04d.9 Ruimtelijke onderbouwing Most 11 Sevenum
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Most 11 Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
Colofon Rapport: Ruimtelijke onderbouwing Most 11 Sevenum Rapportnummer: 2018.0547 Status: Vastgesteld Datum: 15 november 2022 Projectlocatie Most 11 5975 NX Sevenum Gemeente Horst aan de Maas
Opdrachtnemer Reland Bezoekadres: Burg. Verdijkplein 1 5835 AR Beugen Correspondentieadres: Postbus 186 5830 AD Boxmeer www.reland.nl Projectleiding Reland Frank Janssen Senior Adviseur 06 – 392 701 81 Frank@reland.nl © november 2022 Reland Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze dan ook, en evenmin in een geautomatiseerd
gegevensbestand
worden
opgeslagen,
zonder
voorafgaande
schriftelijke
toestemming van Reland. Aan de inhoud van dit rapport kunnen geen recht en worden ontleend. Reland verwerpt elke aansprakelijkheid voor een ander gebruik van deze tekst dan voor de situatie waarvoor deze wordt uitgebracht. De informatie in deze tekst is onder voorbehoud en kan worden veranderd zonder voorafgaande kennisgeving.
2
Inhoud HOOFDSTUK 1 Inleiding ................................................................................................ 5 1.1 Aanleiding en doel ................................................................................................. 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied.......................................................................... 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan ................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer ................................................................................................................ 7 HOOFDSTUK 2 Huidige situatie omgeving ...................................................................... 8 2.1 Ruimtelijke structuur .............................................................................................. 8 2.2 Functionele structuur ................................................................................................ 8 HOOFDSTUK 3 Beoogde situatie.................................................................................. 10 HOOFDSTUK 4 Beleidskader ....................................................................................... 11 4.1 Rijksbeleid .............................................................................................................
11 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ........................................................................ 11 4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ........................................................ 11 4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking .................................................................. 12 4.2 Provinciaal beleid ................................................................................................... 12 4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg .................................................................... 12 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 .................................................................. 14 4.2.3 Limburgs Kwaliteitsmenu ..................................................................................... 14 4.3 Gemeentelijk beleid ............................................................................................. 14 4.3.1 Structuurvisie Horst aan de Maas ......................................................................... 14 4.3.2 Wijzigingsbevoegdheid ........................................................................................ 16 HOOFDSTUK 5 Sectorale aspecten ..............................................................................
19 5.1 Inleiding ................................................................................................................. 19 5.2 Milieuaspecten ....................................................................................................... 19 5.2.1 Bodem ................................................................................................................. 19 5.2.2 Geluid ................................................................................................................. 20 5.2.3 Luchtkwaliteit ....................................................................................................... 20 5.2.4 Geur .................................................................................................................... 21 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................. 22 5.2.6 Externe veiligheid ................................................................................................ 23 5.3 Waterparagraaf ...................................................................................................... 26 5.3.1 Beleidskader........................................................................................................ 26 5.3.2 Kenmerken huidige watersysteem ........................................................................
27 5.3.3 Overleg Waterschap ............................................................................................ 28 5.4 Natuur .................................................................................................................... 28 5.4.1 Gebiedsbescherming ........................................................................................... 28 5.4.2 Soortenbescherming ............................................................................................ 29 5.5 Archeologie en cultuurhistorie ................................................................................. 29 5.6 Verkeer en parkeren ............................................................................................... 30 5.6.1 Mobiliteit .............................................................................................................. 30 5.6.2 Parkeren ............................................................................................................. 30 HOOFDSTUK 6 Uitvoerbaarheid ................................................................................... 31 6.1 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................. 31 6.2 Handhaving .........................................................................................................
31 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................... 31 3
6.3.1 Wettelijk vooroverleg ........................................................................................... 31 6.3.2 Zienswijzenprocedure .......................................................................................... 31
Bijlage I
Verkennend bodemonderzoek
4
HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Op de locatie aan de Most 11 te Sevenum is een voormalig agrarisch bedrijf aanwezig. Ter plaatse bevindt zich een bedrijfswoning en een bijgebouw. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn in het verleden reeds gestaakt. Het is niet de ambitie om op de locatie opnieuw een agrarisch bedrijf te starten of de locatie als zodanig te verkopen. Gewenst is de locatie te kunnen benutten als burgerwoning. Het voornemen is dan ook om de agrarische bestemming te wijzigen in een woonbestemming. De bedrijfswoning wordt omgezet in een burgerwoning en het bestaande bijgebouw bij de woning blijft behouden. Het voornemen van de initiatiefnemer is echter niet direct toegestaan conform het geldende bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas’. De locatie is hierin bestemd als ‘Agrarisch met waarden’ waarbij tevens een bouwvlak is toegekend. Middels een principeverzoek heeft de initiatiefnemer het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Horst aan de Maas gevraagd om med ewerking te verlenen aan het planvoornemen. In het principebesluit van 9 maart 2021 heeft het college van B&W aangegeven dat de ontwikkeling voorstelbaar is en dat er onder voorwaarden medewerking wordt verleend aan het plan.
Doordat het planvoornemen niet voldoet aan het vigerende bestemmingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen om in de wens van de initiatiefnemer te kunnen voorzien. In het geldende bestemmingsplan is in artikel 3.8.5 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor omzetting van de agrarische bestemming naar wonen. Hierbij dient aan een aantal voorwaarden te worden voldaan. De gemeente Horst aan de Maas werkt echter met zogenaamde veegplannen. Individuele initiatieven worden hierin gebundeld. Ter onderbouwing van het init iatief dient door initiatiefnemer een ruimtelijke onderbouwing te worden aangeleverd, die wordt opgenomen als bijlage bij de toelichting. Voorliggend document vormt de ruimtelijke onderbouwing v oor de herbestemming van Most 11. Voor de motivering zijn onder andere de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid getoetst.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied De planlocatie is gelegen aan de Most 11 te Sevenum en maakt onderdeel uit van het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Het plangebied bestaat uit het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Sevenum, sectie V, perceelnummer 236. Dit perceel heeft een oppervlakte van 2.910 m 2 . In figuur 1 is de kadastrale situatie weergegeven.
5
Figuur 1. Luchtfoto met kadastrale situatie. Plangebied rood omkaderd.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Conform de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ (vastgesteld 19-12-2017) en ‘Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020’ (vastgesteld 08-09-2020) heeft het plangebied de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Zone bronsgroene landschapszone’. Daarnaast ligt op een gedeelte van het plangebied het agrarisch bouwvlak. Tot slot zijn de volgende gebiedsaanduidingen van toepassing op het plangebied: -
Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – hydrologische beschermingszone’ Gebiedsaanduiding ‘overige zone – beekdal’ Gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – extensiveringsgebied’
In figuur 2 is een uitsnede van het geldende bestemmingsplan weergegeven.
6
Figuur 2. Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas'. Plangebied rood omkade rd.
Conform het bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet direct toegestaan. Voor een bestemmingswijziging naar de gewenste situatie, dient er te worden voldaan aan de voorwaarden uit artikel 3.8.5 van het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas’. Voor de toetsing aan deze voorwaarden wordt verwezen naar paragraaf 4.3.2.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk betreft hoofdstuk 2 een beschrijving van het plangebied en de historische ontwikkeling. Hoofdstuk 3 beschrijft vervolgens de gewenste ontwikkeling per plangebied en de ruimtelijke consequenties hiervan. In hoofdstuk 4 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking he bben op de locatie. Hoofdstuk 5 bevat een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. Tot slot komt in hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde.
7
HOOFDSTUK 2 Huidige situatie omgeving 2.1 Ruimtelijke structuur De locatie ligt aan de Most 11 te Sevenum en maakt onderdeel uit van het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Het plangebied is gelegen in een gebied met een halfopen landschap. In noordelijke richting zijn voornamelijk agrarische productiegronden gelegen en ten zuiden van het plangebied bestaat de omgeving uit een natuurlijk landschap met bossen . In deze bosrijke omgeving stroomt de ‘Groote Molenbeek’ die door het natuurgebied ‘Molenbeekdal’ stroomt. Ten zuiden van dit natuurgebied ligt de Rijksweg A67. In figuur 3 is de ruimtelijke structuur waarin het plangebied is gelegen weergegeven.
Figuur 3. Ruimtelijke structuur omgeving. Plangebied rood omcirkeld.
2.2 Functionele structuur Binnen het plangebied is in de huidige situatie een voormalig agrarisch bedrijf aanwezig. De bedrijfsactiviteiten behorende bij dit agrarisch bedrijf zijn inmiddels beëindigd. Op een gedeelte van het plangebied ligt het agrarisch bouwvlak. Binnen dit agrarisch bouwvlak bevinden zich een bedrijfswoning en een bijgebouw. De overige gronden zijn ingericht als voor- en achtertuin bij de woning en zijn gedeeltelijk verhard. In de directe omgeving van het plangebied liggen enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen. De overige gronden in de directe omgeving bestaan voornamelijk uit agrarische percelen en gronden die bestemd zijn als ‘Natuur’ (figuur 4).
8
Figuur 4. Functionele structuur omgeving. Plangebied rood omcirkeld.
9
HOOFDSTUK 3 Beoogde situatie De bestaande agrarische bedrijfswoning wordt omgezet in een burgerwoning. Hierbij wordt het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Sevenum, sectie V, perceelnummer 236 gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’. Het bijbehorende bouwwerk bij deze woning en de bestaande inrit naar het perceel blijven in de beoogde situatie behouden. De overige inrichting van de gronden wijzigt door de herbestemming eveneens niet. In de nieuwe situatie is geen bedrijfsmatig agrarisch gebruik meer toegestaan op de locatie. Ook overige bedrijvigheid is uitgesloten, met uitzondering van aan huis gebonden beroepen en bedrijven die op basis van de bestemming ‘Wonen’ als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie zijn toegestaan.
10
HOOFDSTUK 4 Beleidskader In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante Rijksbeleid, provinciaal en gemeentelijk beleid met betrekking tot onderhavig plan.
4.1 Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) naar de Tweede Kamer gestuurd. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komen 30 jaar verandert. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de toekomstige generaties. De NOVI biedt perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwal iteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve a mbities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.
Bij kleinschalige ontwikkelingen op lokaal niveau dient rekening gehouden te worden met een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan is een kleinschalig initiatief passend binnen de nationale omgevingsvisie NOVI. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de genoemde milieuaspecten geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Daarnaast draagt de definitieve beëindiging van het agrarisch bedrijf bij aan een verbetering van het woon- en leefklimaat binnen het plangebied en in de omgeving. Er bestaan vanuit de Nationale omgevingsvisie NOVI geen belemmeringen voor het initiatief.
4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. 11
Met onderhavig bestemmingsplan wordt het toekomstige gebruik van de planlocatie juridisch geborgd. De ontwikkeling is slechts kleinschalig van aard, waarmee geen nationale belangen gemoeid gaan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit initiatief.
4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag wanneer er nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Deze systematiek is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De Ladder voor duurzame verstedelijking is in principe een uitwerking van Nationaal belang 4 uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (efficiënt gebruik van de ondergrond, oftewel zorgvuldig ruimtegebruik). De Ladder is ervoor bedoeld dat zorgvuldig wo rdt nagedacht over nieuwe ontwikkelingen en de plek van de nieuwe ontwikkeling. Zo gaat bijvoorbeeld inbreiding voor uitbreiding. Voor nieuwe stedelijke functies geldt daarom dat de ladder doorlopen dient te worden om te bepalen of sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. In eerste instantie is het van belang om te bepalen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft ervoor gezorgd dat dit begrip steeds verder gedefinieerd werd en zelfs in sommige gevallen kwantitatief kan zijn. De Ladder voor stedelijke ontwikkeling rekent een ontwikkeling van woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen als een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.
In dit geval wordt binnen het plangebied de agrarische bestemming gewijzigd in een woonbestemming zonder dat er woningbouwmogelijkheden worden toegevoegd. In onderhavige ontwikkeling wordt formeel geen extra woning toegevoegd doordat de bestaande woning behouden blijft. Het betreft hier dan ook geen stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor dit planvoornemen.
4.2 Provinciaal beleid 4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. Deze visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes uit het Provinciaal Omgevingsplan (POL2014) en op andere onderdelen zijn er nieuwe keuzes gemaakt. In de Omgevingsvisie Limburg wordt de lange termijn visie voor de periode 2021 tot 2030-2050 uitgewerkt en wordt richting gegeven aan toekomstbestendige ontwikkelingen. Hierbij wordt steeds de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving gezocht. Conform de kaart ‘Limburgse principes’ is het plangebied gelegen binnen de zone ‘ Groenblauwe mantel’ (figuur 5).
12
Figuur 5. Uitsnede kaart 'Limburgse principes' Provinciale Omgevingsvisie Limburg. Plangebied rood omkaderd.
Groenblauwe mantel Het Maasdal, de beekdalen en steilere hellingen - voorheen de bronsgroene landschapszone en zilvergroene natuurzone - vormen samen de circa 36.000 hectaren grote groenblauwe mantel binnen de landelijke gebieden van Limburg. De gebieden liggen als een soort mantel tussen en om het Natuurnetwerk Limburg. Het zijn gebieden waar de provincie goede combinatiemogelijkheden ziet voor duurzame vormen van (kringloop) land- en tuinbouw en andere economische functies, vooral door hergebruik van reeds aanwezige monumentale en beeldbepalende gebouwen. De focus ligt hier op het versterken van het klimaatadaptieve karakter met meer ruimte voor de beken en Maas, de biodiversiteit en kernkwaliteiten van het landschap. Deze bestemmingswijziging maakt het mogelijk dat ter plaatse van het plangebied de agrarische bestemming wordt gewijzigd in een woonbestemming. H ierdoor verdwijnt het agrarisch bouwvlak en is herbouw van bedrijfsbebouwing niet meer mogelijk. Door de definitieve beëindiging van het agrarisch bedrijf zal de milieusituatie in de (natuurlijke) omgeving van het plangebied verbeteren en vindt er ontstening van het buitengebied plaats doordat de bouwmogelijkheden beperkt worden. De in het verleden gesaneerde glasopstanden kunnen door de bestemmingswijziging niet herbouwd worden.
Het initiatief levert een bijdrage aan het versterken van de kernkwaliteiten waardoor de beoogde ontwikkeling binnen de doelstellingen van de Provinciale Omgevingsvisie Limburg past.
13
4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 Op 12 december 2014 heeft de provincie Limburg de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin zijn regels opgenomen die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. Uit de kaarten van de Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Het planvoornemen is niet in strijd met het beleid conform de Omgevingsverordening Limburg.
4.2.3 Limburgs Kwaliteitsmenu Het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is een beleidsregel in de zin van artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht. De beleidsregel LKM regelt de 'extra' condities en voorwaarden waaronder bepaalde ontwikkelingen in het buitengebied mogelijk zijn. Aangezien de gemeente het LKM heeft uitgewerkt in haar structuurvisie, geldt het gemeentelijk kwaliteitsmenu, zoals beschreven in paragraaf 4.3.1.
4.3 Gemeentelijk beleid 4.3.1 Structuurvisie Horst aan de Maas De Structuurvisie Horst aan de Maas is op 9 april 2013 vastgesteld. Het betreft een integrale structuurvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. De structuurvisie geeft een integraal beeld van de ruimtelijke en sociaal -maatschappelijke ontwikkelingen die de gemeente op haar grondgebied voor oge n heeft voor de langere termijn. Verder is de integrale structuurvisie opgesteld om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid tot het plegen van kostenverhaal dat de Wro biedt. De structuurvisie bestaat uit een beleidskader en een uitvoeringsparagraaf waarin het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) wordt geïmplementeerd. Volgens de bij de structuurvisie behorende visiekaart ligt het plangebied binnen deelgebied 8 ‘Greenport Venlo’ (figuur 6). In deze gebieden wordt ruimte geboden voor grootschalige ontwikkelingen en nieuwvestiging van (agrarische) bedrijven. Echter is voor onderhavige planlocatie, gezien de natuurlijke omgeving en de ligging op de grens van deelgebied 3c ‘Agrarisch gebied Sevenum-Zuid en Meterik-Noord’, aansluiting gezocht bij de beleidsdoelen van dit laatstgenoemde deelgebied. Het gemeentelijk beleid voor deze gebieden is er op gericht dat er een positieve grondhouding wordt ingenomen voor wat betreft vrijkomende agrarische bebouwing.
Het omzetten van de agrarische bedrijfswoning in een burgerwoning is een passende ontwikkeling binnen deze visie. Daarnaast zal als gevolg van voorgenomen bestemmingswijziging de milieubelasting op de natuurlijke omgeving en omliggende milieugevoelige objecten afnemen doordat de gebruik- en bebouwingsmogelijkheden binnen het plangebied beperkt worden. Het initiatief ligt daarmee in lijn met de structuurvisie Horst aan de Maas.
14
Figuur 6. Uitsnede structuurkaart Structuurvisie Horst aan de Maas. Plangebied rood omci rkeld.
Gemeentelijk Kwaliteitsmenu Het basisprincipe van het gemeentelijk (en provinciaal) kwaliteitsmenu (GKM) is, dat bepaalde ontwikkelingen ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, wat dient te worden gecompenseerd door een kwaliteitsbijdrage. Dit geldt zowel binnen als buiten de ‘rode contouren’. De kwaliteitsbijdrage wordt ingezet om de omgevingskwaliteit en leefbaarheid te versterken. Het doel is dat per saldo daarmee de kwaliteit toeneemt. Bestemmingswijziging Ter plekke van het plangebied wordt het agrarisch bedrijf beëindigd. Als gevolg van deze herbestemming wordt de omgevingskwaliteit sterk vergoot doordat het woon- en leefklimaat binnen het plangebied en in de omgeving verbeterd. Een aanvullende bijdrage is hierdoor niet noodzakelijk. Woning en bijgebouw Binnen het bestemmingsplan is ruimte voor een inhoud van de woning van maximaal 1.000 m³. Initiatiefnemers hebben geen ambitie om de woning uit te breiden boven de maximale inhoud van 1000 m 3 . Een kwaliteitsbijdrage is in dit kader niet nodig.
15
Conform de structuurvisie mag 150 m² van de bestaande bijgebouwen blijven staan of herbouwd worden. De oppervlakte van de bestaande bijbehorende bouwwerken ligt beneden de 150 m 2 waardoor een kwaliteitsbijdrage in dit kader niet nodig is.
4.3.2 Wijzigingsbevoegdheid Conform het geldende bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling niet direct toegestaan. Voor een bestemmingswijziging naar de gewenste situatie, dient er te worden voldaan aan de voorwaarden uit artikel 3.8.5 van het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied Hors t aan de Maas’. Hieronder wordt per voorwaarde een korte motivatie gegeven. 3.8.5 Wijzigen in de bestemming 'Wonen' Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming ' Agrarisch met waarden' te wijzigen in de bestemming 'Wonen', met dien verstande dat: a. deze wijziging niet is toegestaan ter plaatse van de aanduidingen ' Overige zone ontwikkelingsgebied glastuinbouw' en/of 'overige zone - ontwikkelingsgebied TOV; Genoemde aanduidingen zijn niet van toepassing op het plangebied. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. b. de agrarische bedrijfsuitoefening is beëindigd; De agrarische bedrijfsoefening is reeds beëindigd. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. c. er sprake is van een bedrijfscomplex dat redelijkerwijs niet (meer) bruikbaar is (gebleken) c.q. kan worden gemaakt voor eigentijdse agrarische bedrijfsvoering, dan wel een locatie waar voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering ongewenst is in verband met de belasting van het milieu dan wel de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden; Ter plaatse is enkel nog een bedrijfswoning met bijgebouw aanwezig.
De locatie grenst de zuidzijde van het plangebied aan gronden die bestemd zijn als ‘Natuur’. Ook is de locatie aan de zuidkant omsloten door gebieden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Zone goudgroene natuurzone’. Om de huidige en toekomstige natuurwaarden in de omgeving veilig te stellen zijn agrarische bedrijfsactiviteiten op deze locatie niet (meer) wenselijk. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. d. de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden behouden blijven; De bestemmingswijziging heeft betrekking op een bestaande bebouwde locatie, die in het verleden in gebruik was als agrarisch bedrijf. Door de voormalige bedrijfsvoering en het huidig gebruik zijn binnen het plangebied geen landschappelijke waarden aanwezig. Dit geldt tevens voor cultuurhistorische landschapswaarden. De bestaande bebouwing wordt behouden en herbergt geen cultuurhistorische of (beschermde) architectonische waarden. Aantasting van genoemde waarden is dan ook niet aan de orde, waardoor aan deze voorwaarde wordt voldaan. e. door middel van een inrichtingsplan is aangetoond dat er sprake is van een kwaliteitsverbetering, waarbij zorg gedragen wordt voor een zorg vuldige landschappelijke inpassing of landschappelijke compensatie;
16
Het plangebied is in de huidige situatie al landschappelijk ingepast. Ter plaatse is een woning met een bijgebouw aanwezig die omgeven worden door een groene tuin. Op de perceelsgrenzen is een heg aangeplant. De tuin blijft onveranderd behouden waardoor een aanvullende landschappelijke inpassing niet noodzakelijk wordt geacht. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. f.
overige niet tot de woonfunctie behorende gronden worden bestemd als 'Agrarisch met waarden' zonder bouwvlak; Het perceel heeft een oppervlakte van 2.910 m 2 en wordt geheel gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
g. eventuele aanwezige teeltondersteunende voorzieningen en waterbassins behorende bij het (voormalige) agrarische bedrijf worden verwijderd en de bijbehorende aanduidingen worden verwijderd; Genoemde voorzieningen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. h. wonen uitsluitend is toegestaan in de bestaande bedrijfswoningen, waarbij het bestaande aantal bedrijfswoningen niet mag worden vergroot: Binnen het plangebied is één bestaande bedrijfswoning aanwezig. Deze wordt gewijzigd in één burgerwoning. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. i.
in uitzondering op het voorgaande is splitsing van rijks- of gemeentelijke monumenten, van panden zoals opgenomen in Bijlage 7 Karakteristieke panden, dan wel karakteristieke panden die zijn aangewezen in door het bevoegd gezag vastgesteld cultuurhistorisch beleid, in meerdere woningen toegestaan, met dien verstande dat: 1. het aantal woningen na splitsing niet meer bedraagt dan 3; 2. de woningsplitsing noodzakelijk is in verband met het herstel of de verbetering van de te beschermen architectonische of cultuurhistorische waarden; 3. de bestaande inhoud van de woning c.q. het pand niet wordt vergroot en de uiterlijke kenmerken behouden dienen te blijven; 4. indien het een monumentaal of karakteristiek bebouwingscluster betreft woningsplitsing in het hele cluster is toegestaan, met dien verstande dat de karakteristiek van het cluster behouden blijft; 5. de woningen na splitsing elk een inhoud te hebben van minimaal 350 m3; 6. het bouwperceel per woning maximaal 1.000 m2 bedraagt; 7. de gezamenlijke oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen niet meer bedraagt dan 150 m2; 8. de te realiseren extra woning(en) binnen het gemeentelijk wonin gbouwprogramma passen; 9. het bevoegd gezag de aanhef onder i kan wijzigen door het toevoegen of verwijderen van karakteristieke panden indien het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid wordt gewijzigd of herzien.
Er is geen sprake van splitsing in meerdere wooneenheden. Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
17
j.
de wijziging niet mag leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks - en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; Voorgenomen bestemmingswijziging leidt niet tot een onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing. In de omgeving zijn enkele agrarische bedrijven gelegen. Uit paragraaf 5.2.5 blijkt dat de afstand tussen het plangebied en deze agrarische bedrijven voldoende groo t is waardoor er in het kader van het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn. Daarnaast heeft de wijziging naar de bestemming ‘Wonen’ een positief effect op de omliggende natuurgronden doordat de milieubelasting op deze gronden af neemt . Aan deze voorwaarde wordt voldaan.
k. er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij het waterschap en de Keur van het waterschap in acht genomen dient te worden; Bij de bestemmingswijziging worden de regels uit de Keur van het waterschap Lim burg in acht genomen. Het aspect ‘Water’ is nader toegelicht in paragraaf 5.3. Aan deze voorwaarde wordt voldaan. l.
na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van Artikel 21 van overeenkomstige toepassing zijn. De locatie maakt onderdeel uit van het veegplan, waarin de bestemming ‘Wonen’ wordt toegekend. De regels van de bestemming ‘Wonen’ van het veegplan vormen het nieuwe planologisch-juridisch kader voor de locatie. Bij het opstellen van deze bestemmingsregels wordt aangesloten bij de regeling uit het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’.
18
HOOFDSTUK 5 Sectorale aspecten 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op verschillende onderzoeks - en milieuaspecten. Per sectoraal aspect is aangegeven waar rekening mee dient te worden gehouden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient per afzonderlijke aanvraag te worden getoetst of er al dan niet belemmeringen zijn te verwachten met betrekking tot de ontwikkeling.
5.2 Milieuaspecten 5.2.1 Bodem In het kader van de Wro dient aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is om een nieuwe functie te realiseren en hoe eventuele bodemverontreiniging kan worden voorkomen. In voorgenomen ontwikkeling wordt de agrarische bestemming omgezet in een woonbestemming. Aangezien dit een gevoeligere bestemming betreft dient middels een onderzoek naar de bodemkwaliteit te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor de locatie is dan ook een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd . Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen van dit bodemonderzoek weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt naar bijlage I verwezen. Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal van de bovengrond en ondergrond zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Onder de klinkerverharding van de oprit ligt een 40 cm dikke stabilisatie laag van menggranulaat (geen bodem). Deze stabilisatie laag is niet onderzocht. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verho ogd is met PAK. In de ondergrond zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met barium en nikkel.
De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgeno men bestemmingswijziging. In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit en het Handelingskader PFAS van toepassing. 19
Het freatisch grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
5.2.2 Geluid In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien binnen het plangebied geluidgevoelige functies zijn voorzien binnen de invloedssfeer/onderzoekszones van omliggende (spoor)wegen en/of industrieterreinen, een akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bij vaststelling of herziening van het bestemmingsplan of afwijking van het bestemmingsplan. Voor wat betreft wegverkeerslawaai geldt dit voor alle wegen, met uitzondering van: • wegen die in een als ‘woonerf’ aangeduid gebied liggen • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt Op basis van art. 76 lid 3 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg op een bestaande woning niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt ook het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een (burger)woning. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling en een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk.
5.2.3 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een plan draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een plan past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Ter plaatse van het plangebied dient sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit. In de Wet Milieubeheer zijn daarom grenswaarden gesteld met betrekking tot fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO 2). Fijnstof De grens voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 µg/m 3 en de grens voor de daggemiddelde concentratie bedraagt 50 µg/m 3 . Voor het vaststellen van de achtergrondconcentratie van fijnstof is de grootschalige concentratiekaart van het RIVM geraadpleegd. Hieruit blijkt dat de achtergrondconcentratie voor fijnstof op de planlocatie circa 15,49 (PM 10 ) bedraagt. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de wettelijk gestelde grenswaarden.
20
Stikstof Voor stikstofdioxide (NO 2) geldt een grenswaarde van 40 µg/m 3 voor een jaargemiddelde concentratie en 200 µg/m 3 voor een daggemiddelde concentratie. De waarde voor stikstofdioxide ter plaatse van de planlocatie bedraagt circa 13,13 µg/m 3 . Dat betekent dat ook de hoeveelheid stikstofdioxide ruim beneden de gestelde grenswaarden conform de Wet milieubeheer ligt. Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het woon - en leefklimaat op het gebied van de luchtkwaliteit aanvaardbaar kan worden geacht. Daarnaast heeft de ontwikkeling zelf geen negatief effect op de luchtkwaliteit nu sprake is van een bestaande woning en bijgebouw en de ontwikkeling ziet op het herbestemmen tot burgerwoning. Uit paragraaf 5.6.1 blijkt immers dat het aantal verkeersbewegingen als gevolg van voorgenomen ontwikkeling afneemt. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
5.2.4 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is bedoeld om mensen te beschermen tegen geuroverlast vanuit veehouderijbedrijven. In principe bepaalt de Wgv de ontwikkelingsmogelijkheden van veehouderijbedrijven op het gebied van geurbelasting. In de Wgv wordt alleen de ontwikkeling of belemmering van veehouderijbedrijven gereguleerd en vormt daarmee het toetsingskader van de veehouderijbedrijven. De wet vormt geen toetsingskader van de toelaatbaarheid van andere functies. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is aangegeven dat sprake dient te zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het is daarom noodzakelijk om tweeledig naar dit aspect te kijken. Enerzijds mag de ontwikkeling niet leiden tot een belemmering van veehouderijbedrijven, en anderzijds dient sprake te zijn van een acceptabel woon - en leefklimaat. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met een verspreidingsmodel. In de Wgv is een definitie opgenomen voor geurgevoelige objecten.
Deze definitie in combinatie met verschillende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft tot gevolg dat gesteld kan worden dat alle bebo uwing waar mensen kunnen verblijven en ook als zodanig bestemd is als gevoelig object beschouwd kunnen worden. Vaste afstanden Om te voorkomen dat de bestemmingswijziging een belemmering kan vormen voor de bedrijfsontwikkeling van omliggende (intensieve) veehouderijen is onderzocht of er voldaan kan worden aan de minimum afstand tot omliggende veehouderijen. De afstand zoals deze is vastgelegd in de handreiking geurhinder en veehouderij bedraagt ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Hier wordt in onderhavig geval ruimschoots aan voldaan. In artikel 5 van de Wgv zijn minimale afstanden opgenomen vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Buiten de 21
bebouwde kom dient deze afstand tenminste 25 meter te bedragen. De woning aan de Most 11 voldoet hier ruimschoots aan. Naast deze vaste afstand is tevens de geurbelasting van omliggende veehouderijen op de woning beoordeeld. Om te bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat op het gebied van geur, is gebruik gemaakt van de geurkaart achtergrondbelasting uit de Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij van de gemeente Horst aan de Maas (figuur 7).
Figuur 7. Uitsnede geurkaart achtergrondbelasting Geurgebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas. Plangebied rood omkaderd.
Uit de geurkaart van de gemeente Horst aan de Maas (figuur 8) blijkt dat de achtergrondbelasting geur ter plaatse van het plangebied 0-7 ouE/m 3 is en de kwaliteit van de leefomgeving als goed tot zeer goed wordt beschouwd. De bestemmingswijziging vormt dan ook geen belemmering voor eventuele uitbreidingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen en ter plaatse van het plangebied heerst een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect ‘Geur’.
5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan: een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG. In deze publicatie zijn bedrijven ingedeeld in milieucategorieën. Per bedrijfstype is indicatief aangegeven wat de afstand tot gevoelige functie dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). De aan te houden afstanden hebben betrekking op stof, geluid, gevaar en geur. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De richtafstanden welke zijn opgenomen in de VNG-publicatie worden aangehouden om te bepalen of er genoeg ruimte zit tussen bedrijven en gevoelige objecten. Deze afstanden zijn gebaseerd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. In het geval dat een locatie is gelegen binnen een ‘gemengd 22
gebied’ kunnen de richtafstanden met 1 stap worden verkleind. Een gemengd gebied heeft verschillende kenmerken. Dit kan bijvoorbeeld een lint zijn waar meerdere functies naast elkaar zijn gevestigd of een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg is gelegen. In het buitengebied kan dit een lint zijn met overwegend (agrarische) bedrijvigheid. Een gemengd gebied kent hierdoor al een hogere milieubelasting, waardoor er kleinere richtafstanden mogen worden aangehouden dan bij een rustige woonwijk. In dit geval is de planlocatie niet gelegen in een gemengd lint van (agrarische) bedrijvigheid en is er sprake van een rustig landelijk gebied. De aan te houden afstanden conform de VNGpublicatie mogen daarom niet met 1 stap worden verkleind. In dit geval zijn er op enige afstand van de planlocatie een aantal bedrijven gelegen. Hoewel de bestaande bedrijfswoning ook in de huidige situatie al maatgevend is in het kader van de milieuzonering van de bestaand e omliggende bedrijven, is in de onderstaande tabel toch de toets aan de van toepassing zijnde afstanden weergegeven. De werkelijke afstand heeft betrekking op de afstand tussen de woning aan de Most 11 en de grens van het bouwvlak waarbinnen het bedrijf i s gelegen. Adres
Soort bedrijf
Milieu-
Minimum-
Werkelijke
cat.
afstand
afstand
Voldaan?
Most 9
Grondgebonden agrarisch bedrijf
2
30 meter
90 meter
Ja
Most 10
Grondgebonden agrarisch bedrijf
2
30 meter
70 meter
Ja
Most 2a
Grondgebonden agrarisch bedrijf
2
30 meter
145 meter
Ja
Most ong.
Glastuinbouwbedrijf
2
30 meter
330 meter
Ja
Most 8
Intensieve veehouderij
4.1
200 meter
330 meter
Ja
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de aanwezige bedrijven in de omgeving voldoen aan de minimum richtafstanden. Daarnaast is, zoals hiervoor reeds vermeld, sprake van een bestande woning. Het aspect ‘Bedrijven en milieuzonering’ vormt dan ook geen belemmering voor voorgestane ontwikkeling.
5.2.6 Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s die mensen lopen als gevolg van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, transportroutes (wegen, spoorwegen en waterwegen) en buisleidingen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste besluiten zijn: • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippe n verder uitgewerkt.
23
Risiconormering In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10 -6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10 -6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag.
Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bev oegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de ‘Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico’ zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron
Wanneer groepsrisicoverantwoording?
Inrichtingen (Bevi)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied ruimtelijk besluit wordt genomen.
Buisleidingen (Bevb)
Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen 1.
Spoor-, Rijks- en waterwegen
Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of
(Bevt)
overschrijding van de oriëntatiewaarde.
1
Bij buisleidingen kan volstaan worden met een beperkte verantwoording wanneer: 1. Het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of; 2. De toename minder is dan 0,1 keer oriëntatiewaarde of; 3. Personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bev inden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.
24
In artikel 7 van het Bevt is opgenomen dat bij het toevoegen van nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten een verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. D oor het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat benodigde veiligheidverhogende maatregelen genomen zijn. Overige wet- en regelgeving Tot slot wordt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ (art . 3.1. Wro) ook getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit bijvoorbeeld het Activiteitenbesluit, effectafstanden uit de ‘Circulaire effectafstanden LPG -tankstations’ enzovoort. Toetsing Met behulp van de risicokaart is beschouwd of risicobronnen in de omgeving van het plangebied een risico vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. In figuur 8 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Figuur 8. Uitsnede risicokaart. Plangebied blauw omcirkeld.
Risicovolle inrichtingen Conform de risicokaart zijn er in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
25
Risicovol transport over wegen Conform de risicokaart vindt er over de Rijksweg A67 transport van gevaarlijke stoffen plaats. Deze transportroute is op een afstand van circa 400 meter ten zuiden van het plangebied gelegen. In de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen wordt aangegeven dat binnen 200 meter van een weg het groepsrisico betrokken moeten worden. De A67 is op een afstand groter dan 200 meter van het plangebied gelegen waardoor het risico vol transport over deze weg geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Risicovol transport over water Conform de risicokaart vindt in de nabijheid van het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over water waardoor dit aspect geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Buisleidingen Conform de risicokaart is op een afstand van circa 940 meter ten westen van het plangebied een buisleiding gelegen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Bij deze buisleiding is een risicocontour opgenomen. De afstand van het plangebied tot deze risicocontour bedraagt circa 760 meter waardoor dit geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling , nu er geen risicobronnen in de directe omgeving aanwezig zijn. Ook wijzigt het aantal kwetsbare objecten niet door de ontwikkeling.
5.3 Waterparagraaf Water verdient een belangrijke plek in de ruimtelijke planvorming. In het verleden werd het water voornamelijk gevormd en waterlopen veranderd naar de wensen van inrichter en gebruikers. De laatste jaren blijkt steeds meer dat dit kan leiden tot waterproblematiek. Hierbij kan worden gedacht aan verdrogingsverschijnselen, maar ook aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevigere weersveranderingen. Bij locatiekeuze, de (her)inrichting en het beheer van nieuwe ruimtelijke functies moeten de relevante waterhuishoudkundige aspecten worden meegenomen.
5.3.1 Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg, de Omgevingsvisie Limburg, het Provinciaal Waterplan, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleid sstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit).
26
De opgave in de Omgevingsvisie Limburg inzake het regionale water is het komen tot robuuste en natuurlijk functionerende en veerkrachtige watersystemen. Dit om risico’s op wateroverlast en watertekort te verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel te blijven. Er dient te worden voldaan aan de regionale normering voor wateroverlast. Daarnaast is het ontwikkelen van regionale, gebiedsgerichte adaptiestrategieën en het treffen van effectieve maatregelen de opgave voor he t omgaan met huidige en toekomstige watertekorten. Een belangrijke voorwaarde hierbij is de beschikbaarheid van voldoende water en de juiste kwaliteit. Op deze manier zijn problemen op het gebied van watertekort in tijden van schaarste beheersbaar en maats chappelijk acceptabel. Een van de doelen van de provincie is om wateroverlast en watertekorten in het regionale watersysteem te beperken door meer ruimte voor water beschikbaar te stellen, de sponswerking te versterken en te anticiperen op de gevolgen van de klimaatverandering. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Hierbij spelen verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces.
Ter invulling van ecologische functies stelt het waterschap onder andere dat ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (waar mogelijk) moeten worden verhoogd door peilbeheer. Tevens dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies te worden afgestemd. Naast deze ecologische functies dienen er ook mensgerichte hoofd- en nevenfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater te worden ingepast.
5.3.2 Kenmerken huidige watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied en de omgeving, kunnen beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, afvalwater en hemelwater. Grondwater Uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat de planlocatie niet is gelegen binnen een zone waarin regels voor grondwateronttrekking gelden. Dit aspect vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Oppervlaktewater In de directe omgeving van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. Ten zuiden van het plangebied, op een afstand van circa 45 meter, stroomt de ‘Groote Molenbeek’. De natuurbeken worden beschermd door regelgeving vanuit de keur van het waterschap. Activiteiten (waaronder onderhavig planvoornemen) mogen geen nadelige effect hebben op de goede werking van het watersysteem. Voorgenomen bestemmingswijziging heeft geen invloed op dimensionering van de ‘Groote Molenbeek’ en hebben ook geen nadelige effecten op de goede werking van het watersysteem. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf nemen de verontreinigingsrisico’s voor het oppervlaktewater af.
27
Afvalwater Het afvalwater afkomstig van de planlocatie zal worden geloosd op het bestaande rioleringsstelsel. De bestaande woning kan net zoals in de huidige situatie aangesloten blijven op de bestaande riolering waardoor geen belemmeringen worden verwacht ten aanzien van het afvoeren van afvalwater. Hemelwater Het Waterschap Limburg streeft ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken. Het initiatief heeft betrekking op een bestemmingswijziging van het perceel, waarbij er geen uitbreiding van bebouwing of verharding plaatsvindt. Hierdoor is er geen sprake van een toename in verhard oppervlak, wat betekent dat vanuit het oogpunt van hydrologisch neutraal ontwikkelen er geen verdere maatregelen noodzakelijk zijn. Voor de bestaande bebouwing en verharding kan de bestaande wijze van opvangen en infiltreren in stand blijven .
5.3.3 Overleg Waterschap Vooroverleg met en advies van het Waterschap Limburg maakt onderdeel uit van de watertoets. Het Waterschap Limburg heeft aangegeven dat de ondergrens van 2000 m 2 voor initiatieven waarbij nieuw afvoerend verhard oppervlak wordt gerealiseerd niet meer geldt waardoor elk ruimtelijke plan voor advies aan het Waterschap voorgelegd moet worden.
5.4 Natuur 5.4.1 Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Nederland (NNN). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Het plangebied is niet binnen een Natura 2000-gebied gelegen.
De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden betreffen ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ en ‘Groote Peel’ welke op een afstand van respectievelijk 5,45 kilometer en 11,3 kilometer van het plangebied zijn gelegen.
28
Ontwikkelingen kunnen een significant negatief effect hebben op Natura 2000 -gebieden door onder andere een aanzienlijke toename van het aantal verkeersbewegingen en sloop - en bouwwerkzaamheden. Met AERIUS calculator kan de stikstofdepositie door een ruimte lijke ontwikkeling in kaart worden gebracht. De nieuwe versie van AERIUS is sinds 10 februari 2022 beschikbaar. Met de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering op 1 juli 2021, geldt de bouwvrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Hierdoor is het uitvoeren van stikstofdepositieberekening voor de aanlegfase van voorgenomen ontwikkeling niet noodzakelijk. De voorgenomen herbestemming van Most 11 leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf is het aantal bewegingen reeds afgenomen. Ook voor de gebruiksfase is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening dan ook niet noodzakelijk.
5.4.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming en instandhouding van planten- en diersoorten die in het wild voorkomen. Daarnaast dienen alle in het wild levende planten en dieren in principe met rust te worden gelaten. Eventuele schade aan in het wild levende planten en dieren dient beperkt te worden middels het nemen van mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet voldoende is om schade te voorkomen is het verplicht de resterende schade te compenseren. De bestemmingswijziging ter plaatse van de Most 11 brengt de voorkomende planten- en diersoorten niet in gevaar. Er vindt binnen het plangebied geen sloop van bebouwing of verwijdering van groenelementen plaats waardoor het aspect ‘soortenbescherming’ geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
5.5 Archeologie en cultuurhistorie De Erfgoedwet is per 1 juli 2016 ingegaan. Deze wet bundelt bestaande wet - en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. In een bestemmi ngsplan of andersoortige planologische regeling dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. In dit plan dient aangetoond te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op de archeologische en/of cultuurhistorische waarden. In deze toelichting is een splitsing gemaakt tussen archeologie en cultuurhistorie. Archeologie is in de bodem aanwezig en is meestal niet b eleefbaar, terwijl cultuurhistorie zichtbaar en beleefbaar is in de omgeving. Op het plangebied ligt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. In het algemeen geldt hier een onderzoeksplicht voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter d an 500 m2 en dieper dan 0,5 meter. Met het planvoornemen worden de verstoringsoppervlakte en -diepte niet overschreden, waardoor deze ingreep is uitgezonderd van archeologisch onderzoek. De archeologische dubbelbestemming blijft ook in de nieuwe situatie b ehouden,