CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

05a Juridisch Advies Horst Procedure windturbinepark

Gemeenteraad 17 oktober 2023, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Informatieve bijeenkomst juridische toets Hekkelman Advocaten3.878 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente Horst aan de Maas t.a.v. mevrouw Van de Water Postbus 6005 5960 AA HORST

Tevens per e-mail : B.vandeWater@horstaandemaas.nl Nijmegen, 25 september 2023 Ons kenmerk

Telefoonnummer

Horst/Procedure windturbinepark 20231089 - 2691111/3 - MVM/

024 - 382 83 04

E-mail

Faxnummer

Betreft

m.van.moorsel@hekkelman.nl

024 - 382 83 88

Advies

Geachte mevrouw Van de Water, U heeft mij op 6 september 2023 om advies gevraagd over (kort gezegd) de ruimte die de raad heeft om een afweging te maken over een ’go, no-go' ten aanzien van het plaatsen van windturbines in het project A737Maaslijn. U vraagt zich af hoeveel ruimte de raad heeft. Ook wijst u op een brief van 9 augustus 2023 van Stichting Tegenwind Horst aan de Maas waarin de stichting verschillende vragen stelt over (kort gezegd) de afwegingsruimte die de raad heeft. Tegen de achtergrond van uw vragen en de vragen van Stichting Tegenwind geef ik in deze brief mijn advies over de afwegingsruimte van de raad. Voor een beknopte managementsamenvatting van mijn advies verwijs ik naar de bijlage aan het einde van deze brief. De conclusie van mijn advies luidt dat de raad bij een besluit over een bestemmingsplan (onder de Omgevingswet: (de wijziging van) het omgevingsplan) zelf een afweging moet maken of het plan wel of niet wordt vastgesteld. De afweging die de raad maakt, moet altijd plaatsvinden op basis van ruimtelijk relevante argumenten. Onder de Omgevingswet moet het gaan om argumenten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Daarbij kan de raad gebruik maken van wettelijke normen (bijvoorbeeld over geluid). Ook kan de raad gebruik maken van normen die niet in de wet zijn vastgelegd.

In dat geval wordt gebruikgemaakt van de 'kapstok' een goede ruimtelijke ordening (of onder de Omgevingswet: een evenwichtige toedeling van functies aan locaties). Daarnaast kan de raad op basis van beleid besluiten om wel of geen medewerking aan een plan te verlenen.

Pagina

2/9

Hoeveel ruimte de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan (of omgevingsplan) heeft, valt niet in zijn algemeenheid te zeggen. Dat hangt altijd af van de concrete omstandigheden van het geval. Waar het om gaat is dat deugdelijk wordt onderbouwd waarom (op basis van welke ruimtelijke motieven) de raad het plan wel of niet vaststelt.

1.

Inleiding

Het project A73^aaslijn gaat over de realisatie van meerdere windturbines in de gemeente Horst aan de Maas. Voor dit project wordt momenteel een MER opgesteld. Het is de bedoeling dat er aan het einde van dit jaar een notitie reikwijdte en detailniveau wordt voorgelegd aan de raad. De raad vraagt zich af welke ruimte hij nog heeft om zelfstandig een afweging te maken over de aanvaardbaarheid van het project, nadat de onderzoeken voor het project zijn afgerond. In dit advies beantwoord ik deze vraag. Het is de bedoeling dat dit advies ter voorlichting aan de raad bij de notitie reikwijdte en detailniveau wordt gevoegd.

2.

Beslismoment vóór planologische procedure

De raad wil kunnen besluiten over een go, no-go vóórdat de planologische procedure wordt opgestart. Het staat de raad vrij om hierover een raadsbesluit te nemen. Dit betreft een besluit los van een eventuele (nog te volgen) planologische procedure. Een dergelijk besluit is geen appellabel besluit en kan dus niet worden aangevochten bij de bestuursrechter. Ik wijs er volledigheidshalve op dat als de raad een dergelijk besluit neemt en besluit tot een ’no-go', dat het dan alsnog mogelijk is dat een belanghebbende verzoekt om de planologische procedure (voor de vaststelling of weigering van een bestemmingsplan of omgevingsplan) te volgen. In dat geval moet de raad het hierna geschetste afwegingskader in acht nemen. Het daaropvolgende besluit kan wel bij de bestuursrechter worden aangevochten.

3.

Juridisch kader (weigeren tot het) vaststellen van een bestemmingsplan

De raad is op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: 'de Wro') het bevoegde orgaan ten aanzien van de vaststelling van bestemmingsplannen. Ook onder de Omgevingswet is de raad het bevoegde orgaan ten aanzien van de vaststelling of wijziging van het Omgevingsplan.1 Dit betekent dat de raad zelf een afweging moet maken over de aanvaardbaarheid van een bestemmingsplan (of (wijziging van het) omgevingsplan). Dit volgt ook uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: 'de Afdeling'). Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 20202: "De raad is bij de uitoefening van zijn bevoegdheid omtrent vaststelling van het bestemmingsplan echter niet aan de inzichten van het college ter zake gebonden. Het is

1 Zie artikel 2.4 van de Omgevingswet. Daarbij ga ik ervan uit dat deze bevoegdheid niet op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet aan burgemeester en wethouders is gedelegeerd. 2 AbRS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:580.

2691111/3

Pagina

3/9 immers de raad, die oordeelt over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling."

Hierna licht ik aan de hand van de wet en voorbeelden in de rechtspraak van de Afdeling toe welke ruimte de raad naar huidig recht heeft om te weigeren een bestemmingsplan vast te stellen. Waar het onder huidig recht moet gaan om 'ruimtelijk relevante' argumenten, zal dat onder de Omgevingswet verschuiven naar ’de fysieke leefomgeving'. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: 'deAwb') luidt: "Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering."

Dit artikel is ook van toepassing op een besluit omtrent de vaststelling of weigering van een bestemmingsplan en (delen van) het omgevingsplan.3 De raad kan dus niet zomaar besluiten om een bestemmingsplan of (wijziging van het) omgevingsplan niet vast te stellen als daartoe een verzoek wordt ingediend. Dat zal altijd deugdelijk moeten worden gemotiveerd. Deze motiveringseis geldt voor elk bestemmingsplan. Sterker nog: deze verplichting geldt voor elk besluit waarop artikel 3:46 van de Awb van toepassing is. Of de motivering van de raad in overeenstemming is met het recht, wordt door de Afdeling terughoudend getoetst. De Afdeling hanteert daarbij de volgende standaardoverweging: "Bij het besluit over de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsruimte en moet hij de betrokken belangen afwegen. De Afdeling maakt die belangenafweging niet zelf, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. '4

Ten aanzien van de motivering is verder van belang dat het moet gaan om ruimtelijk relevante argumenten (onder de Omgevingswet: argumenten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving) én dat die argumenten ook deugdelijk moeten worden onderbouwd. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 20215: "15.2. De Afdeling overweegt dat de vaststelling van een plan en de weigering een plan vast te stellen een belangenafweging vergen. De omstandigheid dat de samenstelling van de raad is gewijzigd mag, zoals de raad stelt, een rol spelen, maar een besluit om een bestemmingsplan niet vast te stellen moet in de eerste plaats zijn ingegeven door ruimtelijke motieven. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat hij de ruimtelijke aanvaardbaarheid heeft beoordeeld en daarover een andere opvatting heeft dan de oude raad. Ook heeft de raad naar voren gebracht dat hij in de belangenafweging een ander gewicht heeft toegekend aan de verschillende betrokken belangen dan de oude raad. De Afdeling constateert dat aan 3 Zie artikel 3.8, derde lid, van de Wro. Zie voor het omgevingsplan artikel 16.30, tweede lid, van de Omgevingswet. 4 AbRS 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3382, r.o. 3. 5 AbRS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1424.

2691111/3

Pagina

4/9 het besluit om het bestemmingsplan niet vast te stellen ook ruimtelijke motieven ten grondslag zijn gelegd, zoals de argumenten dat het plan afbreuk doet aan het groene karakter van de wijk, de supermarkt te groot is voor de wijk, de supermarkt leidt tot nadelige verkeersgevolgen en dat de supermarkt in de weg staat aan uitbreiding van de naastgelegen functies. Naar het oordeel van de Afdeling zijn deze ruimtelijke argumenten echter niet deugdelijk onderbouwd. De raad stelt in zijn besluit wel dat het mogelijk maken van de beoogde supermarkt aan de Borchsingel 25 vanuit ruimtelijk oogpunt problematisch is, maar motiveert niet waarom dat zo is. De raad is bijvoorbeeld niet inhoudelijk ingegaan op de onderzoeksrapporten die bij het ontwerpplan zijn gevoegd en de onderzoeksrapporten die aanvullend zijn uitgebracht naar aanleiding van de zienswijzen. Het bestreden besluit van 21 mei 2019 is dan ook in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb onzorgvuldig genomen en gebrekkig gemotiveerd. Aan de hand van de beroepsgronden zal de Afdeling hierna op elk argument dat aan het besluit om het plan niet vast te stellen ten grondslag is gelegd, ingaan."

Met betrekking tot het verschil tussen 'goede ruimtelijke ordening' (huidig recht) en 'fysieke leefomgeving' (Omgevingswet) merk ik nog op dat de fysieke leefomgeving meer omvat dan goede ruimtelijke ordening. Het omgevingsplan beperkt zich dus niet tot planologische (ruimtelijk relevante) aspecten. Het voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast kan het ook andere regels bevatten over activiteiten. Het gaat dan om activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is dus een breder begrip dan goede ruimtelijke ordening. Hoeveel ruimte de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan (of omgevingsplan) heeft, valt niet in zijn algemeenheid te zeggen. Dat hangt altijd af van de concrete omstandigheden van het geval. Waar het om gaat is dat deugdelijk wordt onderbouwd waarom (op basis van welke ruimtelijke motieven) de raad het plan niet wil vaststellen. In het geval van het project A73^aaslijn is relevant dat er momenteel onderzoeken worden uitgevoerd in het kader van een MER. De resultaten van die onderzoeken kunnen ruimtelijk relevante argumenten opleveren.

Als bijvoorbeeld blijkt dat wettelijke normen worden overschreden, zoals vastgelegd over geluid of externe veiligheid, dan kan op basis daarvan worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening (of onder de Omgevingswet: dat de wijziging van het omgevingsplan niet leidt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties). Daarnaast zijn er ook aspecten die niet (meer) wettelijk zijn vastgelegd, zoals slagschaduw, de maximale bouwhoogte of landschappelijke kwaliteit. Ook deze normen kunnen (mits goed onderbouwd) worden gebruikt om te bepalen of een ontwikkeling wel of niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. In dat geval dient de 'kapstok' van een goede ruimtelijke ordening (onder de Omgevingswet: een evenwichtige toedeling van functies aan locaties) als grondslag voor het weigeringsbesluit. Verder is relevant of de raad over een bepaalde soort ontwikkeling specifiek beleid heeft vastgesteld. Als er bijvoorbeeld een verzoek om herziening van het bestemmingsplan wordt ingediend voor een grote woonzorginstelling en de raad in beleid heeft vastgelegd

2691111/3

Pagina

5/9

dat alleen aan kleinschalige woonzorginitiatieven medewerking wordt verleend, dan kan dat beleid een weigeringsgrond vormen om te weigeren het bestemmingsplan vast te stellen. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 20176: "Uit de hiervoor aangehaalde passages in het beleid volgt dat woonzorginitiatieven slechts zijn toegelaten als ze kleinschalig zijn. Het beleid stelt aan zorgwoningen de voorwaarde dat het dient te gaan om een kleinschalige vorm van wonen, bestaande uit (maximaal) zes zelfstandige wooneenheden voor (maximaal) twee personen, dan wel om niet zelfstandige wooneenheden voor in totaal maximaal twaalf personen, dan wel om niet zelfstandige woningen voor in totaal twaalf personen. Volgens de plantoelichting voorziet het plan in een zorgeenheid groepswoning van in totaal vijftien bewoners en twee zorgeenheden onzelfstandig wonen voor in totaal tien bewoners. Het beoogde zorglandschap is daarmee, gelet op de toegestane woonvormen, daargelaten de in het ontwerpplan tevens opgenomen bijkomende bebouwing, grootschaliger dan het beleid Woonzorginitiatieven toestaat. Anders dan [appellant] betoogt leidt de omstandigheid dat hier sprake zou zijn van een zogenoemde maatschappelijke functie niet tot de conclusie dat het zorglandschap past binnen het beleid Woonzorginitiatieven.

Zoals de raad heeft aangegeven en valt te lezen in de passages over de functieaanduiding is dit alleen van belang voor de omschrijving van de aanduiding van zorgwoningen in het bestemmingsplan. Ook voor maatschappelijke functies geldt volgens het beleid de eis van kleinschaligheid."

Ten aanzien van windturbines kan de raad er bijvoorbeeld voor kiezen om beleidsmatig vast te leggen dat windturbines de openheid van het gebied niet mogen aantasten, niet ten koste mogen gaan van natuur, of dat windturbines alleen tot een bepaalde hoogte aanvaardbaar worden geacht. Zolang dergelijke beleidsmatige keuzes deugdelijk worden onderbouwd, kan ook op basis daarvan in beginsel worden geweigerd om een plan vast te stellen. Daarbij is van belang dat het betreffende beleid moet zijn vastgesteld vóórdat de raad een besluit neemt over een concreet plan. Hierna benoem ik een aantal voorbeelden uit de rechtspraak die een beeld geven van de afwegingsruimte die de raad toekomt bij het wel of niet vaststellen van bestemmingsplannen. Van belang is dat het standpunt van burgemeester en wethouders niet van doorslaggevende betekenis is. Waar het om gaat is of (en waarom) de raad vindt dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Ik wijs op de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 20227: "Dat, zoals [appellante] stelt, uit de brief van 25 september 2018 en het principebesluit van 12 februari 2019 van het college volgt dat het bouwplan naar de mening van het college wel voldoet aan de uitgangspunten voor lintbebouwing en passend wordt geacht binnen de ruimtelijke structuur maakt dit oordeel niet anders.

In het principebesluit is door het college gemotiveerd waarom het zich op het standpunt stelt dat het bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is de raad bij de uitoefening van zijn bevoegdheid omtrent de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan de inzichten van het college gebonden (zie de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:580). Het is 6 AbRS 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:109, r.o. 3.3. 7 AbRS 1 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1543.

2691111/3

Pagina

6/9 de raad, die uiteindelijk een oordeel geeft over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling waarin een bestemmingsplan voorziet. Dat dit standpunt niet overeenkomt met het standpunt van het college over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan, maakt niet dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening."

Ten aanzien van een voorwaardelijk geformuleerd advies van de GGD over het risico van zoönosen concludeert de Afdeling in de uitspraak van 8 juli 20208 dat de weigering om een bestemmingsplan vast te stellen daarop niet kan worden gebaseerd: "4.4. De Afdeling is van oordeel dat aan de vereiste zorgvuldigheid niet is voldaan, omdat de raad uit het GGD-advies uitsluitend de constatering over de mogelijke toekomstige risico's heeft overgenomen en alleen daarop zijn besluit heeft gebaseerd. Mogelijke toekomstige risico's doen zich volgens het GGD-advies alleen voor als in de toekomst nieuwe zoönosen of mutaties van bekende ziekteverwekkers zullen optreden. Voor de huidige situatie beoordeelt de GGD de voorgestelde wijziging met betrekking tot zoönose niet als onacceptabel, mits [appellant] geëigende maatregelen treft en ter zake de adviezen opvolgt. [appellant] heeft aangegeven daartoe voornemens te zijn. Verder is in het GGD-advies vermeld dat de GGD niet alle aspecten met betrekking tot zoönose heeft kunnen beoordelen, omdat niet alle benodigde stukken behorend bij de aanvraag bij de GGD bekend waren. De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad dit advies niet zonder meer aan het besluit ten grondslag had mogen leggen.

De raad had zich alvorens het besluit te nemen, ervan moeten vergewissen of de GGD over alle voor het advies benodigde informatie beschikte en [appellant] bij gebreke daarvan in de gelegenheid moeten stellen de benodigde informatie over te leggen. Uit het besluit blijkt verder niet hoe de raad gevolg heeft gegeven aan het (deel)advies van de GGD in het rapport van mei 2016, om de resultaten af te wachten van het onderzoek "Veehouderij en gezondheid omwonenden" van het RIVM, de Universiteit Utrecht (IRAS), Wageningen University & Research en het Nederlands instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL) en de bevindingen uit dat onderzoek mee te wegen. Dit onderzoek is in de zomer van 2016 uitgebracht. Niet gebleken is dat de raad de bevindingen uit dit onderzoek bij het besluit heeft betrokken. De raad is ook daaraan voorbijgegaan, daarbij de mogelijke toekomstige risico's vooropstellend. De raad heeft aldus zonder nadere motivering een definitief afwijzend besluit gebaseerd op het in meerdere opzichten voorwaardelijk geformuleerde advies van de GGD. Gelet op het voorgaande is het standpunt van de raad dat het bestemmingsplan niet kon worden vastgesteld omdat de risico's voor de volksgezondheid te groot zijn, niet van een deugdelijke motivering voorzien."

Een gesloten overeenkomst tussen het college en een ontwikkelaar waarbij de raad geen partij is, levert geen verplichting op om een bestemmingsplan vast te stellen. Dit is wel een omstandigheid die de raad bij het besluit moet betrekken. Dit volgt uit de uitspraak inzake Brouwerseiland van de Afdeling van 6 juli 20229: 8 AbRS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1591. 9 AbRS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1891.

2691111/3

Pagina

7/9

"6.4. De Afdeling stelt onder verwijzing naar haar uitspraak van 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1052, voorop dat een overeenkomst niet kan leiden tot een verplichting van de raad om aan gronden een bestemming te geven die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht of die in strijd is met het recht. De definitieve beslissing over de vaststelling van een plan kan, mede afhankelijk van alle in de loop van de procedure naar voren gekomen feiten en belangen, inclusief de mogelijke belangen van derden, namelijk anders uitvallen dan bij het sluiten van de overeenkomst is voorzien. Daarbij is in deze zaak bovendien van belang dat de exploitatieovereenkomst niet door of namens de raad is gesloten en ook geen verplichting inhoudt om het bestemmingsplan vast te stellen. Met name het door Brouwerseiland B.V. genoemde artikel 4.6 van de exploitatieovereenkomst bevat alleen de verbintenis om, voor zover dit in het vermogen van de gemeente ligt, medewerking te verlenen aan het starten van een planologische procedure op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening voor de ontwikkeling van het initiatief. Aan deze verplichting is voldaan. De door Brouwerseiland B. V. gestelde maximale inspanningsverplichting, of zelfs resultaatsverplichting, om het bestemmingsplan vast te stellen is niet in de exploitatieovereenkomst terug te vinden.

In de raadsvoorstellen van 3 oktober 2011, 27 februari 2014 en 13 oktober 2015, waar Brouwerseiland B.V. zonder verdere concretisering op wijst, staat ook geen toezegging of andersoortige uitlating van de raad dat het bestemmingsplan zou moeten worden vastgesteld, ook niet als deze raadsvoorstellen in samenhang met de exploitatieovereenkomst en het eerdere vaststellingsbesluit van 29 juni 2017 worden beschouwd. De omstandigheden dat aan de totstandkoming van het voorgelegde bestemmingsplan een lange periode van samenwerking tussen Brouwerseiland B.V. en het college vooraf is gegaan en dat Brouwerseiland B.V. veel kosten heeft gemaakt ten behoeve van de planvorming, leiden er ook niet toe dat de raad verplicht was om het bestemmingsplan vast te stellen. Het voorgaande leidt voor het beroep op het vertrouwensbeginsel tot de conclusie dat Brouwerseiland B. V. niet aannemelijk heeft gemaakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de raad het bestemmingsplan zou vaststellen. Om deze redenen bestaat ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met de andere door Brouwerseiland B. V. genoemde geschreven en ongeschreven rechtsregels of algemene rechtsbeginselen heeft gehandeld.

Daarbij betrekt de Afdeling dat Brouwerseiland B. V. haar betoog hierop ook verder niet heeft toegespitst. Dat tussen Brouwerseiland B.V. en de gemeente een overeenkomst is gesloten, is wel een omstandigheid die de raad in de besluitvorming over het al dan niet vaststellen van het plan moet betrekken. Dat heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling toereikend gedaan. In de motivering van het bestreden besluit staat welke betekenis de raad in zijn afweging aan de exploitatieovereenkomst en de belangen van Brouwerseiland B.V. bij de totstandkoming van het project heeft toegekend. Daarbij heeft de raad ook gemotiveerd dat er onder meer wettelijke belemmeringen zijn om het plan vast te stellen, zoals de hierna te bespreken weigeringsgrond dat op grond van de passende beoordeling niet de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden in de omgeving niet zal aantasten. Dat de raad rekening heeft gehouden met de belangen van Brouwerseiland B. V., volgt daarnaast uit de omstandigheid dat de raad op aandringen van Brouwerseiland B. V. vóór 7 november 2020 een besluit heeft genomen in een daarvoor gehouden extra raadsvergadering. Het betoog slaagt niet."

2691111/3

Pagina

8/9

4.

Conclusie

De raad moet zelfstandig een belangenafweging maken of een bepaalde ontwikkeling strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening (en onder de Omgevingswet: of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties). Voor die onderbouwing moeten ruimtelijk relevante argumenten (onder de Omgevingswet: argumenten met betrekking tot de fysieke leefomgeving) worden gebruikt. De motivering is doorslaggevend. Hoeveel ruimte de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan (of omgevingsplan) heeft, valt daarmee niet in zijn algemeenheid te zeggen. Dat hangt altijd af van de concrete omstandigheden van het geval. Waar het om gaat is dat deugdelijk wordt onderbouwd waarom (op basis van welke ruimtelijke motieven) de raad het plan wel of niet vaststelt. Als sprake is van wettelijke normen waar niet aan wordt voldaan, dan kan dat een reden zijn om te weigeren het plan vast te stellen. Als geen sprake is van een wettelijke norm, maar als gemotiveerd kan worden dat een ontwikkeling niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening (bijvoorbeeld vanwege de hoeveelheid slagschaduw) dan kan dat een reden zijn om te weigeren het plan vast te stellen. Daarnaast kan de raad op grond van vastgesteld beleid besluiten om te weigeren het plan vast te stellen.

Met vriendelijke groet, Hekkelman Advocaten N.V.

M. van Moorsel Advocaat

2691111/3

Pagina

9/9

Managementsamenvatting: De raad bepaalt zelf of een bestemmingsplan of wijziging van het omgevingsplan wordt vastgesteld. De raad zal daarvoor ruimtelijk relevante argumenten moeten gebruiken. In zijn algemeenheid valt niet te zeggen hoeveel ruimte de raad heeft. Dat hangt altijd af van de concrete omstandigheden van het geval. Waar het om gaat is dat de raad goed onderbouwt waarom (op basis van welke argumenten) het plan wel of niet wordt vastgesteld. Grofweg kunnen er drie soorten categorieën van argumenten worden onderscheiden: wettelijk vastgelegde normen, niet wettelijk vastgelegde normen en beleidsaspecten. Bij wettelijk vastgelegd normen kan de raad op basis van uitgevoerd onderzoek besluiten om het plan niet vast te stellen als wettelijke normen worden overschreden. Ook niet wettelijk vastgelegde normen kunnen (mits goed onderbouwd) worden gebruikt om te bepalen of er wel of geen medewerking wordt verleend aan een ontwikkeling. Daarnaast kan de raad ervoor kiezen om bepaalde in beleid vast te leggen. Die keuzes kunnen worden gebruikt als argument om wel of geen medewerking aan een ontwikkeling te verlenen.

2691111/3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13314297/1