04k Quickscan Wet Natuurbescherming
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING KEMPWEG 11 EN 15 TE METERIK
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Kempweg 11 en 15 te Meterik Opdrachtgever
Arvalis Venlo St. Jansweg 20D 5928 RC Venlo
Rapportnummer Versienummer
5090.004 D1
Status
Eindrapportage
Datum
23 februari 2022
Vestiging
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw E. Schreurs, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Mevrouw S. Westbroek, MSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING ............................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING...................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................. 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 2
3
ONDERZOEKSMETHODIEK .................................................................................................. 4
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ................................................... 5 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 8 5.5 5.6 5.8 5.9 6.2 6.3 6.4
7
Zorgplicht...................................................................................................................... 5 Soortenbescherming ..................................................................................................... 5 Gebiedenbescherming .................................................................................................. 6 Houtopstanden ............................................................................................................. 7
Amfibieën ................................................................................................................... 13 Vissen ........................................................................................................................ 14 Vlinders ...................................................................................................................... 14 Overige soorten .......................................................................................................... 15 Roofvogels en ransuil ................................................................................................. 16 Steenmarter ................................................................................................................ 16 Alpenwatersalamander ............................................................................................... 17
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ...................................................................... 18 7.1 7.2
Natura 2000 ................................................................................................................ 18 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................... 19
8
HOUTOPSTANDEN ............................................................................................................. 20
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES .................................................................................... 21
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 5090.004
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Arvalis Venlo opdracht gekregen voor het uitvoeren van een actualiserende quickscan Wet natuurbescherming aan de Kempweg 11 en 15 te Meterik. Met betrekking tot de onderzoekslocatie is eerder een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer 5090.003, d.d. 17 november 2017). Gezien de wettelijke geldigheidstermijn van deze quickscan verstreken is, geldt onderhavig document als actualisatie hiervan. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen uitbreiding van het agrarisch bouwblok en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000 gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
De eerdere quickscan Wet natuurbescherming (rapportnummer 5090.003, d.d. 17 november 2017) dient geactualiseerd te worden.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 1 van 22
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 29.685 m²) ligt aan de Kempweg 11 en 15, circa 1,4 kilometer ten noordwesten van de kern van Meterik. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 52 D (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 199.704, Y = 386.686.
Figuur 1. Topografische ligging (gele pijl) van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie ligt in het verlengde van het erf van de Kempweg 11 – 15. Het westelijk gelegen deel van de onderzoekslocatie is grotendeels verhard en in gebruik voor de opslag van landbouwmachines en materieel. Tussen dit verharde deel en het oostelijk gelegen deel dat in gebruik is als grasland ligt een onverhard zandpad. Aan de oostzijde van dit grasland (midden onderzoekslocatie) ligt over de gehele lengte van de onderzoekslocatie (van noord naar zuid) een drie meter hoge aarden wal bekleed met worteldoek. Aan de voet van deze aardenwal (oostzijde) ligt evenwijdig een drainagesloot welke volledig is dichtgegroeid met riet. Aangrenzend aan deze drainagesloot ligt het oostelijke deel van de onderzoekslocatie dat eveneens in gebruik is als grasland. In het noordoostelijke deel van de onderzoekslocatie is een hemelwaterbassin aanwezig waarachter de begrenzing van de onderzoekslocatie aanwezig is in de vorm van een elzenhaag. Achter deze elzenhaag ligt een schouwpad met watergang. Verder bestaat de directe omgeving alleen uit agrarische percelen en boerenerven. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek op 15 februari 2022. 2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens het bestaande agrarisch bouwblok uit te breiden, zowel uitbreiding van een agrarisch bouwkavel als een onbebouwde bouwkavel.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 2 van 22
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie (wit omkaderd) en directe omgeving.
Figuur 3. Impressie van braakliggend terrein in midden onderzoekslocatie.
Figuur 4. Houtopstand als begrenzing terrein.
Figuur 5. Takkenrillen op onderzoekslocatie.
