CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04d Bijlagen Toelichting

Gemeenteraad 8 oktober 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Donkerhoek 4 / Gun 13 te Swolgen.26.418 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

METALEN barium cadmium kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink

ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l

55 55 55 0.27 0.27 0.27 <2 1.4 <2 3.4 3.4 3.4 <0.050.035<0.05 <2 1.4 <2 <2 1.4 <2 7.3 7.3 7.3 90 90 90

* >S 50 338 625 20 <=S 0.4 3.2 6 0.2 <=S 20 60 100 2 <=S 15 45 75 2 <=S 0.05 0.18 0.3 0.05 <=S 15 45 75 2 <=S 5 152 300 2 <=S 15 45 75 3 * >S 65 432 800 10

VLUCHTIGE AROMATEN benzeen tolueen ethylbenzeen o-xyleen p- en m-xyleen xylenen (0.7 factor) styreen naftaleen

ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l

<0.2 0.14 <0.2 <0.2 0.14 <0.2 <0.2 0.14 <0.2 <0.1 0.07 <0.1 <0.2 0.14 <0.2 0.21 0.21 0.21 <0.2 0.14 <0.2 <0.020.014<0.02

<=S 0.2 15 30 0.2 <=S 7 504 1000 0.2 <=S 4 77 150 0.2 -0.1 -0.2 <=S 0.2 35 70 0.21 <=S 6 153 300 0.2 <=S 0.01 35 70 0.02

GEHALOGENEERDE KOOLWATERSTOFFEN 1,1-dichloorethaan ug/l 1,2-dichloorethaan ug/l 1,1-dichlooretheen ug/l cis-1,2-dichlooretheen ug/l trans-1,2-dichlooretheen ug/l som (cis,trans) 1,2- dichloorethenen (0.7 factor)ug/l dichloormethaan ug/l 1,1-dichloorpropaan ug/l 1,2-dichloorpropaan ug/l 1,3-dichloorpropaan ug/l som dichloorpropanen (0.7 factor) ug/l tetrachlooretheen ug/l tetrachloormethaan ug/l 1,1,1-trichloorethaan ug/l 1,1,2-trichloorethaan ug/l trichlooretheen ug/l chloroform ug/l vinylchloride ug/l tribroommethaan ug/l

<0.2 0.14 <0.2 <0.2 0.14 <0.2 <0.1 0.07 <0.1 <0.1 0.07 <0.1 <0.1 0.07 <0.1 0.14 0.14 0.14 <0.2 0.14 <0.2 <0.2 0.14 <0.2 <0.2 0.14 <0.2 <0.2 0.14 <0.2 0.42 0.42 0.42 <0.1 0.07 <0.1 <0.1 0.07 <0.1 <0.1 0.07 <0.1 <0.1 0.07 <0.1 <0.2 0.14 <0.2 <0.2 0.14 <0.2 <0.2 0.14 <0.2 <0.2 0.14 <0.2

<=S 7 454 900 0.2 <=S 7 204 400 0.2 <=S 0.01 5.0 10 0.1 -0.1 -<=S 0.01 10 20 0.14 <=S 0.01 500 1000 0.2 ---<=S 0.8 40 80 0.42 <=S 0.01 20 40 0.1 <=S 0.01 5.0 10 0.1 <=S 0.01 150 300 0.1 <=S 0.01 65 130 0.1 <=S 24 262 500 0.2 <=S 6 203 400 0.2 <=S 0.01 2.5 5 0.2 --630 0.2

MINERALE OLIE fractie C10-C12 fractie C12-C22 fractie C22-C30 fractie C30-C40 totaal olie C10 - C40

<25 <25 <25 <25 <50

-----

ug/l ug/l ug/l ug/l ug/l

ADDITIONELE TOETSPARAMETERS 14057262-002 som 16 aromatische oplosmiddelen (Bbk, 1-1-2008) som 10 polyaromatische koolwaterstoffen (VROM)

Monstercode 14057262-002

Monsteromschrijving A02-1-1 A02 (170-270)

BT

ST

17.5 <25 17.5 <25 17.5 <25 17.5 <25 35 <50

SC BC S

T

I

----<=S 50 325 600

EenheidBT

BC

ug/l 0.77 ^-DIMSLS 0.0002

RBK

50

Verklaring kolommen SR Resultaat op het analyserapport BT Berekend toetsresultaat (omgerekend naar standaard bodem). Bij organische stof en lutum staan de voor de toetsing gebruikte waarden. BC Toetsoordeel ST SGS toetsings resultaat (door SGS berekend) SC SGS toetsings conclusie (door SGS bepaald) AW Achtergrondwaarde (door SGS beheerd) T Tussenwaarde (door SGS berekend en beheerd maar niet meer beschreven in de wetgeving) I Interventie waarde (door SGS beheerd) RBK Tabel 1 (rapportagegrenzen), Staatscourant nr. 22335 (02-11-2012). Verklaring toetsingsoordelen Geen toetsoordeel mogelijk -Heeft geen normwaarde, zorgplicht van toepassing --Streefwaarde ontbreekt, zorgplicht van toepassing # Verhoogde rapportagegrens, voor meer informatie zie analysecertificaat <=AW Kleiner dan of gelijk aan de achtergrondwaarde <=S Kleiner dan of gelijk aan de streefwaarde >S Groter dan de streefwaarde >I Groter dan interventiewaarde >(ind)I INEV (Indicatieve interventiewaarde) wordt overschreden ^ Enkele parameters ontbreken in de som * Het gehalte is groter dan de streefwaarde/achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan het gemiddelde van de streef/achtergrond- en interventiewaarde (de toetsingswaarden zijn door SGS beheerd) ** Het gehalte is groter dan het gemiddelde van de streef/achtergrond- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (de toetsingswaarden zijn

door SGS beheerd) *** Het gehalte is groter dan de interventiewaarde (de toetsingswaarden zijn door SGS beheerd)

Donkerhoek 4 / Gun 13 te Swolgen

82

Donkerhoek 4 / Gun 13 te Swolgen

Bijlage 2 Archeologisch bureauonderzoek Gun 13

83

RAPPORTAGE archeologisch bureauonderzoek Gun 13 te Swolgen, in de gemeente Horst aan de Maas

Rapport archeologisch bureauonderzoek Gun 13, te Swolgen in de gemeente Horst aan de Maas Opdrachtgever

BügelHajema Assen Vaart NZ 48-50 9401 GN Assen

Rapportnummer

20704.002

Versienummer1

1

Datum

11-03-2024

Opsteller2

De heer drs. A.H. Schutte

Kwaliteitscontrole

De heer drs. M. Stiekema

1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid. 2 AVG In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.

Econsultancy Archeologisch Rapport

KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1

INLEIDING .................................................................................................................................................. 2

2

BUREAUONDERZOEK ................................................................................................................................. 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8

3

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................................. 2 Methoden ...................................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied ....................................................................... 3 Toekomstige situatie ...................................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................................. 5 Archeologische waarden ................................................................................................................ 8 Beschrijving van het historische gebruik ...................................................................................... 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ...................................................................... 15

CONCLUSIE EN ADVIES ............................................................................................................................ 18

LITERATUUR BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN

TABELLEN Tabel 2.1 Tabel 2.2 Tabel 2.3 Tabel 2.4 Tabel 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting

KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. 2015 Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15. Kaart 16.

Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000) Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2022 Het plangebied op de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas uit Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1: 50.000 van Nederland Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3) Het plangebied op de bodemkaart Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de Tranchot und v. Müffling kaart uit 1801-1828 Het plangebied op de Kadastrale minuut uit 1844 Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1895 Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1936 Het plangebied op de topografische kaart uit 1958 Het plangebied op de topografische kaart uit 1967 Het plangebied op de topografische kaart uit 1979 Het plangebied op de topografische kaart uit 1999

BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6.

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED Projectcode

20704.002

Opdrachtgever

BügelHajema Assen

Toponiem

Gun 13

Plaats

Swolgen

Gemeente

Horst aan de Maas

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

Gemeente Meerlo, sectie H nummers 546 (ged.), 420 (ged.), 413 en 414.

Omvang plangebied

circa 6.155 m2

Kaartblad

52E (1:25.000)

Centrumcoördinaten (X/Y)

205533/391014

Archeoregio NOaA

4: Brabants zandgebied

Bevoegde overheid

Gemeente Horst aan de Maas Postbus 6005 5960 AA Horst

T: 077 – 4779777 E: gemeente@horstaandemaas.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie Spoorstraat 5 3811 MN Amersfoort

T: 033-2779200 Contactpersoon: drs. C.W. Koot M: 0644716348 E: c.koot@vestigia.nl

Uitvoeringsperiode

Juni - juli 2023

Uitvoerder

Econsultancy, De heer drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog)

Onderzoeksmelding ARCHIS3

5511056100

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy en op termijn het provinciaal depot

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van BügelHajema Assen in Juni - juli 2023 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Gun 13 te Swolgen in de gemeente Horst aan de Maas. In het plangebied is men voornemens om de varkenshouderij deels om te zetten in grondgebonden veehouderij en deels in de bestemming ‘bedrijf met de aanduiding ‘opslag’. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst het vigerend bestemmingsplan worden herzien. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Het plangebied ligt op enige afstand van een restgeul, jagers en verzamelaars zullen waarschijnlijk liever dichterbij of op de rand van deze restgeul willen zitten. Dit zorgt ervoor dat het plangebied een middelhoge verwachting heeft voor de aanwezigheid van resten jagers en verzamelaars. Het dalvlakterras kan een goede vestigingslocatie zijn geweest voor agrarische samenlevingen. De archeologische verwachting voor de perioden Neolithicum tot en met de Middeleeuwen is dien ten gevolgen hoog. Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is in het plangebied al vanaf de eerste helft van de 19 e eeuw bebouwing aanwezig. Deze bebouwing verandert qua vorm in de loop der tijd. Het huidige wegenpatroon rondom het plangebied gaat ook terug tot in ieder geval de eerste helft van de 19 e eeuw. Gezien de aanwezigheid van bebouwing in het plangebied vanaf in ieder geval de eerste helft van de 19e eeuw heeft het plangebied een hoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de Nieuwe tijd.

Advies Indien er in de toekomst bodemingrepen gepland zijn in het plangebied is gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting binnen het plangebied archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge bruine enkeerdgrond in een deel van het plangebied is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of

20704.002 versie 1

cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Horst aan de Maas wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Horst aan de Maas op de hoogte te stellen.

20704.002 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van BügelHajema Assen een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Gun 13 in Swolgen, gemeente Horst aan de Maas. In het plangebied is men voornemens om de varkenshouderij deels om te zetten in grondgebonden veehouderij en deels in de bestemming ‘bedrijf met de aanduiding ‘opslag’. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst het vigerend bestemmingsplan worden herzien. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in Juni - juli 2023 door de heer drs. A.H. Schutte Senior KNA Archeoloog). Het rapport is gecontroleerd door de heer drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector).

2

BUREAUONDERZOEK

2.1 Doelstelling en onderzoeksvragen Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.

2.2 Methoden Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018) en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 19‑02‑2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06.3

3 SIKB.

20704.002 versie 1

Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • •

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • • •

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Horst aan de Maas; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.

2.3 Afbakening en huidige situatie van het plangebied Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaats vindt. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 1000 meter rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Gun 13, circa 1,5 kilometer ten noordwesten van Swolgen, in de gemeente Horst aan de Maas (zie kaart 1) en heeft een oppervlak van circa 6.155 m2. Het bestaat uit twee delen, een noordelijk deel van circa 1.830 m2 en een zuidelijk deel van circa 4.325 m2. Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3) rond 18,5 m NAP en de centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 205.533 en Y: 391.014. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Meerlo, sectie H nummers 546 (ged.), 420 (ged.), 413 en 414 (zie kaart 2).

20704.002 versie 1

Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland, akkerland en is gedeeltelijk bebouwd en verhard (zie kaart 3). De eigenaar/gebruiker zijn bij Econsultancy onbekend. De omliggende percelen zijn in gebruik als openbare weg, grasland, akker en zijn bebouwd. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens het bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas (vastgesteld 19-12-2017) van de gemeente Horst aan de Maas heeft de gehele onderzoekslocatie een waarde archeologie (2, 3 4 en 6).

In locaties met verschillende waarden geldt de hoogste waarde voor het gehele plangebied. In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij bodemingrepen groter dan 100 m 2 en dieper dan 30 cm reiken er vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.4 De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas uit 2015. Op deze kaart ligt de onderzoekslocatie deels in een gebied met een archeologische waarde, deels in een gebied met een hoge archeologische verwachting, deels in een gebied met een gematigde archeologische verwachting en deels in een gebied met een specifieke archeologische verwachting (beek)dalen en oude Maasgeulen (categorieën 2, 3, 4 en 6) (zie kaart 4).5 Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het Bodemloket en de Atlas Limburg geraadpleegd.6 Binnen het plangebied zijn, voor zover bekend, geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Er zijn dus geen gegevens bekend over de milieuhygiënische staat van het plangebied.

2.4 Toekomstige situatie Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde.

4 Portaal voor Ruimtelijke Plannen. 5

Van Heeringen & Schrijvers, 2014.

6 Bodemloket.nl/Atlas Limburg.

20704.002 versie 1

In het plangebied is men voornemens de varkenshouderij deels om te zetten in een grondgebonden veehouderij en deels in de bestemming ‘bedrijf met de aanduiding ‘opslag’. Hierbij zullen binnen het plangebied na de sloop van de bestaande bebouwing geen bodemingrepen plaats vinden. Toekomstige bodemingrepen kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.

2.5 Aardwetenschappelijke gegevens Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2.1

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie7

Formatie van Beegden; rivierzand en -grind (Be3) met het laagpakket van Wijchen; stevige fijnkorrelige overstrommingsafzettingen.

Maasterras8

Allerød meandergordel uit 12900 tot 10950 BP.9

Geomorfologie10

Dalvlakterras (code E44)

Bodem11

Noordwestelijk deel ooivaaggronden; lichte zavel (code KRd1), zuidoostelijk deel hoge bruine enkeerdgronden; lemig fijn zand (code bEZ23).

Grondwatertrap

VII

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied is gelegen op een terras van de Maas, dat voornamelijk bestaat uit matig tot uiterst grof grindhoudend zand. Het Laagpakket van Wijchen bestaat uit klei (siltig tot zandig), kalkloos of soms een gedeeltelijk ontkalkte top, lichtgrijs tot donkergrijs, plaatselijk humeus tot sterk venig. Vaak komt aan de top van de Laag van Wijchen een goed ontwikkelde zwarte bodemhorizont voor. Geologisch gezien behoren deze afzettingen tot de Formatie van Beegden. De afzettingen van de Maas zijn gedurende het Kwartair ontstaan. Door tektonische activiteit, opheffing van de Ardennen en Limburg, heeft de Maas heeft zich in de loop van de tijd ingesneden in de onderliggende afzettingen. Tijdens koude perioden heeft de Maas een vlechtend karakter gehad met een brede riviervlakte en een opeenhoping van sedimenten. Gedurende de overgang van een koude naar een warme periode sneed de rivier zich in het rivierterras in. Daarna begon de Maas te meanderen, waarbij de rivier zich 7 De Mulder et al., 2003. 8 Van den Berg, 1996. 9 BP: Before Present (dat is voor 1950). 10

NGR/Wageningen Environmental Research (2019).

11 NGR/Wageningen Environmental Research (2018).

20704.002 versie 1

concentreerde in één geul en er verschillende sedimenten in de bedding, op de oever en in de naastgelegen komgronden werden afgezet. Hierbij zijn er in totaal 31 terrasniveaus gevormd in het Maasdal, die te relateren zijn aan de periode waarin ze zijn gevormd. De oudste terrassen liggen hoog, de jongere lager. De afzettingen waarop het plangebied is gelegen zijn gevormd gedurende het Allerød interstadiaal (13.900 tot 12.850 BP) en verlaten in het Jonge Dryas stadiaal (12.700 - 11.560 BP). Deze periode komt overeen met het einde van het Laat-Paleolithicum. DINO Het Dinoloket12 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.13 Hieruit blijkt dat de ondergrond op 50 meter ten zuiden van het plangebied bestaat uit een dertig centimeter dikke fijn siltige zandlaag op een meter dikke leemlaag; hieronder liggen matig fijn tot zeer grove zandlagen.

Bij een boring op 35 meter ten noorden van het plangebied ontbreekt de zandlaag en komt gelijk een 2,5 meter dikke leemlaag voor op matig fijn tot zeer grove zandlagen. Zowel de leemlaag als de matig fijn tot zeer grove zandlagen kunnen worden toegeschreven aan de Formatie van Beegden, Laagpakket van Wijchen. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een Dalvlakterras (code E44) (zie kaart 5). Het dalvlakteterras is ontstaan doordat in riviervlakten, door verschillende fasen van insnijding, op verschillende niveaus terrassen zijn gevormd. In de omgeving liggen enkele restgeulen, de dichtstbijzijnde op zo’n 125 meter ten zuidoosten van het plangebied. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland14 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op een vlakte met in de directe omgeving wel wat reliëf, zowel hoger gelegen percelen als laagtes die niet allemaal natuurlijk lijken gezien de rechte begrenzingen van de laagtes en hoogtes (zie kaart 6).

Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het noordwestelijk deel van het plangebied gekarteerd als ooivaaggronden; lichte zavel (code KRd1) en het zuidoostelijk deel als hoge bruine enkeerdgronden; lemig fijn zand (code bEZ23) (zie kaart 7).

12 Dinoloket. 13

DINO boornummers B52E2354 & B52E0195.

14 PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS.

20704.002 versie 1

Een ooivaaggrond is een diep bruine en goed gehomogeniseerde zavel- en kleigrond. Ooivaaggronden worden naar onderen meestal lichter. Onder de bovengrond bevindt zich een, tot beneden de 50 cm diepte doorgaande, door verwering ontstane laag, de Bw-horizont. De hoge bruine rivierleemgronden in Limburg worden als ooivaaggrond gekwalificeerd wanneer er geen briklaag aanwezig is.15 Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen.

De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9 e en de 12e eeuw naast de essen kwamen te liggen. De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen.16 Boringen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. Het grondwaterpeil is een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten; hoe beter de ontwatering, hoe slechter de conservering. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven.

Tabel 2.2 geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen.

15

Bakker & Schelling, 1989.

16 Doesburg et al., 2007.

20704.002 versie 1

Tabel 2.2

Grondwatertrappenindeling17

Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden ") Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII. De conservering van metalen en organische resten zal in het plangebied, vanwege de grondwaterstand, niet optimaal zijn.

2.6 Archeologische waarden 2.6.1

AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen

Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.18 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 8 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 1000 m rondom het plangebied. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. AMK-terreinen De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status.

Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen een AMK-terrein, de historische kern van Gun. Binnen het onderzoeksgebied liggen nog twee AMK-terreinen, de historische kernen van Megelsum en Swolgen (zie bijlage 2 en Kaart 8). De AMK-terreinen in en rondom het plangebied geven aan dat in de bodem resten van vroegmoderne en

17

Locher & De Bakker, 1990.

18 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

20704.002 versie 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14526530/1