Het plangebied ligt op een grote dekzandrug waarvan de hoogte geleidelijk in noordelijke richting oploopt. In het zuiden grenst het plangebied aan het dal van de Kabroekse Beek. De bodemopbouw bestaat van nature uit een moderpodzol, maar door menselijk handelen is hier een humeus plaggendek op ontstaan. Daardoor is nu sprake van een hoge zwarte enkeerdgrond en een laarpodzol. De scheiding tussen beide bodemtypen, en daarmee de dikte van het plaggendek, loopt grofweg noordzuid door het hart van het plangebied. Het plaggendek ligt op het moedermateriaal (geel dekzand) of een moderpodzol-B-horizont, maar met name in de noordelijke helft van het plangebied is een grijze oude akkerlaag aanwezig aan de basis van het plaggendek. Archeologie en bouwhistorie Uit het plangebied zijn geen archeologische vindplaatsen en bouwhistorische resten bekend. In de directe omgeving van het plangebied is op verschillende plekken in het verleden archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het belangrijkste is een opgraving centraal op het Meterikse Veld.
Daarbij zijn - voor de regio zeer belangrijke - nederzettingssporen uit de periode 630-1000 zijn aangetroffen, alsook uit de vroege ijzertijd. 14e Eeuwse vondsten wijzen erop dat de middeleeuwse bewoning zich in de nabijheid bleef bevinden. Vermoedelijk ‘verschoof’ de bewoning vanaf dan geleidelijk naar de lagere randen van het Meterikse Veld, o.a. aan de St. Jansstraat. Ook met betrekking tot de historische tijd is zeer veel informatie beschikbaar, waarmee het hiaat tussen de late middeleeuwen en de recente geschiedenis grotendeels wordt aangevuld. De aanwezigheid van verbrande leem en/of baksteengruis in enkele boringen in de zuidelijke strook van het plangebied is een indicatie dat hier wellicht sporen van historische/laat-middeleeuwse bebouwing in de bodem aanwezig zijn. Oppervlaktevondsten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd sluiten hierbij aan. De archeologische verwachting is hoog voor vindplaatsen van landbouwende gemeenschappen, vooral uit de ijzertijd en de middeleeuwen - nieuwe tijd. Het gaat dan vooral om nederzettingsresten en crematie- en inhumatiegraven (tot de 13e eeuw). Met name de zuidelijke strook van het plangebied heeft een hoge verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars uit de steentijd, maar ook de aanwezigheid van laat-prehistorische en Romeinse resten zijn reëel.
Bovendien is de bodemopbouw in het plangebied zodanig intact dat archeologisch vervolgonderzoek zinvol is. Aanbevelingen Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied mogelijk archeologische resten bedreigd worden door de geplande ontwikkelingen. Daarom wordt aanbevolen
20
RAAP, ‘Plangebied Meteriks Veld te Meterik, gemeente Horst aan de Maas; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en verkennend boorondrzoek’, Rapportnr.: RAAPrap_5415_HORME, d.d. 28 november 2021.
Hoofdstuk 5
58
om de gespecificeerde verwachting te toetsen en een vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren. Programma van Eisen Ten behoeve van het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen21 opgesteld. Proefsleuvenonderzoek Door RAAP is een proefsleuvenonderzoek 22 uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlage. Tijdens het onderzoek zijn in totaal 68 proefsleuven aangelegd met een totale oppervlakte van 6012,5 m². Tijdens het veldwerk bleek het niet mogelijk om alle werkputten aan te leggen zoals was voorgeschreven in het PvE. De noordoostelijke en zuidoostelijke percelen in het PvE maken geen deel uit van het plangebied. Derhalve zijn hier respectievelijk 7 en 1 proefsleuven vervallen, en 1 proefsleuf in het zuidoosten is iets verplaatst. Het zuidwestelijke deel van het plangebied was nog niet toegankelijk, zodat de vijf proefsleuven die hier zijn gepland, eveneens niet zijn aangelegd. De oppervlakte van het onderzocht deel van het plangebied is 6,05 hectare. Het totale onderzochte oppervlak is 0,6 hectare, wat overeenkomt met een dekkingspercentage van 10,0%.
In het plangebied zijn drie vindplaatsen aangetroffen, die bestaan uit bewoningssporen uit de late prehistorie (late bronstijd/ijzertijd), de late middeleeuwen (late 11/12e eeuw) en de nieuwe tijd (18-19e eeuw, mogelijk ouder). De eerste gegevens omtrent de bodemopbouw en de kwaliteit van de grondsporen en vondsten wijzen op behoudenswaardige vindplaatsen. Indien planaanpassing en behoud in situ van de drie vindplaatsen niet mogelijk is, komen deze in aanmerking voor een opgraving. Het gaat om een oppervlakte van 7.735 m² die als volgt is opgebouwd: vindplaats 1: 5.550 m²; vindplaats 2: 270 m²; vindplaats 3: 1.515 m². Wellicht kan de opgraving worden gecombineerd of direct voorafgaand aan het bouwrijp maken van het plangebied worden uitgevoerd. De eisen waaraan de opgraving dient te voldoen, dienen te worden verwoord in een Programma van Eisen. Eventueel kan het bestaande PvE daarvoor als basis dienen, dat wordt aangevuld met bijkomende onderzoekeisen (methodisch) en onderzoeksvragen (doelstelling) die in een oplegblad worden geformuleerd. Om de archeologische waarden te beschermen ter plaatse van de vindplaatsen, blijft op die gebieden die gebieden de archeologische dubbelbestemming van toepassing. Voor het overige is het gebied vrij gegeven. Derhalve is de dubbelbestemming op die locaties van het plangebied afgehaald. 5.6.2 Cultuurhistorie
21
22
RAAP, ‘Programma van Eisen proefsleuvenonderzoek plangebied Meteriks Veld te Meterik, gemeente Horst aan de Maas’,31 augustus 2022. RAAP, ‘RAAP Evaluatie- en selectierapport, Plangebied Meterikse veld te Meterik, gemeente Horst aan de Maas’, rapportnr.: 357, d.d. 28 november 2022.
Hoofdstuk 5
59
Binnen of direct buiten het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt het plangebied bescheven als een ‘gebied met sedert 1830 matig veranderd verkavelingspatroon’, ‘enkeergrond’ en ‘cultuurlandschap’. Tot slot is de Sint Jansstraat beschreven als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Het verloop en profiel van deze weg wordt niet gewijzigd middels onderhavig initiatief. Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten op deze weg. Om een goede werking van de molen te waarborgen, zijn in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” regels gesteld aan bebouwing binnen de aanduiding ‘Vrijwaringszone – molenbiotoop’. De bouwhoogte van nieuwe bouwwerken binnen een afstand van 100 meter van de molen mag niet meer bedragen dan de onderste punt van de verticaal staande wiek van die molen. De bouwhoogte van nieuwe bouwwerken binnen een afstand van 100 tot 400 meter van de molen mag niet meer bedragen dan 1/100 van de afstand tussen het nieuwe bouwwerk en die molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. Een deel van het plangebied ligt binnen deze zone. De dichtstbijzijnd gelegen woningen liggen op een afstand van circa 300 meter van de molen af.
Op basis van de regels voor de molenbiotoop levert dit een bouwhoogte op van 3 meter tot maximaal 4 meter voor de woningen die verder in het plangebied zijn gelegen. Dit zijn geen reële bouwhoogtes voor nieuwbouwwoningen in de gewenste sector. Het plangebied is echter gelegen in de zuidwesthoek van de molen. De wind waait slechts enkele malen per jaar uit deze richting en is in dit geval vaak dermate krachtig dat de molen niet kan draaien. Bovendien is er reeds bebouwing dichterbij de molen gelegen. Dit betreffen woningen aan de Schadijkerweg en de reeds gerealiseerde woningen achter de Schadijkerweg (Schadijkerweg – oost). Deze woningen werken reeds belemmerend indien de wind uit deze richting waait. De molenbiotoop is bovendien reeds eerder aangepast om een maatschappelijk gewenste functie toe te staan (woningbouw aan de Dr. Lemmenstraat). Deze woningbouw ligt in een windrichting die voor de molen veel meer belang heeft en heeft dus een aanzienlijk grotere negatieve impact op het functioneren van de molen. De waarde van de molen als cultuurhistorisch erfgoed wordt natuurlijk niet alleen bepaald door het functioneren ervan, hoewel dit wel een aspect van belang is. Negatieve impact op het functioneren van de molen is echter zeer beperkt gezien de aanwezigheid van bestaande bebouwing dichter bij de molen en de ligging van het plangebied ten opzichte ervan.
De molen bepaalt nog altijd in belangrijke mate de beeldkwaliteit aan de Schadijkerweg en de ligging binnen het oude veld markeert de ontstaansgeschiedenis van het gebied en het belang van de molen hierin. Ruimtelijk vindt er geen aantasting plaats door de ontwikkeling van de woonwijk. Tot slot is het beperken van de bouwhoogtes in het plan om te kunnen voldoen aan de regels behorende bij de molenbiotoop, architectonisch, stedenbouwkundig en landschappelijk niet wenselijk. Om aan te kunnen sluiten bij omliggende woningen en zo een goede interactie tussen landschap en dorp te kunnen waarborgen, is het noodzakelijk in twee bouwlagen met kap te bouwen en een goede overgang creëren naar het landschap.
Hoofdstuk 5
60
5.7 Verkeer en parkeren Door Grenspaal 12 is een memo23 opgesteld ten aanzien van de verkeerskundige consequenties van de beoogde ontwikkeling met betrekking tot de verkeersgeneratie, parkeerbehoefte en verkeersontsluiting. Het volledige rapport is als bijlage toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Parkeren Op basis van het toekomstig aantal woningen is het mogelijk een parkeerbalans op te stellen voor de nieuwe planontwikkelingen. De gemeente Horst aan de Maas heeft een eigen parkeernorm. Deze conformeert zich aan de normering conform het CROW, maar wijkt echter af op het gebied van wonen. Vanwege het landelijk karakter van de gemeente Horst aan de Maas heeft de gemeente gekozen voor één algemene omschrijving voor “wonen” en de gemeente hanteert daarom dezelfde norm voor ieder type woning. Verder onderscheidt de gemeente maar drie gebieden in plaats van vier conform het CROW, zijnde centrum, rest bebouwde kom en buiten bebouwde kom. Voor Meterik geldt dat dit valt onder de noemer “rest bebouwde kom”. De normering welke door de gemeente wordt voorgeschreven voor dit gebied en dit type woningen betreft 2 parkeervakken per woning. Op basis van het (voorlopig) stedenbouwkundig ontwerp kan worden gesteld dat het bij de half vrijstaande en vrijstaande woningen mogelijk is op eigen terrein te parkeren. De totale parkeervraag bedraagt 220 parkeervakken.
Een gedeelte van de parkeervakken kan worden voorzien op eigen terrein. Er worden 52 woningen gerealiseerd met de mogelijkheid om op eigen terrein te parkeren. Uitgaande van één voertuig op eigen terrein betekent dit dat er 52 parkeervakken op eigen terrein kunnen worden voorzien. De overige 168 parkeervakken zullen op openbaar domein moeten worden aangelegd. Bij de definitieve uitwerking van de plannen zal worden voldaan aan het aantal noodzakelijk te realiseren parkeerplaatsen. Verkeer De verkeersgeneratie zijn berekend aan de hand van de landelijke kencijfers, zoals opgenomen in CROW-publicatie 381 ‘toekomstbestendig parkeren – kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2018’. Per voorzieningstype is in een standaardtabel de verwachte verkeersgeneratie te berekenen. Onderstaande tabel visualiseert de landelijke normering conform het CROW.
Op basis van bovenstaande tabel wordt duidelijk dat het geen verschil maakt of het koop- of huurwoningen betreft. Voor de berekening kan dus worden uitgegaan van een verkeersgeneratie van 7,0 tot 7,8 mvt per etmaal per woning. 23
Grenspaal 12, ‘MEMO Verkeerskundige advisering BP Meteriksveld 2, Meterik’,kenmerk: 21-1118-02, d.d. 6 juli 2022.
Hoofdstuk 5
61
Onderstaande tabel visualiseert de gesaldeerde verkeersgeneratie over het volledige plangebied. Naar verwachting zal de bouw van 110 woningen zorgen voor een extra verkeersgeneratie van 770 tot 858 motorvoertuigen per etmaal.
Ontsluiting De ontsluiting van het plangebied verloopt via “Meteriks veld” en de “Sint Jansstraat”. De ontsluiting vindt plaats in beide richtingen. Op de Sint Jansstraat bedraagt de verkeersintensiteit voor het prognosejaar 2030 ongeveer 1.000 mvt per etmaal voor beide rijrichtingen. Uit verkeerstellingen uit 2021 blijkt echter dat de Sint-Jansstraat een belasting van ca. 3.000 motorvoertuigen per etmaal kende. In vergelijking met het verkeersmodel rijdt er in de werkelijke situatie ongeveer 33% meer verkeer. De verkeerstelling geldt hier als norm. Voor de straat Meteriks Veld zijn geen verkeersintensiteiten beschikbaar. De omliggende straten kennen een etmaalintensiteit van maximaal 700 motorvoertuigen per etmaal volgens het theoretisch verkeersmodel. De waarde van 3.500 tot 4.500 motorvoertuigen per etmaal voor de Sint Jansstraat en 1.500 tot 2.500 motorvoertuigen per etmaal voor Meteriks veld acceptabel. Bij dergelijke waarden is de verkeersveiligheid voor alle weggebruikers nog gegarandeerd. Conclusie In het stedenbouwkundig plan zijn 99 woningen ingetekend, dit betekent dat 198 parkeerplaatsen benodigd zijn. Totaal zijn in het plan 200 parkeerplaatsen opgenomen, waarvan 74 op eigen terrein en 126 in de openbare ruimte. Indien er door verdichting meer woningen dan 99 gerealiseerd worden, dan zullen er extra parkeerplaatsen worden aangelegd.