Figuur 6. Poel aan noordwestzijde onderzoekslocatie.
Figuur 7. Watergang in midden onderzoekslocatie met rietbegroeiing op oever.
Figuur 8. Impressie bassin aan noordoostzijde onderzoekslocatie.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 3 van 22
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 15 februari 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Limburg. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 4 van 22
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 5 van 22
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 6 van 22
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) word de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 7 van 22
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het agrarische buitengebied kunnen dit nestlocaties zijn van huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw, boomvalk, bosuil, grote gele kwikstaart, havik, kerkuil, ransuil, roek, slechtvalk, steenuil, torenvalk, wespendief en zwarte wouw. Van deze soorten kunnen nestlocaties van huismus, huiszwaluw, boerenzwaluw en slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Betreffende soorten zijn afhankelijk van bebouwing als nestlocatie, welke niet aanwezig is op de onderzoekslocatie. Boomvalk, havik, ransuil, torenvalk, wespendief en zwarte wouw Aangezien geen bomen of anderszins geschikte nestmogelijkheden aanwezig zijn waar boomvalk, havik, ransuil, torenvalk, wespendief en zwarte wouw in tot broeden zouden kunnen komen, wordt de onderzoekslocatie zelf ongeschikt geacht als nestlocatie voor in de omgeving aanwezige roofvogels en uilen. Direct ten noorden van de onderzoekslocatie, in de solitaire boom, is echter wel een nest aangetroffen (figuur 9 en 10). Gezien de omvang van het nest en de locatie doet deze mogelijk dienst als nestlocatie voor zwarte kraai. Echter zijn een aantal roofvogels afhankelijk van dergelijke kraaiennesten als nestlocatie, aangezien zij zelf geen nest kunnen bouwen. Het betreft roofvogels als boomvalk, torenvalk en ransuil.
Op basis van de quickscan Wet natuurbescherming kan niet uitgesloten worden dat betreffend groot nest in gebruik is door een roofvogel of ransuil met jaarrond beschermde nestplaats. Aanbevolen wordt om werkzaamheden binnen 75 meter van betreffend nest uit te voeren buiten het broedseizoen van boomvalk, torenvalk en ransuil. Als alternatief kan een roofvogelonderzoek uitgevoerd worden (hoofdstuk 6).
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 8 van 22
Figuur 9. Groot nest ten noorden van onderzoekslocatie.
Figuur 10. Locatie groot nest ten opzichte van onderzoekslocatie (zie legenda).
Vanwege het open karakter van de onderzoekslocatie is deze geschikt als foerageergebied voor in de omgeving verblijvende roofvogels. In de directe omgeving is echter meer geschikt foerageergebied aanwezig in de vorm van bosschages en boerenerven. Daarnaast hebben roofvogels over het algemeen een groot jachtterrein, waardoor de voorgenomen plannen niet zullen zorgen voor een wezenlijke afname in essentieel foerageergebied. Verstoring of vernietiging van essentieel foerageergebied zal bij de voorgenomen plannen niet aan de orde zijn. Bosuil De bosuil komt tot broeden in natuurlijke boomholten, door de mens geplaatste nestkasten en ruimtes in gebouwen. Op de onderzoekslocatie ontbreekt het daarmee aan geschikte nestmogelijkheden voor
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 9 van 22
bosuil. De onderzoekslocatie is daarnaast slechts marginaal geschikt als foerageergebied voor bosuil. In de omgeving is geschikter foerageergebied voorhanden, in de vorm van bosschages. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van bosuil kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Kerkuil en steenuil Verder zijn er volgens verspreidingsgegevens van de NDFF in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van de steenuil en kerkuil. Binnen de grenzen van de onderzoekslocatie zijn vanwege het ontbreken van natuurlijke holten in bomen, gebouwen en door de mens geplaatste nestkasten geen nestmogelijkheden voorhanden voor kerkuil dan wel steenuil. Wel is volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF een verblijfplaats van de steenuil vastgesteld, een halve kilometer ten oosten van de onderzoekslocatie. Echter, gezien de geschiktheid van de directe omgeving van deze nestlocatie als foerageergebied in de vorm van weilanden en akkerlanden, is uit te sluiten dat de steenuil intensief gebruikmaakt van de onderzoekslocatie als foerageergebied. De kerkuil heeft een relatief groot jachtterrein, waardoor tevens geen wezenlijke afname in essentieel foerageergebied optreedt bij de voorgenomen plannen. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van steenuil en kerkuil kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
Roek Roeken zijn koloniebroeders welke hun nesten in de toppen van hoge bomen maken, bijvoorbeeld langs kanalen, treinsporen of snelwegen. Binnen de invloedssfeer van de voorgenomen werkzaamheden zijn geen potentiële roekennesten aangetroffen. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van roek kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van (snel)stromende beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. De drainagesloot op de onderzoekslocatie wordt vanwege de stilstaande aard, het mogelijk droogvallende karakter en de afwezigheid van geschikte broedlocaties in de vorm van boomwortels, of ruimtes tussen stenen/in muren, niet geschikt geacht voor grote gele kwikstaart. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van grote gele kwikstaart kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. 5.1.2
Categorie 4 soorten (Limburg)
In Limburg wordt onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten, de zogenaamde categorie 1 t/m 3 soorten, en categorie 4 soorten. Categorie 4 soorten zijn soorten die flexibel genoeg geacht worden om elders een nieuw nest te bouwen, echter zijn deze dusdanig kwetsbaar dat het functioneel leefgebied niet in het geding mag komen. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF waarnemingen bekend van de volgende categorie 4 soorten: buizerd, sperwer, blauwe reiger, grauwe klauwier, grutto, kramsvogel, ooievaar, ringmus, spotvogel, wulp, zomertortel en zwarte specht. Nestlocaties en foerageergebied van blauwe reiger, grauwe klauwier, kramsvogel en zwarte specht kunnen op voorhand uitgesloten worden, vanwege het agrarische karakter van de onderzoekslocatie. Op de onderzoekslocatie is mogelijkerwijs wel geschikte foerageer- dan wel broedgelegenheid voorhanden voor buizerd, sperwer, zomertortel, ooievaar, ringmus, grutto, spotvogel en wulp. Voor deze soorten blijft echter voldoende alternatief functioneel leefgebied in de directe omgeving voorhanden. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van categorie 4 soorten kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 10 van 22
5.1.3
Overige broedvogels
Vanwege het open karakter van de onderzoekslocatie, het beheer als grasland en ligging in een landbouwgebied is de onderzoekslocatie geschikt als broedbiotoop voor grondbroeders zoals fazant, kievit en scholekster. Daarnaast biedt de elzenhaag aan de noordzijde van de onderzoekslocatie geschikt broedbiotoop voor soorten zoals houtduif, heggenmus en merel. De rietvegetatie in de drainagesloot is mogelijk geschikt broedbiotoop voor wilde eend en grauwe gans. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen (zie hoofdstuk 6). 5.2
Vleermuizen
Volgens de verspreidingsatlas uit de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis, watervleermuis, meervleermuis en rosse vleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd en er zijn geen bomen aanwezig, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren.
Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt vergelijkbaar foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig, in de vorm van watergangen, akkers en bosschages. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Doordat dergelijke lijnvormige elementen ontbreken op de onderzoekslocatie, worden er geen potentiële vliegroutes verstoord, vooropgesteld dat de elzenhaag in de omgeving die als potentiële vliegroute kan fungeren, zijn donkere karakter blijft behouden bij de uitbreiding van het agrarische bouwblok.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 11 van 22
5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. 5.3.1
Streng beschermde soorten
Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar de volgende niet vrijgestelde soorten waargenomen: bever, das, eekhoorn en steenmarter. Bever De bever komt voor in het overgangsgebied tussen land en water zoals moerassen, beken, rivieren en meren. De soort heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. De aanwezigheid van bossen op de oevers is een vereiste. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor bever voorhanden vanwege het ontbreken van bomen nabij de waterlichamen. Steenmarter De steenmarter heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt met name voor in de nabijheid van dorpen en boerderijen, en heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en bosjes. Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, aangezien de steenmarter daar zijn voedsel zoekt. De onderzoekslocatie wordt vanwege de aanwezigheid van de elzenhagen, drainagesloten en takkenrillen geschikt geacht als habitat voor de steenmarter (figuur 4, 7, 11 en 12).
