04j Beantw.raadsvragen VVD en D66GrL RES NML 1.0
Tekst van het document
Beantwoording raadsvragen RES NML 1.0
1. Bij hoofdstuk 3.3.3 Energieverbruik industrie/ bedrijfsleven Mag ik hierbij opmaken dat dit ook glastuinbouw betreft? Nee, enkel de bedrijven die onder de energiebesparings- en informatieplicht vallen zijn meegenomen. De glastuinbouwsector valt niet onder energiebesparings- en informatieplicht, omdat zij deelnemen aan de CO2-emissieregeling. 2. Hoofstuk 3 De energiebesparing van de Trias Energetica verminderen, vergroenen en verschonen. Energie besparing is een belangrijke pijler van dit systeem. Hoe wilt men daar een gekwantificeerde besparing realiseren? En hoe is de relatie met CO2 uitstoot van 1550 Kton? (Bij hoofdstuk 3.3.3 Energieverbruik industrie/ bedrijfsleven) In paragraaf 3.3.2 is het energiegebruik en de CO2-emissie van de diverse (sub)doelgroepen weergeven, op basis van de RWS Klimaatmonitor. In paragraaf 3.3.3 is de potentie voor de reductie van CO2-emissie gegeven. Deze potentie is te realisaren door middel van energiebesparing, het overschakelen naar CO2-loze of CO2-arme energiebronnen en/of door het opwekken van duurzame energie (met name door middel van zon-op-dak). Op basis van de gegevens van de RUD is de huidige CO2-uitstoot van categorie A en B bedrijven in Noord- en Midden-Limburg 1150 Kton. Op basis van de gegevens bij de RUD, ervaringscijfers en inzichten van experts is een potentiële CO2-emissie besparing van 15% berekend voor het bedrijfsleven.
De doelgroep bedrijfsleden bestaat uit bedrijven die onder bevoegd gezag van de gemeenten vallen – vooral categorie A en B bedrijven uit het activiteitenbesluit Wet milieubeheer, maar ook C-bedrijven (vergunning plichtig). Met name voor categorie B bedrijven geldt de besparingsplicht en zullen erkende maatregelen uitgevoerd moeten worden. De besparingsplicht zal in 2023 worden uitgebreid naar veel vergunning plichtige bedrijven. Het is van belang dat de RUDs voldoende toezicht op de meldingsplicht en het uitvoeren van de maatregelen houden. In de RES NML 1.0 wordt opgeroepen tot voldoende toezicht. Behalve het wettelijke spoor wordt ook ingezet op het stimuleringsspoor via financiële ondersteuning van projecten, zoals Verduurzaming bedrijventerreinen, Ondernemend Venlo en Charter verduurzaming MKB. 3. Netimpact. Als de knelpunten goed aangepakt kunnen worden dan is er voldoende ruimte voor zonnepanelen. Wat is de oplosstrategie? (Knelpunten pagina 19) Het merendeel van de knelpunten kan worden aangepakt door (geplande) uitbreiding van de capaciteit door Enexis en/of TenneT. Uit de netimpactanalyse blijkt dat de knelpunten bij stations Horst en Venray niet worden opgelost met de (geplande) uitbreiding, omdat in Horst aan de Maas en Venray gezocht wordt naar mogelijkheden voor grootschalige opwek. Daarom wordt er gesproken over een nieuw HS/MS station.
De exacte benodigde oplossingsstrategie is afhankelijk van de locatie waar grootschalige opwek van energie gaat plaatsvinden. Om die reden is het van belang dat Enexis en TenneT betrokken worden bij de gebiedsverkenning en vindt er overleg plaats met de Gemeente Venray over de verkenning naar mogelijkheden voor grootschalige opwek van elektriciteit in beide gemeenten. 4. Aanbevelingen voor meer systeem efficiëntie (pagina 24): • Wat wordt in het algemeen met de aanbevelingen gedaan? De aanbevelingen worden zowel lokaal als regionaal meegenomen. Voor de RES NML 1.0 wordt een afwegingskader voor grootschalige opwek opgesteld, waarbij systeemefficiëntie (waarbij gekeken wordt naar afstand tot een station en de combinatie van zon- en windenergie) een onderdeel van is.