5.8 Duurzaamheid Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om: Gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers; Een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden; Duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling); Verantwoord watergebruik; Voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken.
Hoofdstuk 5
62
Bij de bouw van de woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheidseisen worden toegepast.
5.9 Gezondheid 5.9.1 Endotoxinen In de onderhavige situatie is sprake van de realisatie van 110 woningen in Meterik. De beoogde realisatie heeft geen invloed op de endotoxine belasting en dit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Daarbij is gekeken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. In onderhavig geval kan worden gesteld dat er geen overschrijdingen plaatsvinden van de gestelde norm van Gezondheidsraad, doordat de dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij op meer dan 1 kilometer van het plangebied is gelegen. Zodoende kan ook geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.9.2 Geitenhouderij In het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 20142016’ van september 2018, wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking.
Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is er door de provincie Limburg voor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in de Omgevingsverordening te stellen. Uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden nog verwacht. Aangezien de planlocatie op meer dan 2 km van een geitenhouderij is gelegen vormt het aspect gezondheid geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.9.3 Spuitzones Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te
Hoofdstuk 5
63
worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn. Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten. Binnen een afstand van 50 meter zijn geen gronden rondom het plangebied gelegen, waarop bomen of andere gewassen in de openlucht worden geteeld, die bespoten moeten worden. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat ten noorden van het plangebied agrarische gronden zijn gelegen. In de directe nabijheid van deze gronden zijn reeds al bestaand burgerwoningen gelegen. Wanneer rekening wordt gehouden met een spuitzone van 50 meter, is het feitelijk gezien onmogelijk dat deze gronden met bestrijdingsmiddelen bespoten kunnen worden zonder hinder te veroorzaken op de reeds omliggende burgerwoningen.
Derhalve kunnen potentiele spuitzones ten aanzien van deze gronden in relatie tot de woningen binnen het plangebied geen belemmering vormen.
5.10 Niet gesprongen explosieven In de Tweede Wereldoorlog hebben op diverse plaatsen in Limburg, waaronder in de gemeente Horst aan de Maas, oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij gebruik is gemaakt van explosieven. Hierdoor zijn er mogelijk onontplofte explosieven in de bodem achtergebleven. Indien tijdens grondwerkzaamheden in het plangebied op een niet ontploft explosief wordt gestuit, kan dit ongecontroleerd tot ontploffing komen. Op basis van de Arbowetgeving en de Openbare Orde en Veiligheid dienen alle risico’s voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden in kaart te worden gebracht, waarbij de risico’s zoveel mogelijk moeten worden ingeperkt. Door Euroradar is een explosievenonderzoek24 uitgevoerd. Hierna zal een samenvatting en de conclusie van het onderzoek worden weergegeven. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen. Het opsporingsgebied is onderzocht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Het gebied heeft een totaaloppervlak van 60.000 m² waarvan ca 50.000 m² non-realtime is ingemeten en 5000 m² realtime is onderzocht. 5000 m² is niet onderzocht i.v.m. nog aanwezige obstructies en is daarom niet vrijgegeven. Deze locaties zullen op een later moment worden onderzocht en zijn weergeven in de vrijgavetekening. Er zijn 137 verdachte objecten benaderd die voldoen aan de gestelde criteria.
Hierbij zijn 275 (restanten van) ontplofbare oorlogsresten aangetroffen welke aan de EODD zijn overgedragen. Met de door ons gebruikte zoekmethodiek zijn na het verwijderen van de objecten geen overige significante objecten welke overeenkomen met (volgens gesteld zoekdoel) ontplofbare oorlogsresten meer aangetroffen. Het gebied is vrijgegeven om toekomstige werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren, met uitzondering van de niet onderzochte gebieden.
24
Euroradar, ‘Proces-Verbaal van Oplevering Nieuwbouwproject Plan Meterik’, kenmerk: EU21-367-PVO-01, d.d. 18 mei 2022.
Hoofdstuk 5
64
Het aangegeven opsporingsgebied is vrijgegeven tot een diepte van 2,50m -mv, met uitzondering van de stroken langs het hekwerk, een aantal niet ingemeten delen (sloot) en het grindpad. Daarnaast is ter plaatse van de aanwezige loopgraaf een beperkte vrijgave gegeven tot 0.5 mmv. Er resteren nog steeds 3 verdachte objecten binnen het projectgebied die in een latere fase benaderd dienen te worden. De hoogte van het maaiveld lag, ten tijde van het onderzoek, (gemiddeld) op 23,5 +NAP1. Advies Indien in de toekomst bodemroerende werkzaamheden in de niet vrijgegeven gebieden zullen plaatsvinden, wordt geadviseerd de grond vooraf te laten onderzoeken op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Het Proces-Verbaal van Oplevering heeft enkel zijn betrekking op het onderzoeksgebied zoals weergegeven in de bijgevoegde overzichtstekening. Hierin staat weergegeven welke gebieden zijn vrijgegeven op de aanwezigheid van mogelijke ontplofbare oorlogsresten.
Hoofdstuk 5
65
6.
UITVOERBAARHEID
6.1 Economische uitvoerbaarheid In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De gemeente kan hiervan afzien indien: Het kostenverhaal anderszins is verzekerd; Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Het voorliggende initiatief maakt de realisatie van maximaal 110 woningen mogelijk en biedt hiermee mogelijkheden voor een bouwplan in de zin van artikel 6.12 van de Wro. De gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van de gemeente. Het kostenverhaal is derhalve geregeld middels de gronduitgifte. Een anterieure overeenkomst of exploitatie is derhalve niet vereist.
6.2 Handhaving De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012 - 2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.
Hoofdstuk 6
66
De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie. 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie De eerste participatieavond met de omgeving heeft op 5 oktober 2021 plaatsgevonden. Deze avond stond in het teken van het ophalen van wensen en ideeën bij de aanwezigen zonder dat er daarbij een concreet ontwerp voorlag. Op basis van deze input is het eerste concept stedenbouwkundig ontwerp tot stand gekomen. Dit ontwerp is tijdens de tweede participatieavond op 23 november 2021 gepresenteerd. De tijdens deze avond opgehaalde input is gebruikt om het ontwerp definitief te maken. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Bij het voorliggende initiatief zal het bestemmingsplan in het kader van het vooroverleg aan de provincie Limburg en het waterschap Limburg worden voorgelegd. Er zijn geen belangen van het Rijk in het geding, waardoor vooroverleg met de rijksoverheid niet noodzakelijk is. Reactie Provincie Limburg De beoordeling van het plan geeft aanleiding tot het maken van opmerkingen.
Indien in het plan onderstaande opmerkingen adequaat verwerkt, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen. De opmerkingen betreffen de volgende aspecten: Uit de overgelegde stukken blijkt dat er nog vervolgonderzoeken moeten plaatsvinden die zullen leiden tot een mitigatieplan en waarschijnlijk ook tot een ontheffingsaanvraag op grond van de Wet natuurbescherming. Derhalve wordt vooralsnog een voorbehoud gemaakt voor het onderdeel flora & fauna.
Hoofdstuk 6
67
Inspraak Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor eenieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan is overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad zienswijzen in te dienen.
Hoofdstuk 6
68
7. JURIDISCHE TOELICHTING
7.1 Planstukken Het bestemmingsplan ‘Meteriks Veld 2’ is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
7.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De bestemmingen ‘Groen’, ‘Verkeer’ en ‘Wonen’ zijn weergegeven. Daarnaast is een archeologische dubbelbestemming overgenomen overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan voor deze locatie, te weten ‘Waarde - Archeologie 3’. Tot slot zijn de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' en ‘vrijwaringszone - molenbiotoop opgenomen.
7.3 Toelichting op de regels 7.3.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de bij het bestemmingsplan behorende planregels van een nadere toelichting voorzien. De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Deze zijn opgesteld op basis van de Wro, het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), alsmede de gemeentelijke notitie ‘Bestemmingsplannen van de gemeente Horst aan de Maas, uitgangspunten voor bureaus’. De planregels geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en waar er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is aangesloten bij de regels voor recente woningbouwplannen in de gemeente Horst aan de Maas. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken. Deze hoofdstukindeling is opgebouwd conform de richtlijnen uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012).
Hoofdstuk 7
69
Inleidende regels In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Bestemmingsregels In dit artikel wordt de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Algemene regels In de algemene regels is een aantal artikelen opgenomen die van toepassing zijn op het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelregel, de algemene bouw-, gebruiks-, aanduidings-, wijzigings- en afwijkingsregels en de overige regels. Overgangs- en slotregels In de bepaling ‘overgangsrecht’ zijn de overgangsregels ten aanzien van bebouwing en gebruik opgenomen. De slotregel bevat de titel hoe het plan aangehaald dient te worden. 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels Hiernavolgend worden de planregels artikelsgewijs van een nadere toelichting voorzien. Hoofdstuk
regel
toelichting
Inleidende regels
1.
Begrippen (Art. 1)
De in de planregels gebezigde begrippen
2.
Wijze van meten (Art. 2)
worden hierin omschreven. Een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden. Bestemmingsre-
3.
Groen (Art. 3)
De bestemmingen ‘Groen’, ‘Tuin’, ‘Ver-
gels
4.
Tuin (Art. 4)
keer’, ‘Wonen’ en ‘Wonen - 1’ zijn opge-
5.
Verkeer (Art. 5)
bouwd conform de richtlijnen uit de SVBP
6.
Wonen (Art. 6)
2012 en de Wet algemene bepalingen om-
7.
Wonen – 1 (Art. 7)
gevingsrecht, waarin een vaste opzet voor de bestemmingsregels is vastgelegd. De opzet voor het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid
Hoofdstuk 7
70
8.
Waarde – Archeologie 2
Artikel 8 bevat de dubbelbestemming
9.
Waarde – Archeologie 3
‘Waarde – Archeologie 2’ en artikel 9 bevat de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’.
Algemene regels
10. Anti-dubbeltelregel (Art. 10)
In de anti-dubbeltelregel (art. 10) is vast-
11. Algemene bouwregels (Art.
gelegd dat grond die eenmaal in aanmer-
11) 12. Algemene gebruiksregels (Art. 12)
king is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de be-
13. Algemene aanduidingsregels oordeling van latere bouwplannen buiten (Art. 13) 14. Algemene afwijkingsregels (Art. 14) 15. Algemene wijzigingsregels (Art. 15) 16. Overige regels (Art. 16)
beschouwing blijft. In de algemene bouwregels (art. 11) zijn de regels omtrent ondergronds bouwen en bestaande afstanden en andere maten opgenomen. In de algemene gebruiksregels zijn de algemene regels omtrent het gebruik van de gronden opgenomen (art. 12) In de algemene aanduidingsregels (art. 13) zijn de regels omtrent gebiedsaanduidingen opgenomen. In de algemene afwijkingsregels (art. 14) zijn algemene regels opgenomen voor geringe afwijkingen. In de algemene wijzigingsregels (art. 15) zijn de algemene regels omtrent het verschuiven van bestemmingsgrenzen opgenomen. In de overige regels (art. 16) zijn regels omtrent parkeren opgenomen.
Overgangs- en
17. Overgangsrecht (Art. 17)
Artikel 17 bevat de overgangsbepalingen
slotregels
18. Slotregel (Art. 18)
met betrekking tot bebouwing respectievelijk het gebruik van gronden en bouwwerken. De slotregel in artikel 18 geeft de titel van de planregels aan.
Hoofdstuk 7
71
SEPARATE BIJLAGEN
Bijlage 1: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 2: Ladderonderbouwing Bijlage 3: Bodemonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: onderzoek geurhinder veehouderijen Bijlage 6: Quickscan bedrijven en milieuzonering Bijlage 7: Quickscan externe veiligheid Bijlage 8: Advies veiligheidsregio Bijlage 9: Infiltratieonderzoek Bijlage 10: Quickscan flora en fauna Bijlage 11: Vervolgonderzoek dassen Bijlage 12: Uitwerking worst-case benadering mitigatie Bijlage 13: Nader natuuronderzoek Bijlage 14: Stikstofdepositieonderzoek gebruiksfase Bijlage 15: Stikstofdepositieonderzoek aanlegfase Bijlage 16: Archeologisch onderzoek Bijlage 17: Programma van Eisen Bijlage 18: Proefsleuvenonderzoek Bijlage 19: Memo verkeerskundige advisering Bijlage 20: Onderzoek niet gesprongen Explosieven
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl