CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05c.6 Bijlage 6 - PvE archeologie

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Jaegerweg ongenummerd, Melderslo.12.008 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Anorganische artefacten

• De primaire vondstverwerking bestaat uit het wassen van vondsten, het administreren van de vondsten per vondstnummer en het scheiden in verschillende materiaalcategorieën. • De anorganische artefacten dienen te worden uitgewerkt tot op het niveau dat nodig is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. • Aardewerk: determinatie per periode, indien mogelijk op type. • Natuursteen: determinaties op gesteentesoort en op werktuig/gebruikstype. • Metaal: op metaalsoort, zo mogelijk op artefacttype en periode. • Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten en vondsten die indicatief kunnen zijn voor een (verstoorde) vindplaats nader beschreven en geanalyseerd. • Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt (evaluatierapport). • Vondsten worden beschreven conform het Archeologisch Basis Register (ABR). De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven en gewaardeerd. • Bijzondere vondsten worden door een specialist bekeken. • Niet te determineren metaalklompen of klompen van metaaloxide die in een archeologische context worden gevonden, worden geröntgend ten behoeve van de determinatie, selectie (i.v.m. mogelijke conservering) en screening van de inhoud.

• De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. 7.4 •

Organische artefacten Organische artefacten worden door specialisten geanalyseerd tot op het niveau dat noodzakelijk is om de vraagstelling uit het PvE te beantwoorden. • Bewerkt hout (artefacten en constructiehout): determinatie op houtsoort, artefacttype, beschrijving van bewerkingssporen, eventueel datering. • Bot: determinatie op diersoort, botelement, artefacttype, eventueel datering.

PvE 8509.006 versie C1

Pagina 16 van 24

•

• • • •

Bij bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt (voor een verwachting van de gangbare vondsten zie bijlage 1). Vondsten worden beschreven conform het ABR. Vondsten worden beschreven en gewaardeerd. De vondsten worden tijdelijk dusdanig opgeslagen dat de kwaliteit van het materiaal niet achteruit gaat. In geval van het aantreffen van bijzondere artefacten of zeer grote hoeveelheden vondsten dient eerst te worden overlegd met de bevoegde overheid voordat de verdere uitwerking ter hand genomen wordt (evaluatierapport).

7.5 •

• •

• •

7.6

Archeozoölogische en -botanische resten Voor de specifieke eisen die aan de uitwerking archeozoölogische en botanische resten worden gesteld, wordt verwezen naar de KNA versie 4.1. In aanvulling daarop, wanneer het voor het onderzoek relevant is, worden van dateerbare (grond)sporen met mogelijk goed geconserveerd archeologisch materiaal en van relevante vondstlagen (bijvoorbeeld uit beerputten) monsters genomen voor botanisch, 14C, dendrochronologisch en paleo-ecologisch onderzoek. Van de kwalitatief goede grondmonsters zal een specialist samen met de KNA-archeoloog de monsters scannen op potentie in relatie tot de beantwoording van de vraagstelling. Na afloop van het veldwerk zal in overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid worden vastgesteld welke monsters dienen te worden geanalyseerd. Analyse dient zich primair te richten op het verkrijgen van antwoorden op de boven verwoorde onderzoeksvragen. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van botanische resten en/of archeozoölogische resten uit de aangetroffen perioden. Het specialistenrapport dient (integraal) in de standaardrapportage te worden opgenomen en geïntegreerd te worden in beantwoording van onderzoeksvragen en synthese van het onderzoek. Beeldrapportage (objecttekeningen, foto’s, kaarten e.d.)

De beeldrapportage van de uitwerking bestaat (minimaal) uit de volgende afbeeldingen: • Uitsnede topografische kaart met de onderzoekslocatie. • Kaarten met de ligging van het onderzoeksgebied en de belangrijkste structuren en grondsporen. • Alle Sporen Kaart (ASK), weergegeven per periode. • Eventueel coupetekeningen en/of foto’s. • Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten (na overleg met en goedkeuring van de bevoegde overheid). • Toevoegen indien relevant: Een afbeelding van het onderzoeksgebied met daarop weergegeven de zones die in aanmerking komen voor behoud in situ/vervolgonderzoek en/of vrijgave.

8 8.1

RAPPORTAGE Uitvoeringsperiode uitwerking; opleveringstermijn (concept)eind-/evaluatierapport

• Direct na afronding van het veldwerk, of uiterlijk 2 weken daarna, dient een kort evaluatierapport of briefverslag over de eerste bevindingen ter beoordeling aan de bevoegde overheid te worden aangeleverd. In dit rapport wordt ingegaan op de voorlopige resultaten, de aantallen vondsten en is voorzien van een allesporenkaart. Indien het aan de orde is dat een beslissing nodig is over een eventuele doorstart naar DO dan dient dit evaluatieverslag in het veld tijdens het overleg tussen

PvE 8509.006 versie C1

Pagina 17 van 24

betrokkenen te worden aangeleverd. Indien besluiten dienen te worden genomen over de inrichting en omvang de uitwerking van bijvoorbeeld monsters en vondstcategorieën dan dient het evaluatieverslag hiervoor een duidelijk voorstel te omvatten. Er kan niet met de doorstart DO of uitwerking worden begonnen zonder goedkeuring van de gemeente op het evaluatieverslag. • Binnen 12 weken na einde van het veldwerk of de goedkeuring van het uitwerkingsplan dient een conceptrapport te worden opgeleverd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken, in het bijzonder wanneer analyse van vondstmateriaal meer tijd vraagt. 8.2

Procedure toetsing standaard-/conceptrapport door de bevoegde overheid

Opdrachtgever en de bevoegde overheid ontvangen ieder één exemplaar van het conceptrapport ter keuring. De op- en aanmerkingen van beide partijen dienen te worden verwerkt en leiden tot de definitieve versie van het rapport. 8.3

Inhoud standaard-/evaluatierapport

Het rapport dient minimaal de volgende onderdelen te bevatten. • Een korte samenvatting van de resultaten van het voorgaand onderzoek. • Een paragraaf waarin staat vermeld wat voor soort plan het betreft, welke ontwikkelingen er gaan plaatsvinden en tot welke diepte verstoring gaat plaatsvinden en in welke fase van de planprocedure het plan zich bevindt. • Een overzichtskaart - met landelijke coördinaten - met de begrenzingen van het onderzoeksgebied (minimaal 1:25.000). • Een gedetailleerde (overzichts)kaart - met landelijke coördinaten - met de ligging van de proefsleuven (en de eventuele opgraving), waarop de hoofdstructuren van de archeologische sites herkenbaar staan aangegeven. • Een kaart van het onderzoeksgebied waarop: o het areaal van de archeologische sites staat aangegeven (indien van toepassing) o het areaal van verstoorde bodemprofielen in het onderzoeksgebied staat aangegeven (indien van toepassing) • Een paragraaf met (verantwoording) methode en technieken. • Een paragraaf met de vraagstelling en de doelstelling van het archeologisch onderzoek. • Een paragraaf over eerder gedane archeologische vondsten in het onderzoeksgebied of in de nabijheid van het onderzoeksgebied. • Een paragraaf over de fysische-geografie van het onderzoeksgebied.

• De resultaten van het onderzoek dienen te worden geleverd in de vorm van een standaardrapport inclusief vlaktekeningen (zie hieronder) en indien noodzakelijk profieltekeningen, vondstenlijsten (zie hieronder), sporenlijsten (zie hieronder) en monsterlijsten. • De vlaktekeningen van de proefsleuven - met landelijke coördinaten - waarop de grondsporen (uitgesplitst naar periode) herkenbaar staan afgebeeld inclusief hun nummer. • Relevante coupetekeningen en/of foto’s. • De vondstenlijst waarin per archeologisch artefact (AF) staat aangegeven: 1. het spoor waarin het AF is aangetroffen, 2. de conserveringstoestand van het AF (verbrand, vorst schade, geërodeerd, et cetera), 3. de determinatie, 4. de datering van het AF en 5. een beschrijving van het AF (l. x b. x h., baksel/materiaal, versiering, bewerkingssporen, etc.). • De sporenlijst waarin staat aangegeven:

PvE 8509.006 versie C1

Pagina 18 van 24

•

• • • • •

1. het soort spoor, 2. de (conserverings-)toestand van het spoor, 3. de datering van spoor en 4. welke vondstnummers er in aanwezig zijn. Een paragraaf van vindplaatsbeschrijvingen moet in ieder geval de volgende thema’s bevatten: de omvang en ligging, de datering, de vondstomstandigheden, de aard van de vondsten, de conservering en de diepteligging. Tekeningen en/of foto’s van de belangrijkste vondsten. De eventuele beperkingen van de toegepaste methode. Een paragraaf met de antwoorden op de onderzoeksvragen Een waardering van de nieuwe sites volgens de KNA versie 4.1. Een paragraaf met conclusies en aanbevelingen ten aanzien van mogelijk vervolgonderzoek.

8.4

Kwaliteit

• De auteurs zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de rapportage. • Het archeologische onderzoek vindt plaats op basis van zorgvuldigheid, betrouwbaarheid, controleerbaarheid en maatschappelijk integer handelen. • Aanbevelingen en waardeoordelen van de auteurs zijn onafhankelijk ten opzichte van alle partijen en niet onderhevig aan goedkeuring van de opdrachtgever en/of de bevoegde overheid. • De opdrachtgever kan geen eisen stellen of beperkingen opleggen aan de inhoud, de conclusies en de aanbevelingen. • De bevoegde overheid kan alleen verbeteringen eisen bij aantoonbare tekortkomingen in de wetenschappelijke kwaliteit van de verslaglegging en indien het rapport niet voldoet aan de eisen en voorwaarden en het PvE en/of niet voldoet aan de eisen en richtlijnen uit de vingerende KNA. Dit geldt ook indien blijkt dat de auteur voldoende in staat blijkt de waarderingscriteria uit de KNA toe te passen. Wanneer toetsende overheid en auteur tot verschillende conclusies komen, worden beide met wetenschappelijke argumentatie in het eindrapport weergegeven. 8.5

Verschijning en oplage standaardrapport en/of specialistisch deelrapport

• Het rapport wordt uitgegeven door de uitvoerende instantie en in de huisstijl van deze instantie. • Van het conceptrapport wordt één exemplaar aan de opdrachtgever geleverd en aan de bevoegde overheid. De bevoegde overheid zal het rapport toetsen aan het PvE en de KNA 4.1. • Na verwerking van eventuele op- of aanmerkingen wordt het definitieve rapport aan de opdrachtgever opgeleverd. • De rapportage wordt uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van opmerkingen door de bevoegde overheid definitief opgeleverd. Van deze planning kan in overleg worden afgeweken. • De resultaten van het onderzoek dienen een brede toegankelijkheid te krijgen. Na het verwerken van opmerkingen zal het standaardrapport digitaal worden verstuurd aan de opdrachtgever, de Gemeente, de adviseur van de gemeente, het Provinciaal Depot Bodemvondsten Limburg, de Provincie Limburg, en het RCE.

PvE 8509.006 versie C1

Pagina 19 van 24

9

(DE)SELECTIE EN CONSERVERING

9.1

Selectie materiaal voor uitwerking

De selectie van vondsten en monsters wordt gedaan in het licht van de vraagstelling, onder verantwoording van de Senior KNA-archeoloog. De gemaakte selectie wordt in het evaluatierapport beschreven. 9.2

Selectie materiaal voor deponering en verwijdering

•

Alle organische en anorganische artefacten die hiervoor in aanmerking komen, zoals houten en leren objecten en metalen voorwerpen, dienen te worden geconserveerd. Hiervan kan alleen worden afgeweken met instemming van de eigenaar van de vondsten, de provincie. De senior KNAarcheoloog kan een voorstel tot de selectie maken, waarin hij op onderbouwde wijze aangeeft, waarom bepaalde voorwerpen niet hoeven te worden gedeponeerd. Als het depot daarmee instemt kunnen deze voorwerpen verwijderd worden. Voorwerpen die niet gedeponeerd worden hoeven niet geconserveerd te worden. • Tijdelijke opslag van geselecteerde vondsten dient zo te geschieden dat de kwaliteit ervan niet achteruit gaat. • (Eerste) selectie vindt plaats door de uitvoerende instantie (Senior KNA-archeoloog, dan wel materiaalspecialist, zie bijlage 2). 9.3

Selectie materiaal voor conservering

• In overleg met de bevoegde overheid wordt bepaald welke voorwerpen voor conservering in aanmerking komen. • Voor de conservering gelden bovendien de aanleveringseisen van het Archeologisch Depot van de provincie Limburg.

10

DEPONERING

10.1 Eisen betreffende depot •

Alle vondsten zijn vanaf het moment van vinden eigendom van de provincie (Erfgoedwet Artikel 5.7. Eigendom van archeologische vondsten), tenzij zij gedaan zijn in een gemeente met een eigen erkend depot (zie ook Erfgoedwet Artikel 5.7. Eigendom van archeologische vondsten) dan wel van de Staat indien zij buiten het grondgebied van enige gemeente zijn gevonden. In deze gevallen valt het eigendom toe aan respectievelijk gemeente of Staat. De projectleider kan na de uitwerking het depot voorstellen een deel van de vondsten te selecteren voor definitieve verwijdering uit de collectie, mits wetenschappelijk verantwoord en op advies van een deskundige specialist. De selectie dient representatief te zijn voor het geheel van het verzameld materiaal binnen de aangetroffen materiaalcategorie. Het is wenselijk om van het materiaal dat wordt verwijderd bepaalde basisinformatie te registreren (zoals aantal, gewicht etc.), alvorens het te deselecteren. Deze representatieve selectie maakt deel uit van het evaluatierapport en dient altijd ter goedkeuring voorgelegd worden aan depothouder (/eigenaar). Het is aan de beheerder van het depot om over de definitieve verwijdering te beslissen. Uitzondering op het bovenstaande vormt de materiaalcategorie ‘bouwmateriaal, onversierd’; dit kan meteen in het veld door de uitvoerend archeologen representatief worden geselecteerd.

PvE 8509.006 versie C1

Pagina 20 van 24

• De vondsten, monsters en documentatie dienen binnen een periode van 2 jaar na afronding van het veldwerk te worden overgedragen aan het Archeologisch Depot van de Provincie Limburg, conform de deponeringseisen van het depot en de desbetreffende specificaties van de KNA versie 4.1. • De (eind)resultaten van het onderzoek worden verwerkt in ARCHIS. 10.2 Te leveren product Een Standaard-/conceptrapport, dat een rapport is, dat volgens de vigerende versie van de KNA en volgens de bepalingen van dit PvE wordt opgesteld. Bij het eindproduct hoort een bewijs (af te geven door de ontvangende instantie) van overdracht van vondsten en documentatie. 10.3 E-depot Conform KNA 4.1 wordt ook een digitale versie van het rapport aangeleverd aan en opgenomen in het zogenaamde E-depot onder vermelding van het onderzoeksmeldingsnummer.

11

RANDVOORWAARDEN EN AANVULLENDE EISEN

11.1 Personele randvoorwaarden • Het onderzoek moet worden verricht door een daarvoor gecertificeerd bedrijf conform BRL 4000 en de protocollen 4003 en 4004, onder leiding van een Senior KNA-archeoloog Landbodems. • Het team dat het proefsleuvenonderzoek uitvoert, staat onder leiding van een Senior KNAarcheoloog die ervaring heeft met onderzoek in het Limburgse Maaskant gebied of in vergelijkbare regio’s, en die met name ervaring heeft met onderzoek van landelijke nederzettingen onder plaggendekken en bodemtypes waarin verbruining een rol speelt. De Senior KNA-archeoloog is aanwezig bij de aanleg van alle vlakken. De metaaldetector dient te worden gehanteerd door een medewerker met ervaring. • De door de archeologisch uitvoerder in te zetten functionarissen zoals Projectleider, KNAarcheoloog en specialisten dienen over aantoonbare kennis te beschikken over nederzettingen en vondstmateriaal van de aan te treffen archeologische periode(n). • De graafwerkzaamheden worden uitgevoerd door een kraanmachinist met aantoonbare ervaring bij archeologisch onderzoek. Indien deze niet voorhanden is, dient de machinist vooraf grondig geinstrueerd te worden door de Senior KNA-Archeoloog. • De veldploeg dient verder qua samenstelling te voldoen aan de KNA versie 4.1. Dit is minimaal een KNA-Archeoloog Ma en een KNA-Archeoloog Ba, Senior veldtechnicus.

• Een fysisch geograaf en/of een Senior KNA-archeoloog met relevante fysisch-geografische ervaring wordt ingezet voor de interpretatie van de bodemprofielen. • De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van materiële cultuur, botanische en archeozoölogische resten uit de te verwachten perioden. • Zowel voor veldwerk als voor de uitwerking, conservering en rapportage is de aanwezigheid van een Senior KNA-archeoloog en een specialist met periode-/materiaal- of gebiedspecifieke kennis en/of ervaring vereist. • Uitwerking en rapportage dienen te geschieden door materiaal- en diachrone-specialisten (zoals fysisch-geograaf, fysisch-antropoloog, aardewerkdeskundige, archeozoöloog, archeobotanicus) met aantoonbare ervaring op het gebied van de door hen te onderzoeken materiaalgroep/categorie.

PvE 8509.006 versie C1

Pagina 21 van 24

11.2 Overlegmomenten Indien tijdens het veldwerk sporen, structuren of vondsten worden aangetroffen waarvan de aard, omvang of complexiteit niet voorzien was, wordt direct contact opgenomen met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Er vindt dan op korte termijn een bijeenkomst plaats, waarop de archeologisch uitvoerder, de opdrachtgever en de bevoegde overheid een vervolgstrategie bepalen. Er zal ook overleg in het veld worden ingepland met de opdrachtgever en de bevoegde overheid en diens adviseur indien een doorstart naar opgraving aan de orde is. 11.3 Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie • Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van de KNA versie 4.1 en dit PvE. In alle gevallen waarin dit PvE niet voorziet, zijn de procesbeschrijvingen en specificaties in de KNA versie 4.1 van toepassing. • Het veldwerk wordt uitgevoerd onder leiding van een Senior KNA-archeoloog. • Ten aanzien van de conditie, kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie geldt dat dit in overleg met de bevoegde overheid zal plaatsvinden. De Senior KNA-archeoloog is het aanspreekpunt voor de bevoegde overheid en neemt het initiatief voor overleg en evaluatie indien dit nodig is.

• Indien de resultaten van het veldwerk niet van dien aard zijn dat er reden is voor het opstellen van een evaluatierapport kan dit na afstemming met de bevoegde overheid achterwege blijven. • Bij de evaluatiefase wordt in een evaluatierapport een voorstel gedaan voor de te deponeren en te verwijderen vondsten. De depothouder van de provincie Limburg wordt het evaluatierapport tijdens de evaluatiefase ter goedkeuring voorgelegd. Pas na goedkeuring van het evaluatierapport door de depothouder kunnen vondsten en monsters op controleerbare wijze worden verwijderd. • Na afloop van het veldwerk wordt een kort (telefonisch) overleg gehouden met de opdrachtgever over de resultaten. 11.4 Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen De externe communicatie rondom het archeologisch onderzoek ligt geheel in handen van de opdrachtgever. Vanuit de archeologische uitvoerder zal alle medewerking worden verwacht voor het verschaffen van inhoudelijke informatie die voor de externe communicatie van belang kan zijn. Indien het wenselijk wordt geacht dat er een informatiemoment wordt georganiseerd en de inzet vanuit de archeologische uitvoerder hiervoor niet vanuit de verleende opdracht is te realiseren, dan worden hiervoor eerst aanvullende afspraken gemaakt.

12

WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET VASTGESTELDE PVE

12.1 Wijzigingen tijdens het veldwerk • Indien tijdens het veldwerk bijzondere vondsten worden gedaan of (complexe) sporen of structuren worden aangetroffen die niet in het onderzoeksvoorstel zijn voorzien, wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid. In overleg zal dan eventueel kunnen worden gekozen voor een andere aanpak. • Indien het gaat om belangrijke wijzigingen, zullen deze te allen tijde aantoonbaar voorgelegd worden aan de bevoegde overheid en de depothouder. Belangrijke wijzigingen zijn: o Significante afwijkingen van verwachte vondstmateriaal/vondsten (hoeveelheid, soorten materialen, soorten voorwerpen, type conservering).

PvE 8509.006 versie C1

Pagina 22 van 24

o Wijzigingen die (de)selectie en conservering vondsten beïnvloeden. o Wanneer er door de bevoegde overheid besloten wordt tot een doorstart naar DO. • Wijzigingen op het PvE worden overlegd met de bevoegde overheid. Ook in geval van minderwerk of het eventueel uitvoeren van meerwerk, wordt eerst overlegd met de opdrachtgever en de bevoegde overheid. • Mutaties op het PvE worden altijd schriftelijk vastgelegd, evenals afspraken voortvloeiend uit evaluatievergaderingen en andere bijeenkomsten. • Bij ingrijpende wijzigingen is altijd toestemming van de bevoegde overheid nodig. 12.2 Belangrijke wijzigingen Onderstaande belangrijke wijzigingen worden te allen tijde aantoonbaar voorgelegd aan de opdrachtgever en de bevoegde overheid: • Afwijking van de archeologische verwachting, • Wijzigingen van de gehanteerde onderzoeksmethode, • Wijzigingen van de fysieke en/of technische omstandigheden, • Vastleggen overleg- en evaluatiemomenten. 12.3 Procedure van wijziging na de evaluatiefase van het veldwerk Zie 12.4 12.4 Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering • Na afloop van het veldwerk wordt contact opgenomen met de opdrachtgever en de bevoegde overheid om dit te melden en vindt er indien nodig een voorlopige evaluatie plaats van de behaalde resultaten en de mogelijk aangetroffen archeologische waarden.

Tijdens dit overleg bepalen de Senior KNA-archeoloog en de bevoegde overheid samen de verdere strategie bij de uitwerking en stellen ze de noodzaak vast van de analyse van eventuele monsters en van mogelijke laboratoriumdateringen. • Alle vondsten en uitgewerkte monsters moeten geconserveerd worden aangeleverd aan het archeologisch depot, tenzij schriftelijk en op grond van een evaluatierapport voor conservering anders is aangegeven door de desbetreffende depothouder. In een conserveringsrapport dient te worden vastgelegd welke vondsten op welke wijze en met welke middelen zijn geconserveerd. • Ten aanzien van de conditie kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie geldt dat dit in overleg met de bevoegde overheid zal plaatsvinden. De KNA-archeoloog neemt het initiatief voor overleg en evaluatie indien dit nodig is.

13

AANVULLENDE EISEN

13.1 Uitvoeringsperiode en opleveringstermijn veldwerk • De uitvoerdatum en uitvoeringstermijn van het veldwerk wordt in overleg met de opdrachtgever vastgesteld. • De archeologisch uitvoerder dient zorg te dragen voor het aanmelden van het onderzoek bij de RCE uiterlijk 10 dagen voorafgaand aan de start van het veldwerk. • De uitvoerder van het archeologisch onderzoek stelt de bevoegde overheid en diens adviseur Vestigia tijdig op de hoogte van de start en het einde van het onderzoek.

PvE 8509.006 versie C1

Pagina 23 van 24

13.2 Uitvoeringscondities veldwerk • Toegankelijkheid, vergunningen, betredingstoestemming en bereikbaarheid dienen door de opdrachtgever te worden geregeld. • Tevens draagt de opdrachtgever zorg voor gelegenheid tot het plaatsen van een schaftwagen, een container voor opslag van materiaal en een chemisch toilet. De opdrachtgever verzorgt de contacten met andere belanghebbenden. Tenzij door de opdrachtgever nadere bepalingen zijn gesteld, worden de proefsleuven tijdens of onmiddellijk na het onderzoek gedicht en aangereden volgens met de opdrachtgever gemaakte afspraken. • Additionele deelname van amateurarcheologen aangesloten bij een lokale of regionale/landelijke vereniging op het gebied van de archeologie is welkom, mits onder begeleiding van de archeologische aannemer en tijdens reguliere werkuren. Voorwaarde hieraan is dat ze een positieve bijdrage kunnen leveren aan het veldwerk en/of inhoud van het onderzoek. De aanwezigheid van amateurarcheologen wordt vastgelegd in de dag- en weekrapporten. • Het goedgekeurde PvE dient tijdens het veldwerk op de werklocatie aanwezig te zijn. • De archeologische uitvoerder zorgt dat grote/belangrijke archeologische sporen en resten aan het eind van de dag zijn veilig gesteld voor “schatgravers”. • De opdrachtgever informeert de archeologische uitvoerder over de ligging van kabels en leidingen op de onderzoekslocatie.

• De gravende civieltechnische uitvoerder doet een graafmelding bij het KLIC indien de gegevens van kabels en leidingen niet voorhanden zijn bij de opdrachtgever. • De opdrachtgever verstrekt indien gewenst kopieën van de milieurapporten. • De uitvoerder neemt preventieve maatregelen tegen inbraak en vandalisme. • Opgravingdocumentatie en waardevolle vondsten mogen niet onbeheerd in de keten achterblijven. 13.3 Niet gesprongen explosieven (NGE) en veldgraven • Indien er NGE worden aangetroffen worden de veldwerkzaamheden direct gestaakt en de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen genomen. • Het aangetroffen projectiel dient niet onnodig weer afgedekt te worden met grond. • In een straal van minimaal 100 m rond het aangetroffen projectiel dient het terrein te worden ontruimd. • De politie dient te worden ingelicht. Deze zal een proces verbaal opstellen en de vondst bij de explosieven opruimingsdienst defensie (EOD) melden. • Op basis van aangeven van de politie/EOD kunnen mogelijk in delen van het terrein de werkzaamheden hervat worden. • Bij het aantreffen van veldgraven zal het bergings- en identificatieteam van de landmacht worden ingeschakeld. Zij nemen het bergen van het veldgraf over.

o Telefoonnummer (tijdens kantooruren): (033) 466 24 41 o Telefoonnummer (buiten kantooruren): 06-53 41 52 07 o email: bidkl@mindef.nl o https://www.defensie.nl/onderwerpen/berging-en-identificatieoorlogsslachtoffers/de-bergings--en-identificatiedienst • Uw eigen veiligheid gaat boven alles.

PvE 8509.006 versie C1

Pagina 24 van 24

Figuur 1: Situering van het onderzoeksgebied binnen Nederland.

Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Situering van het onderzoeksgebied binnen Nederland (bron : http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied Onderzoeksgebied

PVE 8509.006 VERSIE C1

Figuur 2: Detailkaart van het onderzoeksgebied.

Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Detailkaart van het plangebied (bron : http://gis.kademo.nl/gs2/wms) Legenda Plangebied Onderzoeksgebied

PVE 8509.006 VERSIE C1

Figuur 3: Luchtfoto van het onderzoeksgebied.

Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied Onderzoeksgebied

PVE 8509.006 VERSIE C1

Figuur 4: Boorpuntenkaart vooronderzoek

Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Boorpuntenkaart vooronderzoek Legenda Plangebied Onderzoeksgebied

Boorpunt met nummer

PVE 8509.006 VERSIE C1

Figuur 5: Uitsnede geomorfologische kaart

Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Plangebied

Onderzoeksgebied

PVE 8509.006 VERSIE C1

Figuur 6: Uitsnede bodemkaart

Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Plangebied

Onderzoeksgebied

PVE 8509.006 VERSIE C1

Figuur 7: Uitsnede archeologische gegevenskaart

Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis2, AHN) Onderzoeksgebied

PVE 8509.006 VERSIE C1

Figuur 8: Proefsleuvenplan

Jaegerweg (ong.) te Melderslo. Proefsleuvenplan Legenda Plangebied Onderzoeksgebied Proefsleuven

PVE 8509.006 VERSIE C1

Bijlage 1: Tabel met de verwachtte aantallen11 Onderzoek

Verwachting

Jaegerweg (ong.) te Melderslo, gemeente Horst aan de Maas

Paleolithicum-Nieuwe tijd

Omvang

Verwachte aantal m2

750 m2

80 m2

Vondstcategorie

Verwachte aantallen (N)

Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten (handverzameld) Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen

stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk

Monstername

Verwachte aantallen (N)

Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) DNA Dendrochronologisch monster

stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk stuk

11 Aan deze aantallen kunnen geen rechten worden ontleend.

PVE 8509.006 VERSIE C1

25 5 0 0 0 0 0 2 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 5 2 0 0 0 0 0 0 0 0

Bijlage 2: Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen

Vondstcategorie Aardewerk Bouwmateriaal Metaal (ferro) Metaal (non-ferro) Slakmateriaal Vuursteen Overig natuursteen Glas Menselijk botmateriaal onverbrand Menselijk botmateriaal verbrand Dierlijk botmateriaal onverbrand Dierlijk botmateriaal verbrand Visresten Schelpen Hout Houtskool(monsters) Textiel Leer Submoderne materialen

In PvE voorschrijven “Raadplegen bij PvA”

In PvE voorschrijven “Raadplegen bij veldwerk”

In PvE voorschrijven “Raadplegen bij uitwerking”

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

nee nee nee nee nee nee nee nee ja nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja ja

nee nee nee nee nee nee nee nee nee

nee nee nee nee nee nee nee nee nee

ja ja ja ja ja ja ja ja ja

Monstername Algemeen biologisch monster (ABM) Algemeen zeefmonster (AZM) Pollen, diatomeeën en andere microfossielen Monsters voor anorganisch chemisch onderzoek Monsters voor micromorfologisch onderzoek Monsters voor luminescentiedatering (OSL) Monsters voor koolstofdatering (14C) DNA Dendrochronologisch monster

PVE 8509.006 VERSIE C1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9822223/1