Daarnaast wordt zowel lokaal als regionaal de voorkeur gegeven aan de clustering van projecten, ten opzichte van vele kleine projecten. Ook op lokaal niveau worden de aanbevelingen meegenomen door criteria als afstand tot het energienetwerk, combinatie van elektriciteitsopwekking en -vraag en de combinatie van zon- en windenergie mee te nemen in het beoordelen van mogelijke projecten. •
Het aftoppen van productie levert veel efficiëntie op. Hoe gaat men daar mee aan de slag?
Op 19 november 2020 hebben netbeheerders en de zonenergiesector het convenant Stroom Betaalbaar op het Net ondertekend, waarin wordt afgesproken dat zoninstallaties voortaan op 70% van het paneelvermogen worden aangesloten. Hierdoor wordt tegenwoordig vaak al standaard 30% van de productie afgetopt (curtailment). Daarnaast verkent Enexis strategieën om initiatiefnemers verder te stimuleren om productie af te toppen, daarbij kan gedacht worden aan een vergoeding aan initiatiefnemers die de pieken van productie aftoppen. 5. Aangeleverde gegevens energie aanbod en energievraag (pagina 27): • Aanbodzijde: kan ik hieruit opmaken dat de verdeling wind en zonnevelden al geregeld is? Nee, het gaat in dit overzicht om de informatie over verschillende vormen van elektriciteitsopwekking die zijn aangeleverd middels de RES NML 1.0. Enexis heeft inzicht in waar, zover op dit moment bekend, windturbines en grootschalige zonneweides gerealiseerd (zouden kunnen) gaan worden. Het gaat hierbij niet om een verdeling van de verschillende vormen van elektriciteitsopwekking. •
Vraagzijde: Aan de vraagzijde is niets donkergroen ingevuld. Wilt u dat toelichten?
Wat niet donkergroen is ingevuld, is niet apart door de regio aangeleverd. Voor deze gegevens is een doorrekening gemaakt van de NP RES Backup gegevens. De gegevens zijn bij de meeste RES regio’s op een vergelijkbare manier verzameld. 6. Wat is de status van de bufferafstanden tussen windturbines en woonfuncties, zoals opgenomen in bijlage 11? De opgenomen afstanden in bijlage 11 van de RES NML 1.0 zij gebruikt om tot zoekgebieden voor wind in de RES NML 1.0 te komen. De gehanteerde afstanden in deze tabel komen uit het handboek risicozonering van Rijkswaterstaat. Deze afstanden hebben een relatie met het vermijden van risico’s op ongevallen door afvallende onderdelen (van de windturbine). Deze afstanden zijn enkel gebruikt om de potentie van zoekgebieden voor wind te bepalen. De daadwerkelijke afstanden voor wind tot de gebouwde omgeving zijn maatwerk en bovendien geen exacte wetenschap. Voor woningen geldt dat niet alleen risico (externe veiligheid) van belang is, maar ook geluid. Voor afstanden van windturbines tot woningen zijn geen vaste afstanden te geven, want we werken in Nederland met een geluidnorm van 47 Lden. De afstand tot geluidgevoelige objecten is dan afhankelijk van het bronvermogen van de windturbine en het aantal turbines in combinatie met de opstellingsvorm en hoogte.
De RES bepleit dan ook zeer, om ten opzichte van woonkernen een aanzienlijk grotere afstand te kiezen om daarmee een hoger beschermingsniveau te krijgen voor gebieden waar veel mensen wonen.
De tabel op pagina 11 had voorzien moeten zijn van een onderschrift waarin we als RES NML aangeven dat dit gaat om afstanden voor zoekgebieden en dat de afstanden in praktijk maatwerk zijn en geen exacte wetenschappen. De afstanden zoals opgenomen in bijlage 11 zijn een verplichting vanuit externe veiligheid, maar de afstandsnormen die in de praktijk gehanteerd worden zullen aanzienlijk groter zijn en gebaseerd op externe veiligheid én geluidsoverlast bij woningen (gebaseerd op de geluidsnorm van 47 Lden). Ter volledigheid ook brief over bijlage 11 meegestuurd (pagina 7) 7. Wat is de status van de bufferafstanden tussen zonneweides en natuurgebieden? In de RES is het uitgangspunt van een bufferzone tussen zonneweides en natuurgebieden opgenomen, omdat het foerageergebied van (doel)soorten niet stopt bij de grens van het natuurgebied. Om het leef- en foerageergebied van soorten niet of zo min mogelijk aan te tasten is het onwenselijk om een zonneweide direct aan een natuurgebied te plaatsen. De bufferzones zijn in principe als uitsluitingsgebieden in de RES Noord en Midden-Limburg 1.0 opgenomen. 8. Energie besparen en kleinschalige opwek Ontzorgen doormiddel van een loket en energieadviseurs is 1 maar hoe wil men vanuit de RES het interessant maken om de massa in beweging te krijgen zodat mensen het ook gaan merken in de portemonnee.
Dat blijkt nog altijd de beste stimulans te zijn om op basis van vrijwilligheid mensen in beweging te krijgen. Welke maatregelen zijn hiervoor opgenomen en/of worden ontwikkeld? In het uitvoeringsprogramma voor de RES NML 1.0 worden manieren om particulieren te bereiken en te stimuleren om te verduurzamen uitgewerkt. Zo zijn er leningen voor maatregelen die zich binnen enkele jaren terugverdienen beschikbaar bij gemeenten, de Provincie Limburg (Duurzaam Thuis) en Rijksoverheid (ISDE en Warmtefonds) voor besparingsmaatregelen en zonnepanelen. Ook wordt in het uitvoeringsprogramma uitgewerkt hoe verdere financiële leningen, online informatievoorziening, vouchers en subsidies kunnen worden ingezet om burgers actief te ontzorgen. Het is financieel onhoudbaar om alles te subsidiëren met gemeentelijke overheidsgelden. De belangrijkste financiële stuurinstrumenten zitten echter bij de rijksoverheid; via subsidie van energiebesparingsmaatregelen en belasting op energie. Zo is de verwachting dat de belasting op gas de komende jaren zal worden verhoogd en ook het systeem dat de energiebelasting voor grootverbruikers lager is dan voor particulieren zal worden aangepast. •
Om daken van bedrijven optimaal benutten en energie te besparen vraagt ook om ontzorging. Met name het realiseren van voldoende netwerkcapaciteit. De kosten voor verzwaring alleen bij het ene bedrijf neer te leggen kan niet uit. Gaat de RES ook hiermee met Enexis aan de slag en niet alleen voor de grootschalige energieproductie?
Enexis zoekt naar oplossingen om de netwerkcapaciteit weer te kunnen uitbreiden. Hierbij wordt gekeken naar mogelijkheden om de ‘reservestrook’ in het hoogspanningsnet in te zetten waardoor de netcapaciteit vergroot wordt. Ook wordt naar de mogelijkheden met betrekking tot ‘peakshaving’ gekeken, waarbij de toppen van de elektriciteitsproductie (op jaarbasis) niet worden afgeleverd aan het net. Grootschalige duurzame energie opwekken • Wordt naast het versnellingsteam op voor de stimulering van grootschalige zon-op dak projecten in de regio ook met Enexis gekeken hoe het netwerkcapaciteit hiervoor geschikt kan worden gemaakt? Verschillende dakeigenaren lopen tegen het probleem aan dat ze
zonnepanelen willen leggen maar dit niet mogelijk is omdat er onvoldoende netwerkcapaciteit is om te kunnen leveren. Zo niet, waarom wordt hier geen prioriteit aangegeven. Enexis zoekt naar oplossingen om op korte termijn de netwerkcapaciteit te verbreden met behulp van de ‘reservestrook’ en ‘peakshaving’. Verder werkt Enexis in haar investeringsplannen uit waar netwerkstations worden uitgebreid en het netwerk (als eerste) verzwaard moeten worden. Dit is afhankelijk van waar de grootste vraag verwacht wordt, om op de juiste plekken te kunnen investeren werkt Enexis samen met de RES en gemeenten om zicht te houden op waar (grote) projecten gaan landen. Enexis kan geen onderscheid maken tussen zonnepanelen op daken en zonneweides op land, daarvoor ontbreekt (op dit moment) de wettelijke basis. Enexis dient projecten aan te sluiten op basis van de volgorde waarop aanvragen zijn ingediend. Wanneer de RES NML er voor zou kiezen om hier wel onderscheid in prioriteit in aan te brengen, kan dit een averechts effect opleveren omdat de grotere stations in de regio Noord- en Midden-Limburg (onder andere Keizersveld) en achterliggende hoogspanningsstructuur van TenneT ook ingezet worden voor initiatieven in Brabant.
Als de RES regio in Brabant dit prioritering principe niet onderschrijft, kunnen zon-op-land projecten in Brabant nog steeds voorrang krijgen op zon-op-dak projecten in RES NML. Op landelijk niveau wordt echter gesproken over een mogelijke aanpassing van de spelregels op basis waarvan Enexis, in samenspraak met de RES-regio kan prioriteren (capaciteit reserveren, feitelijk aansluiten), binnen de knellende kaders van Europese mededingingswetgeving. In principe kunnen alle projecten die momenteel op de aanvraag lijst bij Enexis (de DOL-lijst) doorgang vinden zodra Enexis de capaciteitsuitbreiding heeft gerealiseerd. Bij het afkondigen van transport schaarste fase 2 worden er ook geen nieuwe initiatieven meer in behandeling genomen. Daarnaast voert Enexis periodiek overleg met gemeenten over welke projecten gemeentelijke goedkeuring hebben. •
Verder geven eigenaren van grote daken aan dat de huidige regelingen het alleen mogelijk maakt om het deel van het dak vol te leggen voor eigen gebruik. Het overige deel van het dak vol leggen is niet rendabel. Welke acties worden vanuit de RES hier op gezet? Bijvoorbeeld overige dak vol laten leggen door een energie coöperatie. Hoe meer daken vol hoe minder zon op land en windmolens nodig zijn. Er bestaat een subsidietarief voor eigen gebruik en voor terug levering van elektriciteit aan het net, de hoogte hiervan wordt door het RVO bepaald. In principe verdient de investering in de zonnepanelen zich altijd terug, hoewel het verschilt per project wanneer de investering is terugverdiend en of dit als acceptabel wordt ervaren. Het versnellingsteam Zon-op-dak zal dit vraagstuk zeker oppakken als dit zich voordoet. Dit vraagstuk zou kunnen worden opgepakt door de Regeling Vertraagd Tarief te onderzoeken met een energiecoöperatie (vergelijkbaar met de voormalige Postcode Roos). •
Welke lobby wordt er vanuit de RES regio uitgevoerd om ongewenste stimulering zoals dat zon op land interessanter is als zon op dak en beleid zoals reservering van netwerkcapaciteit voor ingediende aanvragen zon op land die concrete plannen van zon op dak blokkeren? Enexis hanteert een lijst met projecten (de DOL-lijst), waar alle projecten waarvoor een aanvraag is ingediend zijn opgenomen. De lijst is opgebouwd op basis van binnenkomst. Enexis dient het netwerk zo uit te breiden dat deze projecten in de toekomst kunnen worden aangesloten. Het is niet zo dat zon-op-land projecten voorrang krijgen op zon-op-dak projecten. Zodra het netwerk is uitgebreid worden alle aanvragen op de lijst aangesloten, op volgorde van binnenkomst. Het is echter een bekend probleem dat er zogenaamde ‘spookprojecten’ worden ingediend bij Enexis, hierbij gaat het vaak om zon-op-land projecten waar waarschijnlijk geen vergunning voor verleend gaat worden. Er vindt geen lobby plaats om zon-op-dak projecten voorrang te geven op
zon-op-land projecten. Er worden wel verschillende stappen genomen om te voorkomen dat de zogenaamde spookprojecten andere projecten blokkeren: 1. Enexis voert periodiek gesprekken met de gemeenten in de RES-regio om inzichtelijk te krijgen welke projecten wel en niet haalbaar zijn. Wanneer een project niet binnen het gemeentelijke beleid past en weinig kans maakt op een vergunning, neemt Enexis contact op met de initiatiefnemer en verzoekt om afstemming met de gemeente. Daarnaast dient een initiatiefnemer binnen één maand te reageren op een uitgebrachte offerte van Enexis, na deze termijn vervalt de offerte. 2. Op dit moment wordt er gewerkt aan een afwegingskader voor zon-op-land projecten boven de 10 hectare binnen de RES-regio. Met dit afwegingskader kunnen projecten geprioriteerd worden op basis van kwaliteit van de landschappelijke inpassing, participatie en koppelkansen. Gemeenten kunnen projecten op de ambitielijst plaatsen, welke getoetst zullen worden aan dit afwegingskader. Enexis gaat bij het plannen en uitvoeren van de uitbreiding van de netwerkcapaciteit geen rekening houden met plannen of aanvragen die niet op de ambitielijst staan. Via deze werkwijze zijn initiatiefnemers genoodzaakt om in overleg te gaan met de gemeente, alvorens een aanvraag voor netcapaciteit bij Enexis in te dienen. 3.
Bij een omgevingsvergunning voor een zonneproject boven de 10 hectare, kan ook de Provincie Limburg reageren op de concept vergunning. De Provincie Limburg zal altijd vragen om afstemming met de RES-regio, op deze wijze wordt er op gestuurd dat zonneprojecten boven de 10 hectare op de ambitielijst van de RES NML dienen te staan om aangesloten en gerealiseerd te kunnen worden. Regionale Structuur Warmte • De warmtetransitie is de grootste uitdaging van de energietransitie maar komt staat achteraan het prioriteitenlijstje. Waarom is daarvoor gekozen? De warmtetransitie is inderdaad een van de grootste uitdagingen van de energietransitie en vraagt veel aandacht. De warmtetransitie staat centraal in de gemeentelijke Transitie Visie Warmte, welke in november 2021 aan uw gemeenteraad wordt aangeboden. De RES NML 1.0 kijkt aanvullend, op bovengemeentelijk niveau, naar het warmtevraagstuk. De hoofdstuk indeling van de RES NML 1.0 is niet op basis van prioriteit opgesteld. •
Een individuele warmteoplossing lijkt voor 90% de beste oplossing te zijn voor onze regio. Waarom is dit op hoofdlijnen nog niet verder uitgewerkt tot acties net zoals de andere onderwerpen? Elke gemeente stelt individueel een Transitie Visie Warmte (TVW) op, waarbij de oplossingsrichtingen en acties voor de verschillende wijken worden uitgewerkt. De individuele oplossingen voor de warmtetransitie zijn een gemeentelijke verantwoordelijkheid, daarom zijn er (nog) geen acties op dit onderwerp in de RES opgenomen. In de praktijk vindt er uitwisseling van kennis en ervaring plaats tussen verschillende gemeenten. In de RES 2.0, specifiek de Regionale Structuur Warmte (RSW) 2.0, zal regionaal gekeken worden naar de effecten van de TVW’s op de energie infrastructuur, hierbij wordt ook gekeken naar de impact van de individuele oplossingen op het elektriciteitsnetwerk. Omdat de schaarse capaciteit een regionaal probleem is wordt dit in de RES 2.0 opgenomen, de uitvoering van en de visie op individuele oplossingen uit de TVW blijft een verantwoordelijkheid van gemeenten. Lokaal eigendom • Lokaal eigendom klinkt mooi maar in praktijk komt het erop neer dat met de ruimtelijke kaders die zijn gesteld initiatieven landen in dun bevolkte gebieden. Een kleinere groep inwoners krijgt daadwerkelijk te maken met de impact en de lasten van de energietransitie terwijl
iedereen lokaal kan mee profiteren van de lusten. Waarom de energietransitie niet gelijkmatig verdelen over de regio/gemeente? De energietransitie is toch een opgave van ons allemaal? De energietransitie is een opgave van ons allemaal, maar met enkel besparing en zonnepanelen op daken kan niet in de totale energiebehoefte voorzien worden. Daarom zullen er ook zonneweides en windturbines gerealiseerd moeten worden in de regio. Het is van belang dat deze zonneweides en windturbines op locaties komen waar deze het beste ingepast kunnen worden en er zo min mogelijk aan het landschap veranderd hoeft te worden. Door te focussen op grootschalige projecten, zorgen we ervoor dat we geen versnippering van projecten door de gehele regio krijgen. Daarnaast zijn met name grootschalige windprojecten vanwege wet- en regelgeving niet te realiseren in stedelijk gebied. Daarom zullen deze automatisch in niet stedelijk gebied landen. Het is belangrijk dat inwoners door gemeenten betrokken worden om te komen tot gedragen locaties. Daarbij is het uitganspunt dat de omgeving van A tot Z wordt meegenomen en dat de omgeving kan meeprofiteren, daarvan zijn succesvolle voorbeelden in Midden-Limburg. Lokaal eigendom betekent dat de lusten lokaal moeten landen, wat kan inhouden dat lokale inwoners en bedrijven investeren en meeprofiteren.
Uiteraard is het ook van groot belang dat directe omwonenden een grotere compensatie krijgen, dan lokale inwoners die op grotere afstand wonen. •
En als er dan toch gekozen wordt om het lokaal te laten landen waarom de revenuen ook niet voornamelijk in de directe omgeving laten landen. En niet bij mensen en organisaties die niet direct hinder ondervinden van de ontwikkeling. Zodoende krijg je een eerlijke verdeling van de lusten en de lasten. De directe omwonenden dienen een grotere compensatie te krijgen, dan inwoners die op grotere afstand wonen. Op lokaal niveau is de intentie om de revenuen in te zetten in de directe omgeving, bijvoorbeeld door (onder andere) een integrale gebiedsontwikkeling. In de RES NML wordt ingezet op minimaal 50% lokaal eigendom bij projecten. Uiteraard is het wel zo dat de initiatief nemende partij ook revenuen nodig heeft om de businesscase sluitend te maken. In Horst aan de Maas hebben we in KODE expliciet opgenomen dat we insteek is om de revenuen van de grootschalige elektriciteitsopwekking maximaal bij de inwoners én de directe omgeving te laten landen. We zoeken naar kansen voor een bredere gebiedsontwikkeling (‘koppelkansen’) zodat we lusten en lasten zo direct mogelijk koppelen. Algemeen • Kernenergie en thoriumenergie worden niet meegenomen in deze RES maar doorgeschoven. Ondanks de motie kernenergie aangenomen op 6 oktober 2020. Om te zorgen dat kernenergie en thoriumenergie in de volgende RES in de uitvoering kunnen worden meegenomen zal er serieus werk van gemaakt moeten worden.
Dat zien we niet terug in deze RES. Wat gaat de RES regio doen om te zorgen dat kernenergie en thoriumenergie serieus onderzocht worden en meegenomen kan worden als uitvoeringsmaatregel in de volgende RES? Kortom niet reactief en volgend maar proactief en sturend. Kernenergie is niet expliciet in de RES NML 1.0 als onderdeel van de landelijke taakstelling van 35 TWh meegenomen omdat deze techniek nog niet aan de orde is in de doorlooptijd van de RES 1.0. De wijze waarop kernenergie in de RES 2.0 kan worden meegenomen (als uitvoeringsmaatregel) is onder andere afhankelijk van de marktconsultatie die door de Provincie Limburg wordt uitgevoerd. In dit onderzoek staan de vragen centraal over onder welke voorwaarden energiebedrijven bereid zijn te investeren in kerncentrales in Nederland, welke publieke ondersteuning daarbij nodig is en om te verkennen welk eventueel draagvlak voor de realisatie van een kerncentrale in de verschillende provincies aanwezig is.
Duiding bijlage 11 van de RES NML 1.0 In bijlage 11 van de RES NML 1.0 staat een overzicht opgenomen op basis waarvan in de RES NML 1.0 gekeken is naar zoekgebieden voor wind. De gehanteerde afstanden in deze tabel komen uit het handboek risicozonering van (RWS). Deze afstanden hebben een relatie met het vermijden van risico’s op ongevallen door afvallende onderdelen. En zijn alleen meegenomen om de potentie van zoekgebieden voor wind te bepalen. De daadwerkelijke afstanden voor wind tot de gebouwde omgeving zijn maatwerk. en bovendien geen exacte wetenschap. Kortom in de bijlage staan afstanden geduid die alleen gebruikt zijn om te komen tot ‘zoekgebieden’ waar er in beginsel ruimte kan zijn voor de plaatsing van windturbines. Daar kun je heel strikt in zijn, maar omwille van het zoeken naar een goede landschappelijke invulling is het prettig de buffers klein te houden, om vervolgens bij de vertaling naar daadwerkelijke projecten meer specifiek te gaan kijken naar de noodzakelijke afstanden. De benoemde afstanden voor woningen zullen in de praktijk niet voorkomen omdat ze, zoals boven uitgelegd, een andere functie hebben. Voor woningen geldt dat niet alleen risico (externe veiligheid) van belang is, maar ook geluid. Voor afstanden van windturbines tot woningen zijn geen vaste afstanden te geven, want we werken in Nederland met een geluidnorm van 47 Lden.
De afstand tot geluidgevoelige objecten is dan afhankelijk van het bronvermogen van de windturbine en het aantal turbines in combinatie met de opstellingsvorm en hoogte. De RES bepleit dan ook zeer, om ten opzichte van woonkernen een aanzienlijk grotere afstand te kiezen om daarmee een hoger beschermingsniveau te krijgen voor gebieden waar veel mensen wonen. De tabel op pagina 11 had voorzien moeten zijn van een onderschrift waarin we als RES NML aangeven dat dit gaat om afstanden voor zoekgebieden en dat de afstanden in praktijk maatwerk zijn en geen exacte wetenschappen. Middels dit schrijven willen wij dat nogmaals bevestigen aan uw als volksvertegenwoordigers. Afstemming binnen de RES over afstanden bij windturbines in de praktijk Als het gaat om daadwerkelijk afstanden in de praktijk dan zullen deze afstanden per project kunnen afwijken. Echter is het wel van belang dat er bovengemeentelijke afstemming plaatsvindt zeker daar waar windturbines op de grens met een andere gemeente worden geplaatst. Daarom zullen er in navolging van de RES NML 1.0 bestuursafspraken worden opgesteld, waarin wordt opgenomen wanneer afstemming over wind noodzakelijk is en hoe we om gaan met de diverse afstandsnormen. We nemen u als volksvertegenwoordiger mee in de totstandkoming van deze afspraken.
Daarnaast zal in de aanbiedingsbrief van de RES NML 1.0 aan het Nationaal Programma RES aandacht worden gevraagd voor windturbines en afstanden tot gebouwde omgeving en windturbines in relatie tot gezondheidsklachten. Bovenstaande is ook nogmaals besproken tijdens het bestuurlijk overleg RES Noord- en Midden Limburg van 19 mei en wordt onderschreven door het bestuurlijk overleg RES Noord- en Midden Limburg.