Geadviseerd wordt om werkzaamheden aan betreffende elementen uit te voeren in de vrijstellingsperiode die voor steenmarter geldt in Limburg (hoofdstuk 6).
Figuur 11. Takkenrillen geschikt als schuilplaats.
Figuur 12. Elzenhaag op en nabij onderzoekslocatie.
Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt geen geschikt habitat voor de eekhoorn. Door het ontbreken van hoge bomen welke mogelijkerwijs als vaste rust- of verblijfplaats voor de eekhoorn kunnen dienen kan de aanwezigheid van een vaste rust- of verblijfplaats van de eekhoorn redelijkerwijs worden uitgesloten.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 12 van 22
Das De das komt volgens de verspreidingsgegevens voor in de omgeving. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van reliëf en/of schuilmogelijkheden ongeschikt als vaste rust- en verblijfplaats door dassen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving eveneens geen loop- of eetsporen, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van de onderzoekslocatie door de das. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is voldoende alternatief foerageerhabitat aanwezig. Overige streng beschermde soorten Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en rosse woelmuis. Dergelijke soorten kunnen tijdens de werkzaamheden mogelijk verstoord worden. Ook bestaat de kans dat vaste- rust en verblijfplaatsen van desbetreffende soorten verloren gaan (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen
Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF zijn in de afgelopen 10 jaar geen waarnemingen gedaan van beschermde reptielen. Wel is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de levendbarende hagedis voorkomt. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren, waaronder het aanwezige microklimaat. De levendbarende hagedis heeft heide en hoogveen als voorkeurshabitat. Daarnaast komt de soort voor in open bossen en ruige graslanden, in bermen van (spoor)wegen en in een beperkt deel van de duinen. Het is een vochtminnende soort welke in genoemde landschapstypen vaak wordt aangetroffen op oevers en vochtige terreindelen. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig als bos, bosranden, weg- en spoorbermen. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde reptielen kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. 5.5
Amfibieën
Volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie de afgelopen 10 jaar de volgende soorten waargenomen: boomkikker. Verder is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker voorkomen. De boomkikker komt voor nabij visvrije, zonnig gelegen en matig voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie. De poelkikker is een zon- en warmteminnende soort met een voorkeur voor onbeschaduwde wateren en een begroeide oeverzone. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. De wateren op de onderzoekslocatie hebben kale en/of gemaaide oevers en worden daarmee niet geschikt geacht voor boomkikker en poelkikker. De kamsalamander heeft als voortplantingsbiotoop matig voedselrijke tot voedselrijke, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde watervegetatie. Dergelijke wateren met onderwatervegetatie zijn niet aanwezig op de onderzoekslocatie.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 13 van 22
Alpenwatersalamander De Alpenwatersalamander is een weinig kritische soort welke voorkomt op zand-, leem- en lössbodems. De soort komt voor in heidegebieden, agrarisch gebied, op ruderale terreinen en dringt ook door tot in steden en dorpen. Onderwatervegetatie is niet zelden volledig afwezig en voortplanting komt zowel in beschaduwde als onbeschaduwde wateren voor. De drainagesloot en de poel aan de noordwestzijde van het perceel worden geschikt geacht als habitat voor Alpenwatersalamander (figuur 6 en 7). De drainagesloot staat daarbij in verbinding met overige sloten. Als landhabitat zijn ook extensief gebruikte graslanden en kleine landschapselementen van belang, waarbij heggen en houtwallen als geleidend element dienst doen. Als schuilplaats worden holten, houtwallen, overhoekjes, houtstapels, stenen, afvalhopen en kelders gebruikt. De op de onderzoekslocatie gesitueerde takkenrillen kunnen mogelijk dienst doen als landhabitat (schuilmogelijkheid) voor de soort (figuur 11). Indien werkzaamheden zullen plaatsvinden aan de (oevers van de) wateren en/of de takkenrillen, dient voorafgaand een aanvullend onderzoek naar Alpenwatersalamander plaats te vinden (hoofdstuk 6). Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie biedt daarnaast geschikt landhabitat aan algemene soorten als kleine watersalamander, bruine kikker en gewone pad.
Bij de voorgenomen werkzaamheden vindt mogelijk verstoring van licht beschermde amfibieën plaats (hoofdstuk 6). 5.6
Vissen
De drainagesloot op de onderzoekslocatie is niet permanent waterhoudend en hierdoor ongeschikt als leefgebied voor vissen. De soortgroep vissen kan hierdoor buiten beschouwing worden gelaten. 5.7
Libellen
Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. In de omgeving van de onderzoekslocatie zijn volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF in de afgelopen 10 jaar geen beschermde soorten aangetroffen. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van libellen kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. 5.8
Vlinders
Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. In de afgelopen 10 jaar zijn in de omgeving van de onderzoekslocatie volgens verspreidingsgegevens uit de NDFF waarnemingen bekend van kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart Geschikte waardplanten voor kleine ijsvogelvlinder (kamperfoelie) en teunisbloempijlstaart (basterdwederik, teunisbloem, wilgenroosje en kattenstaart) zijn niet aangetroffen. Tevens zijn geen geschikte groeiomstandigheden voor deze soorten aanwezig, aangezien de onderzoekslocatie met name bestaat uit grasland, erf en verharding. Daarnaast is ook gelet op de aanwezigheid dan wel geschikte groeiomstandigheden voor waardplanten van andere beschermde vlindersoorten, welke ook niet zijn aangetroffen. Het is hiermee uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde vlinders kan op basis van de quickscan worden uitgesloten.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 14 van 22
5.9
Overige soorten
Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.10 Vaatplanten De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Op de onderzoekslocatie bestaat de aanwezige vegetatie uit eenzijdig grasland waarin soorten als raaigras, witte klaver en paardenbloem domineren. Hierdoor is aanwezigheid van beschermde of zeldzame plantensoorten op de onderzoekslocatie uitgesloten.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 15 van 22
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming optreden of kan er sprake zijn van negatieve gevolgen voor door de wetgever vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en overige natuurwetgeving en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen en ontheffingen. 6.1
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Mocht er toch binnen het broedseizoen gewerkt worden dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden. 6.2
Roofvogels en ransuil
Roofvogels en uilen zijn over het algemeen gevoelig voor verstoring rondom het nest. Net ten noorden van de onderzoekslocatie is een nest aangetroffen dat potentieel toebehoort aan boomvalk, torenvalk of ransuil. Het betreffen jaarrond beschermde nesten van soorten welke in Limburg onder categorie 3 van vogelnesten vallen. Dit betreffen nesten van zeer plaatstrouwe broedvogels die ieder jaar terugkeren naar een specifiek nest, en zelf weinig tot niet in staat zijn om een nieuw nest te bouwen. Aanbevolen wordt om de werkzaamheden binnen 75 meter van het nest uit te voeren buiten het broedseizoen van boomvalk, torenvalk en ransuil. Dit houdt in dat de werkzaamheden in de directe omgeving van het nest uitgevoerd dienen te worden buiten de periode half februari t/m begin september. Indien het niet wenselijk of mogelijk is om de werkzaamheden buiten deze periode uit te voeren, dient een aanvullend onderzoek naar roofvogels plaats te vinden in het broedseizoen van boomvalk, torenvalk en ransuil. Afhankelijk van het aangetroffene tijdens het aanvullend onderzoek dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij de provincie Limburg en dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden. 6.3
Steenmarter
De steenmarter is een nationaal beschermde soort conform artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het is mogelijk dat zich op de onderzoekslocatie in de takkenrillen een vaste rust- dan wel voortplantingsplaats van steenmarter bevindt. Verder kan de gehele onderzoekslocatie deel uitmaken van het leefgebied van steenmarter, vanwege de aanwezigheid van elzenhagen, sloten en grasland. Aanbevolen wordt om eventueel verstorende werkzaamheden als het verwijderen van de takkenrillen
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 16 van 22
en eventueel het dempen van de sloten uit te voeren in de vrijstellingsperiode voor steenmarter in Limburg. De vrijstellingsperiode voor steenmarter loopt van half augustus tot en met februari. 6.4
Alpenwatersalamander
De Alpenwatersalamander is een nationaal beschermde soort conform artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Op de onderzoekslocatie is geschikt voortplantings- en landhabitat voor de soort voorhanden in de vorm van een drainagesloot en een poel. Middels een aanvullend ecologisch onderzoek dient, voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden, bepaald te worden of op de onderzoekslocatie sprake is van voortplantings- en landhabitat van Alpenwatersalamander. Het aanvullend ecologisch onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de ‘Soortinventarisatieprotocollen Netwerk Groene Bureaus’ (versie juli 2017). Dat houdt in dat in de periode maart – augustus tweemaal een scheponderzoek dient plaats te vinden om de aan- of afwezigheid van Alpenwatersalamander te kunnen vaststellen. Afhankelijk van het aangetroffene tijdens het aanvullend onderzoek dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij de provincie Limburg en dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden. 6.5
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
De werkzaamheden kunnen verstorend werken voor algemene zoogdieren en amfibieën die zich op de onderzoekslocatie bevinden. Door de werkzaamheden kunnen dieren gewond raken of worden gedood. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de Wet natuurbescherming, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.6
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 17 van 22
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Deurnsche Peel & Mariapeel, bevindt zich op circa 7,3 kilometer afstand ten zuidwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 13).
Figuur 13. Ligging onderzoekslocatie (gele pijl) ten opzichte van Natura 2000 (groene en gele vlakken).
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 7,3 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de kleinschalige aard van de plannen niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 18 van 22
7.2
Natuurnetwerk Nederland
In Limburg worden de goud- en zilvergroene natuurzone en de bronsgroene landschapszone gehanteerd. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk en hierbinnen streeft de provincie naar behoud en beheer van de reeds aanwezige natuur en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Binnen de zilvergroene natuurzone staat het benutten van kansen voor natuur en landschap centraal, maar deze zone maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De functionaliteit en effectiviteit van de goudgroene natuurzone worden wel ondersteund. De bronsgroene natuurzone omvat de landschappelijk waardevolle elementen rondom bestaande natuurgebieden. Echter, de zilvergroene natuurzones en bronsgroene landschapszones maken wel onderdeel uit van het Provinciaal Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt op circa 1,0 kilometer van de goudgroene natuurzone. De goudgroene natuurzone vormt het Limburgse deel van het Nationale Natuurnetwerk. Het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk betreft N16.03, Droog bos met productie. In figuur 14 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 13. Ligging onderzoekslocatie (gele pijl) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (bruine, blauwe, groene en roze vlakken).
De onderzoekslocatie is op 1,0 km afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 19 van 22
8
HOUTOPSTANDEN
In algemene zin is het mogelijk dat bij een voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verloren gaan van houtopstanden die beschermd zijn conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. In een dergelijk geval kan er sprake zijn van een meldingsplicht en herplantplicht. In dit hoofdstuk wordt beschreven of bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijk sprake is van een meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wnb. Verder wordt beschreven of vervolgstappen nodig zijn in kader van beschermde houtopstanden en of een ontheffingsaanvraag in het kader van de herplantplicht noodzakelijk is. De houtopstand binnen de onderzoekslocatie is gelegen aan een erf, waardoor deze niet onder de Wet natuurbescherming houtopstanden valt (artikel 4.1, lid b).
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 20 van 22
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Arvalis Venlo een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de Kempweg 11 en 15 te Meterik. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen uitbreiding van het agrarisch bouwblok, en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens het bestaande agrarisch bouwblok uit te breiden, zowel uitbreiding van een agrarisch bouwkavel als een onbebouwde bouwkavel. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen
algemeen
ja
nee
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren. Mocht er in het broedseizoen gewerkt worden dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
*nee
*nee
*mits de werkzaamheden uitgevoerd worden buiten de periode half februari – augustus, anders aanvullend onderzoek naar boomvalk, torenvalk en ransuil
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
-
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
voldoende alternatieven in omgeving
vliegroutes
nee
mogelijk
nee
nee
behoud donkere karakter elzenhaag aan noordzijde onderzoekslocatie
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
*nee
*nee
*verstorende werkzaamheden ten aanzien van steenmarter uitvoeren in vrijstellingsperiode (half augustus – februari), verder rekening houden met algemene zorgplicht
Amfibieën
ja
mogelijk
ja
afhankelijk van nader onderzoek
aanvullend onderzoek naar Alpenwatersalamander wordt noodzakelijk geacht conform soortinventarisatieprotocollen NGB (2017)
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en dagvlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
7,3 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
1,0 km
nee
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
Gebiedsbescherming
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 21 van 22
Conclusie Op basis van onderhavige quickscan wordt voor uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden een aanvullend onderzoek naar Alpenwatersalamander noodzakelijk geacht. Betreffend onderzoek dient plaats te vinden indien werkzaamheden aan de waterlichamen en/of de oevers zullen plaatsvinden. Het onderzoek dient uitgevoerd te worden conform de ‘Soortinventarisatieprotocollen Netwerk Groene Bureaus’ (versie juli 2017). Daarnaast dient rekening gehouden te worden met steenmarter door verstorende werkzaamheden als het verwijderen van de takkenrillen uit te voeren in de vrijstellingsperiode die in Limburg geldt voor de soort (half augustus – februari). Om overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen ten aanzien van roofvogels en ransuil wordt aanbevolen om werkzaamheden binnen 75 meter van het aangetroffen grote nest uit te voeren buiten het gecombineerde broedseizoen van boomvalk, torenvalk en ransuil. Het gecombineerde broedseizoen van deze soorten loopt van half februari – augustus. Indien het niet mogelijk of wenselijk is om buiten deze periode te werken, dient een aanvullend onderzoek in het broedseizoen van deze roofvogels en uilensoort uitgevoerd te worden. Voor algemene broedvogels kunnen overtredingen voorkomen worden door rekening te houden met het broedseizoen. Het broedseizoen loopt globaal van maart – half augustus.
Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval. Indien toch werkzaamheden binnen het broedseizoen zullen plaatsvinden, dient voorafgaand een broedvogelcheck plaats te vinden door een ecologisch deskundige. Daarnaast dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van algemene zoogdieren en amfibieën. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen voor deze soorten ten aanzien van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Dit wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling van desbetreffende overige soorten. Met betrekking tot beschermde gebieden en houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoeklocatie.
Econsultancy Swalmen, 23 februari 2022
Rapport 5090.004 versie D1
Pagina 22 van 22
GERAADPLEEGDE BRONNEN Limpens H., Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Meterik e.o., periode 2012 – 2022. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017). Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivapara. Versie 1.0, juli 2017. Netwerk Groene Bureaus (2017). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. Versie juli 2017. Van Delft, J. (2009). Alpenwatersalamander Mesotriton alpestris. In: Nederlandse fauna 9: 96 – 104. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021). Vleermuisprotocol 2021, januari.
Geraadpleegde websites www.limburg.nl (NNN en beschermde gebieden in Limburg) www.natuurgegevensprovincielimburg.nl (natuurgegevens provincie Limburg) www.ravon.nl (soortgegevens reptielen, amfibieën en vissen) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens libellen en vlinders) www.vogelbescherming.nl (soortgegevens vogels) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Rapport 5090.004 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 5090.004 versie D1
Tabel III.
Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming
Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV.
Